#publiuscorneliustacitus — Public Fediverse posts
Live and recent posts from across the Fediverse tagged #publiuscorneliustacitus, aggregated by home.social.
-
De Slavische volken (2) Jordanes
De Slavische volken volgens Jordanes (met dank aan Kees Huijser)[Dit is het tweede van zes blogjes over de herkomst van de Slavischsprekende volken. Het eerste was hier.]
In mijn vorige blogje verzuchtte ik: over de vroegste Germanen hebben we tenminste Latijnse teksten, hadden we die maar voor de vroegste geschiedenis van het gebied waar het Proto-Slavisch moet zijn gesproken! De eerste echte beschrijvingen van de Slavische volken dateren van het midden van de zesde eeuw na Chr., als Slavischsprekende stammen zich aandienen aan de grenzen van het Byzantijnse Rijk. Dan lezen we over Sklabenoi (Latijn Sclaveni), Antes en “Veneti”. Die laatste groep stond nog lange tijd bekend als de Wenden.
Veneti
En misschien, misschien, is er een voorgeschiedenis. De Romeinse auteurs Plinius de Oudere en Publius Cornelius Tacitus kennen namelijk ook Veneti, die ergens in het oosten woonden, voorbij de Weichsel, dus zeg maar richting Polen. Tacitus schrijft expliciet dat hij niet weet of hij deze Veneti wel moet rekenen tot de Germanen, hoewel ze in hun gewoontes en leefwijze lijken op hun westerburen.noot Tacitus, Germania 46. Voor een Romein wilde dat zeggen: het waren heel primitieve boeren, een punt dat belangrijk is voor een volgend blogje. Ze waren echter “anders” dan de Germanen en dat andere zou weleens de taal kunnen zijn geweest.
Jordanes
We hebben meer vaste grond onder de voeten in de zesde eeuw. In 551 publiceerde Jordanes een dubbel geschiedwerk: een geschiedenis van de Romeinen en een geschiedenis van de Goten. (Er is een recente vertaling van de Gentse oudheidkundigen Peter Van Nuffelen en Lieve Van Hooff.) De Getica bestond deels uit rommelig samengevoegde informatie uit oudere teksten: de naam “Geten” komt bijvoorbeeld uit de meer dan een millennium oude Historiën van Herodotos van Halikarnassos. Daaraan was informatie toegevoegd over Romes oorlog tegen de stammen aan de Beneden-Donau, die zich in de vijfde eeuw vestigden in het Romeinse Rijk. Was dit zootje gebaseerd op verouderde gegevens en op naamkundig gespeculeer, Jordanes zelf wist ook het een en ander, en de Slaven die zich in zijn eigen tijd aan de Donau aandienden, hadden evident zijn belangstelling.
Hij vertelt dat er in zijn tijd, dus midden zesde eeuw, drie Slavische volken waren, van wie hij denkt te weten dat ze afstamden van de zojuist genoemde Veneti. Dit is hetzelfde soort fantasierijke reconstructie waarmee Jordanes de Goten van zijn tijd in verband brengt met de Geten uit een grijs verleden, dus we moeten er maar niet te veel waarde aan hechten. Dat er in zijn eigen tijd meerdere Slavischsprekende stammen waren, lijkt daarentegen een feit, en de passage verdient het in zijn geheel te worden weergegeven, samen met bovenstaand landkaartje.
In het onderstaande citaat somt Jordanes op wie er ten noorden van de Beneden-Donau woonden. De door hem genoemde Gepiden leefden in wat nu Hongarije en Roemenië is en spraken geen Slavische taal, maar ik noem ze omdat Jordanes hen veronderstelt in zijn topografische beschrijving van de hen omringende Slaven.
Allereerst woont daar het volk van de Gepiden, omringd door grote en bekende rivieren. Vanuit het noorden stroomt namelijk de Tisza door hun gebied; in het zuiden ligt de grote rivier de Donau zelf. In het oosten snijdt de Proet erdoorheen, een snelstromende en kolkende rivier die woest uitmondt in de Donaustroom. Daar tussenin ligt Dacië, beschermd door de steile Karpaten, die als een kroon om het land liggen.
Naar het noorden, voorbij de westelijke toppen van dit gebergte, woont het talrijke volk van de Veneti, verspreid over een uitgestrekt gebied, beginnend bij de bron van de Weichsel. De Veneti staan tegenwoordig vooral bekend als Sclaveni en Antes, hoewel die namen verspreid liggen over verschillende stammen en plaatsen.
De Sclaveni wonen in het gebied dat zich uitstrekt van de stad Noviodunum en het meer dat Mursianus heet tot aan de Dnjestr en noordwaarts richting Weichsel. Hun nederzettingen liggen in de moerassen en bossen. De Antes … wonen verspreid, beginnend bij de bocht van de Zwarte Zee, tussen de Dnjestr en de Dnjepr, rivieren die vele dagreizen uit elkaar liggen.noot Jordanes, Getica 33-36.
Jordanes weet ook iets over de buurvolken, die hij dus niet rekent tot de Slavischsprekenden. De naam “Aesti” hieronder verwijst inderdaad naar het gebied waar nu de Esten wonen, en of er een relatie tussen die twee is, is vandaag niet aan de orde. Dat in de Vidivariërs verschillende stammen samenkomen, is denkelijk gebaseerd op niets meer dan het element “variërs” in de naam.
Aan de kust van de Oostzee, waarin de Weichsel via drie mondingen uitstroomt, wonen de Vidivariërs, die uit verschillende stammen zijn samengesteld. Vlak daarnaast bewonen de Aesti de kuststrook. Dit is een opvallend vredelievend volk. Ten zuiden van hen woont het zeer sterke volk van de Acatziri, dat geen kennis heeft van akkerbouw, maar leeft van vee en de jacht. Voorbij hen en boven de Zwarte Zee strekken de landen van de Bulgaren zich uit.noot Jordanes, Getica 36-37.
Over de Bulgaren zal ik het overmorgen hebben, maar voor het moment constateer ik dat ze blijkbaar niet golden als Slavischsprekend en woonden ten noordoosten van de Zwarte Zee.
Prokopios
Ook Jordanes’ tijdgenoot Prokopios kent de Sklabenoi bij de Donaumonding en de Antes benoorden de Zwarte Zee. De Byzantijnse geschiedschrijver vermeldt ze vooral als plunderaars. Soms biedt hij echter ook aanvullende informatie. Hij denkt bijvoorbeeld niet dat de Antes en Sklabenoi afstammen van de Veneti. In plaats daarvan noemt hij als voorouders de Sporoi, wat zoiets betekent als “de gezaaiden”. Misschien gaat dit terug op een oude scheppingsmythe. Er zijn wel meer oude volken die meenden dat de scheppergod hen had gezaaid.
In elk geval: rond het midden van de zesde eeuw leefden – althans volgens Jordanes en Prokopios – Slavischsprekende Veneti voorbij de Karpaten in de richting van de Oostzee, dus zeg maar in Polen en Wit-Rusland. Verder woonden de Sclaveni in wat wij Moldavië noemen, en waren de Antes woonachtig in zuidwestelijk Oekraïne. Deze Slaven plunderden regelmatig de Byzantijnse gebieden op de Balkan: vanaf 580 worden vrijwel jaarlijks strooptochten genoemd, soms door zelfstandig opererende groepen, soms in samenwerking met de nieuwe superfederatie van de Avaren, die rond 560 ten tonele waren verschenen.
[Deze zesdelig blog wordt morgen vervolgd.]
Ik organiseer volgend voorjaar een reis naar Bulgarije. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
De Franken
november 6, 2015
De niet zo grote volksverhuizingen
november 30, 2021
Antieke migraties en migranten (2)
augustus 24, 2020 Deel dit: #Antes #Bulgaren #Dacië #Jordanes #LieveVanHoof #Oostzee #PeterVanNuffelen #PliniusDeOudere #PubliusCorneliusTacitus #SlavischeTalen #Veneti #Weichsel #Wenden -
De Slavische volken (2) Jordanes
De Slavische volken volgens Jordanes (met dank aan Kees Huijser)[Dit is het tweede van zes blogjes over de herkomst van de Slavischsprekende volken. Het eerste was hier.]
In mijn vorige blogje verzuchtte ik: over de vroegste Germanen hebben we tenminste Latijnse teksten, hadden we die maar voor de vroegste geschiedenis van het gebied waar het Proto-Slavisch moet zijn gesproken! De eerste echte beschrijvingen van de Slavische volken dateren van het midden van de zesde eeuw na Chr., als Slavischsprekende stammen zich aandienen aan de grenzen van het Byzantijnse Rijk. Dan lezen we over Sklabenoi (Latijn Sclaveni), Antes en “Veneti”. Die laatste groep stond nog lange tijd bekend als de Wenden.
Veneti
En misschien, misschien, is er een voorgeschiedenis. De Romeinse auteurs Plinius de Oudere en Publius Cornelius Tacitus kennen namelijk ook Veneti, die ergens in het oosten woonden, voorbij de Weichsel, dus zeg maar richting Polen. Tacitus schrijft expliciet dat hij niet weet of hij deze Veneti wel moet rekenen tot de Germanen, hoewel ze in hun gewoontes en leefwijze lijken op hun westerburen.noot Tacitus, Germania 46. Voor een Romein wilde dat zeggen: het waren heel primitieve boeren, een punt dat belangrijk is voor een volgend blogje. Ze waren echter “anders” dan de Germanen en dat andere zou weleens de taal kunnen zijn geweest.
Jordanes
We hebben meer vaste grond onder de voeten in de zesde eeuw. In 551 publiceerde Jordanes een dubbel geschiedwerk: een geschiedenis van de Romeinen en een geschiedenis van de Goten. (Er is een recente vertaling van de Gentse oudheidkundigen Peter Van Nuffelen en Lieve Van Hooff.) De Getica bestond deels uit rommelig samengevoegde informatie uit oudere teksten: de naam “Geten” komt bijvoorbeeld uit de meer dan een millennium oude Historiën van Herodotos van Halikarnassos. Daaraan was informatie toegevoegd over Romes oorlog tegen de stammen aan de Beneden-Donau, die zich in de vijfde eeuw vestigden in het Romeinse Rijk. Was dit zootje gebaseerd op verouderde gegevens en op naamkundig gespeculeer, Jordanes zelf wist ook het een en ander, en de Slaven die zich in zijn eigen tijd aan de Donau aandienden, hadden evident zijn belangstelling.
Hij vertelt dat er in zijn tijd, dus midden zesde eeuw, drie Slavische volken waren, van wie hij denkt te weten dat ze afstamden van de zojuist genoemde Veneti. Dit is hetzelfde soort fantasierijke reconstructie waarmee Jordanes de Goten van zijn tijd in verband brengt met de Geten uit een grijs verleden, dus we moeten er maar niet te veel waarde aan hechten. Dat er in zijn eigen tijd meerdere Slavischsprekende stammen waren, lijkt daarentegen een feit, en de passage verdient het in zijn geheel te worden weergegeven, samen met bovenstaand landkaartje.
In het onderstaande citaat somt Jordanes op wie er ten noorden van de Beneden-Donau woonden. De door hem genoemde Gepiden leefden in wat nu Hongarije en Roemenië is en spraken geen Slavische taal, maar ik noem ze omdat Jordanes hen veronderstelt in zijn topografische beschrijving van de hen omringende Slaven.
Allereerst woont daar het volk van de Gepiden, omringd door grote en bekende rivieren. Vanuit het noorden stroomt namelijk de Tisza door hun gebied; in het zuiden ligt de grote rivier de Donau zelf. In het oosten snijdt de Proet erdoorheen, een snelstromende en kolkende rivier die woest uitmondt in de Donaustroom. Daar tussenin ligt Dacië, beschermd door de steile Karpaten, die als een kroon om het land liggen.
Naar het noorden, voorbij de westelijke toppen van dit gebergte, woont het talrijke volk van de Veneti, verspreid over een uitgestrekt gebied, beginnend bij de bron van de Weichsel. De Veneti staan tegenwoordig vooral bekend als Sclaveni en Antes, hoewel die namen verspreid liggen over verschillende stammen en plaatsen.
De Sclaveni wonen in het gebied dat zich uitstrekt van de stad Noviodunum en het meer dat Mursianus heet tot aan de Dnjestr en noordwaarts richting Weichsel. Hun nederzettingen liggen in de moerassen en bossen. De Antes … wonen verspreid, beginnend bij de bocht van de Zwarte Zee, tussen de Dnjestr en de Dnjepr, rivieren die vele dagreizen uit elkaar liggen.noot Jordanes, Getica 33-36.
Jordanes weet ook iets over de buurvolken, die hij dus niet rekent tot de Slavischsprekenden. De naam “Aesti” hieronder verwijst inderdaad naar het gebied waar nu de Esten wonen, en of er een relatie tussen die twee is, is vandaag niet aan de orde. Dat in de Vidivariërs verschillende stammen samenkomen, is denkelijk gebaseerd op niets meer dan het element “variërs” in de naam.
Aan de kust van de Oostzee, waarin de Weichsel via drie mondingen uitstroomt, wonen de Vidivariërs, die uit verschillende stammen zijn samengesteld. Vlak daarnaast bewonen de Aesti de kuststrook. Dit is een opvallend vredelievend volk. Ten zuiden van hen woont het zeer sterke volk van de Acatziri, dat geen kennis heeft van akkerbouw, maar leeft van vee en de jacht. Voorbij hen en boven de Zwarte Zee strekken de landen van de Bulgaren zich uit.noot Jordanes, Getica 36-37.
Over de Bulgaren zal ik het overmorgen hebben, maar voor het moment constateer ik dat ze blijkbaar niet golden als Slavischsprekend en woonden ten noordoosten van de Zwarte Zee.
Prokopios
Ook Jordanes’ tijdgenoot Prokopios kent de Sklabenoi bij de Donaumonding en de Antes benoorden de Zwarte Zee. De Byzantijnse geschiedschrijver vermeldt ze vooral als plunderaars. Soms biedt hij echter ook aanvullende informatie. Hij denkt bijvoorbeeld niet dat de Antes en Sklabenoi afstammen van de Veneti. In plaats daarvan noemt hij als voorouders de Sporoi, wat zoiets betekent als “de gezaaiden”. Misschien gaat dit terug op een oude scheppingsmythe. Er zijn wel meer oude volken die meenden dat de scheppergod hen had gezaaid.
In elk geval: rond het midden van de zesde eeuw leefden – althans volgens Jordanes en Prokopios – Slavischsprekende Veneti voorbij de Karpaten in de richting van de Oostzee, dus zeg maar in Polen en Wit-Rusland. Verder woonden de Sclaveni in wat wij Moldavië noemen, en waren de Antes woonachtig in zuidwestelijk Oekraïne. Deze Slaven plunderden regelmatig de Byzantijnse gebieden op de Balkan: vanaf 580 worden vrijwel jaarlijks strooptochten genoemd, soms door zelfstandig opererende groepen, soms in samenwerking met de nieuwe superfederatie van de Avaren, die rond 560 ten tonele waren verschenen.
[Deze zesdelig blog wordt morgen vervolgd.]
#Antes #Bulgaren #Dacië #Jordanes #LieveVanHoof #Oostzee #PeterVanNuffelen #PliniusDeOudere #PubliusCorneliusTacitus #SlavischeTalen #Veneti #Weichsel #Wenden -
Veleda
Veleda (Walhalla, Regensburg)Vandaag blogje numero 7500, en ik wijd het aan een van de grote vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis: Veleda. De enige keer dat ik iets zag dat in de verte leek op een standbeeld, was een reliëf in Regensburg, in het Walhalla. Maar misschien moeten we daar eens verandering in gaan brengen.
Om te beginnen: Veleda was (althans volgens de Romeinse auteur Publius Cornelius Tacitus) een van de belangrijkste personages uit de Bataafse Opstand, namelijk de profetes die de diverse Germaanse groepen het vertrouwen gaf voor de strijd tegen Rome. Zelf behoorde ze tot de Bructeren, die leefden van de Achterhoek tot aan de Lippe in Duitsland.
Germaanse profetessen
Profetessen stonden bij de Germanen in hoog aanzien. Tacitus meldt:
Vrouwen hebben volgens de Germanen iets sacraals en profetisch. Hun adviezen worden niet ter zijde geschoven, hun uitspraken niet genegeerd. Onder de regering van de goddelijke Vespasianus hebben wij kunnen zien hoe Veleda lange tijd bij zeer velen doorging voor een goddelijk wezen.noot Tacitus, Germania 8; vert. Vincent Hunink.
Tacitus kent meer van dit soort heilige vrouwen, maar Veleda, die haar leven in Italië eindigde, was de bekendste, althans bij Tacitus’ lezers in Italië. Haar naam zou heel goed een titel kunnen zijn. Olivier van Renswoude (van Taaldacht) schrijft me dat Veleda een Latijnse weergave moet zijn van het Germaanse *Weledō, met de klemtoon op de eerste lettergreep, wat zoiets als “zieneres” betekent. Maar of het nu een naam of een titel was: in elk geval was Veleda een vrouw met invloed.
Eén voorbeeld is dat de inwoners van de Romeinse stad Keulen haar bemiddeling accepteerden in een conflict met de Tencteri, een Germaanse groep aan de andere, “vrije” zijde van de Rijn.noot Tacitus, Historiën 4.65. Haar gezag oversteeg dus de tegenstelling tussen Romeins en niet-Romeins.
De Bataafse Opstand
Veleda is ons vooral bekend omdat ze de Bataven en hun bondgenoten aanspoorde zich tegen de legioenen te verzetten en succes beloofde. In maart 70 na Chr. werden de voorspelde successen werkelijkheid: de Bataafse leider Julius Civilis veroverde de legioenbasis bij Xanten. De commandant van het Romeinse garnizoen, Munius Lupercus, werd gevangen genomen en naar Veleda gestuurd. Tacitus legt uit:
Veleda was een invloedrijke, ongehuwde vrouw uit het volk van de Bructeri. Aloud Germaans gebruik: tal van vrouwen gelden er als profetessen en, bij toenemend bijgeloof, godinnen. Veleda’s gezag was toen op zijn hoogtepunt. Zij had namelijk het Germaanse succes en de ondergang van de legioenen voorspeld.noot Tacitus, Historiën 4.61; vert. Vincent Hunink.
Munius Lupercus werd echter nooit haar slaaf: hij werd op weg naar Veleda vermoord. We weten niet waarom. Enkele maanden later veroverden de Bataven het vlaggenschip van de Romeinse marine, dat zij vervolgens aan de profetes cadeau deden.noot Tacitus, Historiën 5.22.
Deze twee cadeaus – een slaaf en een schip – werden gestuurd naar een residentie aan de Lippe, dus naar een plek die vanaf het krijgstoneel makkelijk viel te bereiken. Tacitus omschrijft die residentie als turris, een hoog gebouw, en noteert dat haar bezoekers haar nooit zagen, wat hij uitlegt als moedwillige geheimzinnigdoenerij die haar prestige moest vergroten.noot Tacitus, Historiën 4.65. Gegeven het feit dat Veleda bevelen kon geven aan Julius Civilis,noot Sommige Bataven merkten op dat het eervoller was bevelen aan te nemen van een man, zelfs als het een Romein was, dan van een vrouw. moeten we aannemen dat turris hier zoiets als hoofdkwartier betekent. Later vinden we haar verder westelijk: het was in elk geval vanuit de Betuwe dat de Romeinse commandant Quintus Petillius Cerialis onderhandelingen met haar opende.noot Tacitus, Historiën 5.24.
In ballingschap
Niet lang na het neerslaan van de Bataafse Opstand nam de Romeinse generaal Gaius Rutilius Gallicus Veleda gevangen.noot Statius, Silvae 1.4.89. Dat gebeurde op zijn laatst in 77. De aanleiding is onbekend, maar er kan worden opgemerkt dat de Romeinen in 83 of 84 de Bructeren dwongen een nieuwe, pro-Romeinse koning te aanvaarden en dat keizer Domitianus de regio bezocht. De Romeinen kunnen de Bructeren al eerder als vazallen hebben beschouwd: dat was vrij normaal.
Veleda werd in de omgeving van Rome in verzekerde bewaring gehouden. Een Grieks epigram uit Ardea, even ten zuiden van Rome, bespot Veleda’s profetische gaven.noot Année Épigraphique 1953, 25. Er is wel beweerd dat dit erop wijst dat Ardea haar gevangenis was, maar dat is verre van zeker. Het betekent wel dat Veleda een algemeen bekend figuur was; Tacitus kon haar, zoals gezegd, bij zijn lezers bekend veronderstellen.
En het is nogal wat, wat ze presteerde: de Romeinse generaal die de Bataafse Opstand kwam onderdrukken, onderhandelde met háár. Ze is een van de vroegste “grote vrouwen” uit de geschiedenis van de Lage Landen. Chris Houtman wijdde nog onlangs een trilogie aan haar: De Veleda-voorspelling (2020), De Veleda-vloek (2020), De Veleda-erfenis (2021). Je zou denken: er zijn weleens standbeelden opgericht om minder. Misschien moeten we toch eens denken aan een monumentje in Winterswijk of zo.
#BataafseOpstand #Bructeren #ChrisHoutman #Domitianus #GaiusRutiliusGallicus #Lippe #OlivierVanRenswoude #PubliusCorneliusTacitus #QuintusPetilliusCerialis #Tencteri #Veleda -
Zes vragen aan Renske Janssen
Renske JanssenDe vaste lezers van deze blog kennen de rubriek waarin dit de alweer zesde aflevering is: we laten oudheidkundigen aan het woord over hun onderzoek en hun visie op het wetenschappelijk proces. Vandaag is het woord aan rechtshistorica Renske Janssen, die eerder een bekroond proefschrift schreef over de juridische kant van de vervolging van joden, waarzeggers en christenen, Marginalized Religion and the Law in the Roman Empire. Ze is tevens de initiatiefnemer van de vlogserie Wegen naar Rome.
Wat bestudeert u?
De toepassing van het recht in een Romeinse provincie: de Gnomon van de Idios Logos (klik=groot; Neues Museum, Berlijn)
Ik werk aan recht en bestuur in het Romeinse Rijk, met name de periode tussen ca. 100 v.Chr. en 250 na Chr. Ik ben vooral geïnteresseerd in hoe het recht in de dagelijkse praktijk werkte en hoe mensen die geen juridische experts waren daarover nadachten. Aan welke criteria moest een goede wet volgens hen voldoen, wiens belangen moest het recht beschermen en in welke mate bestond er voor hen een verband tussen recht en rechtvaardigheid? De situatie in de Romeinse provincies is hierbij bijzonder interessant. Als Rome de macht over een bepaald gebied overnam, betekende dat niet dat lokaal recht en bestuur ook meteen werd vervangen – sterker nog, dat zou waarschijnlijk erg onpraktisch zijn geweest. Dat betekent dus dat we niet alleen over de keizer en de gouverneur moeten nadenken als we willen weten hoe de Romeinse wereld functioneerde, maar ook over de rol van de lokale bevolking.Momenteel werk ik bovendien in het kader van het onderzoeksprogramma Anchoring Innovation aan een project over de recente ontwikkelingen in dit vakgebied – een soort ‘levende wetenschapsgeschiedenis’. Mijn interesse in de juridische levens van ‘gewone’ inwoners van het Romeinse Rijk is deel van een bredere beweging in de oudheidwetenschappen, waarin steeds meer gekeken wordt naar mensen die niet tot de elite behoorden. Voor dit project bestudeer ik hoe mijn collega’s die ook aan Romeins Recht en bestuur werken nadenken over ons vakgebied, en hoe ze nieuwe ideeën in hun werk presenteren.
Wat doet u nou concreet?
Een groot deel van mijn onderzoek bestaat uit het verzamelen en het heel precies lezen van het werk van anderen – mensen uit de Oudheid, maar ook andere wetenschappers.Dit proces begint meestal achter mijn laptop: welke bronnen uit de Oudheid hebben we over een bepaald onderwerp en is daar onlangs misschien nog iets interessants bij gekomen? Voor mensen die aan recht in het Romeinse Rijk werken zijn teksten op papyrus vaak een heel belangrijke bron, omdat ze ons de echte praktijk laten zien (bijvoorbeeld van een rechtszaak over erfrecht tussen een Egyptische vrouw en haar vader). Nog steeds worden er regelmatig nieuwe teksten uitgegeven, dus het is belangrijk om goed op de hoogte te blijven.
Ik maak zelf graag spreadsheets van de bronnen die ik voor een bepaald onderzoek gebruik, bij voorkeur in Excel, zodat ik een goed overzicht krijg van welke thema’s vaker terugkomen, en wat dus interessant kan zijn. Toen ik begon aan mijn project over de rol van het recht in de werken van de Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus, heb ik dus eerst alle teksten die we van hem over hebben helemaal doorgelezen, en meer dat 350 passages verzameld waarin het recht een rol speelt.
Daarnaast is het ook belangrijk om te kijken naar wat collega’s al over een bepaald onderwerp hebben gezegd. Wetenschap is nooit een soloproject: je bouwt altijd voort op de ideeën van anderen, kijkt waar de gaten zitten (bijvoorbeeld door nieuw materiaal te bespreken of door met een andere blik naar dat materiaal te kijken) en probeert zo meer te weten te komen over hoe het leven in de antieke wereld eruit zag.
Dit laatste aspect van onderzoek doen is extra belangrijk in mijn huidige project over ontwikkelingen in het vakgebied – daarbij draait het immers om wat mijn collega’s hebben gezegd, en hoe ze het zeggen. Hiervoor lees ik dus niet alleen recente en minder recente publicaties, maar neem ik ook interviews af om te kijken hoe wetenschappers zelf op hun werk reflecteren. Het is goed om te merken dat veel van de mensen met wie ik contact opneem bereid zijn om mee te werken, en dat ze de meerwaarde inzien van een project dat reflecteert op hoe we eigenlijk ‘wetenschap doen’.
Wat is de voornaamste hindernis bij uw onderzoek?
Aan de ene kant zijn er de gebruikelijke hindernissen van historisch onderzoek. De bronnen over de Oudheid die we over hebben zijn altijd een (bewuste of toevallige) selectie. Daardoor weet je nooit of je nu echt alleen relevante informatie in handen hebt. Met merendeel van de papyrusteksten die ik al noemde komt bijvoorbeeld uit Egypte, omdat ze daar beter bewaard blijven – maar weten we wel zeker dat recht in Egypte op dezelfde manier werkte als in de rest van het Romeinse Rijk?Aan de andere kant zijn er ook meer basale moeilijkheden. Zoals veel collega’s die aan het (relatieve) begin van hun wetenschappelijke carrière staan, heb ik geen vaste baan. Dat betekent dat ik vaak niet zeker weet of ik volgend collegejaar nog wel werk heb, en of ik door zal kunnen gaan met mijn onderzoek. Dat soort precariteit en onzekerheid kan veel stress opleveren – en stress is zelden goed voor je onderzoek.
Hoe vergroot dit welk inzicht?
Het recht is voor mij zo interessant omdat het niet alleen een praktisch effect had (of moest hebben) op het dagelijks leven van mensen in de Oudheid, maar ons ook kan helpen om te onderzoeken hoe ze nadachten over concepten als macht, autoriteit, moraliteit en rechtvaardigheid. Hoewel de parallellen nooit één op één zijn, kunnen we aan de hand daarvoor ook reflecteren op hoe we zelf naar het recht kijken: waarin zijn we het eens met mensen uit de Oudheid, en waarin juist niet?De groeiende belangstelling voor de ervaringen van mensen die niet tot de elite behoorden, zorgt er bovendien voor dat ons beeld van de Oudheid steeds veelzijdiger (en daardoor wat mij betreft interessanter) wordt. Hoewel dat de antieke wereld in zekere zin ingewikkelder maakt, brengt iedere historische complicatie ons denk ik ook verder: net als vandaag de dag is een simpel, eenduidig verhaal bijna nooit helemaal waar.
Welk boek over uw onderwerp zou eigenlijk iedereen moeten lezen?
Gezien de veelzijdigheid van het vakgebied is het moeilijk om één titel te noemen, maar twee interessante en leerzame overzichtswerken zijn The Oxford Handbook of Roman Law and Society (2016) van Paul du Plessis, Clifford Ando en Kaius Tuori en Law in the Roman Provinces (2020) van Kimberley Czajkowski, Benedikt Eckhardt en Meret Strothmann. Voor een heel interessante en kritische reflectie op de verschuivingen in oudheidstudies als vakgebied: Danielle Lambert, Decolonizing Roman Imperialism. The Study of Rome, Romanization, and the postcolonial Lens (2024).Is er iets dat u zelf nog kwijt wil?
Ik denk dat de verschillende oudheidwetenschappen elkaar heel erg nodig hebben. Iedereen, van juristen tot historici, van papyrologen tot taalkundigen en van letterkundigen tot archeologen, heeft een eigen waardevolle expertise, en al die expertises dragen op hun eigen manier bij tot een breder én dieper begrip van de oudheid. Door over de grenzen van mijn eigen sub-discipline heen te kijken, ben ik nóg enthousiaster geworden over ons gezamenlijke vakgebied.***
Renske Janssen is momenteel verbonden als docent/onderzoeker aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.
Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
Antonijnse Epidemie
augustus 27, 2025
De mozaïeken van Byblos
oktober 7, 2022
Limes-koekjes
maart 12, 2016 Deel dit: #AnchoringInnovation #PubliusCorneliusTacitus #RomeinsRecht #zesVragen -
Zes vragen aan Renske Janssen
Renske JanssenDe vaste lezers van deze blog kennen de rubriek waarin dit de alweer zesde aflevering is: we laten oudheidkundigen aan het woord over hun onderzoek en hun visie op het wetenschappelijk proces. Vandaag is het woord aan rechtshistorica Renske Janssen, die eerder een bekroond proefschrift schreef over de juridische kant van de vervolging van joden, waarzeggers en christenen, Marginalized Religion and the Law in the Roman Empire. Ze is tevens de initiatiefnemer van de vlogserie Wegen naar Rome.
Wat bestudeert u?
De toepassing van het recht in een Romeinse provincie: de Gnomon van de Idios Logos (klik=groot; Neues Museum, Berlijn)
Ik werk aan recht en bestuur in het Romeinse Rijk, met name de periode tussen ca. 100 v.Chr. en 250 na Chr. Ik ben vooral geïnteresseerd in hoe het recht in de dagelijkse praktijk werkte en hoe mensen die geen juridische experts waren daarover nadachten. Aan welke criteria moest een goede wet volgens hen voldoen, wiens belangen moest het recht beschermen en in welke mate bestond er voor hen een verband tussen recht en rechtvaardigheid? De situatie in de Romeinse provincies is hierbij bijzonder interessant. Als Rome de macht over een bepaald gebied overnam, betekende dat niet dat lokaal recht en bestuur ook meteen werd vervangen – sterker nog, dat zou waarschijnlijk erg onpraktisch zijn geweest. Dat betekent dus dat we niet alleen over de keizer en de gouverneur moeten nadenken als we willen weten hoe de Romeinse wereld functioneerde, maar ook over de rol van de lokale bevolking.Momenteel werk ik bovendien in het kader van het onderzoeksprogramma Anchoring Innovation aan een project over de recente ontwikkelingen in dit vakgebied – een soort ‘levende wetenschapsgeschiedenis’. Mijn interesse in de juridische levens van ‘gewone’ inwoners van het Romeinse Rijk is deel van een bredere beweging in de oudheidwetenschappen, waarin steeds meer gekeken wordt naar mensen die niet tot de elite behoorden. Voor dit project bestudeer ik hoe mijn collega’s die ook aan Romeins Recht en bestuur werken nadenken over ons vakgebied, en hoe ze nieuwe ideeën in hun werk presenteren.
Wat doet u nou concreet?
Een groot deel van mijn onderzoek bestaat uit het verzamelen en het heel precies lezen van het werk van anderen – mensen uit de Oudheid, maar ook andere wetenschappers.Dit proces begint meestal achter mijn laptop: welke bronnen uit de Oudheid hebben we over een bepaald onderwerp en is daar onlangs misschien nog iets interessants bij gekomen? Voor mensen die aan recht in het Romeinse Rijk werken zijn teksten op papyrus vaak een heel belangrijke bron, omdat ze ons de echte praktijk laten zien (bijvoorbeeld van een rechtszaak over erfrecht tussen een Egyptische vrouw en haar vader). Nog steeds worden er regelmatig nieuwe teksten uitgegeven, dus het is belangrijk om goed op de hoogte te blijven.
Ik maak zelf graag spreadsheets van de bronnen die ik voor een bepaald onderzoek gebruik, bij voorkeur in Excel, zodat ik een goed overzicht krijg van welke thema’s vaker terugkomen, en wat dus interessant kan zijn. Toen ik begon aan mijn project over de rol van het recht in de werken van de Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus, heb ik dus eerst alle teksten die we van hem over hebben helemaal doorgelezen, en meer dat 350 passages verzameld waarin het recht een rol speelt.
Daarnaast is het ook belangrijk om te kijken naar wat collega’s al over een bepaald onderwerp hebben gezegd. Wetenschap is nooit een soloproject: je bouwt altijd voort op de ideeën van anderen, kijkt waar de gaten zitten (bijvoorbeeld door nieuw materiaal te bespreken of door met een andere blik naar dat materiaal te kijken) en probeert zo meer te weten te komen over hoe het leven in de antieke wereld eruit zag.
Dit laatste aspect van onderzoek doen is extra belangrijk in mijn huidige project over ontwikkelingen in het vakgebied – daarbij draait het immers om wat mijn collega’s hebben gezegd, en hoe ze het zeggen. Hiervoor lees ik dus niet alleen recente en minder recente publicaties, maar neem ik ook interviews af om te kijken hoe wetenschappers zelf op hun werk reflecteren. Het is goed om te merken dat veel van de mensen met wie ik contact opneem bereid zijn om mee te werken, en dat ze de meerwaarde inzien van een project dat reflecteert op hoe we eigenlijk ‘wetenschap doen’.
Wat is de voornaamste hindernis bij uw onderzoek?
Aan de ene kant zijn er de gebruikelijke hindernissen van historisch onderzoek. De bronnen over de Oudheid die we over hebben zijn altijd een (bewuste of toevallige) selectie. Daardoor weet je nooit of je nu echt alleen relevante informatie in handen hebt. Met merendeel van de papyrusteksten die ik al noemde komt bijvoorbeeld uit Egypte, omdat ze daar beter bewaard blijven – maar weten we wel zeker dat recht in Egypte op dezelfde manier werkte als in de rest van het Romeinse Rijk?Aan de andere kant zijn er ook meer basale moeilijkheden. Zoals veel collega’s die aan het (relatieve) begin van hun wetenschappelijke carrière staan, heb ik geen vaste baan. Dat betekent dat ik vaak niet zeker weet of ik volgend collegejaar nog wel werk heb, en of ik door zal kunnen gaan met mijn onderzoek. Dat soort precariteit en onzekerheid kan veel stress opleveren – en stress is zelden goed voor je onderzoek.
Hoe vergroot dit welk inzicht?
Het recht is voor mij zo interessant omdat het niet alleen een praktisch effect had (of moest hebben) op het dagelijks leven van mensen in de Oudheid, maar ons ook kan helpen om te onderzoeken hoe ze nadachten over concepten als macht, autoriteit, moraliteit en rechtvaardigheid. Hoewel de parallellen nooit één op één zijn, kunnen we aan de hand daarvoor ook reflecteren op hoe we zelf naar het recht kijken: waarin zijn we het eens met mensen uit de Oudheid, en waarin juist niet?De groeiende belangstelling voor de ervaringen van mensen die niet tot de elite behoorden, zorgt er bovendien voor dat ons beeld van de Oudheid steeds veelzijdiger (en daardoor wat mij betreft interessanter) wordt. Hoewel dat de antieke wereld in zekere zin ingewikkelder maakt, brengt iedere historische complicatie ons denk ik ook verder: net als vandaag de dag is een simpel, eenduidig verhaal bijna nooit helemaal waar.
Welk boek over uw onderwerp zou eigenlijk iedereen moeten lezen?
Gezien de veelzijdigheid van het vakgebied is het moeilijk om één titel te noemen, maar twee interessante en leerzame overzichtswerken zijn The Oxford Handbook of Roman Law and Society (2016) van Paul du Plessis, Clifford Ando en Kaius Tuori en Law in the Roman Provinces (2020) van Kimberley Czajkowski, Benedikt Eckhardt en Meret Strothmann. Voor een heel interessante en kritische reflectie op de verschuivingen in oudheidstudies als vakgebied: Danielle Lambert, Decolonizing Roman Imperialism. The Study of Rome, Romanization, and the postcolonial Lens (2024).Is er iets dat u zelf nog kwijt wil?
Ik denk dat de verschillende oudheidwetenschappen elkaar heel erg nodig hebben. Iedereen, van juristen tot historici, van papyrologen tot taalkundigen en van letterkundigen tot archeologen, heeft een eigen waardevolle expertise, en al die expertises dragen op hun eigen manier bij tot een breder én dieper begrip van de oudheid. Door over de grenzen van mijn eigen sub-discipline heen te kijken, ben ik nóg enthousiaster geworden over ons gezamenlijke vakgebied.***
Renske Janssen is momenteel verbonden als docent/onderzoeker aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Een overzicht van de rubriek “zes vragen” is hier.
#AnchoringInnovation #PubliusCorneliusTacitus #RomeinsRecht #zesVragen -
Op weg naar Kalkriese
Een kunstwerk dat de Slag in het Teutoburgerwoud verbeeldt (Osnabrück)Het regent en het is augustus, en ik wilde vandaag fietsen van Osnabrück (waar ik dit schrijf) naar Kalkriese (zeg maar de plek van de slag in het Teutoburgerwoud). Daar wilde ik de tijdelijke expositie van de voorwerpen uit Nydam en het Thorsberger Moor bezoeken, waarover ik nog verslag aan u zal doen. Maar ik wilde ook kijken wat er op dit moment wordt verteld over het lopende archeologische onderzoek in Kalkriese, want er zijn nogal wat verrassende resultaten.
Nieuwe archeologische vondsten
Concreet zijn daar eind jaren tachtig allerlei militaria gevonden, die vrijwel zeker behoren bij de Romeinse nederlaag. Op een smal stuk land tussen een heuvel in het zuiden en een moeras in het noorden, lijkt een Romeins leger, waaronder het eerste cohort van een legioen (de stafeenheid) in moeilijkheden te zijn geraakt. Er waren ook vrouwen en andere burgers aanwezig. Ten zuiden van dit smalle stuk land is een aarden wal gevonden waarvandaan – zo luidde de eerste interpretatie – Germaanse krijgers de Romeinen bestookten. Heel suggestief was de verspreiding van de vondsten: in de vorm van een >-. Dat duidde op een leger, komend uit het oosten en op weg naar het westen, dat in de linkerflank werd aangevallen en uiteenviel. Eén deel trok noordwestwaarts, een ander deel zuidwestwaarts.
Die >- werd in de jaren negentig veel genoemd, maar verdween uit beeld. Ik weet niet waarom. Misschien durfden de opgravers, terecht beducht voor al te spectaculaire conclusies, niet hardop te beweren dat dit de plek was geweest van de voornaamste aanval, waar een enorme leger uiteen werd geslagen. Misschien kwamen er zó veel vondsten bij dat het >-patroon verdween. Ik hoop snel te vernemen wat en hoe.
En toen werd ontdekt dat die wal niet door Germanen was aangelegd, maar door Romeinse soldaten. Vervolgens ontdekten ze dat er nog een tweede wal was. Ik weet niet hoe je de herkomst van de bouwers van een wal aan de resten van de plaggen kunt herkennen, maar misschien gaat het niet alleen om een wal, maar ook om een greppel, en wellicht zijn er sporen van staken. In elk geval ligt nu een andere hypothese ter tafel: dat een Romeins kamp is gevonden dat door Germanen onder de voet is gelopen. Dat zou helpen verklaren waarom Romeinse militaria aan de binnenzijde van de wal zijn gevonden: geen Germaanse Beutesammelstelle maar gewoon het Romeinse kamp. Ik wil er meer over weten, moet mijn kennis opfrissen en zal u dus verslag doen.
***
Verder noem ik nog zes misverstanden over de slag in het Teutoburgerwoud.
Eén: Germania bleef door deze zege onafhankelijk
Germania bleef inderdaad onafhankelijk, en het Latijnse taalgebied breidde zich niet uit over de Rijn. Maar dat kwam niet door deze overwinning. De Romeinen bleven de oostelijke Rijnoever controleren: lees maar hier. De slag in het Teutoburgerwoud was zeker niet, zoals nog steeds wordt beweerd, de dag waarop Duitsland ontstond.Twee: het Teutoburgwoud was een woud
Nee, het was een saltus, en dat kan van alles betekenen. Dat de de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus er een silva van maakt, betekent alleen dat Tacitus saltus uitlegde als een woud. Tacitus is echter elimineerbaar ten opzichte van zijn bron, waarin dus saltus stond. Wat dat was: we weten het niet, maar als Kalkriese inderdaad de plek was van het (deel)gevecht waarover Tacitus ons informeert, zet ik mijn geld op een betekenis als engte.Drie: de slag in het Teutoburgerwoud was één gevecht
Mogelijk maar niet heel waarschijnlijk. De Romeinen waren op allerlei plaatsen gestationeerd. Veel aannemelijker is dat die posten tegelijk, op een afgesproken dag zijn aangevallen. Onze bronnen – vooral Marcus Velleius Paterculus en Cassius Dio – gaan terug op ooggetuigenverslagen van Romeinse soldaten die zich een weg terug baanden naar veiligheid. Er is geen reden aan te nemen dat ze het hebben over één en dezelfde legergroep. Ik zou nooit meer zo schrijven over dit gevecht als ik deed op LiviusOrg. Voortschrijdend inzicht.Vier: 20.000 man kwamen om het leven
Nee. Er vielen veel doden, waaronder generaal Publius Quinctilius Varus, en drie legioenen hielden administratief op te bestaan. Het was zeker een voor de Romeinen pijnlijke nederlaag. Maar duizenden soldaten deden garnizoensdienst in forten aan de Rijn, in Haltern of in het mysterieuze fort Aliso. Hun eenheden waren onteerd en werden dus ontbonden, maar Rome had de soldaten hard nodig. Hen ontslaan vergrootte de problemen, maar ze moesten wel een demotie krijgen. De oplossing was om ze over te plaatsen naar de hulptroepen. Die werden traditioneel gerekruteerd onder de bondgenoten en waren geen Romeinen; door de legionairs daar te plaatsen, voelden ze de demotie. Hun persoonlijke burgerrecht mochten ze behouden, en dus formeerde Rome (niet voor het eerst) enkele Cohortes civium Romanorum. Deze hypothese is plausibel, maar niet bewezen. Maar 20.000 doden? Dat is zeker niet plausibel.Vijf: Regen
Cassius Dio schrijft dat de Romeinse, zwaarbewapende legionairs zich, doordat hun schilden te zwaar waren geworden door de regen, niet te weer konden stellen tegen de lichte Germaanse krijgers. Het is een raadsel wat Dio kan bedoelen. Experimenten hebben bewezen dat Romeinse schilden nauwelijks vocht opnamen en niet zwaarder werden. Misschien heeft de door Dio gebruikte bron iets anders bedoeld, dat Dio niet heeft begrepen.Zes: Haltern is Aliso
De naam Aliso wordt vermeld door enkele auteurs, en Cassius Dio suggereert dat de stichting plaatsvond toen generaal Drusus in 11 v.Chr. terugkeerde van de Wezer.noot Cassius Dio, Romeinse geschiedenis 54.33.5. Als hij zich niet vergist, is Aliso niet Haltern, zoals het Westfälisches Römermuseum sinds kort claimt, maar vermoedelijk Oberaden, dat in dat jaar is gesticht.***
Goed. Het regent nog steeds. Dat zal toevoegen aan de sfeer als ik eenmaal ter plekke ben. Maar nu moet ik eerst eens uitzoeken hoe ik met de bus in Kalkriese kom.
#CassiusDio #Haltern #Kalkriese #MarcusVelleiusPaterculus #Nydam #Oberaden #PubliusCorneliusTacitus #PubliusQuinctiliusVarus #slagInHetTeutoburgerwoud #ThorsbergerMoor -
De schat van Villena
De schat van Villena, kopie van enkele voorwerpen (Archeologisch Museum, Madrid)De economie is instabiel, de goudprijs gaat door het dak, dus het is lucratief een archeologisch museum te overvallen en daar wat goud te jatten. Vorige maand gebeurde dat met voorwerpen uit Vix en vorig jaar was er uiteraard de diefstal van de helm van Coțofenești.
De ironie wil dat deze kwetsbaarheid erger wordt naarmate het beleid beter is. Je legt originele voorwerpen liefst zo dicht mogelijk bij de vindplaats, waar ze (jonge) mensen het meest inspireren en liefde voor het verleden bijbrengen. Dan liggen kostbaarheden echter in kleine musea, die vaak te weinig geld hebben voor afdoende bewaking. Het alternatief is nog erger: alles op een beperkt aantal plekken neerleggen waar ze wel bewaakt kunnen worden. Maar ja, als alle bijzondere voorwerpen op één plaats liggen, valt een object dat lokaal mensen had kunnen inspireren, niet werkelijk op. Dan is het alleen maar een etalage van rijkdommen. Ook leuk, maar het brengt mensen geen liefde voor het erfgoed bij.
Goud
Villena is zo’n klein stadje, veertig kilometer landinwaarts van Alicante. In de jaren zestig is daar een van de indrukwekkendste en grootste goudschatten uit Bronstijd-Europa gevonden. En dat goud, dat stamt uit de dertiende eeuw v.Chr. en behoort tot de Late Argar-cultuur, is nu gestolen.
Het gaat om ongeveer zestig voorwerpen, verborgen in een ketel die was begraven in een rivier. Ze waren vervaardigd van goud, zilver, ijzer en barnsteen. Eén ijzeren en achtentwintig gouden armbanden. Elf gouden schalen. Drie zilveren en twee gouden flacons. Een knoop (?) van goud en barnsteen. Samen tien kilo. Alleen in de graven van Mykene is uit deze periode meer goud gevonden.
Het is geen riviergoud. De nabijgelegen rivieren bevatten geen poeder. Maar er waren wel goudmijnen in de omgeving, al is er geen bewijs dat die al in de Bronstijd werden geëxploiteerd. Een van die mijnen zou in de vroege Keizertijd eigendom zijn van Sextus Marius, die om deze reden werd beschuldigd van incest en van de Tarpeïsche Rots geworpen. “Om er geen twijfel over te laten bestaan dat zijn rijkdom zijn ondergang was geworden,” schrijft Publius Cornelius Tacitus, “confisqueerde Tiberius de mijn.” Maar dat was dus een millennium later.
IJzer
Het ijzer natuurlijk veel interessanter. In de Late Bronstijd was men nog volop aan het leren hoe men het moest bewerken. Het was redelijk complex materiaal dat eerst moest worden ontdaan van slakken. Zo ver was men nog niet en ijzer was dus heel bijzonder. De voorwerpen uit Villena behoren tot de oudste die we hebben en moeten voor de onbekende eigenaar kostbaarder dan goud zijn geweest. Het is niet onmogelijk & het valt te hopen dat de museumrovers het ijzer, dat nu geen waarde heeft, hebben laten liggen.
Je vraagt je af waarom het was begraven in een rivier. Was het een schat die in veiligheid moest worden gebracht? Was het een rituele depositie? Wie was de eigenaar? Woonde hij of zij in een van de vroege stedelijke nederzettingen die we associëren met de Late Argar-cultuur? Ik weet het niet en volgens mij is er niemand die het weet. Ik weet wel dat, nu de voorwerpen zijn gestolen, het antwoord op deze vragen verder is dan ooit.
[Dit was het 550e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]
Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
De Trojaanse Oorlog (4)
december 24, 2016
De vuurtoren van Byblos
april 13, 2022
Astarte
januari 7, 2016 Deel dit: #Alicante #ArgarCultuur #depositie #goud #ijzer #PubliusCorneliusTacitus #schatVanVillena #SextusMarius #Tiberius -
De schat van Villena
De schat van Villena, kopie van enkele voorwerpen (Archeologisch Museum, Madrid)De economie is instabiel, de goudprijs gaat door het dak, dus het is lucratief een archeologisch museum te overvallen en daar wat goud te jatten. Vorige maand gebeurde dat met voorwerpen uit Vix en vorig jaar was er uiteraard de diefstal van de helm van Coțofenești.
De ironie wil dat deze kwetsbaarheid erger wordt naarmate het beleid beter is. Je legt originele voorwerpen liefst zo dicht mogelijk bij de vindplaats, waar ze (jonge) mensen het meest inspireren en liefde voor het verleden bijbrengen. Dan liggen kostbaarheden echter in kleine musea, die vaak te weinig geld hebben voor afdoende bewaking. Het alternatief is nog erger: alles op een beperkt aantal plekken neerleggen waar ze wel bewaakt kunnen worden. Maar ja, als alle bijzondere voorwerpen op één plaats liggen, valt een object dat lokaal mensen had kunnen inspireren, niet werkelijk op. Dan is het alleen maar een etalage van rijkdommen. Ook leuk, maar het brengt mensen geen liefde voor het erfgoed bij.
Goud
Villena is zo’n klein stadje, veertig kilometer landinwaarts van Alicante. In de jaren zestig is daar een van de indrukwekkendste en grootste goudschatten uit Bronstijd-Europa gevonden. En dat goud, dat stamt uit de dertiende eeuw v.Chr. en behoort tot de Late Argar-cultuur, is nu gestolen.
Het gaat om ongeveer zestig voorwerpen, verborgen in een ketel die was begraven in een rivier. Ze waren vervaardigd van goud, zilver, ijzer en barnsteen. Eén ijzeren en achtentwintig gouden armbanden. Elf gouden schalen. Drie zilveren en twee gouden flacons. Een knoop (?) van goud en barnsteen. Samen tien kilo. Alleen in de graven van Mykene is uit deze periode meer goud gevonden.
Het is geen riviergoud. De nabijgelegen rivieren bevatten geen poeder. Maar er waren wel goudmijnen in de omgeving, al is er geen bewijs dat die al in de Bronstijd werden geëxploiteerd. Een van die mijnen zou in de vroege Keizertijd eigendom zijn van Sextus Marius, die om deze reden werd beschuldigd van incest en van de Tarpeïsche Rots geworpen. “Om er geen twijfel over te laten bestaan dat zijn rijkdom zijn ondergang was geworden,” schrijft Publius Cornelius Tacitus, “confisqueerde Tiberius de mijn.” Maar dat was dus een millennium later.
IJzer
Het ijzer is veel interessanter. In de Late Bronstijd was men nog volop aan het leren hoe men het moest bewerken. Het was redelijk complex materiaal dat eerst moest worden ontdaan van slakken. Zo ver was men nog niet en ijzer was dus heel bijzonder. De voorwerpen uit Villena behoren tot de oudste die we hebben en moeten voor de onbekende eigenaar kostbaarder dan goud zijn geweest. Het is niet onmogelijk & het valt te hopen dat de museumrovers het ijzer, dat nu geen waarde heeft, hebben laten liggen.
Je vraagt je af waarom het was begraven in een rivier. Was het een schat die in veiligheid moest worden gebracht? Was het een rituele depositie? Wie was de eigenaar? Woonde hij of zij in een van de vroege stedelijke nederzettingen die we associëren met de Late Argar-cultuur? Ik weet het niet en volgens mij is er niemand die het weet. Ik weet wel dat, nu de voorwerpen zijn gestolen, het antwoord op deze vragen verder is dan ooit.
[Dit was het 550e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]
Naschrift, 29 augustus
Goed nieuws: de dieven hebben het ijzer laten liggen.
#Alicante #ArgarCultuur #depositie #goud #ijzer #PubliusCorneliusTacitus #schatVanVillena #SextusMarius #Tiberius -
De schat van Villena
De schat van Villena, kopie van enkele voorwerpen (Archeologisch Museum, Madrid)De economie is instabiel, de goudprijs gaat door het dak, dus het is lucratief een archeologisch museum te overvallen en daar wat goud te jatten. Vorige maand gebeurde dat met voorwerpen uit Vix en vorig jaar was er uiteraard de diefstal van de helm van Coțofenești.
De ironie wil dat deze kwetsbaarheid erger wordt naarmate het beleid beter is. Je legt originele voorwerpen liefst zo dicht mogelijk bij de vindplaats, waar ze (jonge) mensen het meest inspireren en liefde voor het verleden bijbrengen. Dan liggen kostbaarheden echter in kleine musea, die vaak te weinig geld hebben voor afdoende bewaking. Het alternatief is nog erger: alles op een beperkt aantal plekken neerleggen waar ze wel bewaakt kunnen worden. Maar ja, als alle bijzondere voorwerpen op één plaats liggen, valt een object dat lokaal mensen had kunnen inspireren, niet werkelijk op. Dan is het alleen maar een etalage van rijkdommen. Ook leuk, maar het brengt mensen geen liefde voor het erfgoed bij.
Goud
Villena is zo’n klein stadje, veertig kilometer landinwaarts van Alicante. In de jaren zestig is daar een van de indrukwekkendste en grootste goudschatten uit Bronstijd-Europa gevonden. En dat goud, dat stamt uit de dertiende eeuw v.Chr. en behoort tot de Late Argar-cultuur, is nu gestolen.
Het gaat om ongeveer zestig voorwerpen, verborgen in een ketel die was begraven in een rivier. Ze waren vervaardigd van goud, zilver, ijzer en barnsteen. Eén ijzeren en achtentwintig gouden armbanden. Elf gouden schalen. Drie zilveren en twee gouden flacons. Een knoop (?) van goud en barnsteen. Samen tien kilo. Alleen in de graven van Mykene is uit deze periode meer goud gevonden.
Het is geen riviergoud. De nabijgelegen rivieren bevatten geen poeder. Maar er waren wel goudmijnen in de omgeving, al is er geen bewijs dat die al in de Bronstijd werden geëxploiteerd. Een van die mijnen zou in de vroege Keizertijd eigendom zijn van Sextus Marius, die om deze reden werd beschuldigd van incest en van de Tarpeïsche Rots geworpen. “Om er geen twijfel over te laten bestaan dat zijn rijkdom zijn ondergang was geworden,” schrijft Publius Cornelius Tacitus, “confisqueerde Tiberius de mijn.” Maar dat was dus een millennium later.
IJzer
Het ijzer is veel interessanter. In de Late Bronstijd was men nog volop aan het leren hoe men het moest bewerken. Het was redelijk complex materiaal dat eerst moest worden ontdaan van slakken. Zo ver was men nog niet en ijzer was dus heel bijzonder. De voorwerpen uit Villena behoren tot de oudste die we hebben en moeten voor de onbekende eigenaar kostbaarder dan goud zijn geweest. Het is niet onmogelijk & het valt te hopen dat de museumrovers het ijzer, dat nu geen waarde heeft, hebben laten liggen.
Je vraagt je af waarom het was begraven in een rivier. Was het een schat die in veiligheid moest worden gebracht? Was het een rituele depositie? Wie was de eigenaar? Woonde hij of zij in een van de vroege stedelijke nederzettingen die we associëren met de Late Argar-cultuur? Ik weet het niet en volgens mij is er niemand die het weet. Ik weet wel dat, nu de voorwerpen zijn gestolen, het antwoord op deze vragen verder is dan ooit.
[Dit was het 550e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]
Naschrift, 29 augustus
Goed nieuws: de dieven hebben het ijzer laten liggen.
Ik organiseer volgend voorjaar een reis naar Bulgarije. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
Ramses II in Tyrus
december 25, 2025
De eerste vermelding van Jahweh?
juni 8, 2022
Vredesmonument
mei 19, 2013 Deel dit: #Alicante #ArgarCultuur #depositie #goud #ijzer #PubliusCorneliusTacitus #schatVanVillena #SextusMarius #Tiberius -
De schat van Villena
De schat van Villena, kopie van enkele voorwerpen (Archeologisch Museum, Madrid)De economie is instabiel, de goudprijs gaat door het dak, dus het is lucratief een archeologisch museum te overvallen en daar wat goud te jatten. Vorige maand gebeurde dat met voorwerpen uit Vix en vorig jaar was er uiteraard de diefstal van de helm van Coțofenești.
De ironie wil dat deze kwetsbaarheid erger wordt naarmate het beleid beter is. Je legt originele voorwerpen liefst zo dicht mogelijk bij de vindplaats, waar ze (jonge) mensen het meest inspireren en liefde voor het verleden bijbrengen. Dan liggen kostbaarheden echter in kleine musea, die vaak te weinig geld hebben voor afdoende bewaking. Het alternatief is nog erger: alles op een beperkt aantal plekken neerleggen waar ze wel bewaakt kunnen worden. Maar ja, als alle bijzondere voorwerpen op één plaats liggen, valt een object dat lokaal mensen had kunnen inspireren, niet werkelijk op. Dan is het alleen maar een etalage van rijkdommen. Ook leuk, maar het brengt mensen geen liefde voor het erfgoed bij.
Goud
Villena is zo’n klein stadje, veertig kilometer landinwaarts van Alicante. In de jaren zestig is daar een van de indrukwekkendste en grootste goudschatten uit Bronstijd-Europa gevonden. En dat goud, dat stamt uit de dertiende eeuw v.Chr. en behoort tot de Argar-cultuur, is nu gestolen.
Het gaat om ongeveer zestig voorwerpen, verborgen in een ketel die was begraven in een rivier. Ze waren vervaardigd van goud, zilver, ijzer en barnsteen. Eén ijzeren en achtentwintig gouden armbanden. Elf gouden schalen. Drie zilveren en twee gouden flacons. Een knoop (?) van goud en barnsteen. Samen tien kilo. Alleen in de graven van Mykene is uit deze periode meer goud gevonden.
Het is geen riviergoud. De nabijgelegen rivieren bevatten geen poeder. Maar er waren wel goudmijnen in de omgeving, al is er geen bewijs dat die al in de Bronstijd werden geëxploiteerd. Een van die mijnen zou in de vroege Keizertijd eigendom zijn van Sextus Marius, die om deze reden werd beschuldigd van incest en van de Tarpeïsche Rots geworpen. “Om er geen twijfel over te laten bestaan dat zijn rijkdom zijn ondergang was geworden,” schrijft Publius Cornelius Tacitus, “confisqueerde Tiberius de mijn.” Maar dat was dus een millennium later.
IJzer
Het ijzer natuurlijk veel interessanter. In de Late Bronstijd was men nog volop aan het leren hoe men het moest bewerken. Het was redelijk complex materiaal dat eerst moest worden ontdaan van slakken. Zo ver was men nog niet en ijzer was dus heel bijzonder. De voorwerpen uit Villena behoren tot de oudste die we hebben en moeten voor de onbekende eigenaar kostbaarder dan goud zijn geweest.
Je vraagt je af waarom het was begraven in een rivier. Was het een schat die in veiligheid moest worden gebracht? Was het een rituele depositie? Wie was de eigenaar? Ik weet het niet en volgens mij is er niemand die het weet. Ik weet wel dat, nu de voorwerpen zijn gestolen, het antwoord op deze vragen verder is dan ooit.
[Dit was het 550e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]
Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
Cyprus in crisis
oktober 10, 2019
De Proto-Indo-Europese samenleving: namen
juli 29, 2024
De Trojaanse Oorlog (3)
december 24, 2016 Deel dit: #Alicante #ArgarCultuur #depositie #goud #ijzer #PubliusCorneliusTacitus #schatVanVillena #SextusMarius #Tiberius -
Wat heet mooi? De teksten
Een dichteres uit Pompeii, soms geïdentificeerd als Sapfo.Wat heb ik me op de hals gehaald, dacht ik, toen ik de ruim 230 mooie voorwerpen en tekstennoot Een tekst is natuurlijk ook een voorwerp, meer precies een werktuig, en nog preciezer een container (voor informatie). zag waarmee u reageerde op mijn oproep anderen met schoonheid te verrijken en te bevoordelen. U leverde teveel schoonheid voor één blogje, en sometimes there’s so much beauty in the world, I feel like I can’t take it. Ik begin met een lijst van mooie teksten, en heb op 11 september een blogje over architectuur, en wat daarna komt weet ik nu nog niet.
Observatie vooraf: je zou hebben verwacht dat als mensen houden van een bepaalde cultuur en bijvoorbeeld sculptuur noemen, ze ook wel architectuur zouden noemen en teksten. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Soms kan ik verklaren waarom mensen die een bepaalde esthetiek waarderen die wel in de ene kunstcategorie kunnen benoemen maar niet in een andere. Keltische voorwerpen liggen in allerlei musea maar Keltische architectuur is feitelijk niet overgeleverd. Even vaak kan ik het verschil niet verklaren.
Maar goed. Jalla, mes enfants, let’s go.
Nabije Oosten
Ik begin meteen met een verrassing: ik had niet verwacht dat het Indische Theyyam-ritueel zou worden genoemd, dat oeroude wortels schijnt te hebben. Een volgend oeroud item is de Hurritische hymne voor de godin Nikkal, de oudste wat langere melodie die is overgeleverd. De Nederlandse oudheidkundige Theo Krispijn heeft het muziekstuk weleens gespeeld. Ook genoemd: het Bijbelboek Prediker.
Grieks
Het kon niet missen dat van de Griekse teksten de poëzie van Homeros als eerste werd genoemd (“niet voor niets al ruim 2½ millennium een hit”). U noemde de Ilias, het verhaal over de wrok van Achilleus, drie keer, en ook de Odyssee, over de uitgestelde wraak van Odysseus, noemde u driemaal. De vroegste Griekse poëzie leverde ook het leerdicht op van Parmenides, waarin hij redeneert dat aangezien het zijnde is en het niet-zijnde niet is, verandering niet kan bestaan, een redenering waarmee hij feitelijk de hele westerse filosofie ontketende.
Van het Atheense toneel werd Aischylos’ Smekelingen genoemd “vanwege het vooruitlopen op de twee verloren delen van de trilogie”. Uit het oeuvre van Sofokles selecteerde u de Oidipous en de Antigone. Euripides bleef onvermeld, al is hij natuurlijk wel het lijdend voorwerp van het toneelstuk van Aristofanes, De kikkers. “Ik heb meermaals luidop gelachen toen ik dit voor het eerst in vertaling las.”
Verder de claim dat
wie het priemgetallenbewijs van Eukleides niet noemt, de ware schoonheid nooit gezien heeft en niet begrijpt hoe anders dan spreektaal taal kan zijn.
Dat is wel heel stellig, maar ik heb nog nooit iemand ontmoet die niet met plezier terugdacht aan de frappe waarmee de wiskundeleraar in de brugklasnoot Ik begrijp dat het inmiddels geen brugklasstof meer is. We doen onze kinderen zwaar tekort. het bewijs uitlegde. En nu ik toch persoonlijk commentaar geef: ik had Theokritos’ Tweede Idylle (“de tovenares”, over een meisje dat haar geliefde probeert terug te winnen) nooit gelezen en doe mijn voordeel van de goede raad. Het Seikiloslied is eveneens genoemd.
Verder werden getipt: 1 Korintiërs 13, de lofzang op de liefde van de apostel Paulus en een evergreen bij bruiloften. Wie het noemde, is in gezelschap van de Cambridge-historicus G.E.M. de Ste Croix, die dit zelfs het allermooiste noemde dat hij ooit in het Grieks had gelezen. Nu we bij de Griekse literatuur van de keizertijd zijn, kan Lukas’ versie van het kerstverhaal niet ontbreken, die prachtige omkering van de keizerlijke propaganda.
Uit de tweede eeuw na Chr.: Ploutarchos’ biografie van Julius Caesar, de poëzie van Julia Balbilla op de Memnonkolossen in Thebe en de Persoonlijke Notities van keizer Marcus Aurelius. De o zo menselijke correspondentie uit Oxyrhynchos is het jongste voorbeeld dat u noemde, en ik concludeer dat u niet houdt van de Griekse kerkvaders. (Van de Latijnse en Aramese vaderen ook niet, trouwens.)
Latijn
Iemand noemde het Latijn als taal en gaf enkele beklijvende voorbeelden uit de poëzie van Quintus Horatius Flaccus en Publius Vergilius Maro. Waarmee meteen de allerklassiekste klassieke Latijnse poëzie is vermeld. Lichtvoetiger is Publius Ovidius Naso’s beroemde Metamorfosen, dat driemaal werd genoemd, inclusief een mooie vertaling.
Verder noemde u de toespraken van Cicero, zoals de eerste redevoering tegen Catilina, “omdat hij al in de eerste zinnen zijn tegenstander omver blaast en hem verder geen kans meer geeft”. Van Gaius Valerius Catullus noemde u de gedichten 5, 64 (de haarlok van Berenike), 85 en 101 (“omdat we onze tranen niet konden bedwingen”). Uit dezelfde generatie: het oeuvre van Marcus Terentius Varro en de Gallische Oorlog van Julius Caesar (“omdat ik als kind de vertaling stukgelezen heb” en “een meesterwerk in manipulatie”).
Uit de tijd van keizer Augustus: “Titus Livius’ beschrijving van de opkomst van Rome vond ik indrukwekkend en uitermate boeiend geschreven”. Ik had niet verwacht dat iemand de interessante landbouwgeschriften van Lucius Junius Moderatus Columella zou noemen als iets dat ooit mooi was, of de al even interessante graffiti uit Pompeii. Verrassend. Leuk!
Uit de tweede eeuw noemde u de Historiën van Publius Cornelius Tacitus, met name de passage over de moord op keizer Galba, en Tacitus’ Annalen. Het jongste dat u noemde was de correspondentie uit Vindolanda. Ik had verwacht dat iemand wel Ausonius’ gedicht over de Moezel zou noemen of het christelijke Latijn. Ik voeg daarom het Te Deum toe. Let niet op de kitscherige kerkklokken die men rond 400 niet kende.noot Neutralere versies laten zich niet integreren in dit blogje.
Tot zover voor vandaag. Veel plezier hiermee!
Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Deel dit: #Aischylos #Aristofanes #Ausonius #Eukleides #GaiusValeriusCatullus #Homeros #Horatius #JuliaBalbilla #LuciusJuniusModeratusColumella #Lukas #MarcusAurelius #MarcusTerentiusVarro #Memnonkolossen #Oxyrhynchos #Parmenides #Ploutarchos #Prediker #PubliusCorneliusTacitus #PubliusOvidiusNaso #PubliusVergiliusMaro #schoonheid #Seikilos #Sofokles #TheoKrispijn #Theokritos #TitusLivius #Vindolanda -
Wat heet mooi? De teksten
Een dichteres uit Pompeii, soms geïdentificeerd als Sapfo.Wat heb ik me op de hals gehaald, dacht ik, toen ik de ruim 230 mooie voorwerpen en tekstennoot Een tekst is natuurlijk ook een voorwerp, meer precies een werktuig, en nog preciezer een container (voor informatie). zag waarmee u reageerde op mijn oproep anderen met schoonheid te verrijken en te bevoordelen. U leverde teveel schoonheid voor één blogje, en sometimes there’s so much beauty in the world, I feel like I can’t take it. Ik begin met een lijst van mooie teksten, en heb op 10 september een blogje over architectuur, en wat daarna komt weet ik nu nog niet.
Observatie vooraf: je zou hebben verwacht dat als mensen houden van een bepaalde cultuur en bijvoorbeeld sculptuur noemen, ze ook wel architectuur zouden noemen en teksten. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Soms kan ik verklaren waarom mensen die een bepaalde esthetiek waarderen die wel in de ene kunstcategorie kunnen benoemen maar niet in een andere. Keltische voorwerpen liggen in allerlei musea maar Keltische architectuur is feitelijk niet overgeleverd. Even vaak kan ik het verschil niet verklaren.
Maar goed. Jalla, mes enfants, let’s go.
Nabije Oosten
Ik begin meteen met een verrassing: ik had niet verwacht dat het Indische Theyyam-ritueel zou worden genoemd, dat oeroude wortels schijnt te hebben. Een volgend oeroud item is de Hurritische hymne voor de godin Nikkal, de oudste wat langere melodie die is overgeleverd. De Nederlandse oudheidkundige Theo Krispijn heeft het muziekstuk weleens gespeeld. Ook genoemd: het Bijbelboek Prediker.
Grieks
Het kon niet missen dat van de Griekse teksten de poëzie van Homeros als eerste werd genoemd (“niet voor niets al ruim 2½ millennium een hit”). U noemde de Ilias, het verhaal over de wrok van Achilleus, drie keer, en ook de Odyssee, over de uitgestelde wraak van Odysseus, noemde u driemaal. De vroegste Griekse poëzie leverde ook het leerdicht op van Parmenides, waarin hij redeneert dat aangezien het zijnde is en het niet-zijnde niet is, verandering niet kan bestaan, een redenering waarmee hij feitelijk de hele westerse filosofie ontketende.
Van het Atheense toneel werd Aischylos’ Smekelingen genoemd “vanwege het vooruitlopen op de twee verloren delen van de trilogie”. Uit het oeuvre van Sofokles selecteerde u de Oidipous en de Antigone. Euripides bleef onvermeld, al is hij natuurlijk wel het lijdend voorwerp van het toneelstuk van Aristofanes, De kikkers. “Ik heb meermaals luidop gelachen toen ik dit voor het eerst in vertaling las.”
Verder de claim dat
wie het priemgetallenbewijs van Eukleides niet noemt, de ware schoonheid nooit gezien heeft en niet begrijpt hoe anders dan spreektaal taal kan zijn.
Dat is wel heel stellig, maar ik heb nog nooit iemand ontmoet die niet met plezier terugdacht aan de frappe waarmee de wiskundeleraar in de brugklasnoot Ik begrijp dat het inmiddels geen brugklasstof meer is. We doen onze kinderen zwaar tekort. het bewijs uitlegde. En nu ik toch persoonlijk commentaar geef: ik had Theokritos’ Tweede Idylle (“de tovenares”, over een meisje dat haar geliefde probeert terug te winnen) nooit gelezen en doe mijn voordeel van de goede raad. Het Seikiloslied is eveneens genoemd.
Verder werden getipt: 1 Korintiërs 13, de lofzang op de liefde van de apostel Paulus en een evergreen bij bruiloften. Wie het noemde, is in gezelschap van de Cambridge-historicus G.E.M. de Ste Croix, die dit zelfs het allermooiste noemde dat hij ooit in het Grieks had gelezen. Nu we bij de Griekse literatuur van de keizertijd zijn, kan Lukas’ versie van het kerstverhaal niet ontbreken, die prachtige omkering van de keizerlijke propaganda.
Uit de tweede eeuw na Chr.: Ploutarchos’ biografie van Julius Caesar, de poëzie van Julia Balbilla op de Memnonkolossen in Thebe en de Persoonlijke Notities van keizer Marcus Aurelius. De o zo menselijke correspondentie uit Oxyrhynchos is het jongste voorbeeld dat u noemde, en ik concludeer dat u niet houdt van de Griekse kerkvaders. (Van de Latijnse en Aramese vaderen ook niet, trouwens.)
Latijn
Iemand noemde het Latijn als taal en gaf enkele beklijvende voorbeelden uit de poëzie van Quintus Horatius Flaccus en Publius Vergilius Maro. Waarmee meteen de allerklassiekste klassieke Latijnse poëzie is vermeld. Lichtvoetiger is Publius Ovidius Naso’s beroemde Metamorfosen, dat driemaal werd genoemd, inclusief een mooie vertaling.
Verder noemde u de toespraken van Cicero, zoals de eerste redevoering tegen Catilina, “omdat hij al in de eerste zinnen zijn tegenstander omver blaast en hem verder geen kans meer geeft”. Van Gaius Valerius Catullus noemde u de gedichten 5, 64 (de haarlok van Berenike), 85 en 101 (“omdat we onze tranen niet konden bedwingen”). Uit dezelfde generatie: het oeuvre van Marcus Terentius Varro en de Gallische Oorlog van Julius Caesar (“omdat ik als kind de vertaling stukgelezen heb” en “een meesterwerk in manipulatie”).
Uit de tijd van keizer Augustus: “Titus Livius’ beschrijving van de opkomst van Rome vond ik indrukwekkend en uitermate boeiend geschreven”. Ik had niet verwacht dat iemand de interessante landbouwgeschriften van Lucius Junius Moderatus Columella zou noemen als iets dat ook mooi was, of de al even interessante graffiti uit Pompeii. Verrassend. Leuk!
Uit de tweede eeuw noemde u de Historiën van Publius Cornelius Tacitus, met name de passage over de moord op keizer Galba, en Tacitus’ Annalen. Het jongste dat u noemde was de correspondentie uit Vindolanda. Ik had verwacht dat iemand wel Ausonius’ gedicht over de Moezel zou noemen of het christelijke Latijn. Ik voeg daarom het Te Deum toe. Let niet op de kitscherige kerkklokken die men rond 400 niet kende.noot Neutralere versies laten zich niet integreren in dit blogje.
Tot zover voor vandaag. Veel plezier hiermee!
#Aischylos #Aristofanes #Ausonius #Eukleides #GaiusValeriusCatullus #Homeros #Horatius #JuliaBalbilla #LuciusJuniusModeratusColumella #Lukas #MarcusAurelius #MarcusTerentiusVarro #Memnonkolossen #Oxyrhynchos #Parmenides #Ploutarchos #Prediker #PubliusCorneliusTacitus #PubliusOvidiusNaso #PubliusVergiliusMaro #schoonheid #Seikilos #Sofokles #TheoKrispijn #Theokritos #TitusLivius #Vindolanda -
Bleef Paulus in Rome? (2)
Paulus (Teseum, Tongeren)In het vorige blogje legde ik uit dat het archeologisch onderzoek onder de Sint-Paulus buiten de Muren niet hielp om vast te stellen of Paulus na zijn gevangenschap in Rome in die stad was gebleven. De traditie geeft echter een duidelijk antwoord: Paulus is onthoofd tijdens de vervolging door Nero, die plaatsvond na de grote brand van Rome. Die woedde in de zomer van 64 en afgaand op het verslag van Publius Cornelius Tacitus liet de keizer enkele christenen levend verbranden. De bevolking, voegt Tacitus toe, was verontwaardigd over deze onmenselijke straf. Er is geen vermelding van Paulus.
Clemens en Ignatius: geen Rome, geen Nero
De marteldood van Paulus is echter in een oude bron vermeld: de Eerste Brief van Clemens. Die dateert vermoedelijk uit de laatste jaren van de eerste eeuw, misschien een tikje later.
Door jaloezie en afgunst werden de grootste en rechtvaardigste steunpilaren van de kerk vervolgd en vochten zij tot de dood toe. Laten we de goede apostelen voor ogen houden: Petrus, die vanwege onrechtvaardige jaloezie niet één of twee, maar vele beproevingen onderging, en nadat hij zo zijn getuigenis had afgelegd, naar de glorieuze plaats ging die hem toekwam. Door jaloezie en strijd wees Paulus de weg naar de prijs van volharding; zevenmaal zat hij in de boeien, hij werd verbannen, hij werd gestenigd, hij was een verkondiger zowel in het Oosten als in het Westen, hij verwierf de edele roem van zijn geloof, hij onderwees de hele wereld in gerechtigheid, en toen hij de grenzen van het Westen had bereikt, legde hij zijn getuigenis af voor de heersers, en zo verliet hij de wereld en werd hij opgenomen in de Heilige Plaats, het grootste voorbeeld van volharding.noot 1 Clemens 5.2-7.
Deze christelijke auteur, één generatie na de gebeurtenis, kon het martelaarschap van Paulus dus bekend veronderstellen. Maar Clemens noemt noch Rome, noch Nero, en als je alleen de twee Bijbelteksten zou kennen die ik aanhaalde in de eerste alinea van het vorige blogje, zou je concluderen dat Paulus verder is gereisd naar Spanje en daar aan zijn einde gekomen.
Iets jonger (vermoedelijk) is de Brief aan de Romeinen van Ignatius van Antiochië, die in Syrië gevangen is genomen en op transport is gezet naar Rome. De arrestant schrijft dat hij hoopt door de beesten te worden verscheurd en zegt verder dat hij zijn Romeinse penvrienden geen instructies zal geven, zoals Petrus en Paulus deden. De vergelijking impliceert dat de apostelen zijn gemarteld, en dat de ontvangers van de brief dat wisten. Het enige dat dus vaststaat is dat ten tijde van Domitianus en Trajanus bekend kon worden verondersteld dat Paulus gewelddadig ter dood was gebracht.
Het begin van de traditie
We moeten, als ik het goed zie, ongeveer driekwart eeuw wachten op de volgende aanwijzing: de tekst die bekendstaat als Handelingen van Paulus. Deze tekst is fragmentarisch bekend, maar het slot is overgeleverd en bevat voor het eerst de elementen die we herkennen uit de latere traditie: Paulus is in Rome, waar hij op last van Nero wordt onthoofd. De aanleiding is dat hij een hoveling uit de dood heeft opgewekt (het verhaal is een kopie van een incident genoemd in de Handelingen van de Apostelennoot Handelingen 20.9.) waarna Nero onderzoek instelt. Paulus legt uit dat de wereld door vuur zal worden verwoest (ekpyrosis), waarop Nero de apostel laat onthoofden en enkele christelijke soldaten laat verbranden. Sommige Romeinen protesteren. Daarna verschijnt Paulus nog eens aan Nero en diens hoffilosofen en ook aan enkele rouwende christenen.noot Handelingen van Paulus 10. Hier ontstaat dus de traditie, en over de datering weten we alleen dat deze tekst kort voor 200 is geschreven, aangezien Tertullianus de tekst, volgens hem recent gepubliceerd, veroordeelt.
Even later, begin derde eeuw, is er een kort fragment van Gaius, dat wordt geciteerd in de Kerkgeschiedenis van Eusebios van Caesarea. Ik heb het al eens eerder vermeld:
Ik kan je de trofeeën van de apostelen aanwijzen. Als je de moeite neemt de Vaticaanse Weg of de weg naar Ostia te nemen, zul je de trofeeën zien van degenen die de kerk stichtten.
Dit is consistent met de locatie van de twee basilieken, de Sint-Pieter en de Sint-Paulus. Ik zie geen reden te betwijfelen dat Constantijn de Grote de kerken heeft laten bouwen op plaatsen die in de tweede eeuw al werden vereerd.
Impasse
Toen ik dit blogje begon te schrijven, ging ik ervan uit dat de interpretatie er een zou zijn zoals die rond Petrus in Rome: eigenlijk weten we alleen dat hij ter dood is gebracht, maar naarmate de tijd verstrijkt, worden de verhalen steeds preciezer. Mensen waren ontevreden met het weinige dat ze wisten en voegden steeds meer details toe. Die interpretatierichting maakt Petrus’ verblijf in Rome net zo verdacht als de steeds nauwkeurigere locatie van Tartessos en de groei van het sprookje van Archimedes’ brandspiegels. Ik vermoedde dat het met Paulus niet anders zou zijn: steeds meer details en de verdenking dat alles bedacht is door mensen die ontevreden waren over het weinige dat ze wél wisten. Zo werkt legendevorming nou eenmaal.
Maar nu ik eens rustig kijk naar de Handelingen van Paulus, krijg ik toch een andere indruk. De auteur van die late bron lijkt onafhankelijk van Tacitus een herinnering te bewaren aan een gebeurtenis waarbij Nero enkele christenen liet verbranden en de stedelijke bevolking protesteerde. De auteur van de Handelingen van Paulus lijkt niets te weten van de stadsbrand en verklaart de vorm van de executies daarom vanuit Paulus’ aankondiging van een wereldbrand. We hebben, lijkt mij, minimaal een onafhankelijke traditie voor Nero’s executies.
Dat maakt de opmerking dat ook Paulus toen om het leven kwam, misschien net een tikje plausibeler. Deze auteur wist blijkbaar iets over de gebeurtenissen van een eeuw daarvoor. Het is echter geen doorslaggevend bewijs voor Paulus’ dood in Rome.
Pleit dit vóór de traditie, er pleit ook iets tegen. Het gebeente in de sarcofaag is te jong. Dat betekent dat er in de tweede eeuw geen herinnering was aan het feitelijke graf. Het kan dus zijn dat Paulus is gedood in Spanje, want 1 Clemens laat zich moeilijk anders lezen. Het kan echter óók zijn dat Clemens die westelijke dood vermeldde omdat hij had gelezen dat Paulus het voornemen had naar Spanje te reizen.
De conclusie van deze twee blogjes is dus dat we niet kunnen aannemen dat Paulus ten tijde van Nero in Rome is gedood, maar dat we ook niet kunnen aannemen dat het niet zo was. Zoals zo vaak: we weten het niet.
[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]
Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
Domitianus (3): Jeugd
december 22, 2021
Romeinse soldaten
mei 19, 2012
Het Aramees: de eerste wereldtaal
april 14, 2021 Deel dit: #brandVanRome #ConstantijnDeGrote #EersteBriefVanClemens #ekpyrosis #EusebiosVanCaesarea #HandelingenVanPaulus #IgnatiusVanAntiochië #interpretatierichting #martelaarschap #Nero #Paulus #Petrus #PubliusCorneliusTacitus #Rome #SintPaulusBuitenDeMuren #Tertullianus -
Bleef Paulus in Rome? (2)
Paulus (Teseum, Tongeren)In het vorige blogje legde ik uit dat het archeologisch onderzoek onder de Sint-Paulus buiten de Muren niet hielp om vast te stellen of Paulus na zijn gevangenschap in Rome in die stad was gebleven. De traditie geeft echter een duidelijk antwoord: Paulus is onthoofd tijdens de vervolging door Nero, die plaatsvond na de grote brand van Rome. Die woedde in de zomer van 64 en afgaand op het verslag van Publius Cornelius Tacitus liet de keizer enkele christenen levend verbranden. De bevolking, voegt Tacitus toe, was verontwaardigd over deze onmenselijke straf. Er is geen vermelding van Paulus.
Clemens en Ignatius: geen Rome, geen Nero
De marteldood van Paulus is echter in een oude bron vermeld: de Eerste Brief van Clemens. Die dateert vermoedelijk uit de laatste jaren van de eerste eeuw, misschien een tikje later.
Door jaloezie en afgunst werden de grootste en rechtvaardigste steunpilaren van de kerk vervolgd en vochten zij tot de dood toe. Laten we de goede apostelen voor ogen houden: Petrus, die vanwege onrechtvaardige jaloezie niet één of twee, maar vele beproevingen onderging, en nadat hij zo zijn getuigenis had afgelegd, naar de glorieuze plaats ging die hem toekwam. Door jaloezie en strijd wees Paulus de weg naar de prijs van volharding; zevenmaal zat hij in de boeien, hij werd verbannen, hij werd gestenigd, hij was een verkondiger zowel in het Oosten als in het Westen, hij verwierf de edele roem van zijn geloof, hij onderwees de hele wereld in gerechtigheid, en toen hij de grenzen van het Westen had bereikt, legde hij zijn getuigenis af voor de heersers, en zo verliet hij de wereld en werd hij opgenomen in de Heilige Plaats, het grootste voorbeeld van volharding.noot 1 Clemens 5.2-7.
Deze christelijke auteur, één generatie na de gebeurtenis, kon het martelaarschap van Paulus dus bekend veronderstellen. Maar Clemens noemt noch Rome, noch Nero, en als je alleen de twee Bijbelteksten zou kennen die ik aanhaalde in de eerste alinea van het vorige blogje, zou je concluderen dat Paulus verder is gereisd naar Spanje en daar aan zijn einde gekomen.
Iets jonger (vermoedelijk) is de Brief aan de Romeinen van Ignatius van Antiochië, die in Syrië gevangen is genomen en op transport is gezet naar Rome. De arrestant schrijft dat hij hoopt door de beesten te worden verscheurd en zegt verder dat hij zijn Romeinse penvrienden geen instructies zal geven, zoals Petrus en Paulus deden. De vergelijking impliceert dat de apostelen zijn gemarteld, en dat de ontvangers van de brief dat wisten. Het enige dat dus vaststaat is dat ten tijde van Domitianus en Trajanus bekend kon worden verondersteld dat Paulus gewelddadig ter dood was gebracht.
Het begin van de traditie
We moeten, als ik het goed zie, ongeveer driekwart eeuw wachten op de volgende aanwijzing: de tekst die bekendstaat als Handelingen van Paulus. Deze tekst is fragmentarisch bekend, maar het slot is overgeleverd en bevat voor het eerst de elementen die we herkennen uit de latere traditie: Paulus is in Rome, waar hij op last van Nero wordt onthoofd. De aanleiding is dat hij een hoveling uit de dood heeft opgewekt (het verhaal is een kopie van een incident genoemd in de Handelingen van de Apostelennoot Handelingen 20.9.) waarna Nero onderzoek instelt. Paulus legt uit dat de wereld door vuur zal worden verwoest (ekpyrosis), waarop Nero de apostel laat onthoofden en enkele christelijke soldaten laat verbranden. Sommige Romeinen protesteren. Daarna verschijnt Paulus nog eens aan Nero en diens hoffilosofen en ook aan enkele rouwende christenen.noot Handelingen van Paulus 10. Hier ontstaat dus de traditie, en over de datering weten we alleen dat deze tekst kort voor 200 is geschreven, aangezien Tertullianus de tekst, volgens hem recent gepubliceerd, veroordeelt.
Even later, begin derde eeuw, is er een kort fragment van Gaius, dat wordt geciteerd in de Kerkgeschiedenis van Eusebios van Caesarea. Ik heb het al eens eerder vermeld:
Ik kan je de trofeeën van de apostelen aanwijzen. Als je de moeite neemt de Vaticaanse Weg of de weg naar Ostia te nemen, zul je de trofeeën zien van degenen die de kerk stichtten.
Dit is consistent met de locatie van de twee basilieken, de Sint-Pieter en de Sint-Paulus. Ik zie geen reden te betwijfelen dat Constantijn de Grote de kerken heeft laten bouwen op plaatsen die in de tweede eeuw al werden vereerd.
Impasse
Toen ik dit blogje begon te schrijven, ging ik ervan uit dat de interpretatie er een zou zijn zoals die rond Petrus in Rome: eigenlijk weten we alleen dat hij ter dood is gebracht, maar naarmate de tijd verstrijkt, worden de verhalen steeds preciezer. Mensen waren ontevreden met het weinige dat ze wisten en voegden steeds meer details toe. Die interpretatierichting maakt Petrus’ verblijf in Rome net zo verdacht als de steeds nauwkeurigere locatie van Tartessos en de groei van het sprookje van Archimedes’ brandspiegels. Ik vermoedde dat het met Paulus niet anders zou zijn: steeds meer details en de verdenking dat alles bedacht is door mensen die ontevreden waren over het weinige dat ze wél wisten. Zo werkt legendevorming nou eenmaal.
Maar nu ik eens rustig kijk naar de Handelingen van Paulus, krijg ik toch een andere indruk. De auteur van die late bron lijkt onafhankelijk van Tacitus een herinnering te bewaren aan een gebeurtenis waarbij Nero enkele christenen liet verbranden en de stedelijke bevolking protesteerde. De auteur van de Handelingen van Paulus lijkt niets te weten van de stadsbrand en verklaart de vorm van de executies daarom vanuit Paulus’ aankondiging van een wereldbrand. We hebben, lijkt mij, minimaal een onafhankelijke traditie voor Nero’s executies.
Dat maakt de opmerking dat ook Paulus toen om het leven kwam, misschien net een tikje plausibeler. Deze auteur wist blijkbaar iets over de gebeurtenissen van een eeuw daarvoor. Het is echter geen doorslaggevend bewijs voor Paulus’ dood in Rome.
Pleit dit vóór de traditie, er pleit ook iets tegen. Het gebeente in de sarcofaag is te jong. Dat betekent dat er in de tweede eeuw geen herinnering was aan het feitelijke graf. Het kan dus zijn dat Paulus is gedood in Spanje, want 1 Clemens laat zich moeilijk anders lezen. Het kan echter óók zijn dat Clemens die westelijke dood vermeldde omdat hij had gelezen dat Paulus het voornemen had naar Spanje te reizen.
De conclusie van deze twee blogjes is dus dat we niet kunnen aannemen dat Paulus ten tijde van Nero in Rome is gedood, maar dat we ook niet kunnen aannemen dat het niet zo was. Zoals zo vaak: we weten het niet.
[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]
#brandVanRome #ConstantijnDeGrote #EersteBriefVanClemens #ekpyrosis #EusebiosVanCaesarea #HandelingenVanPaulus #IgnatiusVanAntiochië #interpretatierichting #martelaarschap #Nero #Paulus #Petrus #PubliusCorneliusTacitus #Rome #SintPaulusBuitenDeMuren #Tertullianus -
De Germanen (6) Religie
Metalen godsbeeldje edelsmeedwerk (Landesmuseum für Vorgeschichte, Halle)[Dit is het laatste van zes blogjes over de oude Germanen. Het eerste was hier.]
Er zijn nog twee met elkaar verwante onderwerpen die ik ter afronding van deze reeks blogjes wil bespreken: de Germaanse religie en de “archaic survivals”. Over het eerste weten we te weinig en dus roepen wetenschappers het tweede in, maar ook daarmee zijn problemen. En om het helemaal complex te maken zijn er allerlei versteende theorieën die inmiddels niet meer als hypothese worden herkend en gelden als feit. Zo werd ooit gedacht dat alle religie was ontstaan als de verering van natuurkrachten, hoewel dat ten dele christelijke polemiek is (“alleen het monotheïsme is een zuivere religie, de heidenen vereerden valse goden zoals natuurverschijnselen”). De notie blijft echter terugkomen, en niet alleen in de germanistiek.
Ter zake nu. Wat weten we wel? ik denk het volgende.
De Germaanse religie
We hebben wat geschreven bronnen en zoals altijd zijn dat Griekse en Romeinse teksten, die vreemde culten op hun eigen wijze interpreteren. Publius Cornelius Tacitus noemt de Germaanse goden dus Hercules, Mars, Mercurius en Isis, al kent hij ook wat Germaanse namen (bijv. Baduhenna). Auteurs als hij presenteerden bovendien een selectie die aansloot bij thema’s die zij belangrijk vonden. Het viel hen bijvoorbeeld op dat monumentale tempels, die rond de Middellandse Zee normaal waren, in Germanië ontbraken. Archeologen hebben dit in zoverre bevestigd dat ze alleen weinig opvallende heilige ruimtes hebben geïdentificeerd; een enkele keer is de herinnering aan een Germaanse cultusplek bewaard een plaatsnaam, zoals in het Gelderse Herwen, *Harh-wiha, “heilige ruimte”. Archeologen hebben die heilige ruimte een paar jaar geleden teruggevonden.
Nauwelijks herkenbaar: een godsbeeldje (Landesmuseum, Bonn)Een volk zonder tempels: dat was voor de Grieken en Romeinen het bewijs voor absolute barbarij. Dat precies dit gegeven is opgeschreven, dient dus de portrettering van de Germanen als anti-Romein. Om diezelfde reden is er veel aandacht voor mensenoffers: aan het begin van onze jaartelling citeert Strabon van Amaseia een oudere beschrijving (Poseidonios van Apameia?) en Tacitus doet het nog eens dunnetjes over. Tot de slachtoffers behoorden krijgsgevangenen. Veenlijken bevestigen de realiteit van zulke offers, maar wat onduidelijk blijft is hoe ze functioneerden, welke kosmische orde erdoor moest worden bewaard of hersteld.
We kennen de namen van enkele goden, maar weten weinig méér: het is als een christelijke heiligenkalender zonder legendes. De oppergod was in elk geval Wodan (Odin), die in de Romeinse bronnen werd gelijkgesteld aan Mercurius. We zouden Jupiter hebben verwacht, maar als dondergod was die gelijk aan Donar (Thor). Tîw was de Germaanse Mars, dus de god van vruchtbaarheid en oorlog. Nerthus was de naam van de aardgodin. Tacitus is er stellig over dat Isis werd vereerd en geleerden hebben haar gelijkgesteld aan de natuurgodin Freya, maar het is niet volledig uit te sluiten dat de Germanen via Griekse of Italische contacten de verering hebben overgenomen van deze van oorsprong Egyptische godin.
Wijding aan Hludana (Museum van Xanten)Uit het Romeinse Rijnland – dus uit de marge van de Germaanse wereld – kennen we ongeveer 3000 inscripties met namen van Germaanse goden en godinnen, soms dubbel, zoals Mars Thingsus. Ze dateren merendeels uit de tweede en derde eeuw, en de goden die ik zojuist noemde (Wodan, Freya, Donar…), staan in de inscripties nergens vermeld. Een van de interessantere wél vermelde godheden is Hludana, waarvan Jacob Grimm opperde dat het de antieke voorganger is van het personage van Vrouw Holle. Die theorie is uit de mode geraakt.
Archaic survivals
Daarmee zijn we echter aangekomen bij het recentere bewijs: namelijk dat van de middeleeuwse bronnen en de archaic survivals in de latere volkscultuur. Wat betreft het laatste: er zijn in de negentiende eeuw nogal fantastische theorieën opgesteld, zoals dat Sinterklaas die te paard over de besneeuwde daken rijdt, eigenlijk Wodan is die op de achtbenige Sleipnir rijdt over de wolken. Merendeels zijn die theorieën verwezen naar het rijk der fabelen, maar misschien is men daar iets te snel mee geweest.
De Germaanse oppergod Wodan/Odin op zijn paard Sleipnir, op een steen uit Ardre (Zweden)De middeleeuwse bronnen bieden ook solide informatie. Er zijn christelijke teksten, zoals de Utrechtse Doopbelofte, waarin de demonen staan opgesomd die dienen te worden afgezworen, en zo kennen we namen als Wodan en Donar. De belangrijkste verzameling teksten komt van IJsland: de Edda. Een voorname auteur is Snorri Sturluson, die rond 1200 allerlei oude verhalen heeft naverteld, waarbij hij de goden van weleer presenteerde alsof het mensen waren geweest. Daaraan (en aan allerlei Scandinavische sculptuur) danken we een groot deel van de Noordse mythologie.
Hoewel de Noordse goden niet corresponderen met die uit de inscripties, is de Edda-mythologie relevant. De Scandinavische talen zijn namelijk al heel vroeg los komen staan van de andere Germaanse talen, en enkele oeroude verhalen zijn in het hoge noorden bewaard gebleven. Weliswaar aangepast en bewerkt, maar het wereldbeeld dat we tegenkomen in de Scandinavische teksten, past bij wat we weten over de continentale Germaanse samenleving. Ik stel me voor dat als een Nebisgast, om eens een Germaanse leider uit Nederland te noemen, een verhaal over de IJslandse Odin zou hebben gehoord, hij het zou hebben herkend als onderdeel van zijn eigen cultuur. Uiteraard is dit speculatie mijnerzijds.
Ons verdwenen verleden
Sinds men rond 1500 in het hertogdom Gelre parallellen ging trekken tussen de Bataven en Gelre, en waarschijnlijk al eerder, zijn de Germanen “ons” verleden. Op Java verrees Batavia, we hebben een Bataafse Republiek gehad, Batavus Droogstoppel is ons nationale alter ego en ik rijd op een Batavusfiets. Er bestaat een krant die Tubantia heet en een noordelijke provincie associeert zich met de Friezen. Ik kom uit Apeldoorn, waar straten zijn vernoemd naar Germaanse volken. Onze overgrootouders hebben weliswaar nooit een Hermannsdenkmal opgericht, maar tot voor kort begon het geschiedenisonderwijs met de Bataven, Chamaven, Chauken, Eburonen, Franken, Friezen, Nerviërs en Saksen.
Ze zijn gereduceerd tot bijzaak in het canonvenster limes. En dat betreur ik. Weliswaar ligt mijn eigen belangstelling meer bij de culturen rond de Middellandse Zee, maar dat maakt me niet blind voor het onloochenbare feit dat voor Nederlanders en Vlamingen het allervoornaamste erfgoed Germaans is: onze taal. Dat kun je niet zomaar opgeven, want dan geef je een belangrijk stuk op van je eigen identiteit. Ik heb het idee dat we, door de eenzijdige nadruk die de laatste kwart eeuw is gelegd op het Romeinse verleden, iets te veel hebben prijsgegeven.
PS
Een schatkamer aan informatie over de Germaanse taal is Taaldacht. Samensteller Olivier van Renswoude plaatste daar ook een vertaling van de Beowulf. Wie meer wil weten over de Germaanse wereld, kan het beste met dat gedicht beginnen.
Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
Birkat haMinim
februari 13, 2022
De wierookroute (1)
mei 2, 2018
Troje is nooit veroverd!
maart 7, 2023 Deel dit: #archaicSurvival #Donar #Eburonen #Edda #Franken #Freya #Friezen #GermaanseTalen #Hermannsdenkmal #Herwen #Hludana #Isis #JacobGrimm #mensenoffer #Nebisgast #Nerthus #NoordseMythologie #Odin #OlivierVanRenswoude #PoseidoniosVanApameia #PubliusCorneliusTacitus #Saksen #Sleipnir #SnorriSturluson #StrabonVanAmaseia #Thor #UtrechtseDoopbelofte #VrouwHolle #Wodan -
De Germanen (6) Religie
Metalen godsbeeldje edelsmeedwerk (Landesmuseum für Vorgeschichte, Halle)[Dit is het laatste van zes blogjes over de oude Germanen. Het eerste was hier.]
Er zijn nog twee met elkaar verwante onderwerpen die ik ter afronding van deze reeks blogjes wil bespreken: de Germaanse religie en de “archaic survivals”. Over het eerste weten we te weinig en dus roepen wetenschappers het tweede in, maar ook daarmee zijn problemen. En om het helemaal complex te maken zijn er allerlei versteende theorieën die inmiddels niet meer als hypothese worden herkend en gelden als feit. Zo werd ooit gedacht dat alle religie was ontstaan als de verering van natuurkrachten, hoewel dat ten dele christelijke polemiek is (“alleen het monotheïsme is een zuivere religie, de heidenen vereerden valse goden zoals natuurverschijnselen”). De notie blijft echter terugkomen, en niet alleen in de germanistiek.
Ter zake nu. Wat weten we wel? ik denk het volgende.
De Germaanse religie
We hebben wat geschreven bronnen en zoals altijd zijn dat Griekse en Romeinse teksten, die vreemde culten op hun eigen wijze interpreteren. Publius Cornelius Tacitus noemt de Germaanse goden dus Hercules, Mars, Mercurius en Isis, al kent hij ook wat Germaanse namen (bijv. Baduhenna). Auteurs als hij presenteerden bovendien een selectie die aansloot bij thema’s die zij belangrijk vonden. Het viel hen bijvoorbeeld op dat monumentale tempels, die rond de Middellandse Zee normaal waren, in Germanië ontbraken. Archeologen hebben dit in zoverre bevestigd dat ze alleen weinig opvallende heilige ruimtes hebben geïdentificeerd; een enkele keer is de herinnering aan een Germaanse cultusplek bewaard een plaatsnaam, zoals in het Gelderse Herwen, *Harh-wiha, “heilige ruimte”. Archeologen hebben die heilige ruimte een paar jaar geleden teruggevonden.
Nauwelijks herkenbaar: een godsbeeldje (Landesmuseum, Bonn)Een volk zonder tempels: dat was voor de Grieken en Romeinen het bewijs voor absolute barbarij. Dat precies dit gegeven is opgeschreven, dient dus de portrettering van de Germanen als anti-Romein. Om diezelfde reden is er veel aandacht voor mensenoffers: aan het begin van onze jaartelling citeert Strabon van Amaseia een oudere beschrijving (Poseidonios van Apameia?) en Tacitus doet het nog eens dunnetjes over. Tot de slachtoffers behoorden krijgsgevangenen. Veenlijken bevestigen de realiteit van zulke offers, maar wat onduidelijk blijft is hoe ze functioneerden, welke kosmische orde erdoor moest worden bewaard of hersteld.
We kennen de namen van enkele goden, maar weten weinig méér: het is als een christelijke heiligenkalender zonder legendes. De oppergod was in elk geval Wodan (Odin), die in de Romeinse bronnen werd gelijkgesteld aan Mercurius. We zouden Jupiter hebben verwacht, maar als dondergod was die gelijk aan Donar (Thor). Tîw was de Germaanse Mars, dus de god van vruchtbaarheid en oorlog. Nerthus was de naam van de aardgodin. Tacitus is er stellig over dat Isis werd vereerd en geleerden hebben haar gelijkgesteld aan de natuurgodin Freya, maar het is niet volledig uit te sluiten dat de Germanen via Griekse of Italische contacten de verering hebben overgenomen van deze van oorsprong Egyptische godin.
Wijding aan Hludana (Museum van Xanten)Uit het Romeinse Rijnland – dus uit de marge van de Germaanse wereld – kennen we ongeveer 3000 inscripties met namen van Germaanse goden en godinnen, soms dubbel, zoals Mars Thingsus. Ze dateren merendeels uit de tweede en derde eeuw, en de goden die ik zojuist noemde (Wodan, Freya, Donar…), staan in de inscripties nergens vermeld. Een van de interessantere wél vermelde godheden is Hludana, waarvan Jacob Grimm opperde dat het de antieke voorganger is van het personage van Vrouw Holle. Die theorie is uit de mode geraakt.
Archaic survivals
Daarmee zijn we echter aangekomen bij het recentere bewijs: namelijk dat van de middeleeuwse bronnen en de archaic survivals in de latere volkscultuur. Wat betreft het laatste: er zijn in de negentiende eeuw nogal fantastische theorieën opgesteld, zoals dat Sinterklaas die te paard over de besneeuwde daken rijdt, eigenlijk Wodan is die op de achtbenige Sleipnir rijdt over de wolken. Merendeels zijn die theorieën verwezen naar het rijk der fabelen, maar misschien is men daar iets te snel mee geweest.
De Germaanse oppergod Wodan/Odin op zijn paard Sleipnir, op een steen uit Ardre (Zweden)De middeleeuwse bronnen bieden ook solide informatie. Er zijn christelijke teksten, zoals de Utrechtse Doopbelofte, waarin de demonen staan opgesomd die dienen te worden afgezworen, en zo kennen we namen als Wodan en Donar. De belangrijkste verzameling teksten komt van IJsland: de Edda. Een voorname auteur is Snorri Sturluson, die rond 1200 allerlei oude verhalen heeft naverteld, waarbij hij de goden van weleer presenteerde alsof het mensen waren geweest. Daaraan (en aan allerlei Scandinavische sculptuur) danken we een groot deel van de Noordse mythologie.
Hoewel de Noordse goden niet corresponderen met die uit de inscripties, is de Edda-mythologie relevant. De Scandinavische talen zijn namelijk al heel vroeg los komen staan van de andere Germaanse talen, en enkele oeroude verhalen zijn in het hoge noorden bewaard gebleven. Weliswaar aangepast en bewerkt, maar het wereldbeeld dat we tegenkomen in de Scandinavische teksten, past bij wat we weten over de continentale Germaanse samenleving. Ik stel me voor dat als een Nebisgast, om eens een Germaanse leider uit Nederland te noemen, een verhaal over de IJslandse Odin zou hebben gehoord, hij het zou hebben herkend als onderdeel van zijn eigen cultuur. Uiteraard is dit speculatie mijnerzijds.
Ons verdwenen verleden
Sinds men rond 1500 in het hertogdom Gelre parallellen ging trekken tussen de Bataven en Gelre, en waarschijnlijk al eerder, zijn de Germanen “ons” verleden. Op Java verrees Batavia, we hebben een Bataafse Republiek gehad, Batavus Droogstoppel is ons nationale alter ego en ik rijd op een Batavusfiets. Er bestaat een krant die Tubantia heet en een noordelijke provincie associeert zich met de Friezen. Ik kom uit Apeldoorn, waar straten zijn vernoemd naar Germaanse volken. Onze overgrootouders hebben weliswaar nooit een Hermannsdenkmal opgericht, maar tot voor kort begon het geschiedenisonderwijs met de Bataven, Chamaven, Chauken, Eburonen, Franken, Friezen, Nerviërs en Saksen.
Ze zijn gereduceerd tot bijzaak in het canonvenster limes. En dat betreur ik. Weliswaar ligt mijn eigen belangstelling meer bij de culturen rond de Middellandse Zee, maar dat maakt me niet blind voor het onloochenbare feit dat voor Nederlanders en Vlamingen het allervoornaamste erfgoed Germaans is: onze taal. Dat kun je niet zomaar opgeven, want dan geef je een belangrijk stuk op van je eigen identiteit. Ik heb het idee dat we, door de eenzijdige nadruk die de laatste kwart eeuw is gelegd op het Romeinse verleden, iets te veel hebben prijsgegeven.
PS
Een schatkamer aan informatie over de Germaanse taal is Taaldacht. Samensteller Olivier van Renswoude plaatste daar ook een vertaling van de Beowulf. Wie meer wil weten over de Germaanse wereld, kan het beste met dat gedicht beginnen.
Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
De Zuil van Trajanus (en meer)
augustus 16, 2024
De Romeinse Isis
december 9, 2023
Domitianus (1): Corona civica
december 19, 2021 Deel dit: #archaicSurvival #Donar #Eburonen #Edda #Franken #Freya #Friezen #GermaanseTalen #Hermannsdenkmal #Herwen #Hludana #Isis #JacobGrimm #mensenoffer #Nebisgast #Nerthus #NoordseMythologie #Odin #OlivierVanRenswoude #PoseidoniosVanApameia #PubliusCorneliusTacitus #Saksen #Sleipnir #SnorriSturluson #StrabonVanAmaseia #Thor #UtrechtseDoopbelofte #VrouwHolle #Wodan -
De Germanen (2) Gradaties
Tacitus’ Germania (Landesmuseum, Bonn)[Dit is het tweede van vijf blogjes over de Germanen. Het eerste was hier.]
Ik heb in het vorige blogje verteld dat de Germanen rond 100 v.Chr. voor het eerst opduiken in het overgeleverde deel van de Grieks-Romeinse literatuur en dat er in die tijd een zuidwaartse migratie plaatsvond vanuit Denemarken en de Noord-Duitse Laagvlakte. Dit is te bewijzen aan de hand van de historische taalkunde, waar ik nog even mee verder ga. Ik zal vertellen dat de regio waar men Germaans sprak, niet samenvalt met de regio die de Grieken en Romeinen “Germania” noemden. Ze valt trouwens ook niet samen met de Germaanse archeologische culturen, en ook daarover wil ik het hebben.
De grenzen van Germania
Als de zuidgrens van Germania hebben de Griekse en Romeinse auteurs altijd de Donau aangewezen. Dat was al zo ten tijde van Poseidonios van Apameia en voor zover ik weet heeft geen enkele antieke geograaf er ooit anders over gedacht. Ten zuiden van de rivier lagen Keltische staten als Raetia (zeg maar Baden-Württemberg) en Noricum (zeg maar Beieren): twee gebieden die niemand ooit Germaans heeft genoemd.
De Germaanse grens in het westen is te danken aan Julius Caesar, die in de eerste zinnen van zijn Gallische Oorlog een krijgstoneel afbakende. Daarbij nam hij de rivier de Rijn als grens tussen Gallië en Germanië. Hij wist echter dat er Germanen woonden op de linker Rijnoever, en later zouden de Romeinen hier ook twee provincies inrichten die ze Germania Inferior en Germania Superior noemden. De bewoners van de laatstgenoemde provincie spraken aanvankelijk een Keltische taal, het Gallisch, en behoorden tot de La Tène-cultuur, die we ook beschouwen als Keltisch.
Is de ambiguïteit hier overzichtelijk (de Romeinen noemden de bewoners Germanen maar die spraken Keltisch en deelden in de Keltische materiële cultuur), in Germania Inferior is de situatie lastiger te doorgronden. Er woonden mensen op de westelijke/zuidelijke Rijnoever die een andere taal dan het Gallisch spraken, zodat de Romeinen andere tolken nodig hadden, maar er is geen garantie dat die taal Germaans was. De grote Belgische taalkundige Maurits Gysseling heeft geopperd dat hier een andere taal werd gesproken, noch Keltisch noch Germaans; hij noemde die taal het Belgisch. Duitse taalkundigen spreken van een Noordwestblok. Andere taalkundigen houden het erop dat de hier gesproken taal een Germaans dialect was. In elk geval: de situatie is in het land van de Beneden-Rijn niet zo duidelijk.
Nog onduidelijker is de oostgrens van Germanië. De Grieken en de Romeinen kenden dit gebied gewoon niet goed. Aan het begin van onze jaartelling noemt de Romeinse geograaf Pomponius Mela de Weichsel als grensnoot Pomponius Mela, Beschrijving van de wereld 3.33., en ook Plinius de Oudere lijkt het zo te zien,noot Plinius de Oudere, Natuurlijke Historie 4.81., maar een generatie later neemt de Romeinse auteur Publius Cornelius Tacitus in zijn boek over de Germanen ook allerlei volken op die verder naar het oosten leefden.
Deze kwestie van de oostgrens is niet helemaal zonder betekenis, want moeten we de IJzertijdculturen rond de Weichsel, dus zeg maar in Polen, nu wel of niet rekenen tot de Germanen? En zo ja, wat betekent dat?
Jastorf-aardewerk (Landesmuseum für Vorgeschichte, Halle)Archeologische culturen
De archeologie helpt ons verder, al komen de meeste resultaten pas in een later blogje aan de orde. Het gebied waar vanouds Germaans werd gesproken, Denemarken en de Noord-Duitse Laagvlakte dus, correspondeert namelijk met de zogeheten Jastorf-cultuur. Die heeft daar bestaan vanaf ongeveer 600 v.Chr. De ontwikkeling loopt min of meer parallel met de Keltische La Tène-cultuur. Die synchronisatie is logisch, want er was handel: de Germanen exporteerden erts, slaven en textiel, en waren tussenhandelaren in barnsteen. Zeer geschematiseerd:
La Tène D150-1SeedorfLa Tène C350-150RipdorfLa Tène B400-350Jastorf CLa Tène A500-400Jastorf BHallstatt D600-500Jastorf ADe vierde en vijfde fase zouden ook wel Jastorf D en E hebben kunnen heten, maar inmiddels was de expansie begonnen; vandaar dat er een aparte naam aan is gegeven. De Przeworsk-cultuur in Polen is met Ripdorf verwant en de meeste onderzoekers denken, voor zover ik overzie, dat de Przeworsk-mensen Germaans spraken. De Seedorf-fase tot slot is het moment waarop de Kimbren en Teutonen doorbraken naar de Mediterrane wereld. Deze fase wordt dus minder door archeologische kenmerken gedefinieerd dan door het toeval van de overlevering van onze historische bronnen.
Er is vrijwel geen Germaans dorp of er is onbewerkt ijzer gevonden (Archeologisch staatsmuseum, Warschau)Waren de eerste fasen van Jastorf nog heel primitief, zeker in vergelijking tot de voorafgaande Bronstijd, later nam de welvaart toch wat toe. Germanië bleef echter een eenvoudige boerensamenleving; het staatsvormingsproces zoals bij de Kelten is achterwege gebleven. Schrijven deed men niet, en dat is waarom we zo weinig weten. Desondanks meent de Oostenrijkse historicus Herwig Wolfram dat de Eerste Germaanse Klankverschuiving plaatsvond in de Jastorf-wereld.
Gradaties van germaansheid
Kortom, er zijn drie criteria van Germaansheid:
- Germaanse materiële cultuur (Jastorf of Przeworsk),
- de Germaanse talen,
- het woongebied Germania.
De drie vallen niet samen. Er zijn dus gebieden die aan alle drie criteria voldoen, terwijl er ook gebieden zijn die maar aan twee criteria voldoen, of zelfs één. Er zijn dus “gradaties van germaansheid”. Zo geldt alle land benoorden de Boven-Donau als Germania, maar behoorde Bohemen lange tijd tot de La Tène-cultuur en het Keltische taalgebied; het germaniseerde pas vanaf het begin van onze jaartelling. Tegelijk noemt Caesar, zoals gezegd, Germaanssprekenden op de westelijke Rijnoever, dus buiten het gebied dat gold als Germanië. Om het complex te maken, kunnen binnen het gebied dat we, met welke criteria dan ook, Germaans noemen, deelgebieden worden aangewezen, die elk op een ander moment in de geschiedenis een rol speelden. Daarover binnenkort meer.
Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
Arm en straatarm in Rome (3)
oktober 18, 2023
Plato (4): Geld, tyrannie en milities
augustus 30, 2022
Het portret van Alexander
juni 10, 2013 Deel dit: #Bohemen #EersteGermaanseKlankverschuiving #GermaanseTalen #GermaniaInferior #GermaniaSuperior #HerwigWolfram #historischeTaalkunde #JastorfCultuur #JuliusCaesar #MauritsGysseling #PliniusDeOudere #PomponiusMela #PoseidoniosVanApameia #PrzeworskCultuur #PubliusCorneliusTacitus #Weichsel -
Drenthe: het Meisje van Yde
Het Meisje van Yde (Drents Museum, Assen)[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter vijftien jaar, en ik plaats vijftien blogjes over vijftien voorwerpen uit de vijftiennoot Vandaag zijn Holland en Vlaanderen elk weer één gewest. Nederlandssprekende provincies.]
Meisje van Yde
Yde is een Drents dorpje halverwege Groningen en Assen. In 1897 is daar bij een vennetje het stoffelijk overschot gevonden van een jonge vrouw, die tijdens haar leven gebocheld was en mank liep. Ze was nog geen anderhalve meter lang en daarom heet ze het Meisje van Yde. Ze was blond maar deels kaal, ze was gewikkeld in een versleten mantel, ze had een steekwond bij het linker sleutelbeen en om haar nek was een koord dat driemaal rond was gebonden en aan de linkerzijde vastgeknoopt.
Het is natuurlijk denkbaar dat de jonge vrouw is gestruikeld, in het water is gevallen en verdronken, maar opzet ligt meer voor de hand. De Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus vermeldt de Germaanse terechtstellingen:
Straffen verschillen al naar gelang het misdrijf: verraders en overlopers worden opgeknoopt aan een boom; lafaards en mannen die niet willen vechten of ontucht bedrijven laat men in zompige moerassen zakken onder een raster van vlechtwerk.noot Tacitus, Germania 12; vert. Vincent Hunink.
Maar ja: het gaat wel om een meisje van elf, hooguit twaalf jaar oud. Ik heb wat moeite met het idee dat ze ontucht heeft gepleegd, al is dat natuurlijk niet de vraag – het gaat erom wat haar beul van haar dacht. Desondanks vermoed ik dat het waarschijnlijker is dat het niet om bestraffing maar om een mensenoffer gaat. Misschien was er een ziekte of een misoogst. Je kunt hooguit hopen dat het meisje troost heeft gehaald uit het feit dat ze naar het Walhalla zou gaan, de hemel voor mensen die gewelddadig aan hun einde waren gekomen.
Ik lees overal dat er een koolstofdatering is waardoor haar dood tussen 54 v. Chr. en 128 na Chr. wordt geplaatst. Of dit met 65% of 95% zekerheid is, heb ik echter nergens kunnen vinden.
Tot slot: het tonen van menselijke resten in een museum is niet onomstreden. Het Drents Museum heeft het meisje onder haar mantel neergelegd, wat ik een mooie oplossing vond. Er was ook opvallend goede uitleg. Inmiddels is de opstelling veranderd, maar het zal vast even goed zijn.
[Dit was het 538e voorwerp in onze reeks museumstukken. Als u deze blog waardeert en wat geld kunt missen voor het dekken van de kosten, dan wordt uw bijdrage gewaardeerd.]
Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
Klassieke literatuur (8): welsprekendheid
november 8, 2019
De Cypriotische stad Salamis
juli 9, 2024
Arm en straatarm in Rome (1)
oktober 16, 2023 Deel dit: #Drenthe #MainzerBeobachter #MeisjeVanYde #mensenoffer #PubliusCorneliusTacitus #veenlijk -
Fryslân: Tolsum
Schrijfplankje van Tolsum (Fries Museum, Leeuwarden)[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter vijftien jaar, en ik plaats vijftien blogjes over vijftien voorwerpen uit de vijftiennoot Vandaag zijn Holland en Vlaanderen elk weer één gewest. Nederlandssprekende provincies.]
Tolsum
Dat had ik niet verwacht: dat ik nog nooit heb geblogd over het Schrijfplankje van Tolsum, hoewel dat toch een van de bekendste voorwerpen is uit de archeologie van de Romeinse Lage Landen. Simpel samengevat: het is zo’n wastafeltje, waarop de Romeinen met een stilus (zeg maar een satéstokje) dingen noteerden. Als iemand hard drukte, raakte hij het hout onder het laagje was en die krassen zijn nog leesbaar.
De eerste oudheidkundige die er naar keek was Wilhelm Vollgraff (de man die Utrecht zijn Romeinse verleden teruggaf); in 1917 meende hij dat het ging om het pachtcontract voor een koe. De technieken zijn sindsdien verbeterd en in 2009 haalde de Nederlandse papyroloog Klaas Worp er een team uit Oxford bij, en de huidige interpretatie (meer; €) is dat het gaat om een op 23 februari 29 n.Chr. overeengekomen afspraak over de aflossing van een lening, te voldoen aan de slaaf Carus.
Dit zou kunnen betekenen dat een slaaf óf persoonlijke bezittingen had waarover hij zelfstandig kan beslissen óf het vertrouwen van zijn meester zo volledig had dat hij zelfstandig een lening kon verstrekken. In dat laatste geval biedt de parabel van de “onrechtvaardige rentmeester”,noot Lukas 16.1-9. die eveneens beschikte over andermans geld, een interessante en tot op het jaar nauwkeurige parallel uit een totaal andere hoek in de Romeinse wereld.
Er zijn nog twee observaties te doen. Eén: dit voorwerpje is gevonden in Tolsum (halverwege Franeker en Bolsward). Het is zeker niet uitgesloten dat volgens het Romeins Recht opgestelde contracten ook daar geldig waren, maar het kan natuurlijk ook zijn dat schrijfplankje daar bij toeval is beland en dat Carus, woonachtig in pakweg Maastricht, zich wekenlang heeft afgevraagd waar die schuldbekentenis toch kon zijn gebleven.
Twee: volgens de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus kwamen in 28 na Chr. de Friezen in opstand. Aannemend
- dat die datering klopt (en dat is maar de vraag, want boek 4 van Tacitus’ Annalen is gecomponeerd rond Romeinse terugtochten),
- dat het plankje inderdaad betrekking heeft op Tolsum (wat, zoals gezegd, maar de vraag is)
- dat de Friezen inderdaad in Friesland woonden (en de alternatieve theorie dat Velsen = Flevum is inmiddels echt onhoudbaar)
… was in het hoge noorden het Romeins Recht binnen een jaar weer hersteld. Dit voorbeeld illustreert hoeveel aannames er eigenlijk zitten in oudheidkundige informatie.
[Dit was het 537e voorwerp in onze reeks museumstukken. Als u deze blog waardeert en wat geld kunt missen voor het dekken van de kosten, dan wordt uw bijdrage gewaardeerd.]
Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
Berenike
januari 5, 2025
De Syro-Fenicische vrouw
mei 1, 2022
Kefa
augustus 5, 2017 Deel dit: #Fryslân #KlaasWorp #MainzerBeobachter #PubliusCorneliusTacitus #RomeinsRecht #schrijfplankjeVanTolsum #slavernij #WilhelmVollgraff -
Pontius Pilatus (4) Jezus
Jezus voor Pilatus, zesde-eeuws handschrift[Dit is het vierde van zes blogjes over Pontius Pilatus. Het eerste was hier.]
Van de diverse gebeurtenissen uit het gouverneurschap van Pontius Pilatus is de rechtszaak tegen Jezus natuurlijk het best geattesteerd en het beroemdst. Er zijn niet minder dan vier onafhankelijke verslagen: in chronologische volgorde zijn dat het evangelie van Marcus, de Joodse Oudheden van Flavius Josephus, het evangelie van Johannes en de Annalen van de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus. De lijdensverhalen van de evangelisten Matteüs en Lukas zijn afgeleid van dat van Marcus, maar bevatten informatie die authentiek zou kunnen zijn.
Jezus’ vergrijp
Op het eerste gezicht is het vreemd dat de Joodse leiders, met name de hogepriester Kajafas, Jezus overdroegen aan Pontius Pilatus. Natuurlijk had Jezus het komende Koninkrijk van God voorspeld, en ook had hij op het Tempelterrein de banken van de geldwisselaars omvergeworpen, maar eschatologisch gespeculeer en vandalisme waren geen redenen voor een executie. Wie in de joodse Tempel de regels overtrad, kreeg stok- of zweepslagen.
We kunnen slechts speculeren over de reden van de uitlevering. Dat Jezus zich tijdens het nachtelijk verhoor had geïdentificeerd als de Mensenzoon die het Laatste Oordeel zou vellen, zal hogepriester Kajafas hebben ervaren als een mateloos en irritant bijgeloof, maar niet als werkelijk zorgwekkend. Een charismaticus die beweerde dat de eersten de laatsten zouden zijn en de laatsten de eersten, kon echter gevaarlijk grote menigtes op de been brengen, en dat was wel zorgwekkend. De Romeinse stedelijke elites waren doodsbang voor het grauw. (We weten dat Griekse concertredenaars het advies kregen om niet te vaak over de Griekse onafhankelijkheid te spreken omdat mensen het weleens letterlijk zouden kunnen nemen.) Een oproerkraaier van het platteland kon maar het beste worden uitgeschakeld, zal Kajafas hebben gedacht, en hij leverde Jezus uit. Misschien is dit wat er gebeurde.
Voor Pilatus was de claim dat Jezus “koning der Joden” was, vervolgens voldoende om hem te laten executeren: kruisiging was voor hoogverraad de normale straf. Weliswaar was een messias geen koning van Judea, maar een titel als “zoon van David” deed weinig om de indruk weg te nemen. Het eerdere oproer op het tempelplein bewees dat Jezus met geweld de macht had willen grijpen. Zo simpel zag het eruit voor een Romeinse bestuurder.
Het is zinvol hieraan toe te voegen dat Pilatus met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen Aramees sprak en dus de intern-joodse discussies niet kende. Hij was aangewezen op mannen als Kajafas, met wie hijzelf en zijn voorganger Valerius Gratus al jaren tot volle tevredenheid samenwerkten. Als Kajafas zei dat een messias een koning was, was er voor Pilatus geen reden om daaraan te twijfelen. En los daarvan: ook een Romeinse gouverneur behoorde tot de stedelijke elite, ook zo iemand had geen zin in een confrontatie met een kwade menigte.
Proces
Volgens onze oudste bron, Marcus, voelde Pontius Pilatus echter aan dat er iets niet in de haak was: “hij begreep wel dat de hogepriesters hem uit afgunst hadden uitgeleverd”.noot Marcus 15.10. Dit zou weleens kunnen zijn bevestigd door Flavius Josephus. Met zijn tekst, die bekendstaat als Testimonium Flavianum, is gerommeld, maar er is consensus over de reconstructie, die historisch logisch en taalkundig opvallend sterk is.
In die tijd leefde Jezus, een wijs mens. Hij verrichtte namelijk wonderlijke daden en was de leraar van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen. Daarom had hij veel Joden en ook veel Grieken als leerlingen. Toen hij door Pilatus, bij wie hij door onze leiders was aangeklaagd, was veroordeeld tot het kruis, weigerden die leerlingen hun liefde voor hem op te geven. Daarom is de naar hem “christenen” genoemde stam nog niet verdwenen.noot Flavius Josephus, Joodse Oudheden 18.63-64.
Dit is een merkwaardige tekst. In plaats van de aanklacht te noemen, noemt Josephus de aanklagers. Dit is des te opmerkelijker omdat de Joodse geschiedschrijver een hekel had aan opstandelingen, die hij verantwoordelijk hield voor de grote oorlog tussen de Joden en de Romeinen van 66-70. Gewoonlijk schept hij er plezier in over hun verdiende straf te schrijven. Dat hij nu de beschuldiging van hoogverraad onvermeld laat, suggereert dat hij twijfels had.
Dat de evangeliën ons een Pontius Pilatus tonen die niet overtuigd was van de schuld van de timmerman, viel uiteraard te verwachten. Marcus en Johannes laten onafhankelijk van elkaar zien hoe de gouverneur de Joden dwong om een deel van de verantwoordelijkheid te nemen: Pilatus verklaart dat hij geen schuld kan vinden en verwijst naar Jezus als “uw koning”, waardoor de bevolking van Jeruzalem wordt gedwongen te verklaren dat ook zij willen dat de man werd gekruisigd.
Een proces als onderhandeling
Het is denkbaar dat de gouverneur van de gelegenheid gebruik maakte om loyaliteitsbeloften te verkrijgen. De bewering van Johannes dat de Joden zelfs verklaarden “geen andere koning te hebben dan de keizer” zou een historisch feit kunnen zijn.noot Johannes 19.15. Pilatus heeft er misschien spijt van gehad dat hij een man moest kruisigen die onschuldig leek, maar hij kan dit hebben beschouwd als een aanvaardbare prijs voor de soepele samenwerking met de tempelautoriteiten.
Er speelt nog iets: we weten, zoals ik vorige week schreef, niet goed hoeveel speelruimte Pilatus had. Als het proces tegen Jezus plaatsvond in het voorjaar van 30 na Chr., kon hij rekenen op steun van de machtige praetoriaanse prefect Lucius Aelius Seianus in Rome. Vond het proces plaats in 33, dan stond Pilatus zwakker en kon hij door een menigte onder druk worden gezet met een argument als “als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer”.noot Johannes 19.12.
Of het Pontius Pilatus was die zocht naar loyaliteitstoezeggingen of dat de menigte hem dwong, valt niet te weten. Wel staat vast dat de bestuurder geen conflict zocht. De evangeliën documenteren dat hij respect toont voor joodse gebruiken. Elk voor zich zijn de voorbeelden weliswaar discutabel, maar de tendens is duidelijk.
- Matteüs laat Pilatus zijn handen wassen,noot Matteüs 27.24. wat een farizees gebruik was.
- Johannes schrijft dat Pilatus Jezus’ tegenstanders toe om te spreken van buiten zijn hoofdkwartier, het Praetorium.noot Het betreden van het gebouw zou de joodse priesters verontreinigen, en dat vlak voor een religieus feest; Johannes 18.29.
- Marcus en Johannes stellen onafhankelijk van elkaar dat Pilatus Jozef van Arimatea toestond de dode te begraven voor het begin van de sabbat.noot Marcus 15.43 en Johannes 19.38.
Vooral dit laatste is opmerkelijk omdat keizer Augustus had verboden dat mensen die waren geëxecuteerd op beschuldiging van hoogverraad, een normale uitvaart zouden krijgen. Pilatus’ toestemming oogt als de daad van iemand die religieuze gevoelens wil respecteren.
Andere arrestanten
Tot slot nog twee vreemde aspecten. Eén: we lezen nergens dat Pilatus Jezus’ aanhangers liet arresteren. Als hij werkelijk geloofde dat Jezus met geweld een koninkrijk wilde stichten, was dit ronduit onverantwoord. Als hij het idee had dat de executie van een plattelandsmessias de prijs was die hij voor de lieve vrede moest betalen, was het echter volkomen logisch.
Maar het vreemdste is dat Pilatus, op de dag waarop hij een man veroordeelde die op z’n kerfstok niet veel meer had dan een flinke rel, een man vrijliet die zeker wél schuldig was: Barabbas. We lezen het bij Marcus en Johannes, onafhankelijk van elkaar, wat een zekere betrouwbaarheid suggereert, maar het is raar. Dat een gouverneur elk jaar een veroordeelde crimineel zou vrijlaten, is immers ronduit bizar. Ik meen dat geen enkele wetenschapper het begrijpt, maar het is duidelijk wat de eerste christenen ervan dachten: het was ironisch dat een huns inziens onschuldige man was doodgemarteld, en een schuldige man was vrijgelaten.
[wordt over twee weken vervolgd]
Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
Een Romeinse stad
mei 3, 2017
Het koninkrijk Dacië
december 30, 2019
Romeins Jeruzalem
augustus 6, 2023 Deel dit: #Barabbas #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanMarcus #FlaviusJosephus #Jeruzalem #JezusVanNazaret #JozefVanArimatea #Judea #Kajafas #kruisiging #LuciusAeliusSeianus #messias #PontiusPilatus #PubliusCorneliusTacitus #TestimoniumFlavianum #ValeriusGratus -
Pontius Pilatus (4) Jezus
Jezus voor Pilatus, zesde-eeuws handschrift[Dit is het vierde van zes blogjes over Pontius Pilatus. Het eerste was hier.]
Van de diverse gebeurtenissen uit het gouverneurschap van Pontius Pilatus is de rechtszaak tegen Jezus natuurlijk het best geattesteerd en het beroemdst. Er zijn niet minder dan vier onafhankelijke verslagen: in chronologische volgorde zijn dat het evangelie van Marcus, de Joodse Oudheden van Flavius Josephus, het evangelie van Johannes en de Annalen van de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus. De lijdensverhalen van de evangelisten Matteüs en Lukas zijn afgeleid van dat van Marcus, maar bevatten informatie die authentiek zou kunnen zijn.
Jezus’ vergrijp
Op het eerste gezicht is het vreemd dat de Joodse leiders, met name de hogepriester Kajafas, Jezus overdroegen aan Pontius Pilatus. Natuurlijk had Jezus het komende Koninkrijk van God voorspeld, en ook had hij op het Tempelterrein de banken van de geldwisselaars omvergeworpen, maar eschatologisch gespeculeer en vandalisme waren geen redenen voor een executie. Wie in de joodse Tempel de regels overtrad, kreeg stok- of zweepslagen.
We kunnen slechts speculeren over de reden van de uitlevering. Dat Jezus zich tijdens het nachtelijk verhoor had geïdentificeerd als de Mensenzoon die het Laatste Oordeel zou vellen, zal hogepriester Kajafas hebben ervaren als een mateloos en irritant bijgeloof, maar niet als werkelijk zorgwekkend. Een charismaticus die beweerde dat de eersten de laatsten zouden zijn en de laatsten de eersten, kon echter gevaarlijk grote menigtes op de been brengen, en dat was wel zorgwekkend. De Romeinse stedelijke elites waren doodsbang voor het grauw. (We weten dat Griekse concertredenaars het advies kregen om niet te vaak over de Griekse onafhankelijkheid te spreken omdat mensen het weleens letterlijk zouden kunnen nemen.) Een oproerkraaier van het platteland kon maar het beste worden uitgeschakeld, zal Kajafas hebben gedacht, en hij leverde Jezus uit. Misschien is dit wat er gebeurde.
Voor Pilatus was de claim dat Jezus “koning der Joden” was, vervolgens voldoende om hem te laten executeren: kruisiging was voor hoogverraad de normale straf. Weliswaar was een messias geen koning van Judea, maar een titel als “zoon van David” deed weinig om de indruk weg te nemen. Het eerdere oproer op het tempelplein bewees dat Jezus met geweld de macht had willen grijpen. Zo simpel zag het eruit voor een Romeinse bestuurder.
Het is zinvol hieraan toe te voegen dat Pilatus met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen Aramees sprak en dus de intern-joodse discussies niet kende. Hij was aangewezen op mannen als Kajafas, met wie hijzelf en zijn voorganger Valerius Gratus al jaren tot volle tevredenheid samenwerkten. Als Kajafas zei dat een messias een koning was, was er voor Pilatus geen reden om daaraan te twijfelen. En los daarvan: ook een Romeinse gouverneur behoorde tot de stedelijke elite, ook zo iemand had geen zin in een confrontatie met een kwade menigte.
Proces
Volgens onze oudste bron, Marcus, voelde Pontius Pilatus echter aan dat er iets niet in de haak was: “hij begreep wel dat de hogepriesters hem uit afgunst hadden uitgeleverd”.noot Marcus 15.10. Dit zou weleens kunnen zijn bevestigd door Flavius Josephus. Met zijn tekst, die bekendstaat als Testimonium Flavianum, is gerommeld, maar er is consensus over de reconstructie, die historisch logisch en taalkundig opvallend sterk is.
In die tijd leefde Jezus, een wijs mens. Hij verrichtte namelijk wonderlijke daden en was de leraar van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen. Daarom had hij veel Joden en ook veel Grieken als leerlingen. Toen hij door Pilatus, bij wie hij door onze leiders was aangeklaagd, was veroordeeld tot het kruis, weigerden die leerlingen hun liefde voor hem op te geven. Daarom is de naar hem “christenen” genoemde stam nog niet verdwenen.noot Flavius Josephus, Joodse Oudheden 18.63-64.
Dit is een merkwaardige tekst. In plaats van de aanklacht te noemen, noemt Josephus de aanklagers. Dit is des te opmerkelijker omdat de Joodse geschiedschrijver een hekel had aan opstandelingen, die hij verantwoordelijk hield voor de grote oorlog tussen de Joden en de Romeinen van 66-70. Gewoonlijk schept hij er plezier in over hun verdiende straf te schrijven. Dat hij nu de beschuldiging van hoogverraad onvermeld laat, suggereert dat hij twijfels had.
Dat de evangeliën ons een Pontius Pilatus tonen die niet overtuigd was van de schuld van de timmerman, viel uiteraard te verwachten. Marcus en Johannes laten onafhankelijk van elkaar zien hoe de gouverneur de Joden dwong om een deel van de verantwoordelijkheid te nemen: Pilatus verklaart dat hij geen schuld kan vinden en verwijst naar Jezus als “uw koning”, waardoor de bevolking van Jeruzalem wordt gedwongen te verklaren dat ook zij willen dat de man werd gekruisigd.
Een proces als onderhandeling
Het is denkbaar dat de gouverneur van de gelegenheid gebruik maakte om loyaliteitsbeloften te verkrijgen. De bewering van Johannes dat de Joden zelfs verklaarden “geen andere koning te hebben dan de keizer” zou een historisch feit kunnen zijn.noot Johannes 19.15. Pilatus heeft er misschien spijt van gehad dat hij een man moest kruisigen die onschuldig leek, maar hij kan dit hebben beschouwd als een aanvaardbare prijs voor de soepele samenwerking met de tempelautoriteiten.
Er speelt nog iets: we weten, zoals ik vorige week schreef, niet goed hoeveel speelruimte Pilatus had. Als het proces tegen Jezus plaatsvond in het voorjaar van 30 na Chr., kon hij rekenen op steun van de machtige praetoriaanse prefect Lucius Aelius Seianus in Rome. Vond het proces plaats in 33, dan stond Pilatus zwakker en kon hij door een menigte onder druk worden gezet met een argument als “als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer”.noot Johannes 19.12.
Of het Pontius Pilatus was die zocht naar loyaliteitstoezeggingen of dat de menigte hem dwong, valt niet te weten. Wel staat vast dat de bestuurder geen conflict zocht. De evangeliën documenteren dat hij respect toont voor joodse gebruiken. Elk voor zich zijn de voorbeelden weliswaar discutabel, maar de tendens is duidelijk.
- Matteüs laat Pilatus zijn handen wassen,noot Matteüs 27.24. wat een farizees gebruik was.
- Johannes schrijft dat Pilatus Jezus’ tegenstanders toe om te spreken van buiten zijn hoofdkwartier, het Praetorium.noot Het betreden van het gebouw zou de joodse priesters verontreinigen, en dat vlak voor een religieus feest; Johannes 18.29.
- Marcus en Johannes stellen onafhankelijk van elkaar dat Pilatus Jozef van Arimatea toestond de dode te begraven voor het begin van de sabbat.noot Marcus 15.43 en Johannes 19.38.
Vooral dit laatste is opmerkelijk omdat keizer Augustus had verboden dat mensen die waren geëxecuteerd op beschuldiging van hoogverraad, een normale uitvaart zouden krijgen. Pilatus’ toestemming oogt als de daad van iemand die religieuze gevoelens wil respecteren.
Andere arrestanten
Tot slot nog twee vreemde aspecten. Eén: we lezen nergens dat Pilatus Jezus’ aanhangers liet arresteren. Als hij werkelijk geloofde dat Jezus met geweld een koninkrijk wilde stichten, was dit ronduit onverantwoord. Als hij het idee had dat de executie van een plattelandsmessias de prijs was die hij voor de lieve vrede moest betalen, was het echter volkomen logisch.
Maar het vreemdste is dat Pilatus, op de dag waarop hij een man veroordeelde die op z’n kerfstok niet veel meer had dan een flinke rel, een man vrijliet die zeker wél schuldig was: Barabbas. We lezen het bij Marcus en Johannes, onafhankelijk van elkaar, wat een zekere betrouwbaarheid suggereert, maar het is raar. Dat een gouverneur elk jaar een veroordeelde crimineel zou vrijlaten, is immers ronduit bizar. Ik meen dat geen enkele wetenschapper het begrijpt, maar het is duidelijk wat de eerste christenen ervan dachten: het was ironisch dat een huns inziens onschuldige man was doodgemarteld, en een schuldige man was vrijgelaten.
[wordt over twee weken vervolgd]
Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
Een Romeinse stad
mei 3, 2017
Het koninkrijk Dacië
december 30, 2019
Romeins Jeruzalem
augustus 6, 2023 Deel dit: #Barabbas #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanMarcus #FlaviusJosephus #Jeruzalem #JezusVanNazaret #JozefVanArimatea #Judea #Kajafas #kruisiging #LuciusAeliusSeianus #messias #PontiusPilatus #PubliusCorneliusTacitus #TestimoniumFlavianum #ValeriusGratus -
Tacitus on Agricola in Scotland about Ireland
Some years ago I came across a blog post relating to the discovery of a fortified settlement at Drumanagh (near Dublin) where Roman coins and goods have been found. It might have been a Roman military site, but in my mind it could equally well have been a Celtic settlement and the finds might have been loot from elsewhere.
I do find it a bit hard to believe that no Romans ever set foot in Ireland, though, and Drumanagh may well have been some sort of trading post or temporary fort for a reconnaissance mission. If that site is Roman, and that was all there was, then it didn’t amount to a full invasion and there’s certainly nothing like the roads or other infrastructure that’s so common in England and Wales.
I thought about this when at the weekend I was “reorganising” my bookshelves (by which I mean changing from one form of disorganization to another), when I came across some old Latin textbooks that included excerpts from the book De vita et moribus Iulii Agricolae which was written by Publius Cornelius Tacitus (Tacitus to you). The Agricola of the title was Gnaeus Julius Agricola, Roman Governor of Britain from around AD 77 until 85. He also happened to be the father-in-law of Tacitus, which probably accounts for the sycophantic tone of some of the writing.
The availability of this book is interesting in itself because only a solitary codicil survived the Roman Era. It eventually became a very popular source in old-fashioned British grammar schools at which Latin was compulsory, as it was at the one I went to, partly because it related to Britain and partly because of the author’s very concise and direct prose which makes much of it quite easy to translate. We didn’t read the whole book at school, but excerpts cropped up regularly to illustrate various grammatical constructions and introduce new vocabulary.
You can find the full Latin text here and an English translation here. I tried Google translate on some passages and it was terrible.
Anyway, as an exercise to my erudite readers I here include sections 23 to 26 which describe part of Agricola’s adventures in Scotland, followed by some comments. Before doing so it is worth mentioning a bit of the context. Agricola’s military campaigns at this time were often carried out in the first instance by water. Scotland was very much bandit country and slogging through the terrain on foot would have led to multiple ambushes and pitched battles.
[23] Quarta aestas obtinendis quae percucurrerat insumpta; ac si virtus exercituum et Romani nominis gloria pateretur, inventus in ipsa Britannia terminus. Namque Clota et Bodotria diversi maris aestibus per inmensum revectae, angusto terrarum spatio dirimuntur: quod tum praesidiis firmabatur atque omnis propior sinus tenebatur, summotis velut in aliam insulam hostibus.
[24] Quinto expeditionum anno nave prima transgressus ignotas ad id tempus gentis crebris simul ac prosperis proeliis domuit; eamque partem Britanniae quae Hiberniam aspicit copiis instruxit, in spem magis quam ob formidinem, si quidem Hibernia medio inter Britanniam atque Hispaniam sita et Gallico quoque mari opportuna valentissimam imperii partem magnis in vicem usibus miscuerit. Spatium eius, si Britanniae comparetur, angustius nostri maris insulas superat. Solum caelumque et ingenia cultusque hominum haud multum a Britannia differunt; [in] melius aditus portusque per commercia et negotiatores cogniti. Agricola expulsum seditione domestica unum ex regulis gentis exceperat ac specie amicitiae in occasionem retinebat. Saepe ex eo audivi legione una et modicis auxiliis debellari obtinerique Hiberniam posse; idque etiam adversus Britanniam profuturum, si Romana ubique arma et velut e conspectu libertas tolleretur.
[25] Ceterum aestate, qua sextum officii annum incohabat, amplexus civitates trans Bodotriam sitas, quia motus universarum ultra gentium et infesta hostilis exercitus itinera timebantur, portus classe exploravit; quae ab Agricola primum adsumpta in partem virium sequebatur egregia specie, cum simul terra, simul mari bellum impelleretur, ac saepe isdem castris pedes equesque et nauticus miles mixti copiis et laetitia sua quisque facta, suos casus attollerent, ac modo silvarum ac montium profunda, modo tempestatum ac fluctuum adversa, hinc terra et hostis, hinc victus Oceanus militari iactantia compararentur. Britannos quoque, ut ex captivis audiebatur, visa classis obstupefaciebat, tamquam aperto maris sui secreto ultimum victis perfugium clauderetur. Ad manus et arma conversi Caledoniam incolentes populi magno paratu, maiore fama, uti mos est de ignotis, oppugnare ultro castellum adorti, metum ut provocantes addiderant; regrediendumque citra Bodotriam et cedendum potius quam pellerentur ignavi specie prudentium admonebant, cum interim cognoscit hostis pluribus agminibus inrupturos. Ac ne superante numero et peritia locorum circumiretur, diviso et ipso in tris partes exercitu incessit.
[26] Quod ubi cognitum hosti, mutato repente consilio universi nonam legionem ut maxime invalidam nocte adgressi, inter somnum ac trepidationem caesis vigilibus inrupere. Iamque in ipsis castris pugnabatur, cum Agricola iter hostium ab exploratoribus edoctus et vestigiis insecutus, velocissimos equitum peditumque adsultare tergis pugnantium iubet, mox ab universis adici clamorem; et propinqua luce fulsere signa. Ita ancipiti malo territi Britanni; et nonanis rediit animus, ac securi pro salute de gloria certabant. Ultro quin etiam erupere, et fuit atrox in ipsis portarum angustiis proelium, donec pulsi hostes, utroque exercitu certante, his, ut tulisse opem, illis, ne eguisse auxilio viderentur. Quod nisi paludes et silvae fugientis texissent, debellatum illa victoria foret.In [23], around 80 AD, we find that Agricola saw advantage in conquering Scotland as far as the Firth of Clyde (Clota) and Firth of Forth (Bodotria) because the tide would bring his ships a long way inland and they were separated by only a narrow stretch of land. He claims he would have gone further had he had the resources needed to do so.
[24] is the interesting one in light of the introduction to this piece . The fifth year of campaigning would have been 81 AD, long before the construction of Hadrian’s Wall. It says that Agricola crossed in his flagship (literally in the first ship, nave prima). It then goes to say that he garrisoned that part of Britain which faces Hibernia (i.e. Ireland) not out of fear but in hopes of further action. This is because he felt that Ireland offered a strategic connection between the provinces of Britain and Spain.
(Some people think that the garrison Agricola formed for his putative future action, ostensibly an invasion of Ireland, was at Ravenglass in modern-day Cumbria, rather than Scotland, but it might have been further North; nobody really knows. I remember as a kid seeing Ireland from the Mull of Kintyre and was told that on a clear day you could see as far as the mountains in Donegal from there.)
Tacitus goes on to say that (my emphasis):
Ireland is smaller in size when compared to Britain, but larger than the islands of the Mediterranean. The soil, the climate and the character and manners of its inhabitants differ little from those of Britain, while its approaches and harbours are better known through trade and commerce. We also learn that Agricola has a friendly Irish chieftain in tow, who has been turfed out of his own land.
Agricola had given sanctuary to a minor chieftain driven from home by faction, and held him, under the cloak of friendship, until occasion demanded. My father-in-law often said that with one legion and a contingent of auxiliaries Ireland could be conquered and held; and that it would be useful as regards Britain also, since Roman troops would be everywhere, and the prospect of independence would fade from view.
So Agricola felt that people of Hibernia and Britain were similar and the effect of conquering the former would be to snuff out any hopes of independence in the latter. Either the planned invasion never happened, or Agricola tried it, got his fingers burnt and Tacitus chose to omit it from his account. This seems unlikely because Agricola had enough on his plate dealing with the Scottish campaign without diverting a legion to Ireland.
Anyway, the second emphasized section explains that Ireland’s ports were well known through trade and commerce, so one can infer that Romans were familiar enough to have landed there to trade, etc. I think Drumanagh was probably just one of many such stations.
In [25], a year later. Agricola is already campaigning beyond the Firth of Forth using a combination of naval and land-based forces. The Britons were wrong-footed by the Romans’ use of the sea, but mounted attacks against Roman forts. At the end of this section, Agricola, hearing that his force is about to be attacked, divides his army into three divisions and advances.
I included [26] because it mentions the Ninth Legion (in the accusative case, nonam legionem) because they are being attacked. The Ninth Legion has been the source of much speculation as the “Lost Legion”, as it disappears entirely from the historical record after about 120 AD. This unit was in the thick of the action, many times and was almost wiped out in 61 AD during the rebellion of Boudica and in other rebellions. According to Tacitus it was one of the three parts of Agricola’s army in 83 AD, though it was described as “especially weak” (maxime invalidem), and was in trouble there too, but was eventually rescued by the other two divisions. It doesn’t explain why the Ninth was the most weakened. Had it suffered more casualties than the rest of Agricola’s army or was it just not as well trained? Was part of it left as the garrison described in [24]? Could it have participated in an abortive invasion of Ireland the year before, got badly mauled in the process, and hadn’t recovered to full strength?
Bearing in mind that Tacitus wanted to portrary Agricola in a positive light, perhaps the complete rescue of the Ninth described in the text was exaggerated and its already weakened state was worsened still further by this battle? It wasn’t here that the Lost Legion was lost, however, as it cropped up elsewhere in Britain until at least 108 AD, twenty-five years later, and perhaps as late as 120 AD elsewhere on the continent. I’m not a historian but it seems to me that a plausible explanation of the fate of the Ninth Legion is that it was broken up into detachments and gradually dispersed, rather than being wiped out in one calamitous battle.
#Agricola #Drumanagh #GnaeusJuliusAgricola #History #LifeOfAgricola #NinthLegion #PubliusCorneliusTacitus #RomanBritain #Tacitus
-
Tacitus on Agricola in Scotland about Ireland
Some years ago I came across a blog post relating to the discovery of a fortified settlement at Drumanagh (near Dublin) where Roman coins and goods have been found. It might have been a Roman military site, but in my mind it could equally well have been a Celtic settlement and the finds might have been loot from elsewhere.
I do find it a bit hard to believe that no Romans ever set foot in Ireland, though, and Drumanagh may well have been some sort of trading post or temporary fort for a reconnaissance mission. If that site is Roman, and that was all there was, then it didn’t amount to a full invasion and there’s certainly nothing like the roads or other infrastructure that’s so common in England and Wales.
I thought about this when at the weekend I was “reorganising” my bookshelves (by which I mean changing from one form of disorganization to another), when I came across some old Latin textbooks that included excerpts from the book De vita et moribus Iulii Agricolae which was written by Publius Cornelius Tacitus (Tacitus to you). The Agricola of the title was Gnaeus Julius Agricola, Roman Governor of Britain from around AD 77 until 85. He also happened to be the father-in-law of Tacitus, which probably accounts for the sycophantic tone of some of the writing.
The availability of this book is interesting in itself because only a solitary codicil survived the Roman Era. It eventually became a very popular source in old-fashioned British grammar schools at which Latin was compulsory, as it was at the one I went to, partly because it related to Britain and partly because of the author’s very concise and direct prose which makes much of it quite easy to translate. We didn’t read the whole book at school, but excerpts cropped up regularly to illustrate various grammatical constructions and introduce new vocabulary.
You can find the full Latin text here and an English translation here. I tried Google translate on some passages and it was terrible.
Anyway, as an exercise to my erudite readers I here include sections 23 to 26 which describe part of Agricola’s adventures in Scotland, followed by some comments. Before doing so it is worth mentioning a bit of the context. Agricola’s military campaigns at this time were often carried out in the first instance by water. Scotland was very much bandit country and slogging through the terrain on foot would have led to multiple ambushes and pitched battles.
[23] Quarta aestas obtinendis quae percucurrerat insumpta; ac si virtus exercituum et Romani nominis gloria pateretur, inventus in ipsa Britannia terminus. Namque Clota et Bodotria diversi maris aestibus per inmensum revectae, angusto terrarum spatio dirimuntur: quod tum praesidiis firmabatur atque omnis propior sinus tenebatur, summotis velut in aliam insulam hostibus.
[24] Quinto expeditionum anno nave prima transgressus ignotas ad id tempus gentis crebris simul ac prosperis proeliis domuit; eamque partem Britanniae quae Hiberniam aspicit copiis instruxit, in spem magis quam ob formidinem, si quidem Hibernia medio inter Britanniam atque Hispaniam sita et Gallico quoque mari opportuna valentissimam imperii partem magnis in vicem usibus miscuerit. Spatium eius, si Britanniae comparetur, angustius nostri maris insulas superat. Solum caelumque et ingenia cultusque hominum haud multum a Britannia differunt; [in] melius aditus portusque per commercia et negotiatores cogniti. Agricola expulsum seditione domestica unum ex regulis gentis exceperat ac specie amicitiae in occasionem retinebat. Saepe ex eo audivi legione una et modicis auxiliis debellari obtinerique Hiberniam posse; idque etiam adversus Britanniam profuturum, si Romana ubique arma et velut e conspectu libertas tolleretur.
[25] Ceterum aestate, qua sextum officii annum incohabat, amplexus civitates trans Bodotriam sitas, quia motus universarum ultra gentium et infesta hostilis exercitus itinera timebantur, portus classe exploravit; quae ab Agricola primum adsumpta in partem virium sequebatur egregia specie, cum simul terra, simul mari bellum impelleretur, ac saepe isdem castris pedes equesque et nauticus miles mixti copiis et laetitia sua quisque facta, suos casus attollerent, ac modo silvarum ac montium profunda, modo tempestatum ac fluctuum adversa, hinc terra et hostis, hinc victus Oceanus militari iactantia compararentur. Britannos quoque, ut ex captivis audiebatur, visa classis obstupefaciebat, tamquam aperto maris sui secreto ultimum victis perfugium clauderetur. Ad manus et arma conversi Caledoniam incolentes populi magno paratu, maiore fama, uti mos est de ignotis, oppugnare ultro castellum adorti, metum ut provocantes addiderant; regrediendumque citra Bodotriam et cedendum potius quam pellerentur ignavi specie prudentium admonebant, cum interim cognoscit hostis pluribus agminibus inrupturos. Ac ne superante numero et peritia locorum circumiretur, diviso et ipso in tris partes exercitu incessit.
[26] Quod ubi cognitum hosti, mutato repente consilio universi nonam legionem ut maxime invalidam nocte adgressi, inter somnum ac trepidationem caesis vigilibus inrupere. Iamque in ipsis castris pugnabatur, cum Agricola iter hostium ab exploratoribus edoctus et vestigiis insecutus, velocissimos equitum peditumque adsultare tergis pugnantium iubet, mox ab universis adici clamorem; et propinqua luce fulsere signa. Ita ancipiti malo territi Britanni; et nonanis rediit animus, ac securi pro salute de gloria certabant. Ultro quin etiam erupere, et fuit atrox in ipsis portarum angustiis proelium, donec pulsi hostes, utroque exercitu certante, his, ut tulisse opem, illis, ne eguisse auxilio viderentur. Quod nisi paludes et silvae fugientis texissent, debellatum illa victoria foret.In [23], around 80 AD, we find that Agricola saw advantage in conquering Scotland as far as the Firth of Clyde (Clota) and Firth of Forth (Bodotria) because the tide would bring his ships a long way inland and they were separated by only a narrow stretch of land. He claims he would have gone further had he had the resources needed to do so.
[24] is the interesting one in light of the introduction to this piece . The fifth year of campaigning would have been 81 AD, long before the construction of Hadrian’s Wall. It says that Agricola crossed in his flagship (literally in the first ship, nave prima). It then goes to say that he garrisoned that part of Britain which faces Hibernia (i.e. Ireland) not out of fear but in hopes of further action. This is because he felt that Ireland offered a strategic connection between the provinces of Britain and Spain.
(Some people think that the garrison Agricola formed for his putative future action, ostensibly an invasion of Ireland, was at Ravenglass in modern-day Cumbria, rather than Scotland, but it might have been further North; nobody really knows. I remember as a kid seeing Ireland from the Mull of Kintyre and was told that on a clear day you could see as far as the mountains in Donegal from there.)
Tacitus goes on to say that (my emphasis):
Ireland is smaller in size when compared to Britain, but larger than the islands of the Mediterranean. The soil, the climate and the character and manners of its inhabitants differ little from those of Britain, while its approaches and harbours are better known through trade and commerce. We also learn that Agricola has a friendly Irish chieftain in tow, who has been turfed out of his own land.
Agricola had given sanctuary to a minor chieftain driven from home by faction, and held him, under the cloak of friendship, until occasion demanded. My father-in-law often said that with one legion and a contingent of auxiliaries Ireland could be conquered and held; and that it would be useful as regards Britain also, since Roman troops would be everywhere, and the prospect of independence would fade from view.
So Agricola felt that people of Hibernia and Britain were similar and the effect of conquering the former would be to snuff out any hopes of independence in the latter. Either the planned invasion never happened, or Agricola tried it, got his fingers burnt and Tacitus chose to omit it from his account. This seems unlikely because Agricola had enough on his plate dealing with the Scottish campaign without diverting a legion to Ireland.
Anyway, the second emphasized section explains that Ireland’s ports were well known through trade and commerce, so one can infer that Romans were familiar enough to have landed there to trade, etc. I think Drumanagh was probably just one of many such stations.
In [25], a year later. Agricola is already campaigning beyond the Firth of Forth using a combination of naval and land-based forces. The Britons were wrong-footed by the Romans’ use of the sea, but mounted attacks against Roman forts. At the end of this section, Agricola, hearing that his force is about to be attacked, divides his army into three divisions and advances.
I included [26] because it mentions the Ninth Legion (in the accusative case, nonam legionem) because they are being attacked. The Ninth Legion has been the source of much speculation as the “Lost Legion”, as it disappears entirely from the historical record after about 120 AD. This unit was in the thick of the action, many times and was almost wiped out in 61 AD during the rebellion of Boudica and in other rebellions. According to Tacitus it was one of the three parts of Agricola’s army in 83 AD, though it was described as “especially weak” (maxime invalidem), and was in trouble there too, but was eventually rescued by the other two divisions. It doesn’t explain why the Ninth was the most weakened. Had it suffered more casualties than the rest of Agricola’s army or was it just not as well trained? Could it have participated in an abortive invasion of Ireland the year before, got badly mauled in the process, and hadn’t recovered to full strength?
Bearing in mind that Tacitus wanted to portrary Agricola in a positive light, perhaps the complete rescue of the Ninth described in the text was exaggerated and its already weakened state was worsened still further by this battle? It wasn’t here that the Lost Legion was lost, however, as it cropped up elsewhere in Britain until at least 108 AD, twenty-five years later, and perhaps as late as 120 AD elsewhere on the continent. I’m not a historian but it seems to me that a plausible explanation of the fate of the Ninth Legion is that it was broken up into detachments and gradually dispersed, rather than being wiped out in one calamitous battle.
#Agricola #Drumanagh #GnaeusJuliusAgricola #History #LifeOfAgricola #NinthLegion #PubliusCorneliusTacitus #RomanBritain #Tacitus
-
Tacitus on Agricola in Scotland about Ireland
Some years ago I came across a blog post relating to the discovery of a fortified settlement at Drumanagh (near Dublin) where Roman coins and goods have been found. It might have been a Roman military site, but in my mind it could equally well have been a Celtic settlement and the finds might have been loot from elsewhere.
I do find it a bit hard to believe that no Romans ever set foot in Ireland, though, and Drumanagh may well have been some sort of trading post or temporary fort for a reconnaissance mission. If that site is Roman, and that was all there was, then it didn’t amount to a full invasion and there’s certainly nothing like the roads or other infrastructure that’s so common in England and Wales.
I thought about this when at the weekend I was “reorganising” my bookshelves (by which I mean changing from one form of disorganization to another), when I came across some old Latin textbooks that included excerpts from the book De vita et moribus Iulii Agricolae which was written by Publius Cornelius Tacitus (Tacitus to you). The Agricola of the title was Gnaeus Julius Agricola, Roman Governor of Britain from around AD 77 until 85. He also happened to be the father-in-law of Tacitus, which probably accounts for the sycophantic tone of some of the writing.
The availability of this book is interesting in itself because only a solitary codicil survived the Roman Era. It eventually became a very popular source in old-fashioned British grammar schools at which Latin was compulsory, as it was at the one I went to, partly because it related to Britain and partly because of the author’s very concise and direct prose which makes much of it quite easy to translate. We didn’t read the whole book at school, but excerpts cropped up regularly to illustrate various grammatical constructions and introduce new vocabulary.
You can find the full Latin text here and an English translation here. I tried Google translate on some passages and it was terrible.
Anyway, as an exercise to my erudite readers I here include sections 23 to 26 which describe part of Agricola’s adventures in Scotland, followed by some comments. Before doing so it is worth mentioning a bit of the context. Agricola’s military campaigns at this time were often carried out in the first instance by water. Scotland was very much bandit country and slogging through the terrain on foot would have led to multiple ambushes and pitched battles.
[23] Quarta aestas obtinendis quae percucurrerat insumpta; ac si virtus exercituum et Romani nominis gloria pateretur, inventus in ipsa Britannia terminus. Namque Clota et Bodotria diversi maris aestibus per inmensum revectae, angusto terrarum spatio dirimuntur: quod tum praesidiis firmabatur atque omnis propior sinus tenebatur, summotis velut in aliam insulam hostibus.
[24] Quinto expeditionum anno nave prima transgressus ignotas ad id tempus gentis crebris simul ac prosperis proeliis domuit; eamque partem Britanniae quae Hiberniam aspicit copiis instruxit, in spem magis quam ob formidinem, si quidem Hibernia medio inter Britanniam atque Hispaniam sita et Gallico quoque mari opportuna valentissimam imperii partem magnis in vicem usibus miscuerit. Spatium eius, si Britanniae comparetur, angustius nostri maris insulas superat. Solum caelumque et ingenia cultusque hominum haud multum a Britannia differunt; [in] melius aditus portusque per commercia et negotiatores cogniti. Agricola expulsum seditione domestica unum ex regulis gentis exceperat ac specie amicitiae in occasionem retinebat. Saepe ex eo audivi legione una et modicis auxiliis debellari obtinerique Hiberniam posse; idque etiam adversus Britanniam profuturum, si Romana ubique arma et velut e conspectu libertas tolleretur.
[25] Ceterum aestate, qua sextum officii annum incohabat, amplexus civitates trans Bodotriam sitas, quia motus universarum ultra gentium et infesta hostilis exercitus itinera timebantur, portus classe exploravit; quae ab Agricola primum adsumpta in partem virium sequebatur egregia specie, cum simul terra, simul mari bellum impelleretur, ac saepe isdem castris pedes equesque et nauticus miles mixti copiis et laetitia sua quisque facta, suos casus attollerent, ac modo silvarum ac montium profunda, modo tempestatum ac fluctuum adversa, hinc terra et hostis, hinc victus Oceanus militari iactantia compararentur. Britannos quoque, ut ex captivis audiebatur, visa classis obstupefaciebat, tamquam aperto maris sui secreto ultimum victis perfugium clauderetur. Ad manus et arma conversi Caledoniam incolentes populi magno paratu, maiore fama, uti mos est de ignotis, oppugnare ultro castellum adorti, metum ut provocantes addiderant; regrediendumque citra Bodotriam et cedendum potius quam pellerentur ignavi specie prudentium admonebant, cum interim cognoscit hostis pluribus agminibus inrupturos. Ac ne superante numero et peritia locorum circumiretur, diviso et ipso in tris partes exercitu incessit.
[26] Quod ubi cognitum hosti, mutato repente consilio universi nonam legionem ut maxime invalidam nocte adgressi, inter somnum ac trepidationem caesis vigilibus inrupere. Iamque in ipsis castris pugnabatur, cum Agricola iter hostium ab exploratoribus edoctus et vestigiis insecutus, velocissimos equitum peditumque adsultare tergis pugnantium iubet, mox ab universis adici clamorem; et propinqua luce fulsere signa. Ita ancipiti malo territi Britanni; et nonanis rediit animus, ac securi pro salute de gloria certabant. Ultro quin etiam erupere, et fuit atrox in ipsis portarum angustiis proelium, donec pulsi hostes, utroque exercitu certante, his, ut tulisse opem, illis, ne eguisse auxilio viderentur. Quod nisi paludes et silvae fugientis texissent, debellatum illa victoria foret.In [23], around 80 AD, we find that Agricola saw advantage in conquering Scotland as far as the Firth of Clyde (Clota) and Firth of Forth (Bodotria) because the tide would bring his ships a long way inland and they were separated by only a narrow stretch of land. He claims he would have gone further had he had the resources needed to do so.
[24] is the interesting one in light of the introduction to this piece . The fifth year of campaigning would have been 81 AD, long before the construction of Hadrian’s Wall. It says that Agricola crossed in his flagship (literally in the first ship, nave prima). It then goes to say that he garrisoned that part of Britain which faces Hibernia (i.e. Ireland) not out of fear but in hopes of further action. This is because he felt that Ireland offered a strategic connection between the provinces of Britain and Spain.
(Some people think that the garrison Agricola formed for his putative future action, ostensibly an invasion of Ireland, was at Ravenglass in modern-day Cumbria, rather than Scotland, but it might have been further North; nobody really knows. I remember as a kid seeing Ireland from the Mull of Kintyre and was told that on a clear day you could see as far as the mountains in Donegal from there.)
Tacitus goes on to say that (my emphasis):
Ireland is smaller in size when compared to Britain, but larger than the islands of the Mediterranean. The soil, the climate and the character and manners of its inhabitants differ little from those of Britain, while its approaches and harbours are better known through trade and commerce. We also learn that Agricola has a friendly Irish chieftain in tow, who has been turfed out of his own land.
Agricola had given sanctuary to a minor chieftain driven from home by faction, and held him, under the cloak of friendship, until occasion demanded. My father-in-law often said that with one legion and a contingent of auxiliaries Ireland could be conquered and held; and that it would be useful as regards Britain also, since Roman troops would be everywhere, and the prospect of independence would fade from view.
So Agricola felt that people of Hibernia and Britain were similar and the effect of conquering the former would be to snuff out any hopes of independence in the latter. Either the planned invasion never happened, or Agricola tried it, got his fingers burnt and Tacitus chose to omit it from his account. This seems unlikely because Agricola had enough on his plate dealing with the Scottish campaign without diverting a legion to Ireland.
Anyway, the second emphasized section explains that Ireland’s ports were well known through trade and commerce, so one can infer that Romans were familiar enough to have landed there to trade, etc. I think Drumanagh was probably just one of many such stations.
In [25], a year later. Agricola is already campaigning beyond the Firth of Forth using a combination of naval and land-based forces. The Britons were wrong-footed by the Romans’ use of the sea, but mounted attacks against Roman forts. At the end of this section, Agricola, hearing that his force is about to be attacked, divides his army into three divisions and advances.
I included [26] because it mentions the Ninth Legion (in the accusative case, nonam legionem) because they are being attacked. The Ninth Legion has been the source of much speculation as the “Lost Legion”, as it disappears entirely from the historical record after about 120 AD. This unit was in the thick of the action, many times and was almost wiped out in 61 AD during the rebellion of Boudica and in other rebellions. According to Tacitus it was one of the three parts of Agricola’s army in 83 AD, though it was described as “especially weak” (maxime invalidem), and was in trouble there too, but was eventually rescued by the other two divisions. It doesn’t explain why the Ninth was the most weakened. Had it suffered more casualties than the rest of Agricola’s army or was it just not as well trained? Was part of it left as the garrison described in [24]? Could it have participated in an abortive invasion of Ireland the year before, got badly mauled in the process, and hadn’t recovered to full strength?
Bearing in mind that Tacitus wanted to portrary Agricola in a positive light, perhaps the complete rescue of the Ninth described in the text was exaggerated and its already weakened state was worsened still further by this battle? It wasn’t here that the Lost Legion was lost, however, as it cropped up elsewhere in Britain until at least 108 AD, twenty-five years later, and perhaps as late as 120 AD elsewhere on the continent. I’m not a historian but it seems to me that a plausible explanation of the fate of the Ninth Legion is that it was broken up into detachments and gradually dispersed, rather than being wiped out in one calamitous battle.
#Agricola #Drumanagh #GnaeusJuliusAgricola #History #LifeOfAgricola #NinthLegion #PubliusCorneliusTacitus #RomanBritain #Tacitus