home.social

#constantijn-de-grote — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #constantijn-de-grote, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Bleef Paulus in Rome? (2)

    Paulus (Teseum, Tongeren)

    In het vorige blogje legde ik uit dat het archeologisch onderzoek onder de Sint-Paulus buiten de Muren niet hielp om vast te stellen of Paulus na zijn gevangenschap in Rome in die stad was gebleven. De traditie geeft echter een duidelijk antwoord: Paulus is onthoofd tijdens de vervolging door Nero, die plaatsvond na de grote brand van Rome. Die woedde in de zomer van 64 en afgaand op het verslag van Publius Cornelius Tacitus liet de keizer enkele christenen levend verbranden. De bevolking, voegt Tacitus toe, was verontwaardigd over deze onmenselijke straf. Er is geen vermelding van Paulus.

    Clemens en Ignatius: geen Rome, geen Nero

    De marteldood van Paulus is echter in een oude bron vermeld: de Eerste Brief van Clemens. Die dateert vermoedelijk uit de laatste jaren van de eerste eeuw, misschien een tikje later.

    Door jaloezie en afgunst werden de grootste en rechtvaardigste steunpilaren van de kerk vervolgd en vochten zij tot de dood toe. Laten we de goede apostelen voor ogen houden: Petrus, die vanwege onrechtvaardige jaloezie niet één of twee, maar vele beproevingen onderging, en nadat hij zo zijn getuigenis had afgelegd, naar de glorieuze plaats ging die hem toekwam. Door jaloezie en strijd wees Paulus de weg naar de prijs van volharding; zevenmaal zat hij in de boeien, hij werd verbannen, hij werd gestenigd, hij was een verkondiger zowel in het Oosten als in het Westen, hij verwierf de edele roem van zijn geloof, hij onderwees de hele wereld in gerechtigheid, en toen hij de grenzen van het Westen had bereikt, legde hij zijn getuigenis af voor de heersers, en zo verliet hij de wereld en werd hij opgenomen in de Heilige Plaats, het grootste voorbeeld van volharding.noot 1 Clemens 5.2-7.

    Deze christelijke auteur, één generatie na de gebeurtenis, kon het martelaarschap van Paulus dus bekend veronderstellen. Maar Clemens noemt noch Rome, noch Nero, en als je alleen de twee Bijbelteksten zou kennen die ik aanhaalde in de eerste alinea van het vorige blogje, zou je concluderen dat Paulus verder is gereisd naar Spanje en daar aan zijn einde gekomen.

    Iets jonger (vermoedelijk) is de Brief aan de Romeinen van Ignatius van Antiochië, die in Syrië gevangen is genomen en op transport is gezet naar Rome. De arrestant schrijft dat hij hoopt door de beesten te worden verscheurd en zegt verder dat hij zijn Romeinse penvrienden geen instructies zal geven, zoals Petrus en Paulus deden. De vergelijking impliceert dat de apostelen zijn gemarteld, en dat de ontvangers van de brief dat wisten. Het enige dat dus vaststaat is dat ten tijde van Domitianus en Trajanus bekend kon worden verondersteld dat Paulus gewelddadig ter dood was gebracht.

    Het begin van de traditie

    We moeten, als ik het goed zie, ongeveer driekwart eeuw wachten op de volgende aanwijzing: de tekst die bekendstaat als Handelingen van Paulus. Deze tekst is fragmentarisch bekend, maar het slot is overgeleverd en bevat voor het eerst de elementen die we herkennen uit de latere traditie: Paulus is in Rome, waar hij op last van Nero wordt onthoofd. De aanleiding is dat hij een hoveling uit de dood heeft opgewekt (het verhaal is een kopie van een incident genoemd in de Handelingen van de Apostelennoot Handelingen 20.9.) waarna Nero onderzoek instelt. Paulus legt uit dat de wereld door vuur zal worden verwoest (ekpyrosis), waarop Nero de apostel laat onthoofden en enkele christelijke soldaten laat verbranden. Sommige Romeinen protesteren. Daarna verschijnt Paulus nog eens aan Nero en diens hoffilosofen en ook aan enkele rouwende christenen.noot Handelingen van Paulus 10. Hier ontstaat dus de traditie, en over de datering weten we alleen dat deze tekst kort voor 200 is geschreven, aangezien Tertullianus de tekst, volgens hem recent gepubliceerd, veroordeelt.

    Even later, begin derde eeuw, is er een kort fragment van Gaius, dat wordt geciteerd in de Kerkgeschiedenis van Eusebios van Caesarea. Ik heb het al eens eerder vermeld:

    Ik kan je de trofeeën van de apostelen aanwijzen. Als je de moeite neemt de Vaticaanse Weg of de weg naar Ostia te nemen, zul je de trofeeën zien van degenen die de kerk stichtten.

    Dit is consistent met de locatie van de twee basilieken, de Sint-Pieter en de Sint-Paulus. Ik zie geen reden te betwijfelen dat Constantijn de Grote de kerken heeft laten bouwen op plaatsen die in de tweede eeuw al werden vereerd.

    Impasse

    Toen ik dit blogje begon te schrijven, ging ik ervan uit dat de interpretatie er een zou zijn zoals die rond Petrus in Rome: eigenlijk weten we alleen dat hij ter dood is gebracht, maar naarmate de tijd verstrijkt, worden de verhalen steeds preciezer. Mensen waren ontevreden met het weinige dat ze wisten en voegden steeds meer details toe. Die interpretatierichting maakt Petrus’ verblijf in Rome net zo verdacht als de steeds nauwkeurigere locatie van Tartessos en de groei van het sprookje van Archimedes’ brandspiegels. Ik vermoedde dat het met Paulus niet anders zou zijn: steeds meer details en de verdenking dat alles bedacht is door mensen die ontevreden waren over het weinige dat ze wél wisten. Zo werkt legendevorming nou eenmaal.

    Maar nu ik eens rustig kijk naar de Handelingen van Paulus, krijg ik toch een andere indruk. De auteur van die late bron lijkt onafhankelijk van Tacitus een herinnering te bewaren aan een gebeurtenis waarbij Nero enkele christenen liet verbranden en de stedelijke bevolking protesteerde. De auteur van de Handelingen van Paulus lijkt niets te weten van de stadsbrand en verklaart de vorm van de executies daarom vanuit Paulus’ aankondiging van een wereldbrand. We hebben, lijkt mij, minimaal een onafhankelijke traditie voor Nero’s executies.

    Dat maakt de opmerking dat ook Paulus toen om het leven kwam, misschien net een tikje plausibeler. Deze auteur wist blijkbaar iets over de gebeurtenissen van een eeuw daarvoor. Het is echter geen doorslaggevend bewijs voor Paulus’ dood in Rome.

    Pleit dit vóór de traditie, er pleit ook iets tegen. Het gebeente in de sarcofaag is te jong. Dat betekent dat er in de tweede eeuw geen herinnering was aan het feitelijke graf. Het kan dus zijn dat Paulus is gedood in Spanje, want 1 Clemens laat zich moeilijk anders lezen. Het kan echter óók zijn dat Clemens die westelijke dood vermeldde omdat hij had gelezen dat Paulus het voornemen had naar Spanje te reizen.

    De conclusie van deze twee blogjes is dus dat we niet kunnen aannemen dat Paulus ten tijde van Nero in Rome is gedood, maar dat we ook niet kunnen aannemen dat het niet zo was. Zoals zo vaak: we weten het niet.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #brandVanRome #ConstantijnDeGrote #EersteBriefVanClemens #ekpyrosis #EusebiosVanCaesarea #HandelingenVanPaulus #IgnatiusVanAntiochië #interpretatierichting #martelaarschap #Nero #Paulus #Petrus #PubliusCorneliusTacitus #Rome #SintPaulusBuitenDeMuren #Tertullianus
  2. Bleef Paulus in Rome? (1)

    De sarcofaag die sinds de tweede eeuw (?) wordt aangewezen als graf van Paulus

    Omdat ik op zondag graag blog over het Nieuwe Testament, schrijf ik vandaag weer over de apostel Paulus. Die maakte verschillende reizen, waarvan verslag wordt gedaan in de Handelingen van de Apostelen. In zijn eigen brieven verwijst Paulus ook wel naar die reizen. De Handelingen eindigen met zijn aankomst in de stad Rome, waar hij moest wachten op de behandeling van het hoger beroep in een rechtszaak; dat duurde blijkbaar twee jaar.noot Handelingen 28.30. Omdat bekend is dat Paulus contact heeft gehad met gouverneur Festus en koning Herodes Agrippa II, die we scherp kunnen dateren, mogen we aannemen dat Paulus op z’n laatst in het voorjaar van 61 arriveerde in Rome. In zijn Brief aan de Romeinen vertelt Paulus dat hij van plan is verder te reizen naar Spanje.noot Romeinen 15.23-24. Hij zou in het voorjaar van 63 zijn reis dus hebben kunnen voortzetten.

    Het graf van Paulus

    Heeft hij die reis werkelijk gemaakt? Tja. De christelijke traditie wil dat hij is onthoofd ten tijde van Nero’s vervolging van de christenen in Rome. Paulus’ graf wordt even buiten het historisch centrum aangewezen, in de door keizer Constantijn de Grote gebouwde Sint-Paulus buiten de Muren (ook wel: “buiten de veste”). Daar hebben archeologen in 2002-2003 de ruimte rond het graf onderzocht. In de oudste fase, dus ten tijde van Constantijn, lag het graf in de apsis, maar in 390 lieten de toen regerende keizers Theodosius I, Arcadius en Valentinianus II de kerk compleet herbouwen. De aanleiding was vermoedelijk wateroverlast.

    Er kwam een nieuw, hoger niveau, waar de sarcofaag kwam te staan in een kistvormig marmeren altaar. Aan de korte zijde was het opschrift PAULO te lezen en aan de lange zijde APOSTOLO MART(yri). Rond het midden van de vijfde eeuw verhoogde paus Leo I de vloer opnieuw, liet de sarcofaag waar die was, en bouwde een nieuw, hoger altaar, waarbij de marmerplaten met inscriptie het tafelblad vormden. Een volgende verhoging volgde rond 600, ten tijde van paus Gregorius I de Grote, die een compleet nieuw altaar bouwde boven op het voorafgaande. Dit was een echte tafel, met tussen de poten het tafelblad-met-oudere-inscriptie van paus Leo, en daar onder de sarcofaag.

    Tussen 2003 en 2009 is het botmateriaal in die sarcofaag gedateerd aan de hand van de koolstofmethode en het zou gaan om iemand uit de eerste of tweede eeuw.noot Ik had graag het rapport gezien, maar kan het online niet vinden. Dat is een te wijde foutenmarge om vast te stellen dat het gaat om iemand die in het derde kwart van de eerste eeuw is overleden. Om het erger te maken is er sindsdien een herziening van de kalibratiecurve geweest (“IntCal20”), die én de marge verbreedde én alles iets recenter plaatste. Als je eerst een kans had van 66% op een datering in de tweede helft van de eerste eeuw, is nu na kalibratie de kans 66% op een datering tussen pakweg 75 en 200 na Chr. Het gebeente zou nog steeds dat kunnen zijn van Paulus, maar dat is inmiddels wel een stuk minder waarschijnlijk dan in 2009. Om eerlijk te zijn: niet waarschijnlijk.

    De huidige uitleg in de kerk noemt wel de kans op datering volgens de oorspronkelijke kalibratie, maar niet de huidige. Dat is misleidend, maar soit: het gaat bij heiligenverering niet om wetenschap. Het archeologisch onderzoek biedt echter geen aanwijzing dat Paulus na zijn gevangenschap in Rome is gebleven.

    [Wordt vervolgd. Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #ConstantijnDeGrote #GregoriusIDeGrote #kalibratie #koolstofdatering #martelaarschap #Nero #NieuweTestament #Paulus #PausLeoI #Rome #SintPaulusBuitenDeMuren
  3. Limburg: Kessel

    Helm uit Kessel (Limburgs Museum, Venlo)

    [Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter vijftien jaar, en ik plaats vijftien blogjes over vijftien voorwerpen uit de vijftiennoot Vandaag zijn Holland en Vlaanderen elk weer één gewest. Nederlandssprekende provincies.] 

    Kessel

    De bovenstaande helm schijnt te zijn gevonden in de Maas, of bij de Maas. Hij dateert uit de vierde eeuw en het opvallende aspect is natuurlijk dat op de helmkam een Christusmonogram ☧ is te zien: de in elkaar geschoven letters chi en rho, waarmee het woord Christus begint. De eerste interpretatie was natuurlijk: de drager van deze helm was een christelijke soldaat.

    Dat kan heel goed zijn. Er was op een gegeven moment – ik meen ten tijde van keizer Theodosius I (r.378-395) een regel dat alleen christenen mochten dienen in de Romeinse legers. Het afbeelden van een godheid op je helm was natuurlijk ook gebruikelijk: Mars, Hercules, Apollo, Jupiter, Kybele, Neptunus en Minerva zijn maar zeven voorbeelden. Het christendom brak niet met deze traditie.

    Je mag echter een kanttekening plaatsen. Het ☧-teken is veel ouder dan het christendom. Het speelt een rol in de zonnecultus van Illyrië (waar de familie van Constantijn de Grote vandaan kwam) en Griekse lezers gebruikten het om in de marge van een tekst aan te geven dat deze of gene passage nuttig was, chrestos. Het is misschien vergezocht te denken dat een soldaat zo’n teken op zijn helm zou zetten, maar onmogelijk is het niet. Voor een soldaat is zo’n hoofddeksel best nuttig. Dat de drager een zonnegod vereerde, is ook niet uitgesloten.

    We kunnen bij deze kanttekening ook weer een kanttekening plaatsen, want we hebben onderstaande munt van Constantijn de Grote, geslagen in 315.

    Constantijn (let op het embleem op de helm; Staatliche Münzsammlung, München)

    We zien hier Constantijn met op zijn helm een christogram. Dat suggereert toch weer een christelijke interpretatie. Maar ook bij deze kanttekening bij een kanttekening is een kanttekening op z’n plaats, namelijk dat het visioen van Constantijn (eind 309) hem, anders dan de legende wil, nog niet tot christen maakte. Hij brak met de staatsgoden van andere keizers (Jupiter en Hercules) en liet munten slaan waarop hij zich presenteerde als vereerder van de zon. Pas na 324 lijkt hij zich werkelijk als christen te hebben gepresenteerd.

    Het christogram heeft lange tijd dus een reeks verwante betekenissen gehad: zonnegod, Christus, chrestos. Je kunt niet zomaar zeggen dat de drager van de helm uit de Maas een christen was. Het is plausibel, maar ook niet méér.

    [Dit was het 544e voorwerp in onze reeks museumstukken. Als u deze blog waardeert en wat geld kunt missen voor het dekken van de kosten, dan wordt uw bijdrage gewaardeerd.]

    #ConstantijnDeGrote #helm #Kessel #Limburg #MainzerBeobachter #TheodosiusI
  4. Vlaanderen: Oudenburg

    Venus Pudica (Oudenburg)

    [Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter vijftien jaar, en ik plaats vijftien blogjes over vijftien voorwerpen uit de vijftiennoot Vandaag zijn Holland en Vlaanderen elk weer één gewest. Nederlandssprekende provincies.] 

    Oudenburg

    Over het bovenstaande beeldje heb ik eerder geschreven, namelijk toen ik vorig jaar het museum van Oudenburg bezocht. Over dit beeld, door de opgravers van het Romeinse fort geïdentificeerd als Venus (omdat het nu eenmaal lijkt op een beroemd standbeeld van die godin), vroeg ik me af of het geen pornografische afbeelding kon zijn. Dat zegt natuurlijk vooral iets over het feit dat ik zelf ’s konings wapenrok heb gedragen en dat ik, als het gaat om vrouwelijk naakt in een militaire context, een andere verwachting heb dan iemand met een achtergrond in de kunstgeschiedenis.

    De ene interpretatie sluit de andere niet uit. Laten we het dus houden op een afbeelding van Venus, uit de tweede helft van de vierde eeuw. Dan hebben we hier een puike aanwijzing dat het heidendom na de bekering van Constantijnde Grote nog lang niet dood was. Dat is niet verrassend. Begin vijfde eeuw observeerde Synesios van Kyrene nog een processie van Kybele. Een halve eeuw later was er nog een heidense consul. Begin zesde eeuw was Zosimos ervan overtuigd dat de oude goden vereerd moesten worden.

    Kortom: het christendom was nog lang één godsdienst te midden van andere. Het werd een steeds belangrijkere godsdienst, maar toen Clovis rond 500 koning was, waren er nog volop soldaten in de Lage Landen die de oude goden en godinnen vereerden.

    [Dit was het 543e voorwerp in onze reeks museumstukken. Als u deze blog waardeert en wat geld kunt missen voor het dekken van de kosten, dan wordt uw bijdrage gewaardeerd.]

    #ConstantijnDeGrote #MainzerBeobachter #Oudenburg #Vlaanderen
  5. Petrus in Rome (2)

    Petrus krijgt van Christus de sleutels (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

    In het vorige blogje heb ik het literaire bewijs voor Petrus’ aanwezigheid in Rome uiteengezet. Het was ambigu. In dit blogje behandel ik het archeologische bewijs.

    In 1950 kondigde de paus aan dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in het geheim onder de Sint-Pietersbasiliek opgravingen waren verricht en dat een graf was gevonden dat wellicht van Petrus was geweest. Er waren bij dat graf ook botten gevonden, maar die waren op dat moment slechts oppervlakkig onderzocht. Dat de paus erover zweeg, was verstandig, want ze bleken afkomstig van twee mannen, een vrouw, een varken en een paard.

    Een rode muur

    Dit was echter niet het einde van het verhaal. Achter het graf hadden de opgravers een roodkleurige muur met een nis en een klein altaartje gevonden. Dit kon niet anders zijn dan het door Eusebios van Caesarea op gezag van Gaius genoemde tropaion. Op en rond die muur waren graffiti aangebracht die Petrus vermeldden. De opgravers haalden Margherita Guarducci erbij, een specialiste die al eerder de Wet van Gortyn had uitgegeven. Aan de hand van de graffiti concludeerde zij dat hier toch ergens het graf van Petrus moest zijn. Toen ze een van de arbeiders vroeg of er weleens botten bij die muur waren gevonden, antwoordde die van wel. Elke avond, als de opgravers naar huis gingen, was een Vaticaanse functionaris langs gekomen om de menselijke resten weg te nemen, aangezien die nou eenmaal netjes dienden te worden herbegraven.

    Guarducci wist deze botten te vinden en die bleken te behoren bij een man van ongeveer zestig. Het is denkbaar dat dit de resten zijn van iemand die ooit in het graf heeft gelegen, dat zeker ouder was dan die rode-muur-met-monumentje, aangezien het er onder ligt. De botten kunnen, zoals Guarducci opperde, op zeker moment zijn overgebracht vanuit het graf naar de nis in de muur; de aarde die tussen de botten is gevonden, correspondeert met die onder het oorspronkelijke graf. Dat is te dateren aan de hand van enkele naburige graven, die dezelfde oriëntatie hebben; in een daarvan is een olielampje en een dakpan gevonden uit de tijd van keizer Vespasianus (r.69-79).

    Kortom: de vondsten zijn consistent met de traditie. Dat het gaat om begravingen en niet om crematies, is niet beslissend voor het christelijke karakter, maar spreekt het ook niet tegen.

    We hebben alles bij elkaar:

    • Enkele simpele graven uit de tweede helft van de eerste eeuw, waaronder “het” graf, maar dat was zonder relevante menselijke resten;
    • Een daar overheen gebouwde rode muur met een monumentje en een nis, waarin botten zijn gevonden; deze muur lijkt te dateren uit het midden van de tweede eeuw, toen op de Vaticaanse heuvel nieuwe, meer monumentale graven kwamen;
    • Een derde-eeuwse steunmuur, die bewijst dat er toen mensen waren die nog zorg hadden voor deze plek;
    • De vierde-eeuwse basiliek van keizer Constantijn de Grote, gebouwd op een vrijwel onmogelijke helling, zodat kosten noch moeiten zijn gespaard om het gebouw precies op deze plek te plaatsen.

    De complicaties

    We weten dus met zekerheid dat de plaats ten tijde van Constantijn de Grote werd beschouwd als graf van Petrus. Wat mij betreft mag je terugrekenen naar het midden van de tweede eeuw, maar of die rode muur met nis (het tropaion) is opgericht op het echte graf van Petrus, en of de botten uit die nis echt van hem waren, dat is niet uit te maken. Er is immers geen manier om “Petrusheid” te meten. Als we nou wat DNA hadden van de leider van de vroege kerk, was dat anders.

    Een wezenlijker probleem is echter dat de opgraving gecompromitteerd is. Ze vond plaats in het geheim en de menselijke resten werden zonder afdoende wetenschappelijke documentatie verwijderd. Heel humaan natuurlijk: je gunt de doden een zo onverstoord mogelijke rust. Maar wetenschappelijk is dit rampzalig.

    Twee graven van Petrus

    En er is nog een gegeven. Rond het midden van de derde eeuw werd een Romeinse villa aan de Via Appia omgebouwd tot christelijke gebedsplaats. Een later door paus Damasus aangebrachte inscriptie vermeldt dat de apostelen Petrus en Paulus hier hadden verbleven en een andere inscriptie noemt dit het domus Petri, “het huis van Petrus”. De logische interpretatie is dat Petrus in de villa heeft gewoond, maar andere inscripties vermelden dodenmaaltijden (refrigeria). Dat suggereert dat deze plek, onder de huidige San Sebastiano, in de derde eeuw gold al het feitelijke graf van Petrus, en inderdaad vermeldt het vijfde-eeuwse Leven van Sebastianus dat deze heilige is begraven “bij de resten van Petrus en Paulus”.

    Al in de Late Oudheid is geprobeerd de twee tradities te harmoniseren: Petrus zou maar tijdelijk begraven zijn geweest aan de Via Appia. Ik zal die antieke speculaties verder negeren. Het punt is namelijk dat er in de derde eeuw blijkbaar nog een tweede plek was die gold als Petrus’ graf. (Dat kan hebben samengehangen met een kerkelijke ruzie, waarbij een Novatianus het gezag van paus Cornelius in twijfel trok.) Feit is: die tweede traditie kan alleen zijn ontstaan als in de derde eeuw het graf op de helling van de Vaticaanse heuvel niet al vanouds & onomstotelijk gold als de plek waar Petrus was begraven.

    Samenvattend: dat Petrus is geëxecuteerd is heel aannemelijk, dat dit is gebeurd in Rome is mogelijk, dat het ten tijde van Nero gebeurde valt te overwegen, en dat zijn graf onder de Sint-Pietersbasiliek ligt is denkbaar. Maar zekerheid zullen we er nooit meer over krijgen.

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Paestum

    december 16, 2023
    Circus Maximus (3)

    juli 5, 2023
    Brokerless kingdom

    januari 30, 2022 Deel dit: #Antiochië #ConstantijnDeGrote #Damasus #EusebiosVanCaesarea #graffiti #HandelingenVanPetrus #MargheritaGuarducci #NieuweTestament #Petrus #Rome #SintPietersbasiliek #ViaAppia
  6. De Kerkgeschiedenis van Eusebios

    Het Concilie van Nikaia (negende-eeuws manuscript uit Vercelli)

    De Kerkgeschiedenis van Eusebios van Caesarea is om verschillende redenen een interessante tekst. Om te beginnen natuurlijk om dat wat de auteur betoogt: dat het christendom weliswaar van diverse kanten wordt bedreigd maar dat de bisschoppen de gelovigen in het rechte, orthodoxe spoor houden. Die gedachte is eigenlijk best opmerkelijk, want de meeste Romeinen waren niet van mening dat er, in religieuze zin, zoiets bestond als orthodoxie. Zolang de offers maar op de juiste manier werden gebracht, was alles dik in orde.

    Van proto-orthodox naar orthodox

    Voor de christenen lag dat anders: in de eerste drie eeuwen van dit geloof waren er allerlei christelijke opvattingen, en langzaam maar zeker zette de opvatting door dat wie Christus vereerde niet ook andere goden mocht vereren. De aanhangers van deze opvatting staan bekend als proto-orthodoxe of exclusivistische christen. Tijdens het door keizer Constantijn de Grote voorgezeten Eerste Concilie van Nikaia (325) werd deze visie normatief. Tegelijk werd bepaald dat er maar één orthodoxe manier was om over Christus te denken: de tweenaturenleer.

    In het decennium voor het concilie schreef Eusebios de Kerkgeschiedenis, waarin hij het bestaan van een orthodoxie veronderstelde. Hij doet dat door alles wat van de ware leer afweek, te presenteren als dwaalleer of dwaasheid. Tevens benadrukt hij, zoals gezegd, het belang van de bisschoppen als hoeders van de orthodoxie. Zowel ketterijen als vervolgingen hebben zijns inziens te maken met mensen die niet luisterden naar hun bisschop, of bisschoppen die tekortschoten in hun herderlijke taak.

    Joodse invloeden

    Dit is overigens een idee dat we ook in de toenmalige joodse literatuur aantreffen. Als er iets mis ging, had dat te maken met tekortschietend rabbijns toezicht. Een andere overeenkomst tussen Eusebios’ boek en het toenmalige joodse denken is het idee van de “apostolische successie”: een bisschop weet wat hij moet doen omdat hij het leerde van zijn voorganger, die het weer wist van zijn voorganger, die het weer had van een eerdere generatie, en zo terug, dieper en dieper, naar de apostelen en Christus. Eusebios biedt in zijn Kerkgeschiedenis dus diverse lijsten van bisschoppen. Bij wijze van voorbeeld noem ik de bisschoppen van Jeruzalem:

    De eerste was Jakobus, die de “broeder van de Heer” werd genoemd. Na hem kwam als tweede Simeon. De derde was Justus. De vierde Zaccheüs, de vijfde Tobias, de zesde Benjamin, de zevende Johannes, de achtste Matteüs, de negende Filippos, de tiende Seneca, de elfde Justus, de twaalfde Levi, de dertiende Efres, de veertiende Jozef, en tot slot was Judas de vijftiende. Dit waren de bisschoppen van Jeruzalem vanaf de tijd van de apostelen.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 4.5.3-5.

    We vinden ditzelfde idee van opvolging/inwerking ook terug in het indrukwekkende Mishna-traktaat Aboth, waarin het leergezag op identieke wijze wordt overgedragen: van Mozes naar Jozua en dan via via naar de farizeeën en de rabbijnen.

    Documenten

    Een andere reden waarom de Kerkgeschiedenis van Eusebios zo boeiend is, is zijn systematische gebruik van documenten. Opnieuw een joodse gewoonte: al in het Bijbelboek Ezra-Nehemia worden brieven geciteerd. Dat is niet heel anders dan in de Griekse redevoeringen van diezelfde tijd, waarin sprekers hun betoog nogal eens onderbreken door voor te lezen wat er in deze of gene wet staat. Citaten zijn dan dus autoriteitsclaims.

    Dit gebruik uit de rechtspraak heeft in de Griekse geschiedschrijving weinig navolging gevonden. Een geciteerd document is immers een stijlbreuk en Griekse (en Romeinse) auteurs parafraseerden liever. En als ze al documenten citeerden, moeten wij er rekening mee houden dat die zijn verzonnen, zoals de toenmalige geschiedschrijvers ook nogal wat toespraken verzonnen. Het citeren van een valse bron duidt niet per se kwaadwillendheid; auteurs kunnen natuurlijk ook naïef zijn, zoals hedendaagse rectoren en journalisten die fictieve citaten ontlenen aan artificiële intelligentie.

    Dit alles roept de vraag op hoe authentiek Eusebios’ documenten zijn – en dus hoe betrouwbaar zijn Kerkgeschiedenis is. Hij citeert dus bisschopslijsten die teruggaan tot op de apostelen, maar we hebben het zeer sterke vermoeden dat het bisschopsambt eigenlijk pas in de tweede eeuw is gegroeid. Dat wil niet per se zeggen dat de informatie onwaar is, want ook zonder de titel “bisschop” kunnen er leiders zijn geweest, maar het dwingt wel tot nadenken. Van de andere kant: waar we Eusebios kunnen controleren, zoals wanneer hij Flavius Josephus aanhaalt, is hij vrij correct. Een door hem geciteerde brief waarover twijfel heeft bestaan, is later als papyrus teruggevonden.

    Ik ben dus al met al geneigd tot in dubio pro Eusebio. In elk geval kon hij in Caesarea beschikken over een goede bibliotheek, waar hij de geciteerde documenten inderdaad zou kunnen vinden. Tegelijk: daar kon hij ook teksten vinden van auteurs wier opvattingen hij, levend in de vierde eeuw, niet deelde. Die citeert hij dus niet. Hij citeert alleen wat hem te pas komt en vervalst het verleden door dingen weg te laten. De confirmation bias dus.

    Invloed

    Eusebios’ verslag loopt tot het moment waarop Constantijn alleenheerser is. Een kleine eeuw later kreeg hij opvolgers met twee nieuwe kerkhistorici: Sokrates en Sozomenos. Zij vervolgden het verhaal tot in de vijfde eeuw. Rufinus deed iets soortgelijks: hij vertaalde Eusebios in het Latijn en voegde twee boeken toe. Zij schreven elk een vervolg op Eusebios’ Kerkgeschiedenis. Zoiets heet een continuatie en zo’n auteur – u raadt het nooit – heet een continuator. Die continuaties kregen ook weer continuaties, en daarop volgden de excerpten. Dat is zeker duizend jaar zo doorgegaan.

    En daarmee bleef Eusebios’ Kerkgeschiedenis, die een heel selectief beeld gaf van de eerste drie eeuwen van het christendom, lange tijd de standaard. Het is nog steeds lastig ervan los te komen, en mede daarom zijn gnostische teksten als die uit Nag Hammadi zo vreselijk belangrijk.

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Tongeren

    september 15, 2018
    Eutropius (9): Vorstenspiegel

    september 28, 2019
    Hoe kennen we de Romeinen? (2)

    mei 4, 2015 Deel dit: #Aboth #apostolischeSuccessie #confirmationBias #ConstantijnDeGrote #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #exclusivistischeChristenen #Kerkgeschiedenis #orthodoxie #protoOrthodoxie #Rufinus #SokratesKerkhistoricus #Sozomenos
  7. Het beeld van Zeus in Olympia

    Het beeld van Zeus in Olympia (Bode-Museum, Berlijn)

    We zijn geneigd om bij de zeven wereldwonderen te denken aan grote constructies: de piramiden in Egypte (het enige wereldwonder dat we nog kunnen zien), het mausoleum in Halikarnassos (tegenwoordig weinig meer dan een kuil in de grond), de (verzonnen) hangende tuinen van Babylon, de vuurtoren van Alexandrië (gereduceerd tot kasteel). Het oudste lijstje met wonderbaarlijke bijzonderheden, opgesteld door Antipatros van Sidon,noot Palatijnse Anthologie (9.58). bevat echter ook een standbeeld: de Zeus van Olympia. Ook van dit wereldwonder is niets over, al weten we in welke tempel het wereldwonder heeft gestaan. In de tempel van Zeus dus.

    Het enorme beeld van de Griekse oppergod is gemaakt door de Atheense beeldhouwer Feidias. Die had, dankzij twee beelden van Athena op de Akropolis in Athene, al een grote reputatie toen hij en zijn collega’s Kolotes en Panainos zich in 437 v.Chr. in Olympia vestigden om het beeld te maken van de god ter wiens ere de Olympische Spelen werden gevierd. Hun werkplaats is geïdentificeerd en opgegraven.

    Hoe zag het beeld eruit?

    Het twaalf meter hoge beeld is afgebeeld op talloze munten en gemmen, en is ook bekend omdat het in detail is beschreven door de Griekse auteur Pausanias.noot Pausanias, Gids voor Griekenland 5.11.  Zo weten we dat de god werd afgebeeld, zittend op zijn troon. Dit type kennen we ook uit de Levant, waar de oppergod El al in de Bronstijd zo werd afgebeeld. Bij wijze van voorbeeld noem ik dit exemplaar uit de Syrische havenstad Ugarit.

    Feidias’ van goud en ivoor gemaakte beeld droeg in de ene hand een beeld van Nikè, de overwinningsgodin, en in de andere hand hield het een scepter. De armleuningen van de troon bestonden uit sfinxen: opnieuw een motief dat we kennen uit de Levantijnse Bronstijdkunst, zoals de Megiddo-ivoortjes. Verder waren er allerlei figuren in het grote beeld verwerkt, zoals leeuwen, Herakles en de Amazones, Theseus en de Amazones, meer Nikès, de Niobides en andere figuren uit de wereld van de Griekse mythen en sagen. Op de sokkel was de geboorte van Zeus’ dochter Afrodite afgebeeld.

    Zeus (Musée de Mariemont, Morlanwelz)

    Zeus wordt Christus

    Goud wordt dof en ivoor verweert. Het beeld werd dus van tijd tot tijd opgeknapt en gerepareerd. Dankzij al die goede zorgen stond dit symbool van de aloude Griekse religie er dus driekwart millennium later nog altijd, in volle glorie. Na 324 na Chr. gelastte de Romeinse keizer Constantijn de Grote echter de ontmanteling van het beeld, dat op transport ging naar zijn nieuwe residentie, die later Constantinopel genoemd zou worden.

    De verdere geschiedenis van de Zeus van Feidias is helaas onbekend, maar we kunnen speculeren. Van 362 tot 363 regeerde keizer Julianus de Afvallige, die vooral bekend is omdat hij, nadat zijn voorgangers blijk hadden gegeven van hun persoonlijke sympathie voor het christendom, het heidendom wilde herstellen. Julianus sneuvelde voordat hij veel had bereikt, maar bij de christelijke gezagsdragers zat de schrik er goed in en ze stelden zich steeds scherper op tegen uitingen van het heidendom. In Rome eisten ze de verwijdering van het beeld van Victoria uit het Senaatsgebouw; ook kwam er een einde aan de subsidiëring van de heidense eredienst. Het lijkt me goed mogelijk dat het wereldberoemde beeld van de Griekse oppergod, dat te heidens was om te worden beschouwd als alleen maar een kunstvoorwerp, op soortgelijke wijze werd verwijderd – te meer omdat het goud viel te gebruiken voor het slaan van munten en de vervaardiging van andere kunstvoorwerpen.

    Christus in de Santa Pudenziana in Rome

    Vergeten was het beeld allerminst. Toen in Rome de kerk van Santa Pudenziana rond 420 een mooi apsismozaïek moest krijgen, werd de nieuwe oppergod afgebeeld zoals de oude oppergod, waardoor Christus eruitziet als ware hij Feidias’ Zeus in Olympia.

    #Christus #ConstantijnDeGrote #Constantinopel #El #Feidias #JulianusDeAfvallige #Nikè #Olympia #Pausanias #Rome #SantaPudenziana #Zeus #zevenWereldwonderen
  8. Laat-antiek Thracië

    Claudius II Gothicus (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

    [Dit is het voorlaatste van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

    Crisis

    Zoals ik in het vorige blogje zei, markeerde de regering van een uit Thracië afkomstige keizer, Maximinus Thrax, het begin van wat bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. Het wezenlijkste punt was een geleidelijke klimaatverandering, die de landbouw bemoeilijkte, meer mensen dwong om op het platteland te gaan werken, leidde tot een verkleining van het aantal ambachtslieden en (daarmee samenhangend) een verkleining van de betekenis van de steden. De belastinginkomsten namen af en dus hadden de keizers minder armslag. Er was minder handel en er was een epidemie.

    Maar het meest opvallend: vijandelijke volken waren succesvoller dan in de voorafgaande tijd. Dat dwong tot grotere legers, die inflatoir werden gefinancierd. En het hielp simpelweg niet. De Griekse en Romeinse auteurs haalden de naam “Geten” uit de kast om hun tegenstanders te beschrijven: een eeuwenoude term voor de bewoners van wat inmiddels Moesia Inferior heette. Zulk archaïsme was niet ongebruikelijk, maar de keuze kan ook zijn ingegeven doordat een van de groepen invallers zich aanduidde als “Goten”. We lezen ook over Carpi en Sarmaten. We lezen dat Plovdiv – niet langer Moesia maar in het Thracische binnenland – werd geplunderd en dat keizer Decius omkwam in de strijd. Een nog niet zo heel lang geleden ontdekte palimpsest documenteert deze gebeurtenis.

    Sarcofaag van Herennius Etruscus, broer van Claudius II Gothicus (Museum Altemps, Rome)

    Maar hoe erg was het feitelijk? Een gesneuvelde keizer is natuurlijk een aanwijzing dat het menens was, maar beschrijvingen van “barbaren” zijn sowieso stereotiep en mensen kunnen hun angst voor onoverzichtelijke problemen makkelijk omzetten in vijandsdenken. Deze of gene minderheid geldt dan als de boeman die de schuld krijgt voor een anders slecht benoembaar probleem. Zoals joden, christenen en astrologen nogal eens de schuld kregen, zo ook buitenlandse vijanden.

    Dat er wel degelijk iets aan de hand was, blijkt uit muntschatten. In tijden van crisis begraven mensen hun geld, en de ruim 700 schatten uit Bulgarije zijn ongelijkmatig verdeeld: ruimtelijk bezien zijn er meer in het gebied langs de Donau dan in het zuiden, temporeel bezien is de helft te dateren tussen 235 en 270. Het laatste jaar correspondeert met een overwinning van keizer Claudius II Gothicus. (Zijn bijnaam hoef ik niet uit te leggen.) Er is meer bewijs dat de crisis serieus was: keizer Aurelianus (r.270-275) ontruimde de gebieden benoorden de Donau. Moesia was opnieuw een grensprovincie.

    Herstel

    De vierde eeuw zag herstel, dat meestal wordt geassocieerd met de regering van keizer Diocletianus (r.284-305), die inzag dat er meer dan één keizer moest zijn om op alle plaatsen tegelijk gezag te kunnen uitoefenen. De door hem ingezette hervormingen werden door zijn opvolgers voortgezet, waarvan Constantijn de Grote (r.306-337) de belangrijkste is. Zo werden de provincies opnieuw ingedeeld, waarbij de Thracische gebieden samenkwamen in één zogeheten diocees, dat ook Thracië heette.

    Laatantieke keizer (Archeologisch museum, Veliko Tarnovo)

    Het muntstelsel werd vernieuwd – in musea zie je dat goudstukken de zilverstukken overvleugelden – en het leger kreeg betere forten, die we kunnen typeren als kastelen. Waren dat aanvankelijk vooral grensforten, in de loop der tijden werden ook de (inmiddels kleinere) steden voorzien van indrukwekkende stadsmuren. Versterkte politieposten bewaakten de wegen, bruggen, mijnen, ateliers en andere strategisch belangrijke plekken.

    Voor Thracië was speciaal belangrijk dat Diocletianus zijn residentie plaatste in de stad Nikomedeia aan de Zee van Marmara. Het graan dat nodig was om de stad te voeden, kwam uit de vallei van de Maritsa. Zijn opvolger Galerius nam Thessaloniki als residentie, en ook die stad leefde van Thracisch graan.

    De baden van Sofia

    Het christendom

    Diocletianus beschouwde manicheeërs en christenen als on-Romeins en vervolgde hen jarenlang, maar Galerius maakte daaraan in 311 een einde. Hij deed dit toen hij een bezoek bracht aan de geneeskrachtige baden van Serdica, het huidige Sofia, waar het badhuis in kwestie is geïdentificeerd. Galerius’ opvolger Licinius besloot te gaan samenwerken met de christenen en de dynastie van Constantijn zette dat beleid na 324 voort.

    En ook hij koos een residentie: Byzantion, dat later Constantinopel zou heten. Thracisch graan was opnieuw belangrijk. De Via Diagonalis die ik eerder noemde, werd belangrijker dan ooit: het was de weg naar de keizerlijke residentie. Ze heet tot op de dag van vandaag Тsarigradski pieti, de weg naar Tsarigrad, “keizerstad”. Het is geen toeval dat toen in 343 de christenen over hun christologische geschillen discussieerden, ze dat deden in een stad aan deze weg: de Synode van Serdica. Makkelijk bereikbaar over de weg vanuit Constantinopel en via de Donau vanuit het westen. Een van de aanwezigen was Sint-Servaas, de bisschop van Tongeren die in Maastricht zou worden begraven.

    Het herstel van Thracië en Moesia Inferior, ingezet rond 270, kwam na een eeuw echter abrupt ten einde.

    [Wordt later vandaag afgerond]

    In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Het Colosseum (2): bezoekers

    augustus 6, 2024
    Mohra Moradu

    januari 5, 2015
    Licinius en Constantijn

    februari 1, 2015 Deel dit: #Aurelianus #barbaren #Carpi #ClaudiusIIGothicus #ConstantijnDeGrote #Constantinopel #CrisisVanDeDerdeEeuw #Decius #diocees #Diocletianus #Galerius #Goten #graan #Licinius #MaximinusThrax #Moesia #muntschat #Nikomedeia #Sarmaten #Serdica #SintServaas #Sofia #SynodeVanSerdica #Thracië #ViaDiagonalis
  9. Nikolaas van Myra, zielzorger

    De dood van Nikolaas van Myra (Antivouniotissa-museum, Korfu)

    Het is vandaag 1689 of 1688 jaar geleden dat in het Lycische havenstadje Myra de bisschop overleed. Wat deze Nikolaas van Myra  overkwam tijdens zijn hemelvaart, is ronduit spectaculair, maar ik heb het al eens verteld. Vandaag wil ik het hebben over de christelijke gemeenschap die nu op zoek moest naar een nieuwe leider.

    Verdeeld en vervolgd

    Dat zal een kleine gemeenschap zijn geweest. In de derde eeuw, voordat keizer Constantijn de Grote de christenen tot eenheid dwong, was Christus op allerlei manieren vereerd geweest. Voor de meeste Romeinen – en dus ook voor de bewoners van Myra – was hij een van de vele goden die niet behoorden bij de officiële cultus, maar die je erbij kon nemen als dat je zo uitkwam.

    Het staat verder vast dat er in de derde eeuw gelovigen waren die meenden dat als je Christus vereerde, je niet ook andere goden kon vereren. Deze exclusivisten worden in de vakliteratuur wel aangeduid als “proto-orthodox”; de minder radicale vereerders van Christus heten wel “demi-chrétiens”, wat veronderstelt dat alleen de proto-orthodoxen échte gelovigen waren. Dat is nodeloos normatief. Waar het om draait is dat er allerlei vormen van christendom bestonden en dat we niet kunnen weten of de proto-orthodoxe groep die later door de Romeinse overheid zou worden begunstigd, in de derde eeuw al de belangrijkste was. De eigen teksten van de andere groepen zijn immers niet overgeleverd.

    Myra zou echter een vreemde havenstad zijn geweest als er niet diverse christelijke groepen waren geweest. Hier legden de Egyptische graanschepen aan – de graanpakhuizen zijn opgegraven – en het is ondenkbaar dat er geen Egyptische ideeën meekwamen: ideeën over een transcendente God die niet de Schepper was, afwijzing van lichamelijkheid, de ambitie godgelijk te worden, een ongemakkelijk gevoel bij de kruisiging van Christus… kortom, opvattingen die ook wel gnostisch zijn genoemd. Tegelijk lag Myra in Anatolië, waar het zogeheten montanisme bestond, een vorm van christendom die het accent legde op het martelaarschap. Voeg een groep toe die sympathiseerde met de joden in de (in 2009 opgegraven) synagoge van Myra, en we hebben, zonder dat we het bewijsmateriaal hebben laten buikspreken, al een stuk of wat soorten christendom.

    Ruzies

    De in 303 door keizer Diocletianus begonnen vervolging moet haar sporen hebben nagelaten. Er zullen doden zijn gevallen; menigeen zal hebben geofferd aan de oude goden. De verdeelde groepen werden kleiner, als ze al overleefden. In 311 maakte Diocletianus’ opvolger Galerius een einde aan de vervolging, en we kunnen ons de ressentimenten voorstellen tussen christenen die principieel waren geweest en degenen die eieren voor hun geld hadden gekozen. Documentatie voor Myra zelf ontbreekt, maar we weten uit andere delen van het Romeinse Rijk dat de herintegratie van afvalligen (lapsi) een probleem vormde.

    Daar kwam het beleid van keizer Licinius nog bij, die na de dood van Galerius besloot de christenen te compenseren voor de vervolging (313). Ik heb al eens verteld hoe dat in Karthago leidde tot een conflict tussen twee bisschoppen die allebei meenden de echte bisschop te zijn en in aanmerking te komen voor het geld. Zoiets speelde niet in elke stad en er is geen aanleiding om ook voor Myra aan een kerkscheuring te denken, maar andere conflicten kunnen er wel zijn geweest. Degene die het geld moest verdelen, moest bijvoorbeeld kiezen tussen herstel van de kerkelijke bezittingen en ondersteuning van families. Je zult maar weduwe zijn geweest, zonder veel bestaanszekerheid, terwijl de bisschop een dure kopiist in dienst nam om een nieuw exemplaar van de Bijbel te maken.

    De rol van Nikolaas van Myra

    Tot zover de wereld waarin Nikolaas bisschop was. We mogen dan sinds kort een beredeneerd vermoeden hebben over zijn sterfjaar, we weten niet wanneer hij bisschop werd. Als hij lang bisschop is geweest, heeft hij deze problemen meteen na het einde van de vervolging moeten aanpakken; als hij later is gewijd, zal hij de nasleep ervan hebben meegemaakt. Dat zal hem heel wat hoofdbrekens hebben gekost. Hoe kon hij, behorend bij een van de christelijke groepen in Myra, mensen van de andere groepen bereiken en overtuigen?

    Het door Constantijn de Grote belegde Concilie van Nikaia schiep duidelijkheid. De proto-orthodoxie werd nu erkend en werd de door de staat gesteunde opvatting. Minimaal vanaf dit moment zal Nikolaas deze opvattingen hebben gedeeld; als hij ervan zou zijn afgeweken, zou hij nooit als orthodoxe heilige zijn erkend. Hij stond na Nikaia ook sterker in de discussie met gnostici en montanisten.

    Onze bronnen vermelden geen tegenstellingen binnen Nikolaas’ parochie. Evenmin geven ze aan dat de groep klein was, hoewel de feitelijke groei van het christendom pas net was begonnen. Het ontbreken van deze informatie is logisch. De bronnen zijn meest laat geschreven, toen de triomf van de orthodoxie al compleet was. Nikolaas’ rol als zielzorger interesseerde niemand meer. Maar voor de bisschoppen van zijn generatie moeten de aloude christelijke verdeeldheid en de recente wonden van de vervolging hebben behoord bij de dagelijkse pastorale zorg.

    Wat we wel weten is dat de gelovigen bisschop Nikolaas, zoals te doen gebruikelijk, even buiten de stad begroeven. Een klein monumentje zal de plek hebben gemarkeerd. Daar is later de grafkerk gebouwd die tegenwoordig centraal staat in een toeristische mallemolen.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

    Zelfde tijdvak


    Misverstand: Colosseum

    maart 29, 2020
    Rotsreliëfs aan de Indus

    mei 7, 2022
    Christenvervolging in de derde eeuw

    februari 15, 2024 Deel dit:

    #bisschop #ConstantijnDeGrote #demiChrétiens #Diocletianus #EersteConcilieVanNikaia #exclusivistischeChristenen #Galerius #gnosis #lapsi #Licinius #Lycië #montanisme #Myra #NikolaasVanMyra

  10. Het scheiden der wegen

    Schema van het scheiden der wegen (klik=groot)

    Het is niet voor het eerst dat ik schrijf over het scheiden van de wegen van joden en christenen. Voor negentiende-eeuwse christenen was dat simpel: er was een Oud Verbond en omdat de joden Jezus van Nazaret niet hadden erkend als messias, was er een Nieuw Verbond, waarin de joden als verbondsvolk waren vervangen door de christenen. En voor joden was het ook al simpel: christendom was monotheïsme voor de export, maar niet het onversneden echte spul. Beide groepen – de negentiende-eeuwse christenen en de negentiende-eeuwse joden – claimden het tempeljodendom als hun eigen erfgoed en meenden dat de andere religie zich van de rechte leer had afgesplitst.

    De geschiedenis van het christendom werd lange tijd eigenlijk even simpel voorgesteld. Ooit was er een zuivere kerk geweest, waar links en rechts aftakkingen van waren, met één orthodoxe stroming die in een rechte lijn vanaf de apostelen ging naar het eigen kerkgenootschap.

    Al in de negentiende eeuw stond vast dat het complexer was. De Dode Zee-rollen en de publicatie van vroegchristelijke bronnen hebben dat bevestigd. Ik verzorg over deze materie weleens een cursus, en onlangs maakte ik daarbij het schema dat u hierboven ziet. Het is in deze vorm gemaakt door Kees Huijser, die wel vaker het grafische werk voor deze blog verzorgt. Ik beweer niet dat dit overzicht correct is; er is geen verband of lijn die niet ook anders kan zijn; maar het schema helpt om de stof te ordenen.

    Pluriform jodendom

    Helemaal links ziet u de situatie rond het jaar 150 v.Chr. In zijn Joodse Oorlog en Joodse Oudheden gebruikt de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus ongeveer dit moment om de stromingen te introduceren die volgens hem het normale jodendom vertegenwoordigen: de farizeeën, de sadduceeën en de essenen.

    Het is plausibel dat deze drie stromingen ontstonden door het conflict dat ligt besloten in de Dode Zee-rol die bekendstaat als 4QMMT, “Enige werken der Wet”. Volgens een mogelijke interpretatie richtte de auteur zich tot hogepriester Jonathan, om hem te waarschuwen voor de eerste farizeeën (“Belialsoverleg”) en te brengen tot de juiste, vroeg-sadducese opvattingen. Toen de hogepriester niet akkoord ging, splitste de groep rond de auteur van deze brief zich van de sadduceeën af en vormde de groep van de essenen. Althans, dat is een mogelijk scenario, dat is gebaseerd op de aanname dat de Dode Zee-rollen door de essenen zijn geschreven. Dat is maar de vraag.

    Als deze aanname correct is, zijn er ook meerdere esseense groepen geweest; de Dode Zee-rollen documenteren verschillen in opvatting en verschillende woonplaatsen. Ook de farizeeën waren verdeeld; vanaf het begin van de jaartelling waren er twee hoofdstromingen. De sicariërs, waarvan nogal eens wordt genegeerd dat ze ook niet-joodse leden hadden, waren overigens een farizese afsplitsing. De meeste joodse stromingen overleefde de ondergang van Jeruzalem in 70 niet.

    Het scheiden der wegen

    De Jezusbeweging kende ook twee takken, waarvan de joodse tak is vertegenwoordigd in de Didache (al zijn er andere interpretaties) en de niet-joodse in de brieven van Paulus en de evangeliën. Die zijn geschreven rond 70 (Marcus) en in de generatie er na. Er zijn geleerden die het evangelie van Johannes dan weer heel vroeg plaatsen en beweren dat dat “een game-changer” is, maar ik geloof er helemaal niks van. Ik noem het echter om nog eens te benadrukken dat het schema ook maar een vereenvoudiging is, ja een oververeenvoudiging.

    Meer oververeenvoudiging: Jochanan ben Zakkai organiseerde het rabbinaat en baseerde zich daarbij op een van de twee farizese stromingen. Helemaal onwaar is het niet, maar het rabbijnse jodendom dat zo kwam te ontstaan, heeft bredere wortels dan alleen het farizeïsme. De optekening van de Mishna, een verzameling rabbijnse wijsheid, toont dat joods leven mogelijk is in een samenleving die niet joods is. Er zijn geen Joodse machthebbers, met andere woorden – een gevolg van de opstand van Bar Kochba. Na 136 na Chr. moest men achttien eeuwen wachten voor een nieuwe Joodse staat in het land van Israël.

    Die Bar Kochba-opstand had een einde gemaakt aan de joodse christenen. Althans, daarvoor zijn aanwijzingen. Het is weer niet zo zeker allemaal. Wat wél zeker is, is dat op dat moment de rabbijnse joden en de christenen al uit elkaar aan het gaan waren. De door de Romeinse keizer Domitianus met ongebruikelijke hardheid geïnde belasting die bekendstaat als Fiscus Judaicus speelde daarbij een belangrijke rol, maar er waren meer factoren, waarover discussie bestaat.

    Pluriform christendom

    De andere, niet-joodse christenen waren verdeeld over allerlei oriëntaties en ideeën, die ik in dit schema achterwege heb gelaten. Egypte was een fabriek aan nieuwe opvattingen. In de tweede helft van de tweede eeuw organiseerde Eirenaios van Lyon het nieuwe geloof, en zijn opvattingen staan aan het begin van de proto-orthodoxie.

    Er zijn op dat moment andere opvattingen. Montanisme, die het martelaarschap verheerlijken; gnostici, met een complexe mythe en eigen teksten, bekend uit Nag Hammadi. En er zijn nog meer opvattingen, die we niet altijd even goed kennen. De meeste mensen die Christus vereerden, deden dat in combinatie met de oude goden, en de scheiding van het langzaam groeiende rabbijnse jodendom was ook niet scherp. Over deze ideeën zijn we slecht geïnformeerd omdat latere, orthodoxe kopiisten dit materiaal zelden kopieerden. Soms, zoals in een hymne waarin Christus aan Apollo wordt gelijkgesteld, schemert er iets door.

    De keuze van Constantijn

    De bekering van Constantijn betekende dat het exclusivistische christendom (dat stelde dat als je Jezus vereerde, je hem als enige godheid aanvaardde en dus niet, zoals in de Oudheid gewoon was, de nieuwe god combineerde met de verering van de andere goden) de wind in de zeilen kreeg. Iets preciezer: binnen dit exclusivistische christendom steunde hij de proto-orthodoxe groep. Met het Concilie van Nikaia, dit jaar zeventien eeuwen geleden, werd dit de staatskerk van het Romeinse Rijk.

    Was de proto-orthodoxie de belangrijkste groep binnen het derde-eeuwse christendom, en was Constantijns specifieke keuze daarom voorspelbaar? Of was de proto-orthodoxie een van de vele christelijke oriëntaties, en was zijn keuze persoonlijk? Ik voor mij denk het laatste, maar er zijn geleerdere mensen die denken dat het proto-orthodoxe christendom dominant was, en sommigen denken dat die dominantie begon met Eirenaios, anderen denken dat het al eerder het geval was.

    Wat ik maar zeggen wil: dit schema is handig voor onderwijsdoelen, en wat mij betreft mag iedereen het gebruiken. Als je er maar bij zegt dat elk aspect discutabel is.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Caesar aan het werk

    april 12, 2023
    Velleius Paterculus (8)

    maart 8, 2016
    Herders in de velden

    december 25, 2020 Deel dit:

    #4qmmt #constantijnDeGrote #didache #dodeZeeRollen #domitianus #eersteConcilieVanNikaia #eirenaiosVanLyon #essenen #exclusivistischeChristenen #farizeeen #fiscusJudaicus #flaviusJosephus #gnosis #jezusVanNazaret #jochananBenZakkai #jonathanDeMakkabeeer #messias #mishna #montanisme #nagHammadi #nietExclusivistischeChristenen #sadduceeen #scheidenDerWegen #sicariers

  11. Het Ware Kruis (1)

    Helena (Capitolijnse Musea, Rome)

    In het jaar 326 bezocht Helena, de moeder van Constantijn de Grote, het Heilig Land. Haar zoon had haar kort daarvoor de rang van augusta gegeven, wat je zou kunnen vertalen als “keizerin”, al betekent het niet dat ze beleid kon maken, uitvoeren of controleren. Ze had echter wél toegang tot de keizerlijke schatkist en kon daardoor het initiatief nemen tot bouwprojecten. In Betlehem legde ze de eerste steen voor de Geboortekerk, in Jeruzalem voor een kerk op de Olijfberg. Een van de aanwezigen was bisschop Eusebios van Caesarea, die enkele jaren later in zijn Leven van Constantijn verslag deed van het bezoek en de werkzaamheden.noot Eusebios, Leven van Constantijn 3.41-42.

    Kruisvinding

    Wat hij daarbij niet vermeldt, is dat Helena bij die gelegenheid het Ware Kruis zou hebben gevonden: het kruis waaraan Jezus dood zou zijn gemarteld. Christenen hebben de vondst eeuwenlang herdacht met het feest van de Kruisvinding.

    Een latere legende vertelt dat Helena op de plek van de Grafbasiliek niet minder dan drie kruisen zou hebben gevonden en had vastgesteld welk het echte was, door het houtwerk te gebruiken om een zieke mee aan te raken. Bij het Ware Kruis genas deze in een handomdraai. De keizerin nam dat kruis mee naar Rome, waar het nog eeuwenlang vereerd zou worden in een kerk die was ingericht in een voormalig keizerlijk paleis, de kerk van Santa Croce in Gerusalemme.

    De kapel bestaat nog steeds en u vindt er ook het bordje met het opschrift “Jezus van Nazaret, koning der Joden”, de spijkers waarmee Jezus werd vastgenageld aan het hout, doornen van de doornenkroon, een stukje van de paal waaraan Jezus was vastgebonden bij de geseling, de dwarsbalk van het kruis van de goede moordenaar, een vinger van de ongelovige Thomas en – de laatste keer dat ik er was – een bisschoppelijk goedgekeurde expositie die betoogde dat de Lijkwade van Turijn echt authentiek was en dat wetenschappers met hun koolstofdateringen er niks van begrijpen. Getuige het beledigende mailtje dat ik vorige week ontving zijn er nog steeds mensen die niet willen begrijpen wat wetenschap is.

    De kapel in de Santa Croce, Rome

    Vroege kruisverering

    De legende zijn pas later ontstaan en de vraag dringt zich op waar ze vandaan komt. Eén ding is zeker: Eusebios weet van niets, terwijl hij een ontdekking als deze, als hij er bij was geweest, zeker niet onvermeld zou hebben gelaten. Maar er circuleerden al verhalen over het kruis. Het tweede-eeuwse, apocriefe Evangelie van Petrus bevat bijvoorbeeld een exuberante beschrijving van Jezus’ opstanding, waarbij – ik verzin het ook niet – het kruis sprekend wordt opgevoerd.

    Deze tekst illustreert dat er mensen waren die het kruis beschouwden als een belangrijk onderdeel van hun geloof. Een inscriptie uit de omgeving van het Algerijnse Sétif documenteert de verering van “hout van het kruis uit het Beloofde Land” in het jaar 359.noot EDCS-70200001.. Je zou je kunnen voorstellen dat geestelijken die wilden benadrukken dat Christus weliswaar goddelijk was maar ook echt als mens had geleden, lichamelijk dus, als eersten het materiële aspect van de kruisiging hebben benadrukt. Er was in elk geval voldaan aan de voorwaarden om relikwieën van het kruis te gaan vereren.

    De eerste zekere vermelding van de verering van het kruishout in Jeruzalem is te vinden bij Egeria, een voorname pelgrim die Jeruzalem bezocht rond het jaar 383. Ze vertelt:

    Dan wordt een zetel voor de bisschop neergezet, achter het kruisbeeld dat daar nu staat. De bisschop neemt plaats op de zetel; een tafel met een linnen kleed wordt voor hem neergezet en rondom de tafel staan dia­kens. Dan brengt men een verguld zilveren kistje met daarin het heilige hout van het kruis: het wordt geopend en men haalt het eruit en het wordt op de tafel gezet, zowel het hout van het kruis als het opschrift.

    Zodra dat op tafel is gezet, houdt de bisschop met beide handen, zittend, de uiteinden van het heilig hout vast, terwijl de rondom staande diakens het bewaken. De reden van die bewaking is deze: het is gewoonte dat men een voor een naar voren komt, heel het volk, zowel gelovigen als doopleerlin­gen, en voorover buigt naar de tafel, het heilig hout kust en dan verder loopt; maar ooit, ik weet niet wanneer, heeft iemand naar men zegt erin gebeten en een stukje van het heilig hout gestolen. Daarom wordt het nu door de rond­om staande diakens bewaakt, zodat niemand die naar voren komt dat nog eens durft te doen.noot Egeria, Reisverslag 37; vert. Vincent Hunink.

    Uit de daarop volgende jaren zijn meer verslagen, waarin we de legende beginnen te herkennen. Misschien is er overigens een vermelding vóór Egeria. Kyrillos, die tussen 350 en 386 bisschop was van Jeruzalem, noemt dat in de Grafbasiliek Golgotha werd vereerd en dat “de hele wereld is gevuld met stukken kruishout”.noot Kyrillos van Jeruzalem, Mystagogische Katechese 4.10 en 13.4. Hoewel hij niet expliciet zegt dat ook in Jeruzalem het kruis werd vereerd, lijkt het er wel op. Het probleem is dat de datering van deze tekst niet helemaal duidelijk is. Steeds meer onderzoekers plaatsen ze tegen het einde van Kyrillos’ leven of nemen aan dat de teksten niet door hemzelf zijn geschreven.

    Constantijn en Helena (Madaba)

    Dit lijkt zeker: er circuleerden al vroeg verhalen over het kruis; relieken werden al vroeg overal vereerd; na 380 is er documentatie voor verering van het kruis in Jeruzalem. Je zou zeggen: het begon met de verering van crucifixen, waaruit in het derde kwart van de vierde eeuw de verering van het Ware Kruis in Jeruzalem is ontstaan, samen met de kiemen van een legende dat dit stuk hout door Helena was gevonden tijdens de regering van Constantijn.

    [Wordt vervolgd]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    1700 jaar Nikaia (6): bronnen

    mei 21, 2025
    Thermoluminescentie (en wat dat betekent)

    november 4, 2024
    Possidius’ Augustinus

    januari 23, 2017 Deel dit:

    #ConstantijnDeGrote #Egeria #EusebiosVanCaesarea #EvangelieVanPetrus #Golgotha #Grafbasiliek #HelenaKeizerin_ #Jeruzalem #koolstofdatering #Kruisvinding #KyrillosVanJeruzalem #LijkwadeVanTurijn #Sétif #WareKruis

  12. Circumcelliones

    Timgad, Donatistisch complex

    Als we de kerkvader Augustinus mogen geloven, is de naam circumcelliones afgeleid van het feit dat deze lieden circum cellas pleegden te zwerven, “rondom de heiligdommen”. Dat is niet onmogelijk, maar “heiligdom” is niet de eerste betekenis van cella. Misschien bezondigt de hoogwaardige bisschop zich aan een volksetymologie, ik geef straks een andere verklaring. In elk geval gaat het om opstandelingen op het Numidische platteland die iets te maken kregen met de donatistische kerk.

    Wat was dat ook alweer? Het zat zo. Nadat keizer Licinius (r.308-324) zijn medekeizer Constantijn (r.306-337) ervan had overtuigd dat de christenen financieel moesten worden gecompenseerd voor de jarenlange vervolging, kwam de vraag op of de bisschop van Karthago wel correct was gewijd. Eén van de deelnemende geestelijken had zich namelijk nogal meegaand betoond tijdens de vervolging. De officiële, door de keizers erkende kerk zou zich op het standpunt stellen dat priesters ook maar mensen waren, maar dat zo’n kerkelijke wijding toch vooral Gods eigen werk was. Gods zegen rustte dus wel op een bisschop die door niet-helemaal-volmaakte mensen was gewijd. De donatisten waren het daarmee oneens. Ze verwachtten totale zuiverheid van elke geestelijke. Lange tijd is er in de Maghreb naast de keizerlijke kerk een donatistische parallelkerk geweest, en de enorme omvang van het donatistische complex in Timgad bewijst dat die parallelkerk beschikte over aanzienlijke middelen.

    Circumcelliones

    En ze verwierf op zeker moment de steun van de circumcelliones, die voor het eerst rond 320 worden vermeld. Het lijkt te zijn gegaan om arme plattelandsbewoners, meestal dagloners zonder veel bestaanszekerheid, die de ambitie hadden opgegeven normaal werk te vinden. Verder lijken onder de circumcelliones keuterboeren te zijn geweest met schulden die ze niet langer konden aflossen. Augustinus schrijft dat ze werden behandeld als beesten, wat wel verklaart waarom ze zich uit de stads- en dorpsgemeenschappen terugtrokken en zich overgaven aan banditisme. Zouden het Galliërs zijn geweest, ze zouden Bagaudae genoemd zijn geweest, en als het in de Middeleeuwen was geweest, dan was er sprake van een jacquerie.

    Het lijkt erop dat toen Constantijns zoon Constans (r.337-350) maatregelen nam tegen de donatisten, dezen antwoordden door de circumcelliones te instrueren om terreurdaden te verrichten tegen de officiële kerk. We kennen twee leiders bij hun (Berber)naam: Axido en Fasir. Hun opstand, die rond 340 plaatsvond, liep volledig uit de hand, want ze richtten zich vooral op de landhuizen van de grootgrondbezitters, waar ze de schuldregisters vernietigden en de bewoners – dat ging in een moeite door – dwongen hun slaven vrij te laten. De Romeinse generaal Taurinus onderdrukte deze opstand.

    Ik schreef zojuist “lijkt erop” omdat we geen geschriften hebben van de circumcelliones zelf. Niet alleen waren ze merendeels ongeletterd, maar zelfs al zouden ze teksten hebben geschreven, dan nog zouden ze niet zijn gekopieerd toen de keizerlijke kerk eenmaal het pleit had gewonnen.

    Het huis van Optatus in Timgad

    Zelfmoordaanslagen

    Enkele jaren later, tussen 345 en 347, was er een tweede revolte, die door generaal Silvester werd onderdrukt. Hierna lijken (lijken!) de circumcelliones hun modus operandi te hebben gewijzigd, want we vernemen dat ze heel riskante overvallen deden, waarbij ze zouden hebben gehoopt te sneuvelen, zodat ze als martelaren meteen naar de hemel zouden gaan. Hun aanvalskreet zou Deo laudes! zijn geweest, “Prijs God!” Dit moet rond 390 zijn geweest, en de regie zou in handen zijn geweest van de donatistische bisschop Optatus, wiens huis is opgegraven in Timgad. Een laatste geweldsgolf vond plaats rond 411.

    Dat die zelfmoordaanslagen geen fictie zijn, wordt bewezen door vijfenzestig grafstenen die zijn gevonden bij de Jebel Nif en-Nser, niet ver van het Algerijnse stadje Ain M’lila: het gaat om circumcelliones die zich in een kloof hebben geworpen, mogelijk toen ze geen slachtoffers konden vinden om te vermoorden. We lezen ook over ongewapende circumcelliones die bewapende konvooien aanvielen. Wij zouden het suicide by cop noemen. Genadeloos als Romeinse gouverneurs waren, lieten ze de aanvallers vrij.

    Jebel Nif en-Nser

    Twijfel

    Zoals gezegd: we weten het allemaal niet zo zeker. Hun eigen opvattingen kennen we eigenlijk niet en een auteur als Augustinus was vooringenomen. Weliswaar herkende hij de sociale oorzaak, maar hij maakte zich zó grote zorgen om het donatisme dat hij bereid was de overheid te vragen desnoods met geweld op te treden. Augustinus voelde sympathie voor de ontrechten, maar niet voor bondgenoten van de donatistische concurrentie.

    Nog iets: het Latijnse woord cella kan ook “graanopslag” betekenen, wat prima past bij een plattelandsbeweging. Je zou de nomaden die bij de oogst kwamen helpen, kunnen aanduiden als degenen die zich bij de silo’s ophouden. Maar deze interpretatie van de naam maakt het lastiger – hoewel zeker niet onmogelijk – de circumcelliones te presenteren als donatistische terroristen.

    “Eeuwig vrede voor de katholieke kerk”: anti-donatistische polemiek (Nationaal Museum, Algiers)

    In elk geval: ze waren gevaarlijk. Reizigers, en zekere geestelijken in dienst van de keizerlijke kerk, vormden bewapende karavanen alvorens op pad te gaan. Dat zegt echt wel iets. Augustinus kan overdrijven als hij zegt dat de kreet Deo laudes gevreesder was dan het brullen van een leeuw, maar zijn angst was wel degelijk reëel.

    Kortom: er zijn wat problemen in de bewijsvoering, maar we mogen de circumcelliones beschouwen als plattelandsrebellen die steeds meer veranderden in de gewapende tak van de donatistische kerk.

    PS

    De circumcelliones spelen een belangrijke rol in de historische roman De ketter van Carthago van Frans Willem Verbaas (2020; bespreking).

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Christenvervolging in de derde eeuw

    februari 15, 2024
    Het platonisme en het christendom

    maart 14, 2024
    Veel geschreeuw en weinig wetenschap (2)

    december 17, 2018 Deel dit:

    #Algerije #Augustinus #Bagaudae #banditisme #Circumcelliones #Constans #ConstantijnDeGrote #donatisme #FransWillemVerbaas #Licinius #Numidië #OptatusVanTimgad #terrorisme #Timgad #zelfmoord

  13. Het Evangelie van de Egyptenaren

    Mummieportret van een Egyptische vrouw (Louvre, Parijs)

    Ik heb weleens verteld dat de apocriefe evangeliën weinig waarde hebben voor wie wil weten in welke joodse wereld het christendom is ontstaan. De teksten zijn daarvoor veelal te laat. Ook zijn ze meestal gnostisch, wat zowel een gemakzuchtige kapstokterm is als een scheldnaam voor christelijke opvattingen die later, toen er een orthodoxie was ontstaan, niet voldeden aan de standaard der rechtzinnigheid. Ze werden steeds minder gekopieerd en zijn vaak alleen fragmentarisch bekend.

    Omdat die niet-orthodoxe vormen van christendom toch interessant zijn, trekken ze de belangstelling. Ze documenteren weliswaar niet het ontstaan van het nieuwe geloof, maar wel de tweede en derde eeuw, waarin het nieuwe geloof zijn joodse intellectuele bagage uitbreidde met Grieks-Romeins gedachtegoed. Een voorbeeld is het Evangelie van de Egyptenaren.

    Het Evangelie van de Egyptenaren

    Het wordt alleen geciteerd door de (wel orthodox genoemde) christelijke auteur Clemens van Alexandrië (ca.150-215). Het feit dat het Evangelie van de Egyptenaren heet en alleen bekend is dankzij een Egyptische auteur, suggereert dat het ook wel zal komen uit Egypte. Zoals ik al zei: een gebied dat in de tweede eeuw een ware fabriek was van nieuwe christelijke ideeën. Hieronder zijn alle bekende citaten, in de vertaling van A.F.J. Klijn; de genoemde Salome is niet het meisje dat danste voor Herodes Antipas, maar iemand die aanwezig was bij de kruisiging en graflegging.noot Marcus 15.40 en 16.1.

    1. (Jezus zei:) “Ik ben gekomen om een eind te maken aan de werken van de vrouw.”noot Clemens van Alexandrië, Stromateis 9.63.2.
    2. (Salome vroeg:) “Hoe lang zal de dood macht hebben?” (Jezus zei:) “Zolang jullie, vrouwen, kinderen baren.”noot Clemens van Alexandrië, Stromateis 6.45.3.
    3. (Salome vroeg:) “Hoe lang zullen de mensen sterven?” (Jezus zei:) “Zo lang de vrouwen kinderen baren.”noot Clemens van Alexandrië, Stromateis 9.64.1.
    4. (Salome zei:) “Dan heb ik er goed aan gedaan dat ik niet heb gebaard.” ( Jezus zei:) “Eet elk gewas, maar je moet niet eten wat bitterheid bevat.”noot Clemens van Alexandrië, Stromateis9.66.1-2.
    5. (Toen Salome wilde weten wanneer datgene waarnaar ze vroeg, gekend zou worden, zei de Heer:) “Wanneer jullie het kleed van de schaamte met voeten getreden hebt en wanneer de twee één zijn geworden en het mannelijke één met het vrouwelijke is geworden, zodat er geen mannelijk of vrouwelijk meer is.”noot Clemens van Alexandrië, Stromateis13.92.2.

    Afhankelijk van de vraag of je het tweede en derde fragment telt als dezelfde uitspraak of als twee verschillende passages, hebben we dus vier of vijf citaten. Dat is alles.

    Ziel en lichaam

    Anders dan je denken zou, heeft de auteur op zich niets tegen vrouwen; anders zou hij geen vrouwelijk ondervrager opvoeren. Wat de auteur lijkt te betreuren is lichamelijkheid, het “kleed van schaamte” van de menselijke ziel. Dat weten we natuurlijk niet helemaal zeker, want daarvoor zijn de fragmenten te kort, maar we weten dat er filosofen als Filon van Alexandrië waren die meenden dat als de ziel opsteeg ten hemel, lichaam en sekse achterbleven. En omgekeerd, als een vrouw een kind baarde, raakte een ziel opgesloten in een lichaam en kreeg de ziel een geslacht. Het is geen toeval dat in het Evangelie van de Egyptenaren de ondervrager uitgerekend Salome is, die aanwezig was bij Jezus’ dood en (dus) het moment waarop zijn ziel zich los maakte van het lichaam.

    Mogelijk was de opvatting dat de ziel bij de hemelvaart sekseloos werd, afkomstig uit de Griekse wijsbegeerte. Er zijn nogal wat filosofische stromingen die ziel en lichaam tegenover elkaar plaatsen. Dat idee deed het ook later goed. Het Marcusevangelie kent een anekdote waarin Jezus impliceert dat mensen in de hemel geen sekse meer hebben.noot Marcus 12.13-27.

    Dat het lichaam er na de dood niet meer toe deed, en eigenlijk verwaarloosbaar was, sloeg eveneens aan. De gymnosofisten en christelijke kluizenaars trokken zich terug in de woestijn, kastijdden hun lichaam en hoopten zo hun ziel sneller te kunnen verlossen.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament, waarin dit blogje een beetje een buitenbeentje is, vindt u hier.]

    Mijn boek over de geschiedenis van Libanon is verschenen; de opbrengst gaat via Cordaid naar het geteisterde land.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Judea en zijn buren: politiek

    september 15, 2024
    Het ongrijpbare antieke christendom (3)

    september 11, 2018
    Slavernij

    juli 12, 2018 Deel dit:

    #AFJKlijn #apocriefeTekst #ConstantijnDeGrote #EvangelieVanDeEgyptenaren #FilonVanAlexandrië #gnosis #orthodoxie #ziel

  14. 1700 jaar Nikaia (6): bronnen

    Ik heb in de voorafgaande blogjes al een paar keer verteld dat de handelingen (actae) van het Concilie van Nikaia verloren zijn gegaan en dat de deelnemerslijst (Synodikon) een reconstructie is. Die is bovendien overgeleverd in uiteenlopende talen en versies, wat ons confronteert met een uitdagend tekstkritisch probleem. We zijn voor onze informatie over de kerkvergadering aangewezen op andere bronnen. Gelukkig zijn die er.

    Antieke geschiedschrijving

    Om te beginnen is er het boek dat Eusebios van Caesarea veertien jaar na de gebeurtenissen publiceerde: het Leven van de zalige keizer Constantijn. Deze terugblik is een invloedrijke tekst, die ook ten grondslag ligt aan de legende dat Constantijn aan de vooravond van de veldslag tegen zijn rivaal Maxentius aan de hemel een lichtend kruis zou hebben gezien en zich na dat visioen tot het christendom zou hebben bekeerd.

    Voor zover ik kan overzien heeft Eusebios over het Concilie van Nikaia nergens gelogen, maar is hij wel selectief. Dat komt deels doordat hij Constantijn portretteert als ideale heerser en deels doordat hij liever onvermeld laat dat hij zelf aanvankelijk sympathiseerde met Areios. Eusebios liet zich tijdens de vergadering echter overtuigen en stuurde na afloop een brief naar huis waarin hij de geformuleerde geloofsbelijdenis toelichtte.

    Die brief is een van de weinige primaire bronnen over het Concilie van Nikaia. We beschikken daarnaast, zoals in eerdere blogs aangegeven, over de Armeense tekst van een deel van de uitnodiging. Verder is er wat correspondentie: de brief die de vergadering van bisschoppen stuurde naar de kerk in Egypte en twee brieven van Constantijn. Een derde keizerlijk schrijven betreft de verbanning van twee bisschoppen uit Bithynië. Deze correspondentie wordt geciteerd door de kerkhistorici Sokrates en Theodoretos.

    Daarnaast kennen we de in Nikaia genomen beslissingen (de canones) in een bewerkte, Byzantijnse versie en in een ingekorte versie van de kerkhistoricus Rufinus. De beste versie lijkt de Aramese te zijn, te vinden in de Armeense collectie waar ook de uitnodiging toe hoort. Het besluit over de paasdatum is volledig overgeleverd in de Latijnse vertaling van bisschop Caecilianus van Karthago.

    Alles bij elkaar hooguit vijf of zes A4tjes: meer primaire bronnen zijn er niet. Met Athanasios van Alexandrië en Eusthathios van Antiochië, allebei onverzoenlijke tegenstanders van Areios, komen we al in de sfeer van de terugblik. En met de vier kerkhistorici Rufinus, Sokrates, Sozomenos en Theodoretos zitten we driekwart eeuw later. Dit zijn secundaire bronnen. Dat zij het echter eens zijn over bepaalde zaken die niet bij Eusebios te vinden zijn, suggereert dat er minimaal één andere door dit viertal gedeelde bron is geweest die zij betrouwbaar achtten. Vermoedelijk waren het meer bronnen.

    Ze zijn echter, zoals zo vaak in de Oudheid, verloren gegaan. We mogen nog wel hopen op de publicatie van Armeens en Aramees materiaal, want dat is nog lang niet allemaal uitgegeven.

    Moderne geschiedschrijving

    Als ik afga op de bezoekersaantallen, dan zijn de voorafgaande vijf blogjes u goed bevallen. De stof is boeiend genoeg. Ongeacht wat men denkt van het moderne christendom: in 325 is dat ontstaan in een voor ons herkenbare vorm. Dat geeft het onderwerp een zeker belang.

    Het is daarnaast ook wetenschappelijk interessant, want we kunnen de continuïteit van toen tot nu documenteren. Ik houd niet van claims dat in de Oudheid dingen zijn ontstaan die nog steeds bestaan, want de bewering dat een aspect van de ene, antieke samenleving de andere, moderne samenleving beïnvloedt, is sociaalwetenschappelijk van aard, terwijl oudheidkundigen zulke claims zelden met het sociaalwetenschappelijk instrumentarium onderbouwen. Anders gezegd: menig oudheidkundige bedrijft simsalabimsociologie. In dit geval is echter overtuigend aan te tonen dat een gebeurtenis uit een oude cultuur vormende werking (agency) heeft op onze cultuur.

    Tel uit je winst. Als je als oudheidkundige eens wil tonen wat je vak inhoudt, dan heb je met het Concilie van Nikaia een dijk van een thema. Het onderwerp heeft belang en is boeiend. De continuïteit is overtuigend bewijsbaar. Je kunt vertellen wat oudheidkundige tekst- en bronkritiek is. De wezenlijke vraag of individuen als keizer Constantijn de geschiedenis vormgeven, of dat er daarnaast dieperliggende processen zijn, valt mooi te illustreren. De meertaligheid van de oude wereld is hier mooi zichtbaar. Je kunt uitleggen dat het mogelijk is een narratief te baseren op bronnen maar dat zoiets desondanks onvolledig is zonder reflectie op welke informatie verloren is gegaan. Je kunt een knipoog geven naar Nikolaas van Myra. Het gaat over de Late Oudheid, die momenteel sterk in de belangstelling staat. En vooral: het publiek vraagt om niet vanuit kerkelijk perspectief geboden informatie over het ontstaan van een wereldgodsdienst.

    Gemiste kans

    Maar nu moet ik onze Nederlandse oudhistorici even beknorren. Ze hebben deze kans vermoedelijk weten te missen. Ik schrijf “vermoedelijk” omdat er één boek is gepubliceerd, namelijk De erfenis van het Concilie van Nicea. Samen beraden, geloven en vieren van Peter Nissen. Ik heb het nog niet kunnen lezen – ik was in Frankrijk – en hoop dat ik me vergis, maar het boek lijkt vooral het pastoraat te willen dienen. Ik lees althans hier dat het “gespreksvragen om door te praten binnen de parochie, gemeente of gespreksgroep” bevat en dat het is “aangevuld met gebeden, mooie citaten, afbeeldingen en liturgisch materiaal voor vieringen”.

    Begrijp me niet verkeerd: ik heb niets tegen liturgisch materiaal of theologie. Maar het ontstaan van een wereldgodsdienst is een voor iedereen belangrijk thema, voor oudheidkundigen te belangrijk om uit te besteden aan theologen. Wie meer over Nikaia wil lezen, kan terecht bij het fijne boek van Claire Reggio, Nicée. 1700 ans d’histoire, dat een paar weken geleden is verschenen. Ik heb er bij het schrijven van deze reeks veel aan gehad. Zeer aanbevolen.

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Tongeren

    september 15, 2018
    Het visioen van Constantijn (3)

    februari 16, 2018
    Limesmoeheid (3)

    december 10, 2017 Deel dit:

    #agency #Areios #AthanasiosVanAlexandrië #Caecilianus #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #EusthathiosVanAntiochië #NikolaasVanMyra #paasdatum #PeterNissen #primaireBron #Rufinus #secundaireBron #SokratesKerkhistoricus_ #Sozomenos #Synodikon #tekstkritiek #Theodoretos #vormendeWerking

  15. 1700 jaar Nikaia (5): de besluiten

    Nikaia loste niet alle problemen op; er waren meer concilies nodig. In het Rila-klooster zijn ze allemaal afgebeeld.

    Het is maar al te begrijpelijk dat de bisschoppen die aanwezig waren op het Concilie van Nikaia meenden dat de Heilige Geest hen in de juiste richting had geleid. Men was het vooraf oneens geweest over de relatie tussen God de Vader en God de Zoon, over de autonomie van de bisschoppen, over de paasdatum en over nog andere thema’s. De bisschoppen communiceerden in het Grieks, maar we moeten niet onderschatten dat de aanhangers van de twee grote scholen van Bijbeluitleg, de Alexandrijnse en Antiocheense, niet zelden dachten in het Egyptisch (Koptisch) en het Syrisch (Aramees).

    Persoonlijke ergernissen speelden een rol. Wellicht waren er mensen die zich stoorden aan de rol van de keizer. We beschikken over een door hem bij een andere gelegenheid gehouden toespraak waaruit blijkt dat hij de theologische finesses niet geheel beheerste. (De auteurs van onze bronnen, die Constantijn positief presenteren, maken overigens geen melding van irritaties over zijn rol.) Ondanks alle moeilijkheden eindigde de vergadering met consensus. De keizer had met de ruziënde bisschoppen een enorm risico genomen, maar kon tevreden beginnen aan het regeringsjubileum, de vicennalia, dat hij kort daarna zou vieren. Zoals gezegd heeft de Kerk de ingreep door het wereldlijk gezag geaccepteerd omdat de Heilige Geest zo evident aanwezig was geweest.

    De drie grote kwesties

    Wat werd er nu eigenlijk besloten? Om te beginnen was er de veroordeling van de opvattingen van Areios. De bisschoppen stemden in met de door Constantijn (of beter: een van zijn adviseurs) voorgestelde formulering dat Christus “één in wezen was met de Vader en uit het wezen van de Vader”. Dit was een compromis, waar voor het moment iedereen zijn eigen uitleg aan kon geven. Het werd vastgelegd door een in Jeruzalem gangbare geloofsbelijdenis uit te breiden met wat zinnetjes die aanhangers van Areios niet over de lippen zouden kunnen krijgen.

    In de praktijk was de kwestie echter doorgeagendeerd en in de tweede helft van de vierde eeuw was er nogal wat discussie over de vraag of de Vader en de Zoon wezensgelijk of wezensgelijkend waren. Daar zijn nog enkele andere concilies aan gewijd: dat van Constantinopel in 381, dat van Efese in 431 en tot slot dat van Chalkedon in 451. De kwestie is eigenlijk nooit helemaal opgelost. Er bestaan nog steeds nestorianen, wier teksten vooral in het Grieks en Aramees zijn gesteld, en monofysieten, wier literatuur vooral in het Koptisch en Armeens is geschreven.

    Bij de tweede grote kwestie, de paasdatum, was de vraag of het feest gevierd moest worden op de kalenderdag (volgens de joodse kalender) of de weekdag (zondag). Dit laatste standpunt overheerste en de besluitenlijst stelt expliciet dat het concilie hier de Romeinse traditie volgde. Bisschop Sylvester mocht dan afwezig zijn geweest, Rome had wel invloed. Het probleem bleef overigens bestaan. Weliswaar was er een heldere definitie, maar er was geen consensus over de berekening van de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente. Niet iedereen gebruikte namelijk de negentienjarige Cyclus van Meton.

    De derde kwestie was geen kwestie: het feit dat het concilie was samengekomen was al een ontkenning van het feit dat bisschoppen als Meletios van Lykopolis volledig autonoom waren. Dat dit een hamerstuk was, wilde niet zeggen dat er niets te regelen overbleef. In Nikaia werd ook de structuur van de kerk vastgelegd. Wat ons brengt bij zaken die verder ter tafel kwamen.

    Andere besluiten

    We weten van twintig andere tijdens het Concilie van Nikaia genomen beslissingen. Misschien stelde Constantijn ze aan de orde naar aanleiding van de klachten die vóór de vergadering waren geordend in de al genoemde libelli. Weliswaar had hij die laten verbranden, maar niemand zegt dat de keizerlijke kanselarij ook de onderliggende correspondentie heeft vernietigd.

    Om te beginnen: de geestelijkheid. De aanwezigen uniformeerden de regels voor de bisschopskeuze en stelden een hiërarchie vast. Drie bisschoppen kregen extra rechten, namelijk die van Alexandrië, Antiochië en Rome. In deze volgorde, die in Latijnse manuscripten overigens andersom is. Later zouden deze drie bisschoppen titels krijgen als “patriarch”, terwijl de aanspreekvorm papa, “paus”, steeds meer voor deze leiders gereserveerd zou worden. Bij latere concilies kregen ook de bisschoppen van Constantinopel en Jeruzalem de rang van patriarch.

    Er kwamen regels voor de geestelijkheid. Misdadigers en mannen die zichzelf vrijwillig hadden gecastreerd, waren uitgesloten van het priesterschap. Geestelijken mochten geld uitlenen als dat in het voordeel was van debiteuren, maar mochten zelf geen winst maken op die kredietverstrekking. Omdat ook geestelijken weleens vergissingen konden maken, en omdat ook vergaderingen van geestelijken die een dwalende collega gispten zich konden vergissen, kwamen er beroepsprocedures. Alleen over de seksuele betrekkingen van de geestelijkheid bleek consensus moeilijk. Dit mocht voortaan lokaal geregeld worden.

    Bisschoppen die tijdens de vervolging door keizer Diocletianus afvallig waren geweest – lees: die met terugwerkende kracht niet hadden voldaan aan eisen die pas in Nikaia werden geformuleerd – werden uit hun ambt ontzet. Dit lijkt een handreiking te zijn geweest aan de donatisten, maar ze maakte geen einde aan deze kerkscheuring.

    Ondanks het streven naar harmonie, eenheid en vrede, had het concilie ook nog wat rekeningen te vereffenen. Het werd bisschoppen verboden om mensen die in andere bisdommen een sanctie hadden gekregen, in dienst te nemen. Niet alleen was dit een verdere aantasting van de bisschoppelijke autonomie, het was bedoeld om mannen als de veroordeelde Areios het leven zo zuur mogelijk te maken. Areios’ aanhangers moesten penitentie doen.

    Ook Constantijn stond niet boven ressentiment. Hij had in 324 een burgeroorlog gewonnen en zijn tegenstander Licinius, die in 312/313 de toenadering tot de christenen had geïnitieerd, werd met terugwerkende kracht als afvallige beschouwd. Zijn soldaten moesten eveneens penitentie doen.

    Afrondende maatregelen

    Mogelijk heeft Constantijn bisschop Makarios van Jeruzalem opdracht gegeven te zoeken op welke plaatsen in zijn stad Jezus was gekruisigd, begraven en opgestaan. Dit staat nergens in onze bronnen, maar het staat wel vast dat keizerin-moeder Helena een jaar later de Grafbasiliek heeft laten bouwen. In Betlehem verrees de Geboortekerk en in Rome liet Constantijn kerken bouwen boven de (veronderstelde) graven van Petrus en Paulus. Een van de keizerlijke paleizen, het Lateraan, deed Constantijn cadeau aan de bisschop van Rome.

    Het concilie eindigde met de verslaglegging. Alle bisschoppen moesten de documenten tekenen. Daarna werden de beslissingen met de wereld gedeeld. We weten van een door het Concilie naar Egypte verstuurde brief over de drie grote kwesties en van twee keizerlijke brieven. De ene was gericht aan Alexandrië, waar Areios vandaan kwam, en de andere was een circulaire over de paasdatum die naar elk bisdom werd verstuurd.

    Bij hun vertrek kregen de bisschoppen nog geschenken mee. Maar niet iedereen was zo gelukkig. Twintig bisschoppen hadden moeite met de beslissingen. Onder dreiging van ballingschap tekenden zestien van hen alsnog de notulen, maar de resterende vier moesten hun stad verlaten. Daar kwamen er later nog twee bij. Het Concilie van Nikaia had eenheid gebracht, maar zelfs met een gemanipuleerde gastenlijst waren sancties nodig.

    [morgen meer]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De echte Nikolaas van Myra (3)

    november 13, 2011
    C02 | Constantijn en de Tetrarchie

    februari 29, 2024
    Het Romeinse Rijk van Fik Meijer (3)

    februari 22, 2016 Deel dit:

    #Areios #ballingschap #bisschop #christenvervolging #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #CyclusVanMeton #Diocletianus #donatisten #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #Grafbasiliek #HelenaKeizerin_ #Licinius #MakariosVanJeruzalem #MeletiosVanLykopolis #paasdatum #SintJanVanLateranen #SylvesterI #Synodikon

  16. 1700 jaar Nikaia (4): beraadslagingen

    Een beruchte scène uit het Concilie van Nikaia: Nikolaas van Myra staat op het punt een opponent een klap te geven (Rila-klooster)

    De uitnodiging voor het Concilie van Nikaia, dat vandaag 1700 jaar geleden begon, lijkt gepaard te zijn gegaan met een oproep om klachten en wensen te formuleren. Dit was het moment, zo lijken de organisatoren gedacht te hebben, om misstanden te benoemen en te verhelpen. Deze cahiers des doléances, om eens een analogie te introduceren, vormden de basis van enkele libelli, “boekjes”, waarin de uiteenlopende klachten thematisch waren geordend. Er moet dus een staf zijn geweest die alles las en ordende voordat het aan de keizer werd aangeboden.

    Die liet de libelli echter ongeopend verbranden. De politicus die Constantijn was, wilde zaken doen en kon het niet hebben dat er aan het begin van de vergadering blijken van wantrouwen waren in de richting van de mannen met wie hij moest overleggen. Dat is althans hoe de kerkhistoricus Theodoretos het presenteert. Zijn collega Sozomenos vergelijkt de daad met de vergevingsgezindheid van God. Het is overigens niet uitgesloten dat Constantijn wel degelijk op de hoogte was van de inhoud, al was het maar omdat de brieven die aan de libelli ten grondslag hadden gelegen, er gewoon nog waren.

    De wijze waarop we over dit voorval zijn geïnformeerd, is heel interessant. Het is namelijk alleen bekend uit de boeken van de vijfde-eeuwse kerkhistorici Rufinus, Sokrates en de zojuist genoemde Sozomenos en Theodoretos; we lezen het niet bij Eusebios van Caesarea, die in Nikaia aanwezig was. De consensus van de latere auteurs bewijst dat er informatie circuleerde die Eusebios dus heeft onderdrukt. Het is immers niet bepaald een compliment aan de keizer, wiens heiligenleven de bisschop van Caesarea aan het schrijven was. Maar we kunnen dus waardevolle informatie vinden bij niet-ooggetuigen.

    Het concilie in actie

    Dat onze bronnen, ook al zijn ze secundair, accurate informatie bevatten, blijkt ook uit het geboden beeld. Het concilie was bepaald geen vergadering van heiligen. De beraadslagingen waren bitter; met hun scheldpartijen en persoonlijke aanvallen gedroegen de aanwezige bisschoppen zich maar al te menselijk.

    Het criterium van de gêne is van toepassing. Dat is een door historici gehanteerde vuistregel, die behelst dat elke auteur een verhaal heeft om te vertellen, bijvoorbeeld dat de kerkvergadering door de Heilige Geest was geïnspireerd, en dat informatie die dit tegenspreekt, te algemeen bekend was om te onderdrukken. Anders gezegd: de lezers van de diverse kerkgeschiedenissen wisten dat het er in Nikaia hard aan toe was gegaan.

    Dat betrof vermoedelijk niet de al genoemde kwestie van de traditionele autonomie van de bisschoppen. Was het concilie wel bevoegd regels te geven? We lezen niets over discussie en dat is ook niet zo vreemd: het zou een vreemd bestuurlijk gremium zijn dat zichzelf, nadat het zichzelf bevoegdheden heeft toegekend, die weer in twijfel trekt.

    Er was zeker wel discussie over de paasdatum. Ooggetuige Eusebios vertelt in zijn geïdealiseerde keizerbiografie dat Constantijn geduldig luisterde en aandrong op eendracht en gematigdheid – wat een heel nette manier is om te zeggen dat de discussie geagiteerd verliep. Dankzij Constantijns geduld liep alles echter goed af, aldus Eusebios.

    De Zoon en de Vader

    Eusebios erkent verder dat de gemoederen op zeker moment hoog opliepen, zonder uit te leggen dat dit de relatie tussen God de Vader en God de Zoon betrof. Zoals ik al eens eerder uitlegde hadden de christelijke theologen, doordat ze zich bedienden van het jargon van de neoplatoonse filosofie, de problemen van de uitleg van Plato’s Timaios geïmporteerd. De Alexandrijnse geestelijke Areios (c.250-336) had enkele jaren voor het concilie de knuppel in het hoenderhok geworpen door te stellen dat Christus, het woord van God, was onderworpen aan de tijd en er niet altijd was geweest. Dat betekende dat God Christus had geschapen, dus van mening was veranderd en dus onvolmaakt was. Het betekende tevens dat de Zoon lager in de kosmische hiërarchie stond dan de Vader, wat weliswaar prima viel te beargumenteren aan de hand van het Nieuwe Testament, maar zich slecht liet rijmen met het idee dat alleen een wezen dat volledig goddelijk was de mensheid kon verlossen.

    Was Areios in Nikaia aanwezig? Hij lijkt uitgenodigd te zijn geweest, en zijn tegenstanders (Eusthathios van Antiochië, Alexandros van Alexandrië en diens rechterhand Athanasios) waren er zeker, maar ter plekke werd uit Areios’ geschriften voorgelezen. (Het luisteren naar die teksten zou, zo vernemen we, de hoogwaardige aanwezigen pijn aan de oren hebben gedaan.) Dat de teksten werden voorgelezen, suggereert dat Areios er niet was en maakt het mogelijk dat de bisschoppen werden geconfronteerd met een zó gekozen selectie dat ze de inhoud wel verwerpen moesten. Eusebios, die het met Areios eens was maar zijn persoonlijke oordeel uiteindelijk ondergeschikt maakte aan de kerkelijke eenheid, vermeldt hierover niets.

    Ik noem op dit punt nog even de late anekdote dat bisschop Nikolaas van Myra een van de verdedigers van Areios’ leer (of was het Areios zelf?) een pets heeft verkocht. De historiciteit staat ter discussie, maar te midden van de ruziënde bisschoppen zou het best mogelijk zijn geweest.

    [wordt vervolgd]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De Late Oudheid (1)

    oktober 5, 2022
    C01 | Constantijn wordt keizer

    februari 29, 2024
    Vienne

    mei 16, 2025 Deel dit:

    #AlexandrosVanAlexandrië #Areios #AthanasiosVanAlexandrië #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #criteriumVanDeGêne #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #EusthathiosVanAntiochië #NikolaasVanMyra #Rufinus #SokratesKerkhistoricus_ #Sozomenos #Synodikon #Theodoretos

  17. 1700 jaar Nikaia (3): het concilie begint

    Constantijn (let op het embleem op de helm; Staatliche Münzsammlung, München)

    Het is vandaag 1700 jaar geleden dat in Nikaia, het huidige İznik in Turkije, de grote kerkelijke vergadering begon die bekendstaat als het Eerste Oecumenische Concilie. Nu zou het zomaar eens kunnen zijn dat u nog nooit een oecumenisch concilie hebt bijgewoond, dus leek het me zinvol eens te vertellen wat er zoal gebeurde. Hoewel de handelingen (actae) verloren zijn gegaan en we dus geen primaire bron hebben, zijn er redelijk wat secundaire bronnen, waarover ik later nog zal bloggen.

    Voorbereidingen

    Uiteraard werden eerst uitnodigingen verstuurd. Toevallig is een zo’n uitnodiging overgeleverd in een in de vijfde eeuw door een Armeense geleerde aangelegde verzameling. Het was Constantijn (en niemand anders) die de bisschoppen uitnodigde, en uitlegde dat de locatie in Nikaia was gekozen omdat de stad voor Italische bisschoppen makkelijk bereikbaar was, omdat er een gunstig klimaat was en omdat hij zelf ook van plan was vanuit Constantinopel langs te komen. De genodigden – zoals gezegd: niet iedereen die zich christen noemde – ontvingen behalve reisvouchers ook de agenda. Die is verloren, maar Eusebios van Caesarea vermeldt dat er reden was om te overleggen over de relatie tussen God de Vader en God de Zoon, over bisschoppen die (zoals Meletios van Lykopolis) hun autonomie wilden handhaven en over de kwestie van de paasdatum.

    Vanuit het perspectief van de christenen, traditioneel geleid door autonome bisschoppen, was het, zoals gezegd, wat dubieus dat het concilie zich bevoegd achtte algemeen geldende regels op te stellen. De keizer had, als hoofd van de staatsgodsdienst, dit recht wel. Hij diende zichzelf echter niet aan als pontifex maximus, “hoogste priester”, zijn titel als hoofd van de staatsgodsdienst. In plaats daarvan benutte hij de meer christelijke titel episkopos. Dat woord betekent doorgaans bisschop, maar de oorspronkelijke betekenis was die van opzichter en het lijkt erop dat Constantijn dat heeft bedoeld. Dat hij zich echter met een voor christenen herkenbare titel presenteerde, suggereert een persoonlijke betrokkenheid.

    Evengoed was het uniek dat de keizer ingreep in christelijke aangelegenheden. Om de pil te vergulden, werden christelijke aanwezigen herinnerd aan een precedent: de vergadering in Jeruzalem die staat genoemd in de Handelingen van de apostelen. De apostelen hadden daar hun beslissing genomen “in overeenstemming met de heilige Geest”,noot Handelingen 15.28. en dat zou ook in Nikaia gelden: het mocht dan een keizerlijke ingreep zijn, aangezien er consensus groeide, was evident dat Gods zegen er desondanks op rustte. De Oostenrijkse oudheidkundige Günter Stemberger heeft er overigens op gewezen dat de bevoegdheden van het Concilie van Nikaia feitelijk waren geïnspireerd door het joodse Sanhedrin.

    20 mei 337

    Op 20 mei begonnen in het paleis van Nikaia, zes eeuwen eerder gebouwd door koning Nikomedes I van Bithynië, de voorbereidende besprekingen. Er waren gasten uit de hele wereld, dus niet alleen het Romeinse Rijk: ook uit Mesopotamië en Armenië kwamen bisschoppen.We weten niet precies hoeveel aanwezigen er waren: Eusebios stelt dat het er “meer dan 250” waren, andere auteurs noemen 270, “bijna 300” en zelfs 318. De diverse handschriften van het Synodikon, de lijst van deelnemers, bevatten tussen de 200 en 220 namen.

    De bisschop van Rome, Sylvester I, liet zich vertegenwoordigen door twee priesters. De verklaring is dat de paus al oud was, maar er speelt mogelijk meer: de bisschop van Rome claimde destijds al de eerste onder gelijke bisschoppen te zijn, en zou later het recht opeisen de beslissingen van elke kerkelijke vergadering te mogen bekrachtigen. Het kan zijn dat dit ook Sylvesters positie al was: hij liet anderen debatteren en zei dan na afloop ja of nee. Dataschaarste zijnde dataschaarste valt dit niet precies te weten. Overigens erkende het Concilie van Nikaia het gezag van de bisschop van Rome over alle Latijnse provincies – niet gering.

    Constantijn in Nikaia

    Drie dagen na het begin van de voorbesprekingen arriveerde Constantijn zelf – met alle op effect gerichte fanfare waarmee een antieke vorst zijn onderdanen kon overdonderen. Denk aan trompetgeschal en een presentatie die hem, aldus Eusebios, “deed lijken op hemelse gezant van God”. Het is wonderlijk dat de auteurs van onze bronnen deze epifanie opvatten als uiting van bescheidenheid. Het curieuze argument is dat een keizer traditioneel al op zijn troon zat als de gasten binnenkwamen, en dat het dit keer de bisschoppen waren die al zaten.

    Nu is de keizerlijke aanwezigheid misschien aanleiding tot vragen. In christelijke bronnen staat Constantijns aanwezigheid ook vermeld voor de Synode van Arles (314), hoewel we weten dat hij feitelijk een campagne leidde tegen de Franken. Dat Constantijns aanwezigheid in Nikaia eveneens een vroom verzinsel is, is dus denkbaar, maar we weten uit de wettencollectie die bekendstaat als Codex Theodosianus dat de keizer in deze tijd te Nikaia regelgeving heeft uitgevaardigd. Hij was er zeker.

    Het was óf Eusebios van Caesarea óf Eusthathios van Antiochië die de keizer welkom heette met een gebed voor ’s keizers gezondheid. Constantijn bedankte in het Latijn, de taal die de keizer altijd sprak aan het begin van een officiële plechtigheid. De eigenlijke beraadslagingen waren in het Grieks, de taal van het Nieuwe Testament, de moedertaal van de meeste aanwezigen en de taal waarin ook de Latijnse, Armeense en Aramese bisschoppen uit de voeten konden.

    [wordt vervolgd]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De Boog van Constantijn

    april 6, 2024
    De echte Nikolaas van Myra (2)

    november 13, 2011
    Het doorgeven van de Wet

    augustus 13, 2020 Deel dit:

    #Aramees #bisschop #CodexTheodosianus #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #dataschaarste #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #EusthathiosVanAntiochië #GünterStemberger #GriekseTaal #Latijn #MeletiosVanLykopolis #NikomedesI #primaireBron #Sanhedrin #secundaireBron #SylvesterI #Synodikon

  18. 1700 jaar Nikaia (2): de gastenlijst

    Het Concilie van Nikaia (Soumela)

    De Oudheid is per definitie de periode waarover we naast het archeologische materiaal ook geschreven bronnen hebben, maar niet voldoende om te komen tot werkelijke geschiedvorsing. Daardoor zijn er talloze onderwerpen waarover we niets weten. Zo staat vast dat Egypte in de tweede eeuw na Chr. een ware fabriek van nieuwe christelijke ideeën is geweest, maar hebben we geen idee, zelfs geen begin van een idee, hoe het christendom in Egypte is gekomen. Dat is maar één voorbeeld van het simpele feit dat we over de Oudheid eigenlijk altijd onvoldoende weten.

    Gelukkig begrijpen we wel waarom we over bepaalde onderwerpen minder informatie hebben dan er moet zijn geweest. We weten dat er teksten zijn geweest van de mensen die Christus vereerden in combinatie met andere goden, maar de middeleeuwse kopiisten hebben die niet overgeschreven. Ook de teksten van degenen die later als ketters zouden komen gelden, zijn op deze wijze verloren gegaan.

    Schaarse informatie is normaal en het is niet vreemd dat we alleen indirect zijn geïnformeerd over het Eerste Concilie van Nikaia, dat morgen 1700 jaar geleden is begonnen. We beschikken niet over de zogeheten actae, “handelingen”, die we over andere kerkelijke vergaderingen wel hebben. De wel overgeleverde deelnemerslijst, het Synodikon, is een latere reconstructie. Hoewel de in Nikaia genomen beslissingen bekend zijn, en we ook wel iets weten over het verloop van de discussies, missen we belangrijke stukken informatie. Het is bijvoorbeeld onbekend hoe de gastenlijst tot stand is gekomen.

    Geweigerde bisschoppen

    En dat is wel een gemis, want lang niet iedere bisschop was uitgenodigd. Zo ontbrak bisschop Donatus van Karthago. Die had weliswaar een discussie over de financiën van zijn kerk verloren en is de geschiedenis in gegaan als ketter, maar dat was pas later. Wie in 325 besloot hem niet uit te nodigen, en wel Donatus’ rivaal Caecilianus, had al een beslissing genomen over wat orthodox was en wat niet. Een misschien voorspelbare beslissing, aangezien Donatus in de westelijke provincies al een reputatie had als onruststoker, maar evengoed: niet iedere zich christen noemende bisschop was uitgenodigd. We weten niet wie de gastenlijst samenstelde, met welk recht en met welke criteria.

    Een soortgelijke kwestie speelde in Boven-Egypte, waar bisschop Meletios van Lykopolis een conflict had met de bisschop van Alexandrië. Volgens de regels die in Nikaia afgesproken zouden worden, zat Meletios in dit conflict verkeerd, maar die regels waren er vanzelfsprekend nog niet toen iemand besloot Meletios niet uit te nodigen. Terwijl Meletios en ook Donatus als bisschoppen van hun steden een grote autonomie hadden en officieel niemand boven zich hadden staan die beslissingen over hen kon nemen, plaatsten de organisatoren van het concilie zich wel boven de bisschoppen.

    Er kunnen meer van dit soort gevallen zijn geweest en we weten zeker dat er in Nikaia niemand is geweest die een niet-exclusivistische uitleg van het geloof voorstond. Terwijl Christus vereren in combinatie met andere goden, hoe ongebruikelijk wij dat ook vinden, destijds was wat elke weldenkende Romein zou hebben gedaan. Hoeveel Christusvereerders hadden de andere goden afgezworen? Hoeveel mensen combineerden de verering van Christus met de verering van andere goden? Hadden we maar meer informatie, maar het simpele feit is dat we over de exclusivisten wél informatie hebben en over de niet-exclusivisten niet. We kunnen niet vaststellen hoe representatief de genodigden in Nikaia zijn geweest voor de toenmalige verering van Christus.

    Een proto-kerk?

    Hoe dat ook zij: er was iemand die al beslissingen aan het nemen was voordat het Concilie van Nikaia begon, en die iemand had het oor van de keizer. Een mogelijke hypothese is dat er al iets bestond dat we gemakshalve “de proto-kerk” zullen noemen: een groep bisschoppen die weliswaar niet officieel was georganiseerd, maar zich op veel punten al kon presenteren als “de” vertegenwoordigersvan de christelijke gemeenschap. Die groep was dan exclusivistisch van aard.

    Hoewel de geschiedenis vaak zo wordt gepresenteerd, en er ook exclusivistische bronnen zijn over bisschoppen die met elkaar communiceren en discussiëren, is deze hypothese feitelijk ontoetsbaar omdat we, zoals gezegd, niet weten hoe representatief onze informatie is. Doordat de kopiisten teksten met sterk afwijkende meningen niet overschreven, hebben we over de eeuwen vóór Nikaia vooral informatie die in lijn is met de daar vastgestelde orthodoxie. Er is tekstselectie geweest, zoals altijd het geval is met informatie over de Oudheid.

    Toch is er een aanwijzing voor het bestaan van een min of meer erkende kerk vóór 325. Die aanwijzing betreft een zekere Paulus van Samosata, die bisschop was in Antiochië en ideeën verkondigde die in 269 werden afgewezen door een vergadering van zo’n zeventig bisschoppen. Zij zetten hun collega af, waarop keizer Aurelianus in 272 een hoorzitting organiseerde. Hij liet zich daarbij adviseren door de bisschoppen in Italië en bevestigde de afzetting. In deze anekdote ligt besloten dat er op dat moment een min-of-meer officiële kerk was, waar zelfs een keizer naar luisterde.

    Het probleem met deze anekdote is dat onze informatie vooral afkomstig is van Eusebios van Caesarea, een auteur die het bisschoppelijk gezag voortdurend benadrukt. Natuurlijk waren er rotte appels. Eusebios was een realist. Maar het college van bisschoppen corrigeerde dwalende bisschoppen als Paulus, en de gelovigen mochten hun herders vertrouwen. Aldus Eusebios. De anekdote past te goed bij de tendens van zijn werk om niet verdacht te zijn. Dat wil niet zeggen dat de bisschop van Caesarea snoeihard liegt, maar wel dat we zijn informatie niet kritiekloos mogen overnemen.

    Nikaia: de gezagsvraag

    Samenvattend: de gastenlijst van het Concilie van Nikaia is opgesteld door iemand die mensen uitsloot. Hier was iemand aan het werk die naar bepaalde conclusies toe wilde werken. In welke mate deze organisator een eerdere, min of meer erkende kerk vertegenwoordigde, en hoe representatief de vergadering was voor alle vereerders van Christus, valt niet langer uit te maken. We beschikken over te weinig data: het waren, zoals het cliché luidt, de overwinnaars die de geschiedenis schreven. Of, beter gezegd: het waren de orthodoxen die de bronnen kopieerden.

    Waar het om draait: er zijn bisschoppen geweest die vasthielden aan hun aloude autonomie, die niet werden uitgenodigd en die, autonoom als ze waren, ook geen reden hadden om het gezag van het Concilie van Nikaia te erkennen. Nikaia schiep de eenheid die Constantijn wilde, maar feitelijk is de vraag met welk religieus gezag de verzamelde bisschoppen hun meningen oplegden aan de kerk.

    [later meer over Nikaia]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Kybele in de Grieks-Romeinse wereld

    juli 10, 2023
    B6: Boeddhisme als oosterse filosofie

    juni 9, 2024
    Vasa diatreta

    december 8, 2018 Deel dit:

    #bisschop #Caecilianus #ConstantijnDeGrote #dataschaarste #donatisme #Donatus #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #exclusivistischeChristenen #kopiist #MeletiosVanLykopolis #nietExclusivistischeChristenen #PaulusVanSamosata #Synodikon #tekstselectie

  19. 1700 jaar Nikaia (1): iets nieuws?

    Een achttiende-eeuwse weergave van het Concilie van Nikaia (325).

    Aanstaande dinsdag is het 1700 jaar geleden dat in Nikaia, het huidige İznik in Turkije, een enorme vergadering begon van christelijke leiders: het Concilie van Nikaia. (Ook wel aangeduid als Nicea, maar ik wil niet invisibiliseren.) Onder toezicht van keizer Constantijn de Grote stelden de bisschoppen een formule vast waarmee ze de relatie tussen God de Vader en God de Zoon konden beschrijven; verder namen ze besluiten over de berekening van de paasdatum, de organisatie van de kerk en de levenswijze van de geestelijken.

    Uit de baaierd aan christelijke vormen ontstond één christendom, dat nog steeds bestaat. De beslissingen zijn na al die eeuwen zó vanzelfsprekend, dat we niet langer herkennen hoe revolutionair ze ooit waren.

    Innovaties

    Het eerste punt is dat Constantijn alleen bepaalde leiders uitnodigde, namelijk bisschoppen die meenden dat wie Christus vereerde, niet ook andere goden mocht vereren. Dit exclusivisme was in de antieke wereld allerminst vanzelfsprekend en nog vér na het Concilie van Nikaia waren er volop christenen die ook naar synagogen of heidense tempels gingen. Volgens de conciliedeelnemers en de huidige kerken zouden dat geen christenen zijn, maar dat zagen zij zelf natuurlijk anders.

    Een tweede revolutionaire innovatie was dat er voor de christenen maar één manier kon zijn om over het goddelijke te denken, de orthodoxe. Ook dit speelt nog altijd een rol in het christendom. Het onderscheid tussen de oosterse en westerse kerken gaat bijvoorbeeld terug op (na Nikaia geformuleerde) verschillende opvattingen over Christus.

    Nikaia introduceerde ook de methode om de doctrine vast te stellen: door een vergadering. Alle bisschoppen waren officieel gelijk en in de zin dat ieders mening (althans officieel) het zwaarst woog, was de intellectuele discussie in Nikaia een democratie van experts. Als men het eens was, zo was de redenering, dan moest het zijn doordat de Heilige Geest de aanwezigen in de juiste richting leidde. (Zie het plaatje hierboven, waarin de Heilige Geest in de vorm van een duif neerdaalt.) Hiermee werd feitelijk gezegd dat niet alleen de heilige schrift, maar ook de consensus der bisschoppen geïnspireerd was en een bron van religieus gezag. Deze blog is niet de plek om uit te weiden over latere discussies over het leergezag, maar ik denk dat de aanwezigen in Nikaia vreemd zouden hebben opgekeken van het aforisme van paus Benedictus XVI dat waarheid niet democratisch wordt bepaald.

    Een laatste innovatie uit 325 is inmiddels wat op de achtergrond geraakt, althans in Europa: dat de overheid een rol had bij het bepalen of handhaven van de christelijke rechtzinnigheid. Een Europese regeringsleider mag nu dan wel zeggen dat jeder mag nach seiner Façon selig werden, maar overheidsbetrokkenheid bij de orthodoxie is eeuwenlang een belangrijk aspect van de Europese cultuur geweest.

    Kortom, in Nikaia ontstond het christendom zoals wij het kennen en het concilie heet met recht een belangrijke historische gebeurtenis. Bijzonder is bovendien dat we de invloed (vormende werking, agency…) van dit aspect van de antieke cultuur op onze cultuur kunnen onderbouwen met de relevante sociaalwetenschappelijke argumenten.

    Was Nikaia wel zo innovatief?

    Revoluties komen echter nooit zomaar. Niet alleen Constantijn, élke Romeinse magistraat voelde zich verantwoordelijk voor de goede relatie tussen zijn onderdanen en de goden (pax deorum). Dat dit zich vertaalde in orthodoxie, was slechts een beperkte innovatie. De relatie tussen God de Vader en God de Zoon oogt weliswaar als een nieuw, christelijk thema, maar feitelijk importeerden de theologen een oudere discussie over Plato’s Timaios – ik schreef er al eens over.

    Ik noem ook de eed van trouw die keizer Decius in 249/250 eiste van al zijn onderdanen. Ze moesten verplicht offeren. Decius is de geschiedenis in gegaan als christenvervolger, maar de eed van trouw trof andere groepen even hard: denk aan pythagoreeërs, denk aan de groep rond het Corpus Hermeticum, denk aan neoplatonisten en denk aan anderen die moeite hadden met de antieke offerpraktijk. Het springende punt is dat Decius religie benutte om in een verdeeld imperium eenheid te scheppen. Een kwart eeuw later deed keizer Aurelianus hetzelfde door de verering van de zon voor te schrijven. Ook in dit opzicht bood Constantijn niets nieuws.

    Keizer Diocletianus, die de verering van Jupiter en Hercules had benut om eenheid te scheppen, had andersdenkenden gewelddadig vervolgd: manicheeërs en christenen dus. En ook dit aspect is in Nikaia aanwezig. De betrouwbaarheid van de anekdote dat Nikolaas van Myra een opponent een klap zou hebben gegeven mag dan dubieus zijn, ze past bij het algemene karakter van de kerkvergadering. Er zijn namelijk meer anekdotes over verbaal en fysiek geweld. Constantijn stond niet boven intimidatie: de bisschoppen moesten eens lopen langs een erehaag van gardisten met getrokken zwaarden, en de keizer dwong de consensus over een compromisformule af met sancties.

    Wat ik maar zeggen wil: Nikaia schiep een christendom, maar het was geen schepping uit het niets. Anderhalve eeuw geleden muntte Theodor Mommsen het aforisme dat vernieuwingen altijd tot uitdrukking worden gebracht middels bestaande vormen. Mommsens bekendste voorbeeld was het keizerschap van Augustus, dat weliswaar een revolutie was maar dat zich bediende van traditionele vormen. Hij zou ook het ontstaan van het christendom hebben kunnen noemen.

    [morgen meer over het Concilie van Nikaia]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Tongeren

    september 15, 2018
    Het visioen van Constantijn (3)

    februari 16, 2018
    Limesmoeheid (3)

    december 10, 2017 Deel dit:

    #agency #Augustus #Aurelianus #BenedictusXVI #christenvervolging #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #CorpusHermeticum #Decius #Diocletianus #EersteConcilieVanNikaia #exclusivistischeChristenen #HeiligeGeest #neoplatonisme #nietExclusivistischeChristenen #NikolaasVanMyra #offer #orthodoxie #pythagorisme #TheodorMommsen #vormendeWerking

  20. Romeins Lyon

    Het altaar van de drie Gallische provincies in Lyon (Thermenmuseum, Heerlen)

    Ik ben gisteravond aangekomen in Lyon. Een oude stad, met een voor-Romeins verleden. Er zijn hier twee Keltische nederzettingen geïdentificeerd, waarschijnlijk bewoond door de stam van de Segusiavi; ze gaan terug op de vroege La Tène-tijd, zeg maar 450 v.Chr. De ene nederzetting was een oppidum, een heuvelfort, op de westelijke oever van de Saône; deze locatie staat bekend als Fourvière. De andere nederzetting lag op de landtong tussen de Saône en de Rhône. Deze vroege stad heette mogelijk Lugudunon (“heuvel van Lugus”). Die naam is in elk geval aangetroffen op een munt uit 42 v.Chr. Het moge duidelijk zijn dat de Latijnse naam Lugdunum daarvan is afgeleid.

    Het vroege Lyon lag dus aan de samenvloeiing van twee belangrijke rivieren. De Saône verbond de regio met de Moezel en de Rijn, en de Rhône leidde in de richting van de Boven-Donau. We kunnen ons het vroege Lyon voorstellen als een handelscentrum. Dat wordt bevestigd door de aanwezigheid van Italische amforen en Grieks aardewerk.

    Romeinse verovering

    De Romeinen veroverden de vallei van de Rhône vanuit het zuiden en onderwierpen rond 120 v.Chr. de Allobrogen. Toen ze het gebied onder controle hadden, stichtten de Romeinen eerst de stad Vienna, het huidige Vienne. Dit werd het centrum waar kooplieden elkaar ontmoetten, maar na een Allobrogische opstand in (ik meen) 61 v.Chr. verplaatsten de Italische kooplieden hun kantoren van Vienne naar Lugdunum. In het volgende jaar, 60 v.Chr., kondigden de Helvetiërs aan dat ze stroomafwaarts langs de Rhône zouden trekken om zich in Aquitanië te vestigen. Ze zouden dus langs Lyon komen. Dat was voldoende voor de Romeinse generaal Julius Caesar om in te grijpen. In 58 veroverde hij de heuvel Fourvière, die verder een van zijn bases zou zijn tijdens de daaropvolgende oorlog in Gallië.

    De stad werd in 43, na de dood van Caesar, door Lucius Munatius Plancus formeel georganiseerd als een colonia, een volksplanting. De nieuwe inwoners moeten veteranen uit de legioenen van Caesar zijn geweest. Lyon had enige tijd het privilege om zilveren munten te slaan, wat het noodzakelijk maakte om de stad te te voorzien van een garnizoen dat haar tegen overvallers beschermde. De Cohors XIII urbana zou twee eeuwen lang in Lyon blijven.

    In de jaren dertig van de eerste eeuw v.Chr. reorganiseerden de Romeinen de Gallische gebieden die Caesar had veroverd. Ze maakten er drie provincies van en legden een netwerk van wegen aan. Generaal Agrippa, de rechterhand van Caesars opvolger Octavianus, legde belangrijke wegen aan: één van Lyon naar Bordeaux in het westen, één van Lyon naar Genève en Augst in het noordoosten, en één van Lyon naar het noorden. Deze laatste route splitst in een weg naar Reims in het noordwesten en een weg naar Trier en Keulen in het noordnoordoosten.

    In 12 v.Chr. wijdden de Romeinen een altaar aan Roma en Augustus op de heuvel Croix-Rousse.noot Cassius Dio, Romeinse geschiedenis 54.32.1. Elk jaar kwamen Gallische leiders hier samen om zaken te bespreken. De verovering was voorbij; Lyon was de hoofdstad van de Drie Galliës geworden.

    De Romeinse stad

    Hoewel Lyon een belangrijk centrum van het Romeinse bestuur was, werd het nooit een stad zoals Karthago, Efese, Antiochië of Alexandrië. Toch besloeg het ongeveer 350 hectare en had het meer dan 30.000 inwoners (twee keer zo groot als Pompeii en ongeveer evenveel als Keulen), en werd het beschouwd als de grootste stad in Gallië na Narbo.noot Strabon, Geografie 4.3.2. Lyon had een forum, een tempel van Roma en Augustus, een heiligdom voor Kybele, een aquaduct, een theater, een odeon, een amfitheater en een circus voor wagenrennen. Het was echter vooral de plek waar allerlei handelaren en kooplieden elkaar ontmoetten.

    Verschillende keizers en prinsen bezochten de stad. Toen Drusus de stad bezocht in 10 v.Chr., beviel zijn vrouw Antonia van een zoon, Claudius (de toekomstige keizer). Keizer Caligula verbleef in Lyon tijdens zijn noordelijke rondreis. In 68 na Chr. was de stad het centrum van de opstand van Vindex, die werd onderdrukt maar leidde tot de val van keizer Nero. Trajanus en Hadrianus, die de stad in 119 bezocht, bouwden monumenten. In 185 werd de toekomstige keizer Caracalla in Lyon geboren.

    Een internationale stad als Lyon trok immigranten. Soms onvrijwillig, zoals Herodes Antipas, de Romeinse vazalvorst in Galilea, die hier in ballingschap moest. Van anderen weten we niet waarom ze zich vestigden in Lyon, al zal handel een reden zijn geweest. De christelijke gemeenschap, in 177 wreed vervolgd, was voor een groot deel Griekstalig.

    Na de ongelukkige regering van Publius Helvius Pertinax (in de eerste maanden van 193) en de coup van Didius Julianus, was er de tegencoup van Septimius Severus, die een rivaal had in het westen, Clodius Albinus. Severus versloeg Albinus in een veldslag bij Lyon. Omdat het garnizoen van Lyon, de Cohors XIII urbana, de kant van de laatste had gekozen, beval Septimius Severus onderafdelingen van twee legioenen (VIII Augusta en XXII Primigenia) om voortaan als garnizoen van Lyon te dienen.

    Late Oudheid

    Na het midden van de derde eeuw werd de Rijngrens bedreigd en werd de zetel van de Romeinse regering verplaatst naar het noordoosten, waar Keulen, Mainz en Trier steeds belangrijker werden. Voor Lyon was dit het begin van een gestage neergang. Er was geen geld om het aquaduct, dat zo belangrijk was voor een grote stad, te herstellen. Toch werd de stad nog steeds bezocht door keizers (bijv. Constantijn de Grote) en usurpatoren (bijv. Magnentius, die in Lyon zelfmoord pleegde). Vienne overvleugelde Lyon.

    Lyon groeide uit tot een belangrijk christelijk centrum, met een bisschoppelijk paleis aan de oevers van de Saône, een doopkapel en een kerk die was gewijd aan Johannes de Doper (de huidige kathedraal). Op de oude begraafplaatsen buiten de muren werden verschillende grafbasilieken gebouwd.

    In 460 werd Lyon de residentie van de Bourgondiërs, die uiteindelijk in 532 door de Franken werden veroverd. Maar dat is een ander verhaal.

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Marcus Aurelius (2): Zingeving

    januari 12, 2024
    De mijnen van Laurion

    november 23, 2022
    IIII Flavia Felix

    januari 3, 2025 Deel dit:

    #Allobrogen #Augustus #Bourgondiërs #Caracalla #Claudius #ConstantijnDeGrote #Gallië #Helvetiërs #Kybele #LuciusMunatiusPlancus #LugdunumLyon_ #Lyon #Magnentius #MarcusVipsaniusAgrippa

  21. Het is de Week van de Klassieken, dus een blogje over de ereboog van #ConstantijnDeGrote in Rome is op zijn plek. Niet alleen is het monument klassiek in de zin dat het latere monumenten inspireerde, het grijpt ook zelf terug op de klassieken.

    mainzerbeobachter.com/2024/04/

  22. Als de bronnen correct zijn, heeft #ConstantijnDeGrote minimaal vijf keer een visioen gehad. Maar wie de bronnen kritiekloos leest, bezondigt zich aan "naïef positivisme".

    mainzerbeobachter.com/2024/03/

  23. In 337 overleed keizer #ConstantijnDeGrote. Zijn doop bewijst niet dat hij christen was geworden, maar er zijn meer aanwijzingen voor zijn persoonlijke overtuigingen.

    mainzerbeobachter.com/2024/03/

  24. Een van de meest duurzame gevolgen van de regering van #ConstantijnDeGrote was de verbouwing van #Constantinopel tot extra keizerlijke residentie. In #Istanbul zijn nog enkele gebouwen te zien.

    mainzerbeobachter.com/2024/03/

  25. De oorlog tegen zijn rivaal Licinius, die heerste in provincies met grote christelijke minderheden, bracht #ConstantijnDeGrote ertoe openlijker met het christendom te sympathiseren.

    mainzerbeobachter.com/2024/03/

  26. Keizer #ConstantijnDeGrote bekeerde zich niet tot het christendom. Aanvankelijk vereerde hij de zon en het was zijn collega Licinius die het beleid aanpaste. Constantijn werd daarna, als het ware, het christendom binnengezogen.

    mainzerbeobachter.com/2024/03/

  27. Over degenen die denken dat #ConstantijnDeGrote door een droom christen werd, schreef de Vlaamse historicus Danny Praet dat het fijn zou zijn als mensen een bron helemáál lazen. Ze zouden dan zien dat twee dromende keizers ongeloofwaardig is.

    mainzerbeobachter.com/2024/03/

  28. Het christogram, dat met #ConstantijnDeGrote populair werd, is van oorsprong geen christelijk symbool maar een teken uit de zonnecultus.

    mainzerbeobachter.com/2024/03/

  29. In de legende van #ConstantijnDeGrote zijn de slag bij de #MilvischeBrug, zijn visioen, zijn overgang naar het christendom en het einde van de vervolgingen verbonden geraakt. Ten onrechte. In 312 vereerde Constantijn vooral de zon.

    mainzerbeobachter.com/2024/03/

  30. Een van de bekendste misverstanden over de Oudheid is dat #ConstantijnDeGrote een einde zou hebben gemaakt aan de christenvervolgingen. Het was een beslissing van keizer Galerius.

    mainzerbeobachter.com/2024/03/

  31. In mijn reeks blogjes over #ConstantijnDeGrote ben ik aanbeland bij het cruciale moment: het visioen. Het was ergens in Gallië en het had niets te maken met een veldslag of met het christendom.

    mainzerbeobachter.com/2024/03/

    U leest meer in mijn boek #VisioenVanConstantijn.

  32. In 308 vond in Carnuntum (bij Wenen) een topconferentie plaats over het bestuur van het #RomeinseRijk. De grote verliezer was #ConstantijnDeGrote.

    mainzerbeobachter.com/2024/02/

    (Als u wil weten hoe het afloopt, kunt u ook mijn boek #VisioenVanConstantijn lezen.)

  33. In 306 kwam #ConstantijnDeGrote aan de macht. Dat leidde meteen tot een crisis in het bestuur van het #RomeinseRijk.

    mainzerbeobachter.com/2024/02/

    (Als u snel wil weten hoe het afloopt, kunt u ook mijn boek #VisioenVanConstantijn lezen.)

  34. Vandaag begin ik aan een reeks blogjes over de visioenen (meervoud) van #ConstantijnDeGrote. Hier is deel één. Als u snel wil weten hoe het afloopt, kunt u ook mijn boek #VisioenVanConstantijn lezen.

    mainzerbeobachter.com/2024/02/

  35. De vader van #ConstantijnDeGrote, keizer Constantius I Chlorus ("bleekneus") geldt niet als vervolger van de christenen. Maar hij was dat wel degelijk.

    mainzerbeobachter.com/2024/02/

Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.