home.social

#publius-ovidius-naso — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #publius-ovidius-naso, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Faits divers (58)

    Inscripties uit Taucheira

    Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer nogal wat vooral kleine berichtjes. Zoals altijd krijgt u géén garantie dat de zaken waarnaar ik verwijs representatief of belangrijk zijn, en krijgt u wél mijn hoogstpersoonlijke oordeel over the good, the bad, and the ugly.

    Indo-Europese paarden

    Op de mooie website Neerlandistiek bespreekt Marc van Oostendorp vanmorgen vroeg een boek over paarden in de Indo-Europese wereld. De auteur van dat boek oppert een andere betekenis voor het oerwoord voor dat edele dier: h₁ék̑u̯os zou niet “snel” maar “ongehoorzaam” betekenen. Dat is, afgezien van een parallel bij Homeros, niet zo vermeldenswaard, maar Van Oostendorps blogje is wel een prachtige samenvatting van wat Indo-Europeanistiek is.

    Lineair-A

    Er is weer eens iemand die beweert het Lineair-A (een schriftsoort gevonden op Kreta) te hebben ontcijferd, en die claim uit juli ben ik daarna nergens meer tegengekomen. Dat maakt wantrouwend, want als het echt iets was geweest, hadden we wel meer gehoord.

    Voor het goede begrip: er zijn onvoldoende tabletten om te controleren of een mogelijke oplossing correct is. Een onderzoeker baseert zich op een bepaald tekstcorpus, maar heeft controlemateriaal nodig, en momenteel zijn er simpelweg onvoldoende data om én een basis te hebben voor de ontcijfering én controlemateriaal. Je kunt de “code breken” maar niet weten of  je oplossing klopt. We zullen de ontcijfering nog wel meemaken, want het corpus groeit langzaam maar zeker, maar volgens mij is de huidige claim op z’n best een klein stapje, en verdiende die vooralsnog geen publiciteit.

    Taucheira

    Taucheira is een van de vijf Griekse steden in de Cyrenaïca, beroemd om z’n vele inscripties. Hier is een artikel dat ik met plezier heb gelezen. Niks wereldschokkends, gewoon leuk.

    Tongeren

    Vlak ten oosten van Tongeren ligt Berg, mogelijk de nederzetting die oorspronkelijk Atuatuca heette, en de plek waar Ambiorix het Veertiende Legioen van Julius Caesar heeft vernietigd. Bij Berg vindt nu archeologisch onderzoek plaats. Negeer de hijgerige kop; dit gaat verder dan opgraven en dataverwerving, want het is is een van de plekken waar de relatie tussen vondsten en teksten althans in potentie kan worden onderzocht, zodat oudheidkundigen het vak zélf verder kunnen brengen. En de ontwikkeling van een vakgebied, in dit geval de discussie over de relatie tussen twee soorten bewijsmateriaal, is een belangrijke aanwijzing voor de gezondheid van een discipline.

    Spanje

    De Romeinse verovering van het Iberische Schiereiland duurde twee eeuwen. Eigenlijk gek, want er viel goud en zilver te halen. De eindeloze lijsten die Titus Livius biedt, behoren tot de allersaaiste stukken uit een doorgaans toch alleszins lezenswaardig geschiedwerk. Er waren echter decennialang te weinig Romeinse troepen. Interessant is hierbij dat er vaak archeologische aanwijzingen zijn voor de campagnes; ik heb er geen verklaring voor waarom dat juist in Spanje zo vaak het geval is. Hier is een nieuw voorbeeld.

    Ovidius

    De Romeinse dichter Publius Ovidius Naso claimde in zijn gedichten dat keizer Augustus hem had verbannen naar Tomis aan de Zwarte Zee, tegenwoordig Constanța. De gedichten die hij daar zou hebben geschreven, passen echter niet helemaal bij wat we (denken te) weten over die havenstad, en daarom is wel geopperd dat het een literair spel was. De ballingschapspoëzie was natuurlijk ook veel leuker als heel Rome wist dat de dichter elke dag door de Via dei Condotti liep om in Caffè Greco z’n espressootje weg te komen tikken.

    Classica Sólveig Hilmarsdóttir wijst er nu op dat Ovidius’ gebruik van het Grieks, waar hij zich ooit regelmatig van bediende, terughoudender wordt, wat ze beschouwt als aanwijzing dat hij wel degelijk in ballingschap was: de man hoorde weliswaar de hele dag Grieks spreken, maar wilde het in Rome geaccepteerde Grieks schrijven, en dat ging niet meer.

    Romeins Germanië

    Men beweert wel dat de Romeinen na 274 na Chr. de Rijngrens voor een generatie opgaven. De Nederlandse archeoloog Stijn Heeren heeft daar terecht vraagtekens bij geplaatst. Ook in Duitsland is discussie over de Limesfall, en van een verondersteld verlaten fort staat nu vast dat er nog steeds mensen waren. Niet per se Romeinse soldaten, maar toch: het laatste hoofdstuk over de Romeinse limes is nog niet geschreven.

    Romeinse paarden

    Op de altijd leuke website van Aron Groot is een leuk blogje over de herkomst van het Nederlandse woord paard, afgeleid van paraveredus, waarin Griekse, Latijnse en Gallische elementen samenkomen.

    Nieuwe methoden

    Er gaat geen jaar voorbij zonder dat de archeologie zich verrijkt met een nieuwe laboratoriumtechniek. Zo kunnen archeologen nu aan de hand van de verhouding tussen twee isotopen een stuk hout dateren. Echt leuk om te lezen.

    Ook interessant: het gebruik van middeleeuws perkament om DNA te winnen, en dat dan gebruiken om de geschiedenis van een virus te reconstrueren.

    Wetenschapscommunicatie

    Een tijdje geleden maakte ik met Krijn Soeteman voor Scientias.nl een podcast over wetenschapscommunicatie en archeologie. Hij is lang, maar minstens één luisteraar vond ’m de moeite waard.

    Bedreigde oudheidkunde

    We hebben een museum nodig dat uitlegt wat archeologen doen, een archeologiemuseum, of liever: een oudheidkundemuseum. Als we immers niet uitleggen hoe oudheidkundigen weten wat ze weten, terwijl een kwart van de publieksvragen daarop betrekking heeft, dragen we zelf bij aan het beeld dat oudheidkunde geen wetenschap is. En onbekend maakt onbemind maakt kwetsbaar: universiteiten bezuinigen als eerste op onverdedigde vakgebieden en voor bezuinigende politici zijn archeologische musea onweerstaanbaar.

    Een tijdje geleden was het RMO slachtoffer van een ongemotiveerde bezuiniging en er wellicht kent u dit lijstje. Momenteel zijn de musea in Vlaanderen de klos, waaronder Velzeke. Goede musea krijgen dus de rekening gepresenteerd voor het ontbreken van een gemeenschappelijke visie op de wijze waarop we het publiek willen informeren, de publieksvragen willen beantwoorden, proactief desinformatie willen bestrijden en junk nieuws willen vermijden.

    Wellicht ben ik te pessimistisch, maar vaak denk ik: de archeologische musea moeten inmiddels noodplannen maken om de collecties bijeen te houden. Momenteel zijn die weliswaar beschermd, maar met hetzelfde gemak waarmee de wetgever het erfgoed beschermde, kan hij de bescherming aanpassen of opschorten. Het is niet ondenkbaar (want al gebeurd) dat op middellange termijn collecties geveild en dus verdeeld zullen worden. Zo ver is het in Vlaanderen overigens nog niet.

    Tot slot

    Op vrijdag 16 oktober verzorg ik in Naarden een lezing over Libanon, meer informatie daar. Maar u kunt mijn boek ook bestellen; de opbrengst is voor Cordaid.

    Ik organiseer volgend voorjaar een reis naar Bulgarije. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Deel dit: #Ambiorix #AronGroot #ballingschap #Berg #Constanța #Cyrenaïca #datering #DNAOnderzoek #FaitsDivers #IndoEuropeanistiek #isotopenonderzoek #LineairA #MarcVanOostendorp #paard #PubliusOvidiusNaso #RomeinseLimes #SólveigHilmarsdóttir #StijnHeeren #Taucheira #Tomis #Tongeren #XIVGemina
  2. Antieke voodoo

    Pop uit een voodoo-ritueel (Landesmuseum, Hannover)

    Wie kennismaakt met de klassieke wereld en religie, zal doorgaans eerst iets leren over de twaalf Olympische goden en hun mythen, en eventueel later met nog wat andere goden. Daar is niets mis mee; je moet ergens beginnen. Het is echter maar de vraag of de gemiddelde Griek of Romein het even belangrijk vond. Die Olympiërs, zou men hebben gedacht, dat waren staatsgoden, en op officiële feestdagen schoof je aan bij het feestmaal in de tempel, maar verder had je er niet mee te maken. Een Iberische boer die begon te zaaien, offerde aan de lokale vruchtbaarheidsgodin Ataegina en vroeg bij de oogst de zegen van een rabbijn – praktijken die nog in de christelijke tijd zijn gedocumenteerd.

    En verder waren er allerlei magische rituelen, waar de chique auteurs van onze geschreven bronnen de neus voor ophaalden, maar die een zeer substantieel deel vormden van het geheel van antieke geloofspraktijken. Over de loden vervloekingstabletten (zoals uit Tongeren) heb ik vaker geschreven, vandaag iets wat ik maar een voodoo-pop noem.

    Een beroemde, lange papyrus uit de derde of vierde eeuw na Chr.,noot Ook wel bekend als PGM 4, de vierde van de door Karl Preisendanz in 1929 uitgegeven Papyri Graecae Magicae (1929, 1973²). nu in de Bibliothèque Nationale in Parijs, geeft uitgebreide instructies over het maken van zo’n lemen poppetje, inclusief de namen en woorden die erop moeten worden geschreven. Met een draad waarin 365 knopen liggen, moet er een loden plaatje met een spreuk aan worden vastgebonden, en dat moet vervolgens worden begraven naast iemand die gewelddadig aan zijn einde is gekomen, waarbij je Abraxas aanriep. Het is verder zaak er bloemen bij te leggen.

    Zo’n voodoo-poppetje kon met naalden worden doorboord. Als je bijvoorbeeld wilde bereiken dat een vrouw van je hield, maakte je twee poppen, mannelijk en vrouwelijk. Bij de mannelijke sprak je een vloek uit terwijl je er dertien naalden in stak, zodat rivalen zich goed ellendig zouden voelen, terwijl je bij het vrouwelijke poppetje zei “ik steek je in [lichaamsdeel] opdat je daarmee alleen van mij zult zijn”. En dat dus bij dertien naalden.

    Zulke magie werkte geweldig! Althans, dat dacht men. Uit het feit dat hij impotent was, leidde de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso af dat iemand met naalden aan het werk was geweest.noot Ovidius, Amores 3.7.27-29. Een ander verhaal is dat van een zekere Theofilos, een visser die vreselijke pijnen had aan zijn handen en voeten, maar (volgens een legende) gelukkig de heiligen Cyrus en Johannes tegenkwam. Die droegen hem op om gewoon te gaan vissen, en in zijn netten vond hij vervolgens een kistje waarin een poppetje lag dat op hem leek, met vier spijkers door de handen en voeten. Toen die eenmaal verwijderd waren, was hij genezen.

    U begrijpt dat zulke effectieve religieuze gebruiken waanzinnig populair waren. Ik haalde de voorbeelden uit de Romeinse wereld, maar dit soort rituelen zijn bekend uit alle oude culturen. Het bovenstaande poppetje is gevonden in Beutow, niet ver van de Elbe, halverwege Hamburg en Maagdenburg. Welke Germaan hiermee iets hoopte te bereiken, en of ook hij Abraxas aanriep, zullen we wel nooit meer te weten komen, maar magische praktijken waren universeel.

    [Dit was het 554e voorwerp in de reeks museumstukken.]

    #Abraxas #magie #PubliusOvidiusNaso #voodoo
  3. Wat heet mooi? De teksten

    Een dichteres uit Pompeii, soms geïdentificeerd als Sapfo.

    Wat heb ik me op de hals gehaald, dacht ik, toen ik de ruim 230 mooie voorwerpen en tekstennoot Een tekst is natuurlijk ook een voorwerp, meer precies een werktuig, en nog preciezer een container (voor informatie). zag waarmee u reageerde op mijn oproep anderen met schoonheid te verrijken en te bevoordelen. U leverde teveel schoonheid voor één blogje, en sometimes there’s so much beauty in the world, I feel like I can’t take it. Ik begin met een lijst van mooie teksten, en heb op 10 september een blogje over architectuur, en wat daarna komt weet ik nu nog niet.

    Observatie vooraf: je zou hebben verwacht dat als mensen houden van een bepaalde cultuur en bijvoorbeeld sculptuur noemen, ze ook wel architectuur zouden noemen en teksten. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Soms kan ik verklaren waarom mensen die een bepaalde esthetiek waarderen die wel in de ene kunstcategorie kunnen benoemen maar niet in een andere. Keltische voorwerpen liggen in allerlei musea maar Keltische architectuur is feitelijk niet overgeleverd. Even vaak kan ik het verschil niet verklaren.

    Maar goed. Jalla, mes enfants, let’s go.

    Nabije Oosten

    Ik begin meteen met een verrassing: ik had niet verwacht dat het Indische Theyyam-ritueel zou worden genoemd, dat oeroude wortels schijnt te hebben. Een volgend oeroud item is de Hurritische hymne voor de godin Nikkal, de oudste wat langere melodie die is overgeleverd. De Nederlandse oudheidkundige Theo Krispijn heeft het muziekstuk weleens gespeeld. Ook genoemd: het Bijbelboek Prediker.

    Grieks

    Het kon niet missen dat van de Griekse teksten de poëzie van Homeros als eerste werd genoemd (“niet voor niets al ruim 2½ millennium een hit”). U noemde de Ilias, het verhaal over de wrok van Achilleus, drie keer, en ook de Odyssee, over de uitgestelde wraak van Odysseus, noemde u driemaal. De vroegste Griekse poëzie leverde ook het leerdicht op van Parmenides, waarin hij redeneert dat aangezien het zijnde is en het niet-zijnde niet is, verandering niet kan bestaan, een redenering waarmee hij feitelijk de hele westerse filosofie ontketende.

    Van het Atheense toneel werd Aischylos’ Smekelingen genoemd “vanwege het vooruitlopen op de twee verloren delen van de trilogie”. Uit het oeuvre van Sofokles selecteerde u de Oidipous en de Antigone. Euripides bleef onvermeld, al is hij natuurlijk wel het lijdend voorwerp van het toneelstuk van Aristofanes, De kikkers. “Ik heb meermaals luidop gelachen toen ik dit voor het eerst in vertaling las.”

    Verder de claim dat

    wie het priemgetallenbewijs van Eukleides niet noemt, de ware schoonheid nooit gezien heeft en niet begrijpt hoe anders dan spreektaal taal kan zijn.

    Dat is wel heel stellig, maar ik heb nog nooit iemand ontmoet die niet met plezier terugdacht aan de frappe waarmee de wiskundeleraar in de brugklasnoot Ik begrijp dat het inmiddels geen brugklasstof meer is. We doen onze kinderen zwaar tekort. het bewijs uitlegde. En nu ik toch persoonlijk commentaar geef: ik had Theokritos’ Tweede Idylle (“de tovenares”, over een meisje dat haar geliefde probeert terug te winnen) nooit gelezen en doe mijn voordeel van de goede raad. Het Seikiloslied is eveneens genoemd.

    Verder werden getipt: 1 Korintiërs 13, de lofzang op de liefde van de apostel Paulus en een evergreen bij bruiloften. Wie het noemde, is in gezelschap van de Cambridge-historicus G.E.M. de Ste Croix, die dit zelfs het allermooiste noemde dat hij ooit in het Grieks had gelezen. Nu we bij de Griekse literatuur van de keizertijd zijn, kan Lukas’ versie van het kerstverhaal niet ontbreken, die prachtige omkering van de keizerlijke propaganda.

    Uit de tweede eeuw na Chr.: Ploutarchos’ biografie van Julius Caesar, de poëzie van Julia Balbilla op de Memnonkolossen in Thebe en de Persoonlijke Notities van keizer Marcus Aurelius. De o zo menselijke correspondentie uit Oxyrhynchos is het jongste voorbeeld dat u noemde, en ik concludeer dat u niet houdt van de Griekse kerkvaders. (Van de Latijnse en Aramese vaderen ook niet, trouwens.)

    Latijn

    Iemand noemde het Latijn als taal en gaf enkele beklijvende voorbeelden uit de poëzie van Quintus Horatius Flaccus en Publius Vergilius Maro. Waarmee meteen de allerklassiekste klassieke Latijnse poëzie is vermeld. Lichtvoetiger is Publius Ovidius Naso’s beroemde Metamorfosen, dat driemaal werd genoemd, inclusief een mooie vertaling.

    Verder noemde u de toespraken van Cicero, zoals de eerste redevoering tegen Catilina, “omdat hij al in de eerste zinnen zijn tegenstander omver blaast en hem verder geen kans meer geeft”. Van Gaius Valerius Catullus noemde u de gedichten 5, 64 (de haarlok van Berenike), 85 en 101 (“omdat we onze tranen niet konden bedwingen”). Uit dezelfde generatie: het oeuvre van Marcus Terentius Varro en de Gallische Oorlog van Julius Caesar (“omdat ik als kind de vertaling stukgelezen heb” en “een meesterwerk in manipulatie”).

    Uit de tijd van keizer Augustus: “Titus Livius’ beschrijving van de opkomst van Rome vond ik indrukwekkend en uitermate boeiend geschreven”. Ik had niet verwacht dat iemand de interessante landbouwgeschriften van Lucius Junius Moderatus Columella zou noemen als iets dat ook mooi was, of de al even interessante graffiti uit Pompeii. Verrassend. Leuk!

    Uit de tweede eeuw noemde u de Historiën van Publius Cornelius Tacitus, met name de passage over de moord op keizer Galba, en Tacitus’ Annalen. Het jongste dat u noemde was de correspondentie uit Vindolanda. Ik had verwacht dat iemand wel Ausonius’ gedicht over de Moezel zou noemen of het christelijke Latijn. Ik voeg daarom het Te Deum toe. Let niet op de kitscherige kerkklokken die men rond 400 niet kende.noot Neutralere versies laten zich niet integreren in dit blogje.

    Tot zover voor vandaag. Veel plezier hiermee!

    #Aischylos #Aristofanes #Ausonius #Eukleides #GaiusValeriusCatullus #Homeros #Horatius #JuliaBalbilla #LuciusJuniusModeratusColumella #Lukas #MarcusAurelius #MarcusTerentiusVarro #Memnonkolossen #Oxyrhynchos #Parmenides #Ploutarchos #Prediker #PubliusCorneliusTacitus #PubliusOvidiusNaso #PubliusVergiliusMaro #schoonheid #Seikilos #Sofokles #TheoKrispijn #Theokritos #TitusLivius #Vindolanda
  4. Een metafoor voor het verleden

    Aristoteles (Huis van de Europese Geschiedenis, Brussel)

    Zonder Aristoteles zouden we geen debat hebben gehad over de val van het Romeinse Rijk, schreef ik geen blogjes over de Eerste Tussenperiode en hoefden we ook de Zeevolkencrisis niet te bediscussiëren. Hadden wetenschappers daarentegen wat meer Ovidius gelezen, dan was ons een hoop bespaard gebleven. Helaas is het niet zo en nou zitten we dus met de brokken.

    Groei, bloei en neergang

    De moeilijkheid is te illustreren aan de hand van een van Aristoteles’ bekendste werken, de Poëtika, waarvan het overgeleverde deel is gewijd aan tragedies. (Een slothoofdstuk over komedies ontbreekt.) De auteur beschrijft hoe het genre zich stap voor stap ontwikkelde, tot het zijn eindvorm bereikte. Aristoteles gebruikt dus een botanische metafoor: de tragedie groeide steeds meer naar wat de filosoof beschouwde als natuurlijk einddoel.

    Griekse en Romeinse auteurs gebruikten dezelfde metafoor als het ging om beeldende kunst. Die groeide en bloeide tot ze de klassieke vorm had bereikt. Uit de lucht gegrepen was deze wijze van beschrijven niet: denk maar aan de ontwikkeling van de archaïsche kouroi naar de klassieke beeldhouwkunst van de vijfde en vierde eeuw. Maar nu het probleem: als je eenmaal werkt met de organische metafoor van groei en bloei, dan is de volgende fase die van neergang. Cessavit ars, schrijft Plinius de Oudere, “de kunst hield op te bestaan”. Gelukkig – voor Plinius althans – volgde op de herfst en winter van de kunst weer een nieuwe lente, die kunsthistorici weleens aanduiden als neoclassicisme.

    De metafoor van groei, bloei en verval is hardnekkig gebleven. Laat-Romeinse historici gebruikten die voor Republiek, het vroege Keizerrijk en de periode die wij de Crisis van de Derde Eeuw noemen, zodat ze de vierde eeuw konden aanduiden als een nieuw begin. En de metafoor bleef het ook na de Oudheid goed doen. Het vijftiende-eeuwse idee van een “renaissance” veronderstelt een Romeinse bloeitijd, een middeleeuwse winter en een nieuw begin, letterlijk een wedergeboorte.

    En zo zijn latere geschiedkundigen in de val gelopen die Aristoteles ongewild had opengezet. Montesquieu en Gibbon schreven in de achttiende eeuw over een neergang van het Romeinse Rijk, hoewel de Romeinen de vierde eeuw zeker niet zo hebben ervaren. Toen de negentiende-eeuwse oudheidkundigen na de ontcijfering van de hiëroglyfen de geschiedenis van Egypte reconstrueerden, zagen ze af van het antieke beeld van een opeenvolging van een stuk of dertig dynastieën, maar onderscheidden ze bloeitijden (Oude Rijk, Middenrijk, Nieuwe Rijk) en eeuwen van verval (de Tussenperioden). Het einde van de Bronstijd werd opgevat als een enorme crisis, die de oudheidkundigen ophingen aan de migratie van de Zeevolken. Het is de verdienste van latere oudheidkundigen dat ze bewezen dat er in deze “vervaltijden” minstens zo veel continuïteit als verandering was.

    Structuur en continuïteit

    Begrijp me niet verkeerd: die veranderingen waren er wél. De “val” van Rome mag dan geen “val” zijn geweest, het zegt natuurlijk wel iets als je hoofdstad in een eeuw tijd driemaal wordt geplunderd en als er een demografische neergang is. En ik zou niet graag in twaalfde-eeuws Enkomi hebben gewoond. Er zijn natuurlijk volop dingen veranderd. Maar niet elke verandering kun je zomaar typeren als een neergang of een breuk. Ging het Hittietenrijk “ten onder” of was er sprake van decentralisatie?

    Ik denk dat we beter kunnen zeggen: alles verandert voortdurend. All is flux. Wie een andere metafoor zoekt, zou Ovidius’ Metamorfosen kunnen nemen: daarin is de hele schepping voortdurend aan het veranderen is. Maar je kunt natuurlijk ook gewoon het probleem verwoorden met het instrumentarium van de sociale wetenschappen: alles verandert, maar soms veranderen ook de structuren. Dat heet dan een breuk in de geschiedenis. Of een stroomversnelling, om een hydrologische metafoor te gebruiken.

    We zouden wat meer moeten kijken naar de wijze waarop we de continuïteit en discontinuïteit van een historische structuur vaststellen. En nu oudheidkundigen, na de “linguistic turn” in de sociale wetenschappen, anders moeten denken over het structuurbegrip, is daarvoor de situatie eigenlijk gunstiger dan ooit.

    Ouwe, dooie Griekse man

    En overigens: we zien hier dat het nadenken over een ouwe, dooie Griekse man zo nu en dan nuttig is. Het doet je begrijpen (hoop ik) welke mal je eigen denken gedachten helpt vormen. Anders gezegd, kennis van de Griekse cultuur helpt je zo nu en dan (en minder vaak dan oudheidkundigen claimen) doorgronden waarom je denkt zoals je denkt. En als je dat snapt, kun je je ervan losmaken en betere gedachten gaan formuleren. De geesteswetenschappen zijn best zinvol.

    [De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Edward Gibbon (1)

    juli 29, 2019
    De zeven regels van Johann Jakob Wettstein

    april 4, 2022
    Gevelstenen

    maart 20, 2016 Deel dit:

    #aristoteles #charlesDeMontesquieu #edwardGibbon #eersteTussenperiode #linguisticTurn #metafoor #pliniusDeOudere #publiusOvidiusNaso #structuur #valVanHetRomeinseRijk #zeevolken

  5. Romeinse vondsten uit de Waal

    Caesar met vondsten uit de Waal

    Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden bezit meer voorwerpen dan het kan exposeren. Tegelijk zijn er regionale musea die weleens iets anders willen tonen dan het gebruikelijke materiaal. Daarom is er een leuke en mijns inziens belangrijke reeks exposities Onder Ons, waarbij lokale musea het Leidse materiaal gebruiken. Ik heb al geblogd over de Vorst van Oss in Museum Jan Cunen in Oss, over de Etrusken in museum Wierdenland in Ezinge en over het laatantieke grafveld van Rhenen in het plaatselijke Stadsmuseum.

    De Etrusken in Ezinge niet te na gesproken is het belang dit: een historische bestelling begint plaatselijk; een kind ziet iets dat lokaal en herkenbaar is, maar ook anders; het ontwikkelt zo belangstelling voor het verleden. Door de voorwerpen te exposeren waar ze het meest aanzetten tot reflectie, gebruiken musea hun culturele waarde het best. De Vorst van Oss in Oss dus, en het laatantieke grafveld van Rhenen in Rhenen.

    Caesar aan de Waal

    En dus is momenteel ook de Nijmeegse Caesarbuste thuis in Nijmegen, in het mooie museum De Bastei. Onze kaalkop maakt deel uit van de Onder-ons-expositie “Romeinse Waalschatten”. Tussen alle moois in Leiden mist niemand het ding, terwijl het hier menig kind zal fascineren. Als ik Nijmegenaar was, vroeg ik het portret in permanente bruikleen.

    Hoewel ik dus blij ben dat Caesar is waar ’ie het meest inspireert, voel ik me ongemakkelijk bij de tentoonstelling. En dan bedoel ik niet dat elke student je inmiddels kan uitleggen waardoor titels met het woord “schat” erin zo schadelijk waren. Mijn ergernis betreft het negeren van de sleuteldoelgroep.

    De tweehoornige riviergod Rijn; reliëf uit Bonn

    Rhenus bicornis

    De sleuteldoelgroep bestaat uit mensen die je museale signaal kunnen versterken. Zij kunnen zeggen “die expositie over Bodi in Bonn, die is werkelijk informatief, daar moet je heen”. Gaat het om de Romeinse Oudheid, dan bestaat ze grosso modo uit twee overlappende groepen: mensen met een archeologische belangstelling en mensen die gymnasium deden. En helaas is het zo dat je je als lid van de eerste groep te kijk zet als incompetent in de ogen van de tweede groep wanneer je fouten maakt in de taal van de Romeinen.

    En het museum gaat volgens mij de mist in als het de Rhenus Bicornis erbij haalt, de “tweehoornige Rijn”, waarover ik al eens blogde. Het poëtische beeld is ontleend aan Italiaanse Romeinen als Vergilius en Ovidius.noot Vergilius, Aeneis 8.727; Ovidius, Tristia 4.2.40; vgl. EDCS-17700496. Geen Bataafse Romein zou de Rijn of de Rijngod echter systematisch aanduiden als “de tweehoornige Rijn”. Dat gebeurt op de tentoonstelling wel. Vergelijk het met een ander door Vergilius bedacht poëtisch beeld: zou er een Romein zijn geweest die de provincie Africa voortdurend aanduidde als Africa terra triumphis dives (“triomfrijk Africa”)? Of zou iemand de rivier de Tiber steeds Tiber Pater noemen, “vader Tiber”? Het museum presenteert een bijvoeglijk naamwoord als onlosmakelijk deel van een naam, en elke gymnasiast herkent dat dit raar Latijn is.

    En was het museum nou maar consequent. Lees echter even mee op de website, voor veel mensen de eerste kennismaking en de plek waar ze nog even dingen nazoeken. Meteen een fout.

    Voor het goede begrip: ik zeg niet dat het bovenstaande inhoudelijk belangrijk is – ik heb het over presentatie. De Bastei zet zich voor de halve sleuteldoelgroep neer als ondeskundig. De oplossing zou simpel zijn geweest: vraag een classicus. Die helpt je graag en snel. Ik appte voor dit blogje met een classicus en had antwoord in twee minuten.

    En dan is er nog iets dat me verbaasde. De Romeinen hadden er geen moeite mee Gallische woorden als Rhenus over te nemen, maar de Bataven hechtten aan hun Germaanse achtergrond. Kijk maar naar hun namen, die door de Romeinen werden weergegeven als Chariovalda, Imerix, Servofredus en Civilis: Legerleider, Krijgsheer, Gewapendebeschermer en Strijder. Toen de Bataven zich hadden gevestigd in de Betuwe, bleven ze “hun” rivier aanduiden met de Germaanse naam: Waal.noot Het is onduidelijk of *Wahal- “meanderend” of “voortstromend” betekent, maar het is zeker Germaans. Ik vermoed dat een antieke Nijmegenaar die de Bastei zou bezoeken, Vergilius’ tweehoornige Rijn er met de haren bijgesleept zou hebben gevonden.

    Amforen

    Sleuteldoelgroep

    Ik was niet de enige bezoeker die meer informatie wilde hebben. Als het museum bijvoorbeeld uitlegt dat er handel was op de Waal en daarom vijf puntgaaf bewaarde amforen neerzet, kan het toch méér vertellen dan “Amfoor | 19 voor tot 450 n.Chr.” en “de vorm vertelt ons iets over de inhoud en soms ook over de herkomst”. Hoe moeilijk is het om met de drie woorden “Olijfolieamfoor uit Andalusië” de wereld van interregionale handel te evoceren?

    Zo is er meer, waar de Bastei de sleuteldoelgroep onvoldoende bedient. En dat keert zich tegen het museum, want een sleuteldoelgroep kan ook het signaal “dit was slecht” versterken. Omdat ik dat niet wil, zal ik niet meer voorbeelden geven; daarvoor is Romeins Nijmegen, waar ik ooit bestuurswerk deed, me te dierbaar. Maar er zijn dus problemen.

    Oplossingen

    De eerste oorzaak is dat de Nederlandse archeologie, net als andere geesteswetenschappen, een intellectuele opdoffer heeft gehad door de studieduurbekorting van de jaren tachtig. En omdat de Nederlandse archeologen daardoor onvoldoende weten, zijn ze ervan overtuigd dat er niets méér is dat ze moeten weten – bijvoorbeeld dat je anderen om advies kunt vragen.

    Het tweede probleem is specifiek Nijmeegs: de gemeente heeft te veel verleden en te weinig geld. De kennis van zaken schiet regelmatig tekort, men is wat in zichzelf gekeerd en er gebeuren daar aan de Waal vaker rare dingen. Dat heeft zich ook hier gewroken.

    Is er een oplossing? Idealiter verwijdert het museum alle verwijzingen naar de tweehoornige Rijn, want die stoot de halve sleuteldoelgroep af. Ik vrees echter dat het voor die aanpassing te laat is. Maar overvraag ik als ik verzoek om uitgebreidere uitleg op de bordjes?

    En o ja: hou die Caesarbuste alsjeblieft waar hij hoort, in Nijmegen aan de Waal.

    [De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u een van mijn boeken kopen (en lezen), zoals Goden en halfgoden. Of ga mee op reis naar Tunesië! Of kom een cursus doen. Of doneer. U kunt deze blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #DeBastei #GermaanseTalen #Nijmegen #PubliusOvidiusNaso #PubliusVergiliusMaro #Rijn #sleuteldoelgroep #Waal

Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.