home.social

#eusebios-van-caesarea — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #eusebios-van-caesarea, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Bleef Paulus in Rome? (2)

    Paulus (Teseum, Tongeren)

    In het vorige blogje legde ik uit dat het archeologisch onderzoek onder de Sint-Paulus buiten de Muren niet hielp om vast te stellen of Paulus na zijn gevangenschap in Rome in die stad was gebleven. De traditie geeft echter een duidelijk antwoord: Paulus is onthoofd tijdens de vervolging door Nero, die plaatsvond na de grote brand van Rome. Die woedde in de zomer van 64 en afgaand op het verslag van Publius Cornelius Tacitus liet de keizer enkele christenen levend verbranden. De bevolking, voegt Tacitus toe, was verontwaardigd over deze onmenselijke straf. Er is geen vermelding van Paulus.

    Clemens en Ignatius: geen Rome, geen Nero

    De marteldood van Paulus is echter in een oude bron vermeld: de Eerste Brief van Clemens. Die dateert vermoedelijk uit de laatste jaren van de eerste eeuw, misschien een tikje later.

    Door jaloezie en afgunst werden de grootste en rechtvaardigste steunpilaren van de kerk vervolgd en vochten zij tot de dood toe. Laten we de goede apostelen voor ogen houden: Petrus, die vanwege onrechtvaardige jaloezie niet één of twee, maar vele beproevingen onderging, en nadat hij zo zijn getuigenis had afgelegd, naar de glorieuze plaats ging die hem toekwam. Door jaloezie en strijd wees Paulus de weg naar de prijs van volharding; zevenmaal zat hij in de boeien, hij werd verbannen, hij werd gestenigd, hij was een verkondiger zowel in het Oosten als in het Westen, hij verwierf de edele roem van zijn geloof, hij onderwees de hele wereld in gerechtigheid, en toen hij de grenzen van het Westen had bereikt, legde hij zijn getuigenis af voor de heersers, en zo verliet hij de wereld en werd hij opgenomen in de Heilige Plaats, het grootste voorbeeld van volharding.noot 1 Clemens 5.2-7.

    Deze christelijke auteur, één generatie na de gebeurtenis, kon het martelaarschap van Paulus dus bekend veronderstellen. Maar Clemens noemt noch Rome, noch Nero, en als je alleen de twee Bijbelteksten zou kennen die ik aanhaalde in de eerste alinea van het vorige blogje, zou je concluderen dat Paulus verder is gereisd naar Spanje en daar aan zijn einde gekomen.

    Iets jonger (vermoedelijk) is de Brief aan de Romeinen van Ignatius van Antiochië, die in Syrië gevangen is genomen en op transport is gezet naar Rome. De arrestant schrijft dat hij hoopt door de beesten te worden verscheurd en zegt verder dat hij zijn Romeinse penvrienden geen instructies zal geven, zoals Petrus en Paulus deden. De vergelijking impliceert dat de apostelen zijn gemarteld, en dat de ontvangers van de brief dat wisten. Het enige dat dus vaststaat is dat ten tijde van Domitianus en Trajanus bekend kon worden verondersteld dat Paulus gewelddadig ter dood was gebracht.

    Het begin van de traditie

    We moeten, als ik het goed zie, ongeveer driekwart eeuw wachten op de volgende aanwijzing: de tekst die bekendstaat als Handelingen van Paulus. Deze tekst is fragmentarisch bekend, maar het slot is overgeleverd en bevat voor het eerst de elementen die we herkennen uit de latere traditie: Paulus is in Rome, waar hij op last van Nero wordt onthoofd. De aanleiding is dat hij een hoveling uit de dood heeft opgewekt (het verhaal is een kopie van een incident genoemd in de Handelingen van de Apostelennoot Handelingen 20.9.) waarna Nero onderzoek instelt. Paulus legt uit dat de wereld door vuur zal worden verwoest (ekpyrosis), waarop Nero de apostel laat onthoofden en enkele christelijke soldaten laat verbranden. Sommige Romeinen protesteren. Daarna verschijnt Paulus nog eens aan Nero en diens hoffilosofen en ook aan enkele rouwende christenen.noot Handelingen van Paulus 10. Hier ontstaat dus de traditie, en over de datering weten we alleen dat deze tekst kort voor 200 is geschreven, aangezien Tertullianus de tekst, volgens hem recent gepubliceerd, veroordeelt.

    Even later, begin derde eeuw, is er een kort fragment van Gaius, dat wordt geciteerd in de Kerkgeschiedenis van Eusebios van Caesarea. Ik heb het al eens eerder vermeld:

    Ik kan je de trofeeën van de apostelen aanwijzen. Als je de moeite neemt de Vaticaanse Weg of de weg naar Ostia te nemen, zul je de trofeeën zien van degenen die de kerk stichtten.

    Dit is consistent met de locatie van de twee basilieken, de Sint-Pieter en de Sint-Paulus. Ik zie geen reden te betwijfelen dat Constantijn de Grote de kerken heeft laten bouwen op plaatsen die in de tweede eeuw al werden vereerd.

    Impasse

    Toen ik dit blogje begon te schrijven, ging ik ervan uit dat de interpretatie er een zou zijn zoals die rond Petrus in Rome: eigenlijk weten we alleen dat hij ter dood is gebracht, maar naarmate de tijd verstrijkt, worden de verhalen steeds preciezer. Mensen waren ontevreden met het weinige dat ze wisten en voegden steeds meer details toe. Die interpretatierichting maakt Petrus’ verblijf in Rome net zo verdacht als de steeds nauwkeurigere locatie van Tartessos en de groei van het sprookje van Archimedes’ brandspiegels. Ik vermoedde dat het met Paulus niet anders zou zijn: steeds meer details en de verdenking dat alles bedacht is door mensen die ontevreden waren over het weinige dat ze wél wisten. Zo werkt legendevorming nou eenmaal.

    Maar nu ik eens rustig kijk naar de Handelingen van Paulus, krijg ik toch een andere indruk. De auteur van die late bron lijkt onafhankelijk van Tacitus een herinnering te bewaren aan een gebeurtenis waarbij Nero enkele christenen liet verbranden en de stedelijke bevolking protesteerde. De auteur van de Handelingen van Paulus lijkt niets te weten van de stadsbrand en verklaart de vorm van de executies daarom vanuit Paulus’ aankondiging van een wereldbrand. We hebben, lijkt mij, minimaal een onafhankelijke traditie voor Nero’s executies.

    Dat maakt de opmerking dat ook Paulus toen om het leven kwam, misschien net een tikje plausibeler. Deze auteur wist blijkbaar iets over de gebeurtenissen van een eeuw daarvoor. Het is echter geen doorslaggevend bewijs voor Paulus’ dood in Rome.

    Pleit dit vóór de traditie, er pleit ook iets tegen. Het gebeente in de sarcofaag is te jong. Dat betekent dat er in de tweede eeuw geen herinnering was aan het feitelijke graf. Het kan dus zijn dat Paulus is gedood in Spanje, want 1 Clemens laat zich moeilijk anders lezen. Het kan echter óók zijn dat Clemens die westelijke dood vermeldde omdat hij had gelezen dat Paulus het voornemen had naar Spanje te reizen.

    De conclusie van deze twee blogjes is dus dat we niet kunnen aannemen dat Paulus ten tijde van Nero in Rome is gedood, maar dat we ook niet kunnen aannemen dat het niet zo was. Zoals zo vaak: we weten het niet.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Domitianus (3): Jeugd

    december 22, 2021
    Romeinse soldaten

    mei 19, 2012
    Het Aramees: de eerste wereldtaal

    april 14, 2021 Deel dit: #brandVanRome #ConstantijnDeGrote #EersteBriefVanClemens #ekpyrosis #EusebiosVanCaesarea #HandelingenVanPaulus #IgnatiusVanAntiochië #interpretatierichting #martelaarschap #Nero #Paulus #Petrus #PubliusCorneliusTacitus #Rome #SintPaulusBuitenDeMuren #Tertullianus
  2. Bleef Paulus in Rome? (2)

    Paulus (Teseum, Tongeren)

    In het vorige blogje legde ik uit dat het archeologisch onderzoek onder de Sint-Paulus buiten de Muren niet hielp om vast te stellen of Paulus na zijn gevangenschap in Rome in die stad was gebleven. De traditie geeft echter een duidelijk antwoord: Paulus is onthoofd tijdens de vervolging door Nero, die plaatsvond na de grote brand van Rome. Die woedde in de zomer van 64 en afgaand op het verslag van Publius Cornelius Tacitus liet de keizer enkele christenen levend verbranden. De bevolking, voegt Tacitus toe, was verontwaardigd over deze onmenselijke straf. Er is geen vermelding van Paulus.

    Clemens en Ignatius: geen Rome, geen Nero

    De marteldood van Paulus is echter in een oude bron vermeld: de Eerste Brief van Clemens. Die dateert vermoedelijk uit de laatste jaren van de eerste eeuw, misschien een tikje later.

    Door jaloezie en afgunst werden de grootste en rechtvaardigste steunpilaren van de kerk vervolgd en vochten zij tot de dood toe. Laten we de goede apostelen voor ogen houden: Petrus, die vanwege onrechtvaardige jaloezie niet één of twee, maar vele beproevingen onderging, en nadat hij zo zijn getuigenis had afgelegd, naar de glorieuze plaats ging die hem toekwam. Door jaloezie en strijd wees Paulus de weg naar de prijs van volharding; zevenmaal zat hij in de boeien, hij werd verbannen, hij werd gestenigd, hij was een verkondiger zowel in het Oosten als in het Westen, hij verwierf de edele roem van zijn geloof, hij onderwees de hele wereld in gerechtigheid, en toen hij de grenzen van het Westen had bereikt, legde hij zijn getuigenis af voor de heersers, en zo verliet hij de wereld en werd hij opgenomen in de Heilige Plaats, het grootste voorbeeld van volharding.noot 1 Clemens 5.2-7.

    Deze christelijke auteur, één generatie na de gebeurtenis, kon het martelaarschap van Paulus dus bekend veronderstellen. Maar Clemens noemt noch Rome, noch Nero, en als je alleen de twee Bijbelteksten zou kennen die ik aanhaalde in de eerste alinea van het vorige blogje, zou je concluderen dat Paulus verder is gereisd naar Spanje en daar aan zijn einde gekomen.

    Iets jonger (vermoedelijk) is de Brief aan de Romeinen van Ignatius van Antiochië, die in Syrië gevangen is genomen en op transport is gezet naar Rome. De arrestant schrijft dat hij hoopt door de beesten te worden verscheurd en zegt verder dat hij zijn Romeinse penvrienden geen instructies zal geven, zoals Petrus en Paulus deden. De vergelijking impliceert dat de apostelen zijn gemarteld, en dat de ontvangers van de brief dat wisten. Het enige dat dus vaststaat is dat ten tijde van Domitianus en Trajanus bekend kon worden verondersteld dat Paulus gewelddadig ter dood was gebracht.

    Het begin van de traditie

    We moeten, als ik het goed zie, ongeveer driekwart eeuw wachten op de volgende aanwijzing: de tekst die bekendstaat als Handelingen van Paulus. Deze tekst is fragmentarisch bekend, maar het slot is overgeleverd en bevat voor het eerst de elementen die we herkennen uit de latere traditie: Paulus is in Rome, waar hij op last van Nero wordt onthoofd. De aanleiding is dat hij een hoveling uit de dood heeft opgewekt (het verhaal is een kopie van een incident genoemd in de Handelingen van de Apostelennoot Handelingen 20.9.) waarna Nero onderzoek instelt. Paulus legt uit dat de wereld door vuur zal worden verwoest (ekpyrosis), waarop Nero de apostel laat onthoofden en enkele christelijke soldaten laat verbranden. Sommige Romeinen protesteren. Daarna verschijnt Paulus nog eens aan Nero en diens hoffilosofen en ook aan enkele rouwende christenen.noot Handelingen van Paulus 10. Hier ontstaat dus de traditie, en over de datering weten we alleen dat deze tekst kort voor 200 is geschreven, aangezien Tertullianus de tekst, volgens hem recent gepubliceerd, veroordeelt.

    Even later, begin derde eeuw, is er een kort fragment van Gaius, dat wordt geciteerd in de Kerkgeschiedenis van Eusebios van Caesarea. Ik heb het al eens eerder vermeld:

    Ik kan je de trofeeën van de apostelen aanwijzen. Als je de moeite neemt de Vaticaanse Weg of de weg naar Ostia te nemen, zul je de trofeeën zien van degenen die de kerk stichtten.

    Dit is consistent met de locatie van de twee basilieken, de Sint-Pieter en de Sint-Paulus. Ik zie geen reden te betwijfelen dat Constantijn de Grote de kerken heeft laten bouwen op plaatsen die in de tweede eeuw al werden vereerd.

    Impasse

    Toen ik dit blogje begon te schrijven, ging ik ervan uit dat de interpretatie er een zou zijn zoals die rond Petrus in Rome: eigenlijk weten we alleen dat hij ter dood is gebracht, maar naarmate de tijd verstrijkt, worden de verhalen steeds preciezer. Mensen waren ontevreden met het weinige dat ze wisten en voegden steeds meer details toe. Die interpretatierichting maakt Petrus’ verblijf in Rome net zo verdacht als de steeds nauwkeurigere locatie van Tartessos en de groei van het sprookje van Archimedes’ brandspiegels. Ik vermoedde dat het met Paulus niet anders zou zijn: steeds meer details en de verdenking dat alles bedacht is door mensen die ontevreden waren over het weinige dat ze wél wisten. Zo werkt legendevorming nou eenmaal.

    Maar nu ik eens rustig kijk naar de Handelingen van Paulus, krijg ik toch een andere indruk. De auteur van die late bron lijkt onafhankelijk van Tacitus een herinnering te bewaren aan een gebeurtenis waarbij Nero enkele christenen liet verbranden en de stedelijke bevolking protesteerde. De auteur van de Handelingen van Paulus lijkt niets te weten van de stadsbrand en verklaart de vorm van de executies daarom vanuit Paulus’ aankondiging van een wereldbrand. We hebben, lijkt mij, minimaal een onafhankelijke traditie voor Nero’s executies.

    Dat maakt de opmerking dat ook Paulus toen om het leven kwam, misschien net een tikje plausibeler. Deze auteur wist blijkbaar iets over de gebeurtenissen van een eeuw daarvoor. Het is echter geen doorslaggevend bewijs voor Paulus’ dood in Rome.

    Pleit dit vóór de traditie, er pleit ook iets tegen. Het gebeente in de sarcofaag is te jong. Dat betekent dat er in de tweede eeuw geen herinnering was aan het feitelijke graf. Het kan dus zijn dat Paulus is gedood in Spanje, want 1 Clemens laat zich moeilijk anders lezen. Het kan echter óók zijn dat Clemens die westelijke dood vermeldde omdat hij had gelezen dat Paulus het voornemen had naar Spanje te reizen.

    De conclusie van deze twee blogjes is dus dat we niet kunnen aannemen dat Paulus ten tijde van Nero in Rome is gedood, maar dat we ook niet kunnen aannemen dat het niet zo was. Zoals zo vaak: we weten het niet.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #brandVanRome #ConstantijnDeGrote #EersteBriefVanClemens #ekpyrosis #EusebiosVanCaesarea #HandelingenVanPaulus #IgnatiusVanAntiochië #interpretatierichting #martelaarschap #Nero #Paulus #Petrus #PubliusCorneliusTacitus #Rome #SintPaulusBuitenDeMuren #Tertullianus
  3. Petrus in Rome (2)

    Petrus krijgt van Christus de sleutels (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

    In het vorige blogje heb ik het literaire bewijs voor Petrus’ aanwezigheid in Rome uiteengezet. Het was ambigu. In dit blogje behandel ik het archeologische bewijs.

    In 1950 kondigde de paus aan dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in het geheim onder de Sint-Pietersbasiliek opgravingen waren verricht en dat een graf was gevonden dat wellicht van Petrus was geweest. Er waren bij dat graf ook botten gevonden, maar die waren op dat moment slechts oppervlakkig onderzocht. Dat de paus erover zweeg, was verstandig, want ze bleken afkomstig van twee mannen, een vrouw, een varken en een paard.

    Een rode muur

    Dit was echter niet het einde van het verhaal. Achter het graf hadden de opgravers een roodkleurige muur met een nis en een klein altaartje gevonden. Dit kon niet anders zijn dan het door Eusebios van Caesarea op gezag van Gaius genoemde tropaion. Op en rond die muur waren graffiti aangebracht die Petrus vermeldden. De opgravers haalden Margherita Guarducci erbij, een specialiste die al eerder de Wet van Gortyn had uitgegeven. Aan de hand van de graffiti concludeerde zij dat hier toch ergens het graf van Petrus moest zijn. Toen ze een van de arbeiders vroeg of er weleens botten bij die muur waren gevonden, antwoordde die van wel. Elke avond, als de opgravers naar huis gingen, was een Vaticaanse functionaris langs gekomen om de menselijke resten weg te nemen, aangezien die nou eenmaal netjes dienden te worden herbegraven.

    Guarducci wist deze botten te vinden en die bleken te behoren bij een man van ongeveer zestig. Het is denkbaar dat dit de resten zijn van iemand die ooit in het graf heeft gelegen, dat zeker ouder was dan die rode-muur-met-monumentje, aangezien het er onder ligt. De botten kunnen, zoals Guarducci opperde, op zeker moment zijn overgebracht vanuit het graf naar de nis in de muur; de aarde die tussen de botten is gevonden, correspondeert met die onder het oorspronkelijke graf. Dat is te dateren aan de hand van enkele naburige graven, die dezelfde oriëntatie hebben; in een daarvan is een olielampje en een dakpan gevonden uit de tijd van keizer Vespasianus (r.69-79).

    Kortom: de vondsten zijn consistent met de traditie. Dat het gaat om begravingen en niet om crematies, is niet beslissend voor het christelijke karakter, maar spreekt het ook niet tegen.

    We hebben alles bij elkaar:

    • Enkele simpele graven uit de tweede helft van de eerste eeuw, waaronder “het” graf, maar dat was zonder relevante menselijke resten;
    • Een daar overheen gebouwde rode muur met een monumentje en een nis, waarin botten zijn gevonden; deze muur lijkt te dateren uit het midden van de tweede eeuw, toen op de Vaticaanse heuvel nieuwe, meer monumentale graven kwamen;
    • Een derde-eeuwse steunmuur, die bewijst dat er toen mensen waren die nog zorg hadden voor deze plek;
    • De vierde-eeuwse basiliek van keizer Constantijn de Grote, gebouwd op een vrijwel onmogelijke helling, zodat kosten noch moeiten zijn gespaard om het gebouw precies op deze plek te plaatsen.

    De complicaties

    We weten dus met zekerheid dat de plaats ten tijde van Constantijn de Grote werd beschouwd als graf van Petrus. Wat mij betreft mag je terugrekenen naar het midden van de tweede eeuw, maar of die rode muur met nis (het tropaion) is opgericht op het echte graf van Petrus, en of de botten uit die nis echt van hem waren, dat is niet uit te maken. Er is immers geen manier om “Petrusheid” te meten. Als we nou wat DNA hadden van de leider van de vroege kerk, was dat anders.

    Een wezenlijker probleem is echter dat de opgraving gecompromitteerd is. Ze vond plaats in het geheim en de menselijke resten werden zonder afdoende wetenschappelijke documentatie verwijderd. Heel humaan natuurlijk: je gunt de doden een zo onverstoord mogelijke rust. Maar wetenschappelijk is dit rampzalig.

    Twee graven van Petrus

    En er is nog een gegeven. Rond het midden van de derde eeuw werd een Romeinse villa aan de Via Appia omgebouwd tot christelijke gebedsplaats. Een later door paus Damasus aangebrachte inscriptie vermeldt dat de apostelen Petrus en Paulus hier hadden verbleven en een andere inscriptie noemt dit het domus Petri, “het huis van Petrus”. De logische interpretatie is dat Petrus in de villa heeft gewoond, maar andere inscripties vermelden dodenmaaltijden (refrigeria). Dat suggereert dat deze plek, onder de huidige San Sebastiano, in de derde eeuw gold al het feitelijke graf van Petrus, en inderdaad vermeldt het vijfde-eeuwse Leven van Sebastianus dat deze heilige is begraven “bij de resten van Petrus en Paulus”.

    Al in de Late Oudheid is geprobeerd de twee tradities te harmoniseren: Petrus zou maar tijdelijk begraven zijn geweest aan de Via Appia. Ik zal die antieke speculaties verder negeren. Het punt is namelijk dat er in de derde eeuw blijkbaar nog een tweede plek was die gold als Petrus’ graf. (Dat kan hebben samengehangen met een kerkelijke ruzie, waarbij een Novatianus het gezag van paus Cornelius in twijfel trok.) Feit is: die tweede traditie kan alleen zijn ontstaan als in de derde eeuw het graf op de helling van de Vaticaanse heuvel niet al vanouds & onomstotelijk gold als de plek waar Petrus was begraven.

    Samenvattend: dat Petrus is geëxecuteerd is heel aannemelijk, dat dit is gebeurd in Rome is mogelijk, dat het ten tijde van Nero gebeurde valt te overwegen, en dat zijn graf onder de Sint-Pietersbasiliek ligt is denkbaar. Maar zekerheid zullen we er nooit meer over krijgen.

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Paestum

    december 16, 2023
    Circus Maximus (3)

    juli 5, 2023
    Brokerless kingdom

    januari 30, 2022 Deel dit: #Antiochië #ConstantijnDeGrote #Damasus #EusebiosVanCaesarea #graffiti #HandelingenVanPetrus #MargheritaGuarducci #NieuweTestament #Petrus #Rome #SintPietersbasiliek #ViaAppia
  4. De Kerkgeschiedenis van Eusebios

    Het Concilie van Nikaia (negende-eeuws manuscript uit Vercelli)

    De Kerkgeschiedenis van Eusebios van Caesarea is om verschillende redenen een interessante tekst. Om te beginnen natuurlijk om dat wat de auteur betoogt: dat het christendom weliswaar van diverse kanten wordt bedreigd maar dat de bisschoppen de gelovigen in het rechte, orthodoxe spoor houden. Die gedachte is eigenlijk best opmerkelijk, want de meeste Romeinen waren niet van mening dat er, in religieuze zin, zoiets bestond als orthodoxie. Zolang de offers maar op de juiste manier werden gebracht, was alles dik in orde.

    Van proto-orthodox naar orthodox

    Voor de christenen lag dat anders: in de eerste drie eeuwen van dit geloof waren er allerlei christelijke opvattingen, en langzaam maar zeker zette de opvatting door dat wie Christus vereerde niet ook andere goden mocht vereren. De aanhangers van deze opvatting staan bekend als proto-orthodoxe of exclusivistische christenen. Tijdens het door keizer Constantijn de Grote voorgezeten Eerste Concilie van Nikaia (325) werd deze visie normatief. Tegelijk werd bepaald dat er maar één orthodoxe manier was om over Christus te denken: de tweenaturenleer.

    In het decennium voor het concilie schreef Eusebios de Kerkgeschiedenis, waarin hij het bestaan van een orthodoxie veronderstelde. Hij doet dat door alles wat van de ware leer afweek, te presenteren als dwaalleer of dwaasheid. Tevens benadrukt hij, zoals gezegd, het belang van de bisschoppen als hoeders van de orthodoxie. Zowel ketterijen als vervolgingen hebben zijns inziens te maken met mensen die niet luisterden naar hun bisschop, of bisschoppen die tekortschoten in hun herderlijke taak.

    Joodse invloeden

    Dit is overigens een idee dat we ook in de toenmalige joodse literatuur aantreffen. Als er iets mis ging, had dat te maken met tekortschietend rabbijns toezicht. Een andere overeenkomst tussen Eusebios’ boek en het toenmalige joodse denken is het idee van de “apostolische successie”: een bisschop weet wat hij moet doen omdat hij het leerde van zijn voorganger, die het weer wist van zijn voorganger, die het weer had van een eerdere generatie, en zo terug, dieper en dieper, naar de apostelen en Christus. Eusebios biedt in zijn Kerkgeschiedenis dus diverse lijsten van bisschoppen. Bij wijze van voorbeeld noem ik de bisschoppen van Jeruzalem:

    De eerste was Jakobus, die de “broeder van de Heer” werd genoemd. Na hem kwam als tweede Simeon. De derde was Justus. De vierde Zaccheüs, de vijfde Tobias, de zesde Benjamin, de zevende Johannes, de achtste Matteüs, de negende Filippos, de tiende Seneca, de elfde Justus, de twaalfde Levi, de dertiende Efres, de veertiende Jozef, en tot slot was Judas de vijftiende. Dit waren de bisschoppen van Jeruzalem vanaf de tijd van de apostelen.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 4.5.3-5.

    We vinden ditzelfde idee van opvolging/inwerking ook terug in het indrukwekkende Mishna-traktaat Aboth, waarin het leergezag op identieke wijze wordt overgedragen: van Mozes naar Jozua en dan via via naar de farizeeën en de rabbijnen.

    Documenten

    Een andere reden waarom de Kerkgeschiedenis van Eusebios zo boeiend is, is zijn systematische gebruik van documenten. Opnieuw een joodse gewoonte: al in het Bijbelboek Ezra-Nehemia worden brieven geciteerd. Dat is niet heel anders dan in de Griekse redevoeringen van diezelfde tijd, waarin sprekers hun betoog nogal eens onderbreken door voor te lezen wat er in deze of gene wet staat. Citaten zijn dan dus autoriteitsclaims.

    Dit gebruik uit de rechtspraak heeft in de Griekse geschiedschrijving weinig navolging gevonden. Een geciteerd document is immers een stijlbreuk en Griekse (en Romeinse) auteurs parafraseerden liever. En als ze al documenten citeerden, moeten wij er rekening mee houden dat die zijn verzonnen, zoals de toenmalige geschiedschrijvers ook nogal wat toespraken verzonnen. Het citeren van een valse bron duidt niet per se kwaadwillendheid; auteurs kunnen natuurlijk ook naïef zijn, zoals hedendaagse rectoren en journalisten die fictieve citaten ontlenen aan artificiële intelligentie.

    Dit alles roept de vraag op hoe authentiek Eusebios’ documenten zijn – en dus hoe betrouwbaar zijn Kerkgeschiedenis is. Hij citeert dus bisschopslijsten die teruggaan tot op de apostelen, maar we hebben het zeer sterke vermoeden dat het bisschopsambt eigenlijk pas in de tweede eeuw is gegroeid. Dat wil niet per se zeggen dat de informatie onwaar is, want ook zonder de titel “bisschop” kunnen er leiders zijn geweest, maar het dwingt wel tot nadenken. Van de andere kant: waar we Eusebios kunnen controleren, zoals wanneer hij Flavius Josephus aanhaalt, is hij vrij correct. Een door hem geciteerde brief waarover twijfel heeft bestaan, is later als papyrus teruggevonden.

    Ik ben dus al met al geneigd tot in dubio pro Eusebio. In elk geval kon hij in Caesarea beschikken over een goede bibliotheek, waar hij de geciteerde documenten inderdaad zou kunnen vinden. Tegelijk: daar kon hij ook teksten vinden van auteurs wier opvattingen hij, levend in de vierde eeuw, niet deelde. Die citeert hij dus niet. Hij citeert alleen wat hem te pas komt en vervalst het verleden door dingen weg te laten. De confirmation bias dus.

    Invloed

    Eusebios’ verslag loopt tot het moment waarop Constantijn alleenheerser is. Een kleine eeuw later kreeg hij opvolgers met twee nieuwe kerkhistorici: Sokrates en Sozomenos. Zij vervolgden het verhaal tot in de vijfde eeuw. Rufinus deed iets soortgelijks: hij vertaalde Eusebios in het Latijn en voegde twee boeken toe. Zij schreven elk een vervolg op Eusebios’ Kerkgeschiedenis. Zoiets heet een continuatie en zo’n auteur – u raadt het nooit – heet een continuator. Die continuaties kregen ook weer continuaties, en daarop volgden de excerpten. Dat is zeker duizend jaar zo doorgegaan.

    En daarmee bleef Eusebios’ Kerkgeschiedenis, die een heel selectief beeld gaf van de eerste drie eeuwen van het christendom, lange tijd de standaard. Het is nog steeds lastig ervan los te komen, en mede daarom zijn gnostische teksten als die uit Nag Hammadi zo vreselijk belangrijk.

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Laatantiek Andalusië

    oktober 3, 2024
    Verdeeld en herenigd China

    mei 3, 2025
    Eutropius (6): De feiten ordenen

    september 25, 2019 Deel dit: #Aboth #apostolischeSuccessie #confirmationBias #ConstantijnDeGrote #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #exclusivistischeChristenen #Kerkgeschiedenis #orthodoxie #protoOrthodoxie #Rufinus #SokratesKerkhistoricus #Sozomenos
  5. Pontius Pilatus (6) Besluit

    Kopie van de inscriptie van Pontius Pilatus uit Caesarea.

    [Dit is het laatste van zes blogjes over Pontius Pilatus. Het eerste was hier.]

    Prefect

    Ik heb in de vorige vijf blogjes verteld dat de evangelisten, Filon van Alexandrië en Flavius Josephus de voornaamste bronnen zijn voor de loopbaan van Pontius Pilatus. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus noemt de man ook een keer, en typeert hem als procurator. Hij was feitelijk prefect. Dat weten we uit bovenstaande inscriptie, gevonden in 1961 in Caesarea Maritima, de residentie van de gouverneur van Judea. Ik heb er al eens over geblogd.

    De ene helft van de steen is beschadigd, maar we kunnen de andere helft lezen:

    . . . . S TIBERIEUM
    . . [Po]NTIUS PILATUS
    [praefe]CTUS IUDA[ea]E
    [ref]ECI[it]

    Dit betekent dat Pontius Pilatus, de prefect van Judea, iets heeft hersteld dat Tiberieum heette. Wat dat zou moeten zijn geweest, is vooralsnog onbekend, maar het is aannemelijk dat het een tempel was ter ere van keizer Tiberius.

    Vroegchristelijke bronnen

    En dan is er de vroegchristelijke literatuur. De auteur Tertullianus beweert in zijn Apologeticum dat Pontius Pilatus in zijn hart eigenlijk een christen was geweest. De kerkhistoricus Eusebios van Caesarea “weet” dat Pilatus zelfmoord pleegde uit berouw over de executie van Jezus.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 2.7.1. Augustinus, de invloedrijke bisschop van Hippo, rangschikt Pilatus in een van zijn preken onder de profeten.noot Preek 201.

    Het zogenaamde graf van Pilatus in Vienne

    Nog latere bronnen beweren dat Pilatus is verbannen naar Gallië, waar men in Vienne zelfs een graf aanwijst. In het gebied van de westelijke Alpen was in de Middeleeuwen een soort verering van de Romeinse magistraat, zodat we ook een berg kennen die Pilatus heet.

    In de Dom van Spiers heeft Pilatus de trekken van Napoleon

    Zo zijn er meer legendes. Die bevatten geen van alle informatie die relevant is voor de reconstructie van Pilatus’ leven. Ze documenteren vooral hoe christelijke schrijvers de Romeinse gezagdrager benutten als getuige dat de christenen geen gekruisigde crimineel aanbaden. Pilatus’ aarzeling, ooit, in Jeruzalem, moest bewijzen dat christenen geen bedreiging vormden voor de Romeinse samenleving.

    De Handelingen van Pilatus

    Ten slotte is er de tekst die bekendstaat als de Handelingen van Pilatus, een soort verslag van de dood van Jezus, waarin Pontius Pilatus sympathie betoont voor degenen die niet willen dat Jezus wordt gekruisigd. De tekst dateert uit de Late Oudheid, vermoedelijk de vijfde eeuw. Maar er is iets raars mee aan de hand: ze wordt geciteerd in de tweede eeuw. De christelijke auteur Justinus de Martelaar verwijst er tweemaal naar in zijn Eerste Apologie. Hij vertelt dat Pilatus in zijn Handelingen bevestigt dat soldaten hebben gedobbeld om Jezus’ kleed en dat Jezus de lammen had doen lopen, de stommen had doen spreken, de blinden had laten zien, de melaatsen had genezen en de doden had laten herleven.

    De genoemde wonderen behoren tot het antieke standaardrepertoire – ook keizer Vespasianus zou een lamme hebben laten lopen en een blinde hebben laten zien. Ik zou vreemd opkijken als de door Justinus aangehaalde tekst werkelijk het rapport was dat een zelfingenomen Pontius Pilatus naar keizer Tiberius heeft verzonden. Zo’n brief is er vast en zeker geweest, en daarin kan heus hebben gestaan dat aan de “koning der Joden” wonderbaarlijke genezingen werden toegeschreven, maar het is moeilijk voorstelbaar dat Justinus dat ambtsbericht in de Romeinse rijksarchieven zou hebben weten terug te vinden. Maar hij kan een oerversie van de vijfde-eeuwse Handelingen van Pilatus hebben gelezen, en dan hebben we een mooie aanwijzing voor het ontstaan van de christelijke literatuur – meer precies, voor een heel vroege christelijke briefroman.

    Tot slot

    Pontius Pilatus is een mooi voorbeeld van wat we eigenlijk weten over de Oudheid. Als hij niet iemand had laten kruisigen die later door honderden miljoenen als een godheid zou worden vereerd, zou hij volstrekt vergeten zijn. Voor de lezers van Filon van Alexandrië en Flavius Josephus was hij een Romeinse bestuurder waarvan er dertien gingen in een Romeins dozijn, met een aantal historiografische complicaties (mandaat? speelruimte?) waarvan er ook dertien gaan in een oudheidkundig dozijn.

    Combineer de vooringenomenheid van de bronnen met het betrekkelijke toeval waarmee die bronnen tot ons zijn gekomen. De conclusie moet zijn: de informatie die we hebben over de Oudheid is nogal willekeurig. We weten simpelweg niet of we documentatie hebben over de belangrijkste gebeurtenissen, personen en ideeën.

    Dit probleem staat bekend als de positivistische misvatting: het idee dat je er als geschiedkundige wel bent als je een verhaal baseert op bronnen. Maar dat is naïef positivisme. De impliciete aanname is dat de tot ons gekomen bronnen niet alleen representatief zijn, maar ook onbevooroordeeld. En zo is het dus niet. Voor elke Pilatus zijn tientallen bestuurders die niet van de vergetelheid zijn gered door een opvallend doodvonnis.

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Hercules van Magusa?

    juli 17, 2025
    Slavernij

    juli 12, 2018
    Vijf broden, twee vissen

    januari 18, 2026 Deel dit: #Augustinus #CaesareaMaritima #EusebiosVanCaesarea #inscriptie #Judea #JustinusDeMartelaar #naïefPositivisme #PontiusPilatus #positivistischeMisvatting #prefect #procurator #Tertullianus #Vienne
  6. Het Ware Kruis (1)

    Helena (Capitolijnse Musea, Rome)

    In het jaar 326 bezocht Helena, de moeder van Constantijn de Grote, het Heilig Land. Haar zoon had haar kort daarvoor de rang van augusta gegeven, wat je zou kunnen vertalen als “keizerin”, al betekent het niet dat ze beleid kon maken, uitvoeren of controleren. Ze had echter wél toegang tot de keizerlijke schatkist en kon daardoor het initiatief nemen tot bouwprojecten. In Betlehem legde ze de eerste steen voor de Geboortekerk, in Jeruzalem voor een kerk op de Olijfberg. Een van de aanwezigen was bisschop Eusebios van Caesarea, die enkele jaren later in zijn Leven van Constantijn verslag deed van het bezoek en de werkzaamheden.noot Eusebios, Leven van Constantijn 3.41-42.

    Kruisvinding

    Wat hij daarbij niet vermeldt, is dat Helena bij die gelegenheid het Ware Kruis zou hebben gevonden: het kruis waaraan Jezus dood zou zijn gemarteld. Christenen hebben de vondst eeuwenlang herdacht met het feest van de Kruisvinding.

    Een latere legende vertelt dat Helena op de plek van de Grafbasiliek niet minder dan drie kruisen zou hebben gevonden en had vastgesteld welk het echte was, door het houtwerk te gebruiken om een zieke mee aan te raken. Bij het Ware Kruis genas deze in een handomdraai. De keizerin nam dat kruis mee naar Rome, waar het nog eeuwenlang vereerd zou worden in een kerk die was ingericht in een voormalig keizerlijk paleis, de kerk van Santa Croce in Gerusalemme.

    De kapel bestaat nog steeds en u vindt er ook het bordje met het opschrift “Jezus van Nazaret, koning der Joden”, de spijkers waarmee Jezus werd vastgenageld aan het hout, doornen van de doornenkroon, een stukje van de paal waaraan Jezus was vastgebonden bij de geseling, de dwarsbalk van het kruis van de goede moordenaar, een vinger van de ongelovige Thomas en – de laatste keer dat ik er was – een bisschoppelijk goedgekeurde expositie die betoogde dat de Lijkwade van Turijn echt authentiek was en dat wetenschappers met hun koolstofdateringen er niks van begrijpen. Getuige het beledigende mailtje dat ik vorige week ontving zijn er nog steeds mensen die niet willen begrijpen wat wetenschap is.

    De kapel in de Santa Croce, Rome

    Vroege kruisverering

    De legende zijn pas later ontstaan en de vraag dringt zich op waar ze vandaan komt. Eén ding is zeker: Eusebios weet van niets, terwijl hij een ontdekking als deze, als hij er bij was geweest, zeker niet onvermeld zou hebben gelaten. Maar er circuleerden al verhalen over het kruis. Het tweede-eeuwse, apocriefe Evangelie van Petrus bevat bijvoorbeeld een exuberante beschrijving van Jezus’ opstanding, waarbij – ik verzin het ook niet – het kruis sprekend wordt opgevoerd.

    Deze tekst illustreert dat er mensen waren die het kruis beschouwden als een belangrijk onderdeel van hun geloof. Een inscriptie uit de omgeving van het Algerijnse Sétif documenteert de verering van “hout van het kruis uit het Beloofde Land” in het jaar 359.noot EDCS-70200001.. Je zou je kunnen voorstellen dat geestelijken die wilden benadrukken dat Christus weliswaar goddelijk was maar ook echt als mens had geleden, lichamelijk dus, als eersten het materiële aspect van de kruisiging hebben benadrukt. Er was in elk geval voldaan aan de voorwaarden om relikwieën van het kruis te gaan vereren.

    De eerste zekere vermelding van de verering van het kruishout in Jeruzalem is te vinden bij Egeria, een voorname pelgrim die Jeruzalem bezocht rond het jaar 383. Ze vertelt:

    Dan wordt een zetel voor de bisschop neergezet, achter het kruisbeeld dat daar nu staat. De bisschop neemt plaats op de zetel; een tafel met een linnen kleed wordt voor hem neergezet en rondom de tafel staan dia­kens. Dan brengt men een verguld zilveren kistje met daarin het heilige hout van het kruis: het wordt geopend en men haalt het eruit en het wordt op de tafel gezet, zowel het hout van het kruis als het opschrift.

    Zodra dat op tafel is gezet, houdt de bisschop met beide handen, zittend, de uiteinden van het heilig hout vast, terwijl de rondom staande diakens het bewaken. De reden van die bewaking is deze: het is gewoonte dat men een voor een naar voren komt, heel het volk, zowel gelovigen als doopleerlin­gen, en voorover buigt naar de tafel, het heilig hout kust en dan verder loopt; maar ooit, ik weet niet wanneer, heeft iemand naar men zegt erin gebeten en een stukje van het heilig hout gestolen. Daarom wordt het nu door de rond­om staande diakens bewaakt, zodat niemand die naar voren komt dat nog eens durft te doen.noot Egeria, Reisverslag 37; vert. Vincent Hunink.

    Uit de daarop volgende jaren zijn meer verslagen, waarin we de legende beginnen te herkennen. Misschien is er overigens een vermelding vóór Egeria. Kyrillos, die tussen 350 en 386 bisschop was van Jeruzalem, noemt dat in de Grafbasiliek Golgotha werd vereerd en dat “de hele wereld is gevuld met stukken kruishout”.noot Kyrillos van Jeruzalem, Mystagogische Katechese 4.10 en 13.4. Hoewel hij niet expliciet zegt dat ook in Jeruzalem het kruis werd vereerd, lijkt het er wel op. Het probleem is dat de datering van deze tekst niet helemaal duidelijk is. Steeds meer onderzoekers plaatsen ze tegen het einde van Kyrillos’ leven of nemen aan dat de teksten niet door hemzelf zijn geschreven.

    Constantijn en Helena (Madaba)

    Dit lijkt zeker: er circuleerden al vroeg verhalen over het kruis; relieken werden al vroeg overal vereerd; na 380 is er documentatie voor verering van het kruis in Jeruzalem. Je zou zeggen: het begon met de verering van crucifixen, waaruit in het derde kwart van de vierde eeuw de verering van het Ware Kruis in Jeruzalem is ontstaan, samen met de kiemen van een legende dat dit stuk hout door Helena was gevonden tijdens de regering van Constantijn.

    [Wordt vervolgd]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    XIII Gemina (2)

    maart 13, 2024
    Heidendom in de Late Oudheid

    juni 28, 2016
    Paideia

    oktober 26, 2023 Deel dit:

    #ConstantijnDeGrote #Egeria #EusebiosVanCaesarea #EvangelieVanPetrus #Golgotha #Grafbasiliek #HelenaKeizerin_ #Jeruzalem #koolstofdatering #Kruisvinding #KyrillosVanJeruzalem #LijkwadeVanTurijn #Sétif #WareKruis

  7. 1700 jaar Nikaia (3): het concilie begint

    Constantijn (let op het embleem op de helm; Staatliche Münzsammlung, München)

    Het is vandaag 1700 jaar geleden dat in Nikaia, het huidige İznik in Turkije, de grote kerkelijke vergadering begon die bekendstaat als het Eerste Oecumenische Concilie. Nu zou het zomaar eens kunnen zijn dat u nog nooit een oecumenisch concilie hebt bijgewoond, dus leek het me zinvol eens te vertellen wat er zoal gebeurde. Hoewel de handelingen (actae) verloren zijn gegaan en we dus geen primaire bron hebben, zijn er redelijk wat secundaire bronnen, waarover ik later nog zal bloggen.

    Voorbereidingen

    Uiteraard werden eerst uitnodigingen verstuurd. Toevallig is een zo’n uitnodiging overgeleverd in een in de vijfde eeuw door een Armeense geleerde aangelegde verzameling. Het was Constantijn (en niemand anders) die de bisschoppen uitnodigingde, en uitlegde dat de locatie in Nikaia was gekozen omdat de stad voor Italische bisschoppen makkelijk bereikbaar was, omdat er een gunstig klimaat was en omdat hij zelf ook van plan was vanuit Constantinopel langs te komen. De genodigden – zoals gezegd: niet iedereen die zich christen noemde – ontvingen behalve reisvouchers ook de agenda. Die is verloren, maar Eusebios van Caesarea vermeldt dat er reden was om te overleggen over de relatie tussen God de Vader en God de Zoon, over bisschoppen die (zoals Meletios van Lykopolis) hun autonomie wilden handhaven en over de kwestie van de paasdatum.

    Vanuit het perspectief van de christenen, traditioneel geleid door autonome bisschoppen, was het, zoals gezegd, wat dubieus dat het concilie zich bevoegd achtte algemeen geldende regels op te stellen. De keizer had, als hoofd van de staatsgodsdienst, dit recht wel. Hij diende zichzelf echter niet aan als pontifex maximus, “hoogste priester”, zijn titel als hoofd van de staatsgodsdienst. In plaats daarvan benutte hij de meer christelijke titel episkopos. Dat woord betekent doorgaans bisschop, maar de oorspronkelijke betekenis was die van opzichter en het lijkt erop dat Constantijn dat heeft bedoeld. Dat hij zich echter met een voor christenen herkenbare titel presenteerde, suggereert een persoonlijke betrokkenheid.

    Evengoed was het uniek dat de keizer ingreep in christelijke aangelegenheden. Om de pil te vergulden, werden christelijke aanwezigen herinnerd aan een precedent: de vergadering in Jeruzalem die staat genoemd in de Handelingen van de apostelen. De apostelen hadden daar hun beslissing genomen “in overeenstemming met de heilige Geest”,noot Handelingen 15.28. en dat zou ook in Nikaia gelden: het mocht dan een keizerlijke ingreep zijn, aangezien er consensus groeide, was evident dat Gods zegen er desondanks op rustte. De Oostenrijkse oudheidkundige Günter Stemberger heeft erop gewezen dat de bevoegdheden van het Concilie van Nikaia feitelijk waren geïnspireerd door het joodse Sanhedrin.

    20 mei 337

    Op 20 mei begonnen in het paleis van Nikaia, zes eeuwen eerder gebouwd door koning Nikomedes I van Bithynië, de voorbereidende besprekingen. Er waren gasten uit de hele wereld, dus niet alleen het Romeinse Rijk: ook uit Mesopotamië en Armenië kwamen bisschoppen.We weten niet precies hoeveel aanwezigen er waren: Eusebios stelt dat het er “meer dan 250” waren, andere auteurs noemen 270, “bijna 300” en zelfs 318. De diverse handschriften van het Synodikon, de lijst van deelnemers, bevatten tussen de 200 en 220 namen.

    De bisschop van Rome, Sylvester I, liet zich vertegenwoordigen door twee priesters. De verklaring is dat de paus al oud was, maar er speelt mogelijk meer: de bisschop van Rome claimde destijds al de eerste onder gelijke bisschoppen te zijn, en zou later het recht opeisen de beslissingen van elke kerkelijke vergadering te mogen bekrachtigen. Het kan zijn dat dit ook Sylvesters positie al was: hij liet anderen debatteren en zei dan na afloop ja of nee. Dataschaarste zijnde dataschaarste valt dit niet precies te weten. Overigens erkende het Concilie van Nikaia het gezag van de bisschop van Rome over alle provincies – niet gering.

    Constantijn in Nikaia

    Drie dagen na het begin van de voorbesprekingen arriveerde Constantijn zelf – met alle op effect gerichte fanfare waarmee een antieke vorst zijn onderdanen kon overdonderen. Denk aan trompetgeschal en een presentatie die hem, aldus Eusebios, “deed lijken op hemelse gezant van God”. Het is wonderbaar dat de auteurs van onze bronnen deze epifanie opvatten als uiting van bescheidenheid. Het curieuze argument is dat de keizer al op zijn troon zat als de gasten binnenkwamen, en dat het dit keer de bisschoppen waren die al zaten.

    Nu is de keizerlijke aanwezigheid misschien aanleiding tot vragen. In christelijke bronnen staat Constantijns aanwezigheid ook vermeld voor de Synode van Arles (314), hoewel we weten dat hij feitelijk een campagne leidde tegen de Franken. Dat Constantijns aanwezigheid in Nikaia eveneens een vroom verzinsel is, is dus denkbaar, maar we weten uit de wettencollectie die bekendstaat als Codex Theodosianus dat de keizer in deze tijd te Nikaia regelgeving heeft uitgevaardigd. Hij was er zeker.

    Het was óf Eusebios van Caesarea óf Eusthathios van Antiochië die de keizer welkom heette met een gebed voor ’s keizers gezondheid. Constantijn bedankte in het Latijn, de taal die de keizer altijd sprak aan het begin van een officiële plechtigheid. De eigenlijke beraadslagingen waren in het Grieks, de taal van het Nieuwe Testament, de moedertaal van de meeste aanwezigen en de taal waarin ook de Latijnse, Armeense en Aramese bisschoppen uit de voeten konden.

    [wordt vervolgd]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Het bekken van Sint-Nikolaas

    december 4, 2021
    1700 jaar Nikaia (2): de gastenlijst

    mei 19, 2025
    Limes en scepsis (2)

    september 30, 2016 Deel dit:

    #Aramees #bisschop #CodexTheodosianus #ConstantijnDeGrote #dataschaarste #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #EusthathiosVanAntiochië #GünterStemberger #GriekseTaal #Latijn #MeletiosVanLykopolis #NikomedesI #Sanhedrin #SylvesterI #Synodikon

  8. 1700 jaar Nikaia (2): de gastenlijst

    Het Concilie van Nikaia (Soumela)

    De Oudheid is per definitie de periode waarover we naast het archeologische materiaal ook geschreven bronnen hebben, maar niet voldoende om te komen tot werkelijke geschiedvorsing. Daardoor zijn er talloze onderwerpen waarover we niets weten. Zo staat vast dat Egypte in de tweede eeuw na Chr. een ware fabriek van nieuwe christelijke ideeën is geweest, maar hebben we geen idee, zelfs geen begin van een idee, hoe het christendom in Egypte is gekomen. Dat is maar één voorbeeld van het simpele feit dat we over de Oudheid eigenlijk altijd onvoldoende weten.

    Gelukkig begrijpen we wel waarom we over bepaalde onderwerpen minder informatie hebben dan er moet zijn geweest. We weten dat er teksten zijn geweest van de mensen die Christus vereerden in combinatie met andere goden, maar de middeleeuwse kopiisten hebben die niet overgeschreven. Ook de teksten van degenen die later als ketters zouden komen gelden, zijn op deze wijze verloren gegaan.

    Schaarse informatie is normaal en het is niet vreemd dat we alleen indirect zijn geïnformeerd over het Eerste Concilie van Nikaia, dat morgen 1700 jaar geleden is begonnen. We beschikken niet over de zogeheten actae, “handelingen”, die we over andere kerkelijke vergaderingen wel hebben. De wel overgeleverde deelnemerslijst, het Synodikon, is een latere reconstructie. Hoewel de in Nikaia genomen beslissingen bekend zijn, en we ook wel iets weten over het verloop van de discussies, missen we belangrijke stukken informatie. Het is bijvoorbeeld onbekend hoe de gastenlijst tot stand is gekomen.

    Geweigerde bisschoppen

    En dat is wel een gemis, want lang niet iedere bisschop was uitgenodigd. Zo ontbrak bisschop Donatus van Karthago. Die had weliswaar een discussie over de financiën van zijn kerk verloren en is de geschiedenis in gegaan als ketter, maar dat was pas later. Wie in 325 besloot hem niet uit te nodigen, en wel Donatus’ rivaal Caecilianus, had al een beslissing genomen over wat orthodox was en wat niet. Een misschien voorspelbare beslissing, aangezien Donatus in de westelijke provincies al een reputatie had als onruststoker, maar evengoed: niet iedere zich christen noemende bisschop was uitgenodigd. We weten niet wie de gastenlijst samenstelde, met welk recht en met welke criteria.

    Een soortgelijke kwestie speelde in Boven-Egypte, waar bisschop Meletios van Lykopolis een conflict had met de bisschop van Alexandrië. Volgens de regels die in Nikaia afgesproken zouden worden, zat Meletios in dit conflict verkeerd, maar die regels waren er vanzelfsprekend nog niet toen iemand besloot Meletios niet uit te nodigen. Terwijl Meletios en ook Donatus als bisschoppen van hun steden een grote autonomie hadden en officieel niemand boven zich hadden staan die beslissingen over hen kon nemen, plaatsten de organisatoren van het concilie zich wel boven de bisschoppen.

    Er kunnen meer van dit soort gevallen zijn geweest en we weten zeker dat er in Nikaia niemand is geweest die een niet-exclusivistische uitleg van het geloof voorstond. Terwijl Christus vereren in combinatie met andere goden, hoe ongebruikelijk wij dat ook vinden, destijds was wat elke weldenkende Romein zou hebben gedaan. Hoeveel Christusvereerders hadden de andere goden afgezworen? Hoeveel mensen combineerden de verering van Christus met de verering van andere goden? Hadden we maar meer informatie, maar het simpele feit is dat we over de exclusivisten wél informatie hebben en over de niet-exclusivisten niet. We kunnen niet vaststellen hoe representatief de genodigden in Nikaia zijn geweest voor de toenmalige verering van Christus.

    Een proto-kerk?

    Hoe dat ook zij: er was iemand die al beslissingen aan het nemen was voordat het Concilie van Nikaia begon, en die iemand had het oor van de keizer. Een mogelijke hypothese is dat er al iets bestond dat we gemakshalve “de proto-kerk” zullen noemen: een groep bisschoppen die weliswaar niet officieel was georganiseerd, maar zich op veel punten al kon presenteren als “de” vertegenwoordigersvan de christelijke gemeenschap. Die groep was dan exclusivistisch van aard.

    Hoewel de geschiedenis vaak zo wordt gepresenteerd, en er ook exclusivistische bronnen zijn over bisschoppen die met elkaar communiceren en discussiëren, is deze hypothese feitelijk ontoetsbaar omdat we, zoals gezegd, niet weten hoe representatief onze informatie is. Doordat de kopiisten teksten met sterk afwijkende meningen niet overschreven, hebben we over de eeuwen vóór Nikaia vooral informatie die in lijn is met de daar vastgestelde orthodoxie. Er is tekstselectie geweest, zoals altijd het geval is met informatie over de Oudheid.

    Toch is er een aanwijzing voor het bestaan van een min of meer erkende kerk vóór 325. Die aanwijzing betreft een zekere Paulus van Samosata, die bisschop was in Antiochië en ideeën verkondigde die in 269 werden afgewezen door een vergadering van zo’n zeventig bisschoppen. Zij zetten hun collega af, waarop keizer Aurelianus in 272 een hoorzitting organiseerde. Hij liet zich daarbij adviseren door de bisschoppen in Italië en bevestigde de afzetting. In deze anekdote ligt besloten dat er op dat moment een min-of-meer officiële kerk was, waar zelfs een keizer naar luisterde.

    Het probleem met deze anekdote is dat onze informatie vooral afkomstig is van Eusebios van Caesarea, een auteur die het bisschoppelijk gezag voortdurend benadrukt. Natuurlijk waren er rotte appels. Eusebios was een realist. Maar het college van bisschoppen corrigeerde dwalende bisschoppen als Paulus, en de gelovigen mochten hun herders vertrouwen. Aldus Eusebios. De anekdote past te goed bij de tendens van zijn werk om niet verdacht te zijn. Dat wil niet zeggen dat de bisschop van Caesarea snoeihard liegt, maar wel dat we zijn informatie niet kritiekloos mogen overnemen.

    Nikaia: de gezagsvraag

    Samenvattend: de gastenlijst van het Concilie van Nikaia is opgesteld door iemand die mensen uitsloot. Hier was iemand aan het werk die naar bepaalde conclusies toe wilde werken. In welke mate deze organisator een eerdere, min of meer erkende kerk vertegenwoordigde, en hoe representatief de vergadering was voor alle vereerders van Christus, valt niet langer uit te maken. We beschikken over te weinig data: het waren, zoals het cliché luidt, de overwinnaars die de geschiedenis schreven. Of, beter gezegd: het waren de orthodoxen die de bronnen kopieerden.

    Waar het om draait: er zijn bisschoppen geweest die vasthielden aan hun aloude autonomie, die niet werden uitgenodigd en die, autonoom als ze waren, ook geen reden hadden om het gezag van het Concilie van Nikaia te erkennen. Nikaia schiep de eenheid die Constantijn wilde, maar feitelijk is de vraag met welk religieus gezag de verzamelde bisschoppen hun meningen oplegden aan de kerk.

    [later meer over Nikaia]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Kybele in de Grieks-Romeinse wereld

    juli 10, 2023
    B6: Boeddhisme als oosterse filosofie

    juni 9, 2024
    Vasa diatreta

    december 8, 2018 Deel dit:

    #bisschop #Caecilianus #ConstantijnDeGrote #dataschaarste #donatisme #Donatus #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #exclusivistischeChristenen #kopiist #MeletiosVanLykopolis #nietExclusivistischeChristenen #PaulusVanSamosata #Synodikon #tekstselectie

  9. De martelaren van Lyon

    De onderaardse ruimte waar de martelaren van Lyon gevangen zouden zijn gehouden.

    Meestal blog ik op zondagmorgen over het Nieuwe Testament, maar vandaag neem ik een verwant onderwerp ter hand: de eerste christenen in Gallië – meer in het bijzonder die in de stad Lyon ten tijde van keizer Marcus Aurelius (r.161-180). Als we kijken naar wat latere informatie, zien we dat de christelijke gemeenschappen zich meestal bevinden in steden die niet al te ver van de grote wegen liggen. Het is geen woeste conclusie dat het nieuwe geloof zich door de Provence had verspreid langs de Via Domitia en stroomopwaarts langs de Rhône vanuit Arles naar Vienne en Lyon en daarvan dan richting Reims of via Metz naar het Rijnland.

    We weten zeker dat er in Lyon al rond het midden van de tweede eeuw christenen leefden. Een in 1974 ontdekt grafschrift is evident christelijk. Het is gesteld in het Grieks, wat suggereert dat migratie een rol speelde. De contacten met het oosten bleven bestaan: de straks te noemen bisschop Eirenaios werd uitgenodigd om uit het oosten te komen.

    De aanklacht

    In 177 werden in Lyon de christenen lastiggevallen. Wat de aanleiding was, weten we niet, al is er weleens op gewezen dat het paasfeest in dat jaar samenviel met een feest uit de eredienst van Kybele. De vereerders van die godin zouden aanstoot genomen kunnen hebben van de christenen, maar ik zou zelf niet goed weten wat het probleem geweest kan zijn. In elk geval was in antieke steden weinig nodig om relletjes te laten ontstaan. De overheid gaf dan nogal eens een identificeerbare groep de schuld – astrologen, joden, Isisvereerders of christenen dus. Als ze Grieks spraken, zal vreemdelingenhaat een rol hebben gespeeld. De ellende begon met

    allerlei lelijks dat de opgehoopte volksmassa tegen hen bedacht, scheldpartijen en rake klappen, meegesleurd en beroofd worden, smijten met stenen, gevangenname en allerlei andere dingen die wilde menigten graag hun vijanden en tegenstanders aandoen.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 5.1.7; vert. Fahner.

    Dit was een citaat uit een ooggetuigenverslag, dat verbatim wordt geciteerd in de Kerkgeschiedenis van Eusebios. Die vertelt dat de christenen werden opgepakt en zich op het forum moesten verantwoorden. De stedelijke magistraat verhoorde wat mensen op de pijnbank en hield vervolgens de zaak aan tot de gouverneur in de stad was – een interessant detail, omdat Lyon de provinciehoofdstad was en de gouverneur blijkbaar zijn ronde langs andere steden aan het maken was.

    Het proces

    Toen de stadhouder arriveerde, stelde hij alleen de vraag of de betrokkenen christenen waren. Sommigen zeiden van wel, anderen aarzelden.

    Hier en daar behoorde ook ons heidense huispersoneel tot de gevangenen, want de stadhouder had in het openbaar bevolen een zoekactie naar ons allen te houden. De heidense gevangenen waren bang voor de martelingen die ze de heiligen zagen ondergaan; door influistering van de Satan en op aandringen van de soldaten beschuldigden de huisdienaren ons ten onrechte van Thyestische maaltijden en ontucht à la Oidipous, en nog van andere misdrijven die ons ongeoorloofd zijn te bedenken, laat staan uit te spreken.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 5.1.14; vert. Fahner.

    Dit waren standaardbeschuldigingen: “Thyestische maaltijden” verwijst naar kannibalisme, “ontucht à la Oidipous” is incest. Logische beschuldigingen voor een groep die een rituele taal heeft waarin men elkaar aanspreekt als broeders en zusters en spreekt van het nuttigen van een lichaam en bloed. Met de pijnbank in zicht willen mensen zo’n beschuldiging wel bevestigen.

    Martelingen

    Nu het bewijs wettig en overtuigend geleverd was, konden de martelaren van Lyon naar de arena vertrekken. De tekst gaat nog even door en vermeldt de enorme moed van de jonge slavin Blandina.

    Haar aardse meesteres was één van de strijdende martelaren. Met haar vroegen wij ons af of Blandina door lichaamszwakte wel voldoende vrijmoedigheid zou hebben om haar geloofsbelijdenis vast te houden. Maar Blandina was zo vol kracht dat haar beulen er moe van werden; de heulen werkten van ’s ochtends tot ’s avonds, losten elkaar af en probeerden op alle manieren haar te folteren, maar ze erkenden dat ze verslagen waren, toen ze niets nieuws meer hadden om haar te martelen. Ze verbaasden zich erover dat haar verscheurde en opengereten lichaam nog ademde, en ze gaven toe dat één zo’n soort marteling voldoende was om iemands leven te beëindigen; laat staan dat iemand zo veel moordende martelpraktijken zou kunnen doorstaan.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 5.1.18; vert. Fahner.

    De auteur van het ooggetuigenverslag noemt de meest afschuwelijke details over het lot van de martelaren van Lyon, die ik u vandaag besparen zal. Ik herinner me hoe geschokt ik was toen ik de tekst voor het eerst las. Het komt erop neer dat zes mensen in het amfitheater werden terechtegsteld. Sommige arrestanten zworen het christendom af maar keerden even later weer tot het geloof terug. In totaal stierven achtenveertig mensen, waaronder de bisschop, Potheinos. Gregorius van Tours kent hun namen. De Romeinse burgers zouden zijn onthoofd; achttien overleden in de gevangenis, mogelijk aan de verwondingen van de tortuur; en zes mensen dus in de arena.

    Er waren overlevenden, zoals de auteur van het ooggetuigenverslag. En zij beriepen Eirenaios, die de nieuwe bisschop werd van Lyon – en een van de architecten van het vroege christendom. Maar dat is een ander verhaal.

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Circus Maximus (2)

    juli 5, 2023
    Mohra Moradu

    januari 5, 2015
    Han-China

    mei 2, 2025 Deel dit:

    #Blandina #christenvervolging #EirenaiosVanLyon #EusebiosVanCaesarea #Lyon #martelarenVanLyon #marteling

  10. Hoe vroeg is het Johannes-evangelie?

    (Mar Tadros, Behdidat)

    Ik kreeg vragen over een podcast waarin iemand zou hebben verteld dat het Johannes-evangelie ouder was dan aangenomen. En het bleef niet bij één of twee vragen: inmiddels zijn het er negentien. Alle reden om me in de materie te verdiepen.

    Een vroeg Johannes-evangelie

    Eerst even dit: de Ongelooflijke Podcast is al vijf jaar een vast item van de Evangelische Omroep en daarin behandelen David Boogerd en Stefan Paas, zoals u al vermoedde, vragen over religie. Rond Pasen lieten ze Cambridge-hoogleraar Geurt Henk van Kooten aan het woord, die kwam vertellen dat het Johannes-evangelie niet, zoals gebruikelijk, moet worden gedateerd aan het einde van de eerste eeuw na Chr., maar vóór de verwoesting van Jeruzalem in 70. Het argument is dat de evangelist spreekt over het Betzata-badhuis in de tegenwoordige tijd.noot Johannes 5.2.

    Als deze claim klopt, zo impliceerde Van Kooten, is niet het Marcus-evangelie (met Jezus als maar al te menselijke man van smarten) de oudste biografie van Jezus, maar het Johannes-evangelie, dat een zogeheten “hoge christologie” heeft. Johannes’ Jezus is god, of minimaal een god. De makers van de podcast speculeren verder over de mogelijkheid dat de auteur een ooggetuige is geweest en noemen de ontdekking een game-changer.

    Scepsis

    Omdat ik zoveel vragen kreeg, wilde ik het wetenschappelijke artikel, dat wel door de peer review is maar nog niet in New Testament Studies is gepubliceerd, eens lezen, maar de podcastmakers wisten niet of Van Kooten het zou waarderen als ze het Word-document deelden. Navraag leerde dat ook de redactie van Trouw, die eveneens over de theorie berichtte en er commentaar op had, het artikel niet heeft ingezien. Dat maakt het lastig om de vragen te beantwoorden die de podcast oproept. We moeten het doen met een onderhoudend podcastgesprek en we moeten maar vertrouwen op de peer review.

    En daar begint de schoen te wringen. Wetenschapsjournalisten zouden de peer review niet moeten hoeven herhalen. De oudheidkundige disciplines zijn echter verdeeld en veel tijdschriften hebben een te eenzijdig samengestelde redactie. De “editorial board” van New Testament Studies is filologisch en theologisch van aard; ik kon geen archeoloog ontdekken. Een tweede probleem: we hebben te maken met de archeologie van Israël, en ik heb al vaker aangegeven dat daar weleens iets verkeerd gaat. Derde probleem: de podcast schiet stromannen omver. Zo wordt het lezen van het Nieuwe Testament als normale antieke tekst gepresenteerd als “een radicaal voorstel”. Het is natuurlijk volkomen gangbaar. Zie ook onder Wettstein, J.J.

    Ik wil graag de peer review kunnen vertrouwen. Denk aan mijn gaffe over Sponsianus, denk aan mijn aanvankelijk kritiekloze optimisme rond de ontdekking van de Sapfo-fragmenten. Er is echter een punt waar zelfs de meest goedgelovige blogger de wetenschap het nadeel van de twijfel gaat geven. Bij de oudheidkunde is dat punt bereikt. Het vak is te verdeeld om nog veel waarde te kunnen hechten aan de peer review, er zijn teveel belangen, er zijn teveel misleidende presentaties. Ik mocht onlangs de problemen uitleggen in De Volkskrant.

    De archeologie

    Laat ik nu de vragen beantwoorden. De eerste daarvan is: weten we zeker dat dat badhuis was verwoest? De bedenkingen zijn niet onredelijk. Het compleet verwoesten van een stad is immers een verworvenheid van de twintigste eeuw en antieke beschrijvingen van verwoeste steden zijn doorgaans overdreven – ik denk aan Karthago, dat verwoest zou zijn maar waar de Romeinse generaal Gaius Marius desondanks een huis betrok. We weten bovendien dat Jeruzalem minimaal gedeeltelijk bewoond is gebleven: het was de basis van het Tiende Legioen Fretensis. Zowel legioenbases als de castella van de Romeinse hulptroepen hadden een badhuis, dus de aanname dat Betzata in gebruik is gebleven, is niet onredelijk.

    Ik begrijp van Stefan Paas dat Van Kooten de opgravingsrapporten van Ronny Reich, Yuval Baruch, Gideon Avni en Hillel Geva heeft geraadpleegd, die stellen dat dit deel van Jeruzalem verlaten is geweest. Ik kan niet achter de academische betaalmuren, maar een bevriende archeoloog oppert dat dit een verwijzing is naar de bundels Unearthing Jerusalem (2011) en Ancient Jerusalem Revealed (2019). In de eerste bundel wijdden Reich en Geva hoofdstukken aan de keizertijd, maar die gaan niet specifiek over de verwoesting. Avni is specialist in Byzantijns Jeruzalem. Reich en Baruch schreven in de tweede bundel over de Davidsstad, in het zuidoosten van Jeruzalem. Een publicatie over Betzata in het noordoosten van de oude stad konden we niet vinden.

    Maar zelfs als het noordoosten van Jeruzalem na 70 was verlaten, zegt dat niets over het badhuis. Paas vertelt dat Van Kooten wijst op de verslagen van onder andere de christelijke auteur Eusebius, die bevestigen dat de zuilengangen rond Betzata waren verdwenen. In de tussentijd had keizer Hadrianus echter de stad herbouwd en het recyclen van oude zuilen zou niet vreemd zijn geweest.

    Ik zou deze tegenwerpingen niet formuleren als Van Kooten in de podcast niet zou hebben verteld dat de universiteit van Haifa nog volop onderzoek aan het doen is. Met andere woorden, eigenlijk hebben we vooralsnog geen harde conclusies over Betzata. Ik zou het artikel én het nog te verschijnen rapport uit Haifa moeten zien om te weten of het badhuis na 70 wel of niet in gebruik of zichtbaar was. Uw vragen hierover kan ik dus niet beantwoorden.

    “Er is”

    Maar laten we aannemen dat Betzata behoorde tot de na 70 niet langer bestaande delen van de oude stad. Van Kooten stelt dat het feit dat Johannes er in de tegenwoordige tijd over spreekt, bewijst dat het er nog was toen hij schreef, en dat Johannes dus schreef voor 70.

    Omdat ik het artikel niet heb gelezen, kan ik alleen vermoeden dat Van Kooten denkt aan ἔστιν δέ of misschien ἔστιν, wat allebei zoiets betekent als “er is”. In elk geval gaat het volgens Van Kooten om een formulaire uitdrukking. In de vijfendertig gevallen die hij volgens de podcast heeft gevonden blijkt het te gaan om iets dat er is op het moment dat de auteur schrijft. Ik zou de argumentatie in detail willen zien, want in elk geval Herodotos is in staat om dit te gebruiken voor zijn fictieve beschrijving van Babylon.noot Herodotos, Historiën 1.183. Misschien gebruikt Herodotos die formulering echter wel om betrouwbaarheid te suggereren, dus dan is dit geen argument. Nogmaals: ik zou het artikel willen lezen.

    De podcastmakers opperen dat de evangelist gebruik kan hebben gemaakt van een oudere bron. Hij zou de stad zelf niet hebben gekend en dus ten onrechte een tegenwoordige tijd hebben gebruikt. Dat vond ik een plausibel argument; zie opnieuw Herodotos over een Babylon dat hij niet kende. Van Kooten wierp tegen dat het Johannes-evangelie duidelijk één auteur heeft gehad. Dit overtuigt mij niet. Ook als een tekst één auteur heeft, heeft die gebruik gemaakt van eerdere informatie. Flavius Josephus is ook de enige auteur van vier boeken, maar dat wil niet zeggen dat hij geen oudere bronnen benut.

    Een jong Johannes-evangelie

    Wie een stelling poneert, moet twee dingen doen: argumenten vóór aandragen en tegenargumenten weerleggen. En er zijn nogal wat tegenargumenten. Dat we Johannes gewoonlijk laat dateren, heeft zo zijn redenen. Van Kooten weerlegt in de podcast het (inderdaad moeilijk te verdedigen) tegenargument dat de uitgewerkte theologie duidt op een zeker verstrijken van tijd. Maar dat is niet het enige tegenargument.

    Eén voorbeeld is dat Johannes regelmatig informatie uit andere evangeliën corrigeert. Ik heb er weleens op gewezen dat in het zinnetje “Jezus droeg zelf zijn kruis” het woordje “zelf” alleen zin heeft als je weet dat de auteur polemiseert tegen evangeliën waarin staat dat Simon van Kyrene het kruis droeg, m.a.w. Marcus en de twee daarvan afgeleide teksten.noot Johannes 19.17; Marcus 15.21. Er zijn vrij veel van dit soort voorbeelden en ik meen dat die zijn te vinden in het proefschrift In verhalen krijgt geschiedenis betekenis van Door Brouns-Wewerinke (2002), dat ik heb bezeten maar niet kan terugvinden.

    Er zijn meer tegenargumenten waarom Marcus ouder is dan Johannes. Die ga ik vandaag niet allemaal behandelen. Je zult in elk geval, als je Johannes als oudste evangelist wil typeren, op die tegenargumenten een antwoord moeten formuleren. Tot nu toe heb ik dat niet gehoord. Zoals in de podcast ook is gezegd, zal de discussie nu gaan over de vraag of dit ene zinnetje, dit ene argument voor een vroege datering, opweegt tegen al die andere redenen om te kiezen voor een late datering.

    Hype

    Tot slot de vraag of dit werkelijk zo ingrijpend is. Is dit echt een game-changer? Welnee. Kom nou zeg. Het is oudheidkunde, waar ze het gebrek aan betrouwbare data compenseren door de meest uitzinnige claims.

    Als Johannes vroeg zou moeten worden gedateerd, hebben we niet twee maar drie getuigen voor een vrij vroeg bestaan van de hier boven genoemde hoge christologie: het idee dat Jezus een meer dan menselijk wezen was. De apostel Paulus zag het zo, de anonieme dichter van een in de Brief aan de Filippenzen geciteerde hymnenoot Filippenzen 2. zag het eveneens zo, en daar kunnen we nu dan Johannes aan toevoegen. Dat is alles.

    De hoge christologie is dus sowieso al vroeg gedocumenteerd. Wel is het zo dat Paulus en de dichter van de Filippenzen-hymne de goddelijkheid pas plaatsen na de opstanding, terwijl Johannes de goddelijkheid van Jezus al tijdens zijn aardse bestaan plaatst. Dat is een significant verschil, maar verandert ons inzicht in de joodse wereld niet. Zoals ik in mijn stukken over de Henochitische literatuur al heb aangegeven, was er gewoon een vacature van Tweede Persoon van de Heilige Twee-Eenheid; dat Jezus die vacature vervulde, blijft zoals het was. Dat dit Jezus’ zelfbeeld is geweest, zoals in de podcast even aangestipt, is in elk geval geen nieuwe gedachte. Dat dit een game-changer zou zijn, lijkt mij een gevalletje oudheidkundige standaardoverdrijving.

    Voor ik ga afronden wijs ik nog op een aspect dat in de podcast wat wordt weggemoffeld: als Johannes vroeg is, is ook het anti-joods gevoelen in het christendom vroeg. Dat is geen fijne constatering. En eerlijk gezegd geloof ik dat ook niet. Voor het ontstaan van zulke gevoelens was een verwoesting van de tempel, een heroriëntatie binnen het jodendom en rivaliteit met andere joodse groepen nodig. Het anti-joodse karakter van het Johannes-evangelie lijkt me beter te passen in de laat-eerste-eeuwse wereld van de Birkat haMinim en de Fiscus Judaicus.

    Twee conclusies

    Enfin. Zoals de podcast al aangeeft, zal er nogal wat discussie zijn. En dat is goed zo. Maar wel denk ik alvast te mogen concluderen dat dit echt geen game-changer is. Nieuw is de gedachte ook niet: in Groot-Brittannië zijn meer wetenschappers geweest die het Johannes-evangelie beschouwen als vroeg.

    Mijn tweede conclusie: het is beter als de media pas aandacht besteden aan een theorie als er een publicatie ligt die we kunnen inzien. Dit mag dan geen pseudowetenschappelijke paashoax zijn, het is onverstandig Pasen te benutten om ontransparante informatie te verspreiden. Ik moet nu vragen beantwoorden zonder dat ik de antwoorden kennen kan. Dit is geen fijne manier om wetenschap te moeten uitleggen.

    [Een overzicht van de blogjes over het Nieuwe Testament is hier.]

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Seneca en Paulus

    oktober 29, 2023
    XIII Gemina (1)

    maart 13, 2024
    Hemelvaart

    mei 14, 2023 Deel dit: #Betzata #BriefAanDeFilippenzen #christologie #DavidBoogerd #Davidsstad #DoorBrounsWewerinke #EusebiosVanCaesarea #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanMarcus #evangelist #GeurtHenkVanKooten #Hadrianus #hype #Jeruzalem #JohannJakobWettstein #peerReview #StefanPaas #XFretensis