home.social

#domitianus — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #domitianus, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Veleda

    Veleda (Walhalla, Regensburg)

    Vandaag blogje numero 7500, en ik wijd het aan een van de grote vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis: Veleda. De enige keer dat ik iets zag dat in de verte leek op een standbeeld, was een reliëf in Regensburg, in het Walhalla. Maar misschien moeten we daar eens verandering in gaan brengen.

    Om te beginnen: Veleda was (althans volgens de Romeinse auteur Publius Cornelius Tacitus) een van de belangrijkste personages uit de Bataafse Opstand, namelijk de profetes die de diverse Germaanse groepen het vertrouwen gaf voor de strijd tegen Rome. Zelf behoorde ze tot de Bructeren, die leefden van de Achterhoek tot aan de Lippe in Duitsland.

    Germaanse profetessen

    Profetessen stonden bij de Germanen in hoog aanzien. Tacitus meldt:

    Vrouwen hebben volgens de Germanen iets sacraals en profetisch. Hun adviezen worden niet ter zijde geschoven, hun uitspraken niet genegeerd. Onder de regering van de goddelijke Vespasianus hebben wij kunnen zien hoe Veleda lange tijd bij zeer velen doorging voor een goddelijk wezen.noot Tacitus, Germania 8; vert. Vincent Hunink.

    Tacitus kent meer van dit soort heilige vrouwen, maar Veleda, die haar leven in Italië eindigde, was de bekendste, althans bij Tacitus’ lezers in Italië. Haar naam zou heel goed een titel kunnen zijn. Olivier van Renswoude (van Taaldacht) schrijft me dat Veleda een Latijnse weergave moet zijn van het Germaanse *Weledō, met de klemtoon op de eerste lettergreep, wat zoiets als “zieneres” betekent. Maar of het nu een naam of een titel was: in elk geval was Veleda een vrouw met invloed.

    Eén voorbeeld is dat de inwoners van de Romeinse stad Keulen haar bemiddeling accepteerden in een conflict met de Tencteri, een Germaanse groep aan de andere, “vrije” zijde van de Rijn.noot Tacitus, Historiën 4.65. Haar gezag oversteeg dus de tegenstelling tussen Romeins en niet-Romeins.

    De Bataafse Opstand

    Veleda is ons vooral bekend omdat ze de Bataven en hun bondgenoten aanspoorde zich tegen de legioenen te verzetten en succes beloofde. In maart 70 na Chr. werden de voorspelde successen werkelijkheid: de Bataafse leider Julius Civilis veroverde de legioenbasis bij Xanten. De commandant van het Romeinse garnizoen, Munius Lupercus, werd gevangen genomen en naar Veleda gestuurd. Tacitus legt uit:

    Veleda was een invloedrijke, ongehuwde vrouw uit het volk van de Bructeri. Aloud Germaans gebruik: tal van vrouwen gelden er als profetessen en, bij toenemend bijgeloof, godinnen. Veleda’s gezag was toen op zijn hoogtepunt. Zij had namelijk het Germaanse succes en de ondergang van de legioenen voorspeld.noot Tacitus, Historiën 4.61; vert. Vincent Hunink.

    Munius Lupercus werd echter nooit haar slaaf: hij werd op weg naar Veleda vermoord. We weten niet waarom. Enkele maanden later veroverden de Bataven het vlaggenschip van de Romeinse marine, dat zij vervolgens aan de profetes cadeau deden.noot Tacitus, Historiën 5.22.

    Deze twee cadeaus – een slaaf en een schip – werden gestuurd naar een residentie aan de Lippe, dus naar een plek die vanaf het krijgstoneel makkelijk viel te bereiken. Tacitus omschrijft die residentie als turris, een hoog gebouw, en noteert dat haar bezoekers haar nooit zagen, wat hij uitlegt als moedwillige geheimzinnigdoenerij die haar prestige moest vergroten.noot Tacitus, Historiën 4.65. Gegeven het feit dat Veleda bevelen kon geven aan Julius Civilis,noot Sommige Bataven merkten op dat het eervoller was bevelen aan te nemen van een man, zelfs als het een Romein was, dan van een vrouw. moeten we aannemen dat turris hier zoiets als hoofdkwartier betekent. Later vinden we haar verder westelijk: het was in elk geval vanuit de Betuwe dat de Romeinse commandant Quintus Petillius Cerialis onderhandelingen met haar opende.noot Tacitus, Historiën 5.24.

    In ballingschap

    Niet lang na het neerslaan van de Bataafse Opstand nam de Romeinse generaal Gaius Rutilius Gallicus Veleda gevangen.noot Statius, Silvae 1.4.89. Dat gebeurde op zijn laatst in 77. De aanleiding is onbekend, maar er kan worden opgemerkt dat de Romeinen in 83 of 84 de Bructeren dwongen een nieuwe, pro-Romeinse koning te aanvaarden en dat keizer Domitianus de regio bezocht. De Romeinen kunnen de Bructeren al eerder als vazallen hebben beschouwd: dat was vrij normaal.

    Veleda werd in de omgeving van Rome in verzekerde bewaring gehouden. Een Grieks epigram uit Ardea, even ten zuiden van Rome, bespot Veleda’s profetische gaven.noot Année Épigraphique 1953, 25. Er is wel beweerd dat dit erop wijst dat Ardea haar gevangenis was, maar dat is verre van zeker. Het betekent wel dat Veleda een algemeen bekend figuur was; Tacitus kon haar, zoals gezegd, bij zijn lezers bekend veronderstellen.

    En het is nogal wat, wat ze presteerde: de Romeinse generaal die de Bataafse Opstand kwam onderdrukken, onderhandelde met háár. Ze is een van de vroegste “grote vrouwen” uit de geschiedenis van de Lage Landen. Chris Houtman wijdde nog onlangs een trilogie aan haar: De Veleda-voorspelling (2020),  De Veleda-vloek (2020), De Veleda-erfenis (2021). Je zou denken: er zijn weleens standbeelden opgericht om minder. Misschien moeten we toch eens denken aan een monumentje in Winterswijk of zo.

    #BataafseOpstand #Bructeren #ChrisHoutman #Domitianus #GaiusRutiliusGallicus #Lippe #OlivierVanRenswoude #PubliusCorneliusTacitus #QuintusPetilliusCerialis #Tencteri #Veleda
  2. Romeins Nijmegen (2) Noviomagus

    Een cupido van barnsteen (Valkhof Museum, Nijmegen)

    [Ik was een weekendje in Nijmegen en wijd er zes blogjes aan, of zeven, als ik ook dit blogje meetel. Dit is het tweede; het eerste was hier.]

    Ulpia Noviomagus

    In de jaren na de Bataafse Opstand reorganiseerden de Romeinen het Rijnland. Ze bekortten de weg naar de Donau door het Zwarte Woud (de Agri Decumates) te annexeren, en ook kregen meer legerbases stenen funderingen. Rome was niet langer in het offensief maar ging ervan uit dat de noordelijke rivieren voor langere tijd moesten worden verdedigd. In deze context moeten we ook de legioenbasis in Nijmegen plaatsen.

    Er was in 2011 een claim dat een legioen zijn hoofdkwartier had ingericht in het stadscentrum, waar de resten zouden zijn gevonden op het Sint-Josephhof. Ik heb over die claim sindsdien niets meer gehoord, maar het zou een loepzuivere parallel opleveren met Jeruzalem, dat eveneens in 70 werd verwoest. Daar vestigde een legioen zich in de veroverde stad, maakte daarmee duidelijk wie de baas was, en dwong de bewoners te vertrekken naar het drie kilometer verderop gelegen Shu‘afat. Idem in Nijmegen: onderworpen opstandelingen, legioen in hun stad, bevolking drie kilometer verderop. Omdat ik over de Nijmeegse basis echter nooit meer had gehoord, was opheldering daarover een van de redenen waarom ik afgelopen weekend Nijmegen bezocht. Ik heb de deskundigen echter niet kunnen spreken en de oplossing van dit mysterie ligt derhalve voorshands verborgen in de mist der tijden.

    Feit is dat al snel het Tiende Legioen Gemina, afkomstig uit Spanje, arriveerde en zich installeerde op de Hunerberg. Aannemend dat de rekrutering gelijkmatig verliep en de mortaliteit niet afweek van Coale-Demeny²-West, moeten er elk jaar ruim 300 rekruten zijn gekomen, en lang niet altijd uit de regio. In Museum Kam zag ik de grafsteen van een Marcus Scanius Maximus uit het verre Amfipolis, en ik zag gedenktekens van andere immigranten in het vernieuwde Valkhof Museum.

    Grafsteen van een soldaat uit Amphipolis (Museum Kam, Nijmegen)

    Door immigratie en handel was het Romeinse Nijmegen, van Noviomagus tot Hunerberg, dus een internationale wereld. Dat zou niet veranderen toen X Gemina rond 100 na Chr. werd afgelost door het Negende Legioen Hispana. Pieken in het kleingeld documenteren dat de keizers Domitianus en Trajanus de stad bezochten. De eerste was zó trots de splitsing van Rijn en Waal te hebben gezien, dat hij het herdacht met een knots van een inscriptie op de sokkel van zijn ruiterstandbeeld op het Forum Romanum.

    De tweede verleende Noviomagus zijn naam: Trajanus behoorde tot de familie Ulpius en de stad heette vanaf zeker moment Ulpia Noviomagus. Dit hoeft niet per se te zijn gebeurd bij het keizerlijk bezoek, want zulke naamsveranderingen behoren tot de standaard-stroopsmeerderij waarin de Romeinen zo uitblonken. Mijn favoriete voorbeeld is Sabora in Andalusië, dat de hielen van Vespasianus wilde likken en zich daarom naar hem wilde vernoemen, en als antwoord kreeg dat het zich mocht noemen zoals het wilde, zolang alle financiële overeenkomsten, nu de tenaamstelling niet langer klopte, maar van kracht bleven. Mochten de burgers van Sabora hebben gehoopt dat pluimstrijkerij zou worden beantwoord met een financiële tegenprestatie, dan kwamen ze bedrogen uit.

    Beker met gladiatoren (Valkhof Museum, Nijmegen)

    Stadsrechten?

    Ik ging niet alleen naar Nijmegen om te vernemen of er een legioenbasis middenin de stad was geweest. Ik hoopte ook te ontdekken waarom Nijmegen claimt dat het de oudste stad is in Nederland. Dat beweert de VVV, terwijl de stedelijke archeologen en medewerkers van de Radbouduniversiteit preciseren dat er stadsrechten zijn. Het gekke is: ik heb geen idee wat daarmee bedoeld kan zijn en ik zoek al langer naar de Romeinsrechtelijke grondslag. (Ik heb de materie hier en daar in enig detail behandeld.)

    Ja, ooit was er een theorie dat Trajanus aan Noviomagus de status van municipium zou hebben verleend. Dat zou dan een bepaalde rang zijn geweest. Probleem: de Romeinsrechtelijke definitie van municipium is gewoon overgeleverd. Het is een stad met voorouderlijke rechten. Ik zeg niet als eerste of enige dat een keizer veel kon, maar dat hij geen voorouderlijke rechten kon verlenen.

    Daar komt nog iets bij. Er zijn duizenden en duizenden inscripties bekend, en er is er niet één waarin een gemeente de vorst bedankt voor de statusverandering. Terwijl de Romeinen uitgesproken slijmballen waren. Ook in de collectie die bekendstaat als Fontes Iuris Romani Antejustiniani is geen voorbeeld te vinden. Voor zover ik kan overzien tonen inscripties alleen dat de woorden civitas of oppidum in de tweede eeuw na Chr. steeds vaker worden vervangen door municipium en in de vierde eeuw door res publica. De simpelste verklaring is dat civitas en oppidum riekten naar een stamsamenleving, en dat geen Romeinse gemeente zich zo nog wilde aanduiden. (De latere opkomst van res publica weerspiegelt het bestuurlijke jargon van de laat-Romeinse Tetrarchie.) Er bestond geen speciale municipiumstatus en dat kan dus de verklaring van de veronderstelde Nijmeegse stadsrechten niet zijn.

    Paardenbeslag met vermelding van VIIII Hispana; de spelling IX is Brits en bewijst dat het legioen daarvandaan naar Nijmegen kwam (Valkhof Museum, Nijmegen)

    De eersten die zich realiseerden hoe problematisch Nijmegens municipale status was, lijken Saskia van Dockum en Evert van Ginkel te zijn geweest, die in hun boek Romeins Nederland (1993, nog steeds prima) opperden dat het ging om marktrechten. Nijmegen zou die hebben gekregen ter compensatie van het vertrek van X Gemina. Dat heb ook ik geloofd, maar sindsdien is vastgesteld dat X Gemina werd afgelost door VIIII Hispana, zodat er niets te compenseren viel, terwijl ook bekend is geworden dat elke gemeente, met welke aanduiding ook, marktrechten bezat. (Dat de naam Noviomagus niet zomaar als “nieuwmarkt” kan worden vertaald en dus evenmin een aanwijzing is voor marktrechten, veronderstel ik na bovenstaande uitweiding bekend.)

    Kortom: ik snap niet wat Nijmegen bedoelt als het claimt de oudste stad van Nederland te zijn. Oudste legioenbasis? Zeker. Grootste stad in de tweede eeuw? Dat ook. Maar stadsrechten? Wie claimt moet bewijzen en ik had gehoopt afgelopen weekend de argumentatie te vernemen.

    [Wordt vanmiddag vervolgd met de Late Oudheid.]

    #AgriDecumates #Domitianus #EvertVanGinkel #FontesIurisRomaniAntejustiniani #GermaniaInferior #Hunerberg #Nijmegen #SaskiaVanDockum #SintJosephhof #Tetrarchie #Trajanus #ValkhofMuseum #VIIIIHispana #Waal #XGemina
  3. Robert Nouwen, Rome & de Lage Landen (1)

    Afgelopen zaterdag werd in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden het boek Rome en de Lage Landen van de Belgische historicus, archeoloog en museumdirecteur Robert Nouwen ten doop gehouden. Dat is een heel belangrijk boek: de eerste synthese over dit onderwerp in een halve eeuw. Ik heb vorig jaar opgetreden als meelezer van het manuscript, en mocht bij de presentatie een toespraakje houden. Uiteraard deed ik dat maar wat graag. Dit is wat je noemt: de eer hebben iets te mogen doen.

    Maar er was een probleem. Al vóór de presentatie waren verschillende mensen verbijsterd over het bescheiden karakter van de presentatie. Iemand noemde de locatie een “derderangszaaltje”, en inderdaad: de Tempelzaal in het museum had meer voor de hand gelegen dan de Trajanuszaal. Of het Academiegebouw of de Waalse Kerk. Bij een zo belangrijk boek beleg je een symposium met een dozijn hoogleraren uit binnen- en buitenland. Je nodigt het NOS-journaal uit en de koning, die immers de bekendste historicus van Nederland is, en die ook het eerste exemplaar aannam van de Wereldgeschiedenis van Nederland. Wij oudheidkundigen zijn toch niet minder dan andere historici?

    Dilemma: ik wilde als spreker de organisatoren en de gastheer niet afvallen, maar de te bescheiden presentatie was inderdaad wat vreemd. Ik heb er geen echt bevredigende oplossing voor gevonden en uiteindelijk mijn praatje maar ingeleid door te zeggen dat er menselijke en begrijpelijke factoren in het spel waren, dat het iets was om te bespreken bij een andere gelegenheid, en dat wij het er verder bij de borrel maar niet over moesten hebben. Het leidt immers tot niets, behalve een nare afdronk.

    Synthese

    Het boek van Robert Nouwen, Rome en de Lage Landen is, zoals gezegd, de eerste synthese over dit onderwerp in een halve eeuw: namelijk sinds De Romeinen in Nederland van Wim van Es. Dat beleefde drie drukken tussen 1972 en 1980. En nu is er een opvolger. Ik mag bij lezingen de luisteraars graag wat prikkelen met ironie of overdrijving, maar niet nu: dit boek is belangrijk.

    Elke wetenschap heeft overzichtswerken nodig, de zogeheten syntheses. Het zijn de boeken waarin je de hoofdlijnen kunt naslaan. Waaruit bestond in de Romeinse Lage Landen het takenpakket van een procurator? Welk legioen lag in Nijmegen? Hoe mobiel waren kooplieden uit Tongeren? Syntheses zijn noodzakelijk omdat niemand het totale overzicht heeft.

    Sterker nog: doordat het databestand almaar groeit, hebben we steeds minder overzicht. Tot 2010 viel de wetenschappelijke productie over Romeins Nederland uit te drukken in meters papier, namelijk vijfentwintig meter sinds 2000. In deze tijd van PDFs lukt zelfs zo’n vergelijking niet. We verdrinken in de data (en desondanks is dat te weinig). Het meest in het oog springend zijn de archeologische vondsten. Er zijn ook inscripties bij gekomen en historiografische teksten, zoals de Dexippus Vindobonensis. Niemand kan het nog overzien.

    En dat was maar één aspect van het oudheidkundig bedrijf. Deze dataverwerving is immers geen wetenschap. Het is slechts een voorwaarde voor wetenschap. Het eigenlijke werk is de interpretatie van die data, en interpretaties veranderen in de loop der jaren.

    Om het nog onoverzichtelijker te maken, verschijnt een deel van de relevante wetenschappelijke literatuur niet in het Nederlands of Engels. Daarom is de door Italiaanse classici geïdentificeerde inscriptie over het bezoek van keizer Domitianus aan Nijmegen, waar archeologen al eerder een opvallende piek in het circulerende kleingeld vaststelden, in Nederland lang onbekend gebleven.

    Institutioneel gescheiden oudheidkundes

    En nu ik de classici noemde: dat zijn geen archeologen. En omgekeerd zijn archeologen geen classici. Sinds in de jaren ’80 de onderzoeksscholen Archon en Oikos zijn opgericht, zijn de twee oudheidkundige bloedgroepen verder uit elkaar gedreven. En zolang ik aan een hoogleraar archeologie moet uitleggen wat een klankwet is, is interdisciplinariteit een wassen neus.

    Er bestaan momenteel twee institutioneel gescheiden oudheidkundes. Regelmatig baseren archeologen de interpretatie van mooie vondsten op inzichten die volgens oudhistorici verouderd zijn. Omgekeerd herhalen classici denkbeelden die door anderen zijn weerlegd. Ik heb ooit in een boze bui geschreven dat de meeste misinformatie wordt verspreid door wetenschappers die uitspraken doen buiten hun specialisme, en was verbaasd toen De Volkskrant me erop wees dat inmiddels Lendering’s Law heet.

    Nouwen als syntheticus

    De kiesheid schrijft nu bescheidenheid voor, maar het is belangrijk te benadrukken dat de diverse oudheidkundige bloedgroepen onvoldoende weten van elkaar. Vandaar het belang van syntheses. En met de verschijning van Rome en de Lage Landen hebben we die dus voor het eerst sinds van Van Es. U kunt tegenwerpen dat er in de tussentijd wel degelijk overzichtswerken zijn verschenen,noot Ik denk aan Romeins Nederland van Van Dockum & Van Ginkel (1993), aan mijn eigen boeken De randen van de aarde (1999) en Edge of Empire, en aan Wee de overwonnenen van Alexander van de Bunt (2020). maar dat waren slechts geactualiseerde samenvattingen van Van Es. Lapwerk.

    Rome en de Lage Landen is dus een belangrijk boek omdat het volledig is en actueel. Het is bovendien een goed boek omdat Nouwen én het materiële én het geschreven bewijs overziet. Bovendien overziet hij het Franse taalgebied: in Nederland een verdwijnende vaardigheid.

    Als dit alles was, hadden we voldoende reden voor een toost. Maar dit is niet alles.

    [Wordt vervolgd]

    In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    “De wetteloze mens”

    juni 12, 2022
    Domitianus en de joden

    oktober 17, 2021
    Ktesifon

    oktober 22, 2021 Deel dit: #boek #Domitianus #GalliaBelgica #GermaniaInferior #Nijmegen #RobertNouwen #synthese #WimVanEs
  4. Vragen rond de jaarwisseling (1)

    Odysseus en Polyfemos (Eleusis)

    Twee weken geleden, op 17 december, nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal nu mijn best doen ze te beantwoorden. Er waren betrekkelijk weinig vragen over het “klassieke” deel van de oude wereld, maar daarmee begin ik vandaag wel.

    Wat vind je van de trailer van de verfilming van de Odyssee?

    Historici hebben geen mening over kunst. Ik heb het n.a.v. de film Redbad al eens uitgelegd. We vragen filmmakers toch ook niet of ze een mening hebben over historische processen?

    Fresco van een duiker (Paestum)

    Is de beroemde schildering van de duiker uit Paestum, gemaakt rond 475 v.Chr., Grieks, Etruskisch of Graeco-Etruskisch?

    Je kunt zeggen dat een scheppend kunstenaar autonoom is en uit de diverse tradities neemt wat hij nodig heeft, maar dat roept de vraag op welke tradities dat zijn. En of we die tradities eigenlijk wel kennen, want we kennen uit de Griekse wereld weinig dat hier op lijkt. Ik legde de vraag voor aan Ruurd Halbertsma, die voor het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een expositie maakte over Paestum. Hij schreef:

    De bekende ‘Tombe van de duiker’ blijft een Fremdkörper in de archeologie van Zuid-Italië. Het is tot nog toe de enige gedecoreerde graftombe uit de Griekse periode van Poseidonia/Paestum die we kennen. De twee lange wanden tonen vier ligbedden (klinai), waarop zes symposiasten zijn neergevleid, bezig met muziek, zang en liefkozingen. Een van de korte zijden laat de aankomst (of vertrek?) van de twee andere gasten zien, op de andere korte zijde is een jongen bezig met het uitschenken van de wijn. Op het deksel van de tombe is een naakte jongen afgebeeld, die vanaf een soort duiktoren een duik neemt in het water. Over de interpretatie is al veel inkt gevloeid. Het meest plausibel lijkt mij dat hier de geneugten van de jeugd worden gevierd. De duik als symbool van de overgang van leven naar dood wordt in de literatuur ook vaak genoemd, maar wordt op geen enkele manier gesteund door bijvoorbeeld literaire parallellen met een dergelijke beeldspraak als inhoud.

    De beste parallel voor de afbeelding is te vinden in de necropool van Tarquinia, in de Tombe van de Jacht en Visserij, ca. 520-510 v.Chr. Tussen al het jagen en vissen duikt een jongen vanaf een rotspunt de zee in, ook in de Etruskische wandschilderkunst een unicum. Nu hadden de Grieken uit Poseidonia wel contacten met de Etrusken, maar dat waren de Campaanse Etrusken, die aan de overkant van de rivier de Sele woonden. Hun hoofdstad, die onder het huidige Pontecagnano ligt, werd door de Romeinen in de Derde Samnitische Oorlog verwoest. Of het beeld/imago van de duiker in Poseidonia beïnvloed is door een kunstuiting helemaal ten noorden van de Tiber lijkt mij onwaarschijnlijk. Er werd door Grieken én door Etrusken voor het plezier gezwommen en gedoken, zoals jongetjes rondom de Middellandse Zee dat nog steeds doen, zoveel is zeker. En dat plezier zien we terug in de graven, naast de jacht, de muziek, de zang, de wijn en de seks. Kortom, laten we de ‘Tombe van de duiker’ maar gewoon Grieks blijven noemen!

    De Saalburg (even ten noorden van Frankfurt) is de moeder van alle limes-reconstructies.

    Waren er overeenkomsten tussen Tamuda (in Marokko) als grensgebied en de limesstreek in Nederland?

    Zoals zo vaak is het drievoudige antwoord: “ja” en “nee” en “we weten het niet”. Ja, want alle grensgebieden kennen dezelfde problematiek:

    • je moet niet ten onrechte welwillende bezoekers buitensluiten
    • je moet niet ten onrechte vijandelijke bezoekers toelaten.

    Voor de Romeinse wereld geldt hierbij als bijzonderheid seizoenmigratie en nomadisme, thema’s die voor de Nederlandse limes wat onderschat en voor de Maghreb wat overschat lijken te zijn. Tot zo ver het “ja”.

    Nee, want de limes langs de Rijn is langs een grote transportader door het vruchtbare vlakke land, terwijl in de Maghreb de vruchtbare gebieden in het voorland liggen, en er bergen zijn.

    Tot slot “we weten het niet”. We weten niet of de Romeinen één visie hadden op strategie, die aan alle grenzen dezelfde was, of dat de rijksverdediging steeds werd aangepast aan de omstandigheden. Voor zover ik weet zijn er argumenten voor beide standpunten.

    Codex Justinianus met Accursische glossen en in miniletters aanvullend commentaar (Limburgs Museum, Venlo)

    In de Oudheid waren er allerlei, meest ongeschreven rechtssystemen in ons land. Later zijn stedelijk, gewestelijk en nationaal recht ontstaan. Sinds wanneer is er sprake van nationale rechtssystemen en lijkt de ontwikkeling in ons land op die in bijvoorbeeld Duitsland?

    Voor zover mij bekend bestonden in het Romeinse Rijk inderdaad vooral ongeschreven rechtssystemen met daarnaast een geschreven traditie, waarvan we niet weten in welke mate die ook het leven reguleerde van gewone Bataven of Nerviërs. Dat geschreven rechtsstelsel is gecodificeerd in Beiroet en later, ten tijde van Justinianus, nog een tweede keer in Constantinopel. Deze Byzantijnse codificatie is rond 1200 in West-Europa ingevoerd en zou, samen met de standaardglossen van Accorso di Bagnolo de standaard zijn voor voor de nationale rechtssystemen.

    Let wel: rond 1200 waren er nog geen nationale staten.noot Ik vertik het om dat nieuwe anglicisme “natie-staat” te gebruiken. In de zestiende eeuw streefden de overheden naar eenheid (bijv. de Pragmatieke Sanctie van 1549), maar het verzet van de gewesten tegen deze centralisatiepolitiek was fel. Ik denk dat we in West-Europa pas kunnen spreken van nationale rechtssystemen vanaf pakweg 1800.

    Nederland en België waren rond 1830 wel zo’n beetje klaar, maar Duitsland werd pas in 1870 een eenheid, en ik meen te weten dat er pas in 1900 één rechtsstelsel was. In elk geval kon je in het Duitse Rijk tot 1899 een vonnis vragen volgens Romeinse regels.

    Imerix en Servofredus; twee goed-Germaanse namen (Archeologisch museum, Zadar)

    Wat weten we eigenlijk over Germaanse en Frankische naamgeving voor personen?

    Daarover blogde ik hier. (De vragensteller had vervolgvragen die ik niet zo 1-2-3 kan beantwoorden, sorry.)

    Allegorie op de wetenschap (Berliijn)

    Waarom bestuderen we de Oudheid? … Waarom heb jij voor de Oudheid gekozen?

    Waarom ik dit vak heb gekozen? Stom toeval. Ik had het verkeerde vakkenpakket om nog tropenarts te worden, en toen ik eenmaal was verlost van de militaire dienst, was de inschrijving voor Maatschappijgeschiedenis in Rotterdam al gesloten. Die van Geschiedenis aan de Vrije Universiteit was nog open.

    Waartoe dient de wetenschappelijke bestudering? Eén reden is dat dingen in de Oudheid zijn ontstaan die nog steeds het geval zijn, zoals het idee dat je niet én joods én christelijk kunt zijn, en maximaal één godsdienst kunt hebben: dat gaat terug op de implementatie van de Fiscus Judaicus door keizer Domitianus. Als je eenmaal weet dat iets onder specifieke omstandigheden is ontstaan, kun je je er ook van distantiëren. Het staat u vrij tegelijk moslim en katholiek te zijn, daar gaat Domitianus niet langer over. In die zin is oudheidkunde een bevrijdend, emancipatoir vak.

    Veel van die “ontstaan-claims” zijn overigens niet sociaalwetenschappelijk en overtuigend te bewijzen. En bovendien is het ontstaan van iets minder belangrijk dan het hedendaagse functioneren. Dus dit is geen heel sterke rechtvaardiging van de bestudering van het tijdperk.

    Een tweede, hiermee verwante rechtvaardiging is dat we zo nu en dan antieke ideeën kunnen reconstrueren en spiegelen met de onze. Wat een Aristoteles beweerde over vrouwen, zou in onze tijd ondenkbaar zijn, en roept de vraag op waarom wij zo anders denken.

    En dan is er nog het aspect waarop Rens Bod zo vaak attendeert: de modellen waarmee geesteswetenschappers hun onderzoek doen, beschrijven de werkelijkheid niet alleen maar vormen die ook. Ze hebben zélf agency. Ik adviseer iedereen om De vergeten wetenschappen te lezen. Oudheidkundig voorbeeld: de reconstructie van de Indo-Europese taalfamilie schiep het nationalisme in een voor ons herkenbare vorm.

    Tot zover de officiële redenen, waarmee de subsidiëring valt te rechtvaardigen. De voornaamste reden is echter een andere: het contact met het verleden is gewoon leuk. Net zoals het bijwonen van het North Sea Jazz festival, een vakantie in Limburg, een bezoek aan Museum Arnhem of het lezen van een roman, behoeft een liefde voor de Oudheid voor het niet-gesubsidieerde deel der mensheid geen rechtvaardiging.

    [Morgen meer]

    PS

    Ik deel altijd petities als oudheidkundige instellingen worden bedreigd, wat zo elke twee à drie maanden gebeurt. Soms pakt het gelukkig goed uit: de Vrije Universiteit in Amsterdam heeft aardwetenschappen (met een belangrijk isotopenlaboratorium) niet beëindigd.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

    Deel dit: #AccorsoDiBagnolo #agency #DerdeSamnitischeOorlog #Domitianus #FiscusJudaicus #Lucaniërs #nomadisme #Paestum #Redbad #RensBod #RomeinsRecht #schilderkunst #seizoensmigratie #speelfilm #Tamuda #vragenRondDeJaarwisseling
  5. Het scheiden der wegen

    Schema van het scheiden der wegen (klik=groot)

    Het is niet voor het eerst dat ik schrijf over het scheiden van de wegen van joden en christenen. Voor negentiende-eeuwse christenen was dat simpel: er was een Oud Verbond en omdat de joden Jezus van Nazaret niet hadden erkend als messias, was er een Nieuw Verbond, waarin de joden als verbondsvolk waren vervangen door de christenen. En voor joden was het ook al simpel: christendom was monotheïsme voor de export, maar niet het onversneden echte spul. Beide groepen – de negentiende-eeuwse christenen en de negentiende-eeuwse joden – claimden het tempeljodendom als hun eigen erfgoed en meenden dat de andere religie zich van de rechte leer had afgesplitst.

    De geschiedenis van het christendom werd lange tijd eigenlijk even simpel voorgesteld. Ooit was er een zuivere kerk geweest, waar links en rechts aftakkingen van waren, met één orthodoxe stroming die in een rechte lijn vanaf de apostelen ging naar het eigen kerkgenootschap.

    Al in de negentiende eeuw stond vast dat het complexer was. De Dode Zee-rollen en de publicatie van vroegchristelijke bronnen hebben dat bevestigd. Ik verzorg over deze materie weleens een cursus, en onlangs maakte ik daarbij het schema dat u hierboven ziet. Het is in deze vorm gemaakt door Kees Huijser, die wel vaker het grafische werk voor deze blog verzorgt. Ik beweer niet dat dit overzicht correct is; er is geen verband of lijn die niet ook anders kan zijn; maar het schema helpt om de stof te ordenen.

    Pluriform jodendom

    Helemaal links ziet u de situatie rond het jaar 150 v.Chr. In zijn Joodse Oorlog en Joodse Oudheden gebruikt de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus ongeveer dit moment om de stromingen te introduceren die volgens hem het normale jodendom vertegenwoordigen: de farizeeën, de sadduceeën en de essenen.

    Het is plausibel dat deze drie stromingen ontstonden door het conflict dat ligt besloten in de Dode Zee-rol die bekendstaat als 4QMMT, “Enige werken der Wet”. Volgens een mogelijke interpretatie richtte de auteur zich tot hogepriester Jonathan, om hem te waarschuwen voor de eerste farizeeën (“Belialsoverleg”) en te brengen tot de juiste, vroeg-sadducese opvattingen. Toen de hogepriester niet akkoord ging, splitste de groep rond de auteur van deze brief zich van de sadduceeën af en vormde de groep van de essenen. Althans, dat is een mogelijk scenario, dat is gebaseerd op de aanname dat de Dode Zee-rollen door de essenen zijn geschreven. Dat is maar de vraag.

    Als deze aanname correct is, zijn er ook meerdere esseense groepen geweest; de Dode Zee-rollen documenteren verschillen in opvatting en verschillende woonplaatsen. Ook de farizeeën waren verdeeld; vanaf het begin van de jaartelling waren er twee hoofdstromingen. De sicariërs, waarvan nogal eens wordt genegeerd dat ze ook niet-joodse leden hadden, waren overigens een farizese afsplitsing. De meeste joodse stromingen overleefde de ondergang van Jeruzalem in 70 niet.

    Het scheiden der wegen

    De Jezusbeweging kende ook twee takken, waarvan de joodse tak is vertegenwoordigd in de Didache (al zijn er andere interpretaties) en de niet-joodse in de brieven van Paulus en de evangeliën. Die zijn geschreven rond 70 (Marcus) en in de generatie er na. Er zijn geleerden die het evangelie van Johannes dan weer heel vroeg plaatsen en beweren dat dat “een game-changer” is, maar ik geloof er helemaal niks van. Ik noem het echter om nog eens te benadrukken dat het schema ook maar een vereenvoudiging is, ja een oververeenvoudiging.

    Meer oververeenvoudiging: Jochanan ben Zakkai organiseerde het rabbinaat en baseerde zich daarbij op een van de twee farizese stromingen. Helemaal onwaar is het niet, maar het rabbijnse jodendom dat zo kwam te ontstaan, heeft bredere wortels dan alleen het farizeïsme. De optekening van de Mishna, een verzameling rabbijnse wijsheid, toont dat joods leven mogelijk is in een samenleving die niet joods is. Er zijn geen Joodse machthebbers, met andere woorden – een gevolg van de opstand van Bar Kochba. Na 136 na Chr. moest men achttien eeuwen wachten voor een nieuwe Joodse staat in het land van Israël.

    Die Bar Kocha-opstand had een einde gemaakt aan de joodse christenen. Althans, daarvoor zijn aanwijzingen. Het is weer niet zo zeker allemaal. Wat wél zeker is, is dat op dat moment de rabbijnse joden en de christenen al uit elkaar aan het gaan waren. De door de Romeinse keizer Domitianus met ongebruikelijke hardheid geïnde belasting die bekendstaat als Fiscus Judaicus speelde daarbij een belangrijke rol, maar er waren meer factoren, waarover discussie bestaat.

    Pluriform christendom

    De andere, niet-joodse christenen waren verdeeld over allerlei oriëntaties en ideeën, die ik in dit schema achterwege heb gelaten. Egypte was een fabriek aan nieuwe opvattingen. In de tweede helft van de tweede eeuw organiseer Eirenaios van Lyon het nieuwe geloof, en zijn opvattingen staan aan het begin van de proto-orthodoxie.

    Er zijn op dat moment andere opvattingen. Montanisme, die het martelaarschap verheerlijken; gnostici, met een complexe mythe en eigen teksten, bekend uit Nag Hammadi. En er zijn nog meer opvattingen, die we niet altijd even goed kennen. De meeste mensen die Christus vereerden, deden dat in combinatie met de oude goden, en de scheiding van het langzaam groeiende rabbijnse jodendom was ook niet scherp. Over deze ideeën zijn we slecht geïnformeerd omdat latere, orthodoxe kopiisten dit materiaal zelden kopieerden. Soms, zoals in een hymne waarin Christus aan Apollo wordt gelijkgesteld, schemert er iets door.

    De keuze van Constantijn

    De bekering van Constantijn betekende dat het exclusivistische christendom (dat stelde dat als je Jezus vereerde, je hem als enige godheid aanvaardde en dus niet, zoals in de Oudheid gewoon was, de nieuwe god combineerde met de verering van de andere goden) de wind in de zeilen kreeg. Iets preciezer: binnen dit exclusivistische christendom steunde hij de proto-orthodoxe groep. Met het Concilie van Nikaia, dit jaar zeventien eeuwen geleden, werd dit de staatskerk van het Romeinse Rijk.

    Was de proto-orthodoxie de belangrijkste groep binnen het derde-eeuwse christendom, en was Constantijns specifieke keuze daarom voorspelbaar? Of was de proto-orthodoxie een van de vele christelijke oriëntaties, en was zijn keuze persoonlijk? Ik voor mij denk het laatste, maar er zijn geleerdere mensen die denken dat het proto-orthodoxe christendom dominant was, en sommigen denken dat die dominantie begon met Eirenaios, anderen denken dat het al eerder het geval was.

    Wat ik maar zeggen wil: dit schema is handig voor onderwijsdoelen, en wat mij betreft mag iedereen het gebruiken. Als je er maar bij zegt dat elk aspect discutabel is.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Wie schreef de Brief van Jakobus?

    oktober 26, 2025
    De zeven regels van rabbi Hillel

    april 3, 2022
    Byblos’ nymphaeum

    september 2, 2022 Deel dit:

    #4qmmt #constantijnDeGrote #didache #dodeZeeRollen #domitianus #eersteConcilieVanNikaia #eirenaiosVanLyon #essenen #exclusivistischeChristenen #farizeeen #fiscusJudaicus #flaviusJosephus #gnosis #jezusVanNazaret #jochananBenZakkai #jonathanDeMakkabeeer #messias #mishna #montanisme #nagHammadi #nietExclusivistischeChristenen #sadduceeen #scheidenDerWegen #sicariers

  6. Joods grafschrift (Museo delle terme, Rome)

    Voor wie Rome verliet, voerde de eerste mijl van de Via Appia langs een parkje waarvan men zei dat de legendarische koning Numa er nog eens met een bosnimf had gesproken, én door een joodse wijk. Joden mochten op de sabbat maar een beperkte afstand wandelen en vestigden zich daarom het liefst bij hun synagogen, zodat er in Rome verschillende joodse buurten waren, elk met een eigen gebedshuis en een eigen catacombe. De synagoge aan de Via Appia was genoemd naar Eleas of Elaias, maar het is onbekend wie of wat dat is geweest.

    Het is echter wel bekend dat de bewoners van deze buurt vrij sterk geromaniseerd waren. Dat blijkt uit de inscripties in de catacombe even voorbij de tweede mijlpaal van de Via Appia: merendeels in het Latijn, niet in het Grieks of een meer oostelijke taal. Deze joden waren overigens niet bepaald rijk. De dichter Juvenalis (ca.60 – ca.135) vertelt hoe hij hier eens een vriend tegenkwam die aan het verhuizen was, en geeft en passant een beschrijving van de armoedige levensomstandigheden:

    …Terwijl zijn huisraad in
    een wagen werd gepropt, stond hij nog eenmaal
    onder de bogenrij bij de poort Capena,
    een plek die altijd drupt. Iets verderop,
    waar koning Numa ’s nachts zijn nimf ontmoette,
    wordt nu het bos mét tempel en fontein
    verpatst aan de joden, die daar met hun mand
    en strozak scharrelen – want elke boomtak
    dient uitgebuit voor volk en vaderland
    en heel dit bos, sinds men de nimfen wegjoeg,
    staat in de bedelstand.noot Juvenalis, Satire 3.10-16; vert. Marietje d’Hane-Scheltema.

    De relatie tussen jodendom en christendom was vermoedelijk niet altijd even goed. althans niet toen de wegen uiteen waren gegaan, dus na de harde uitvoering van de Fiscus Judaicus door keizer Domitianus. De spanningen konden hoog oplopen, zoals blijkt uit het volgende incident, dat is beschreven door Hippolytus, die in 217 was afgezet als bisschop van Rome en vervangen door Callixtus (naar wie een christelijk catacombencomplex is vernoemd). Hippolytus deed een boekje open over het verleden van zijn opvolger: deze zou een slaaf zijn geweest van een christelijke hoveling, Karpoforos, voor wie hij een bank had beheerd. Callixtus had echter het geld van zowel zijn meester als zijn geloofsgenoten verduisterd, was ontdekt, gevlucht en gepakt. Karpoforos nam Callixtus weer in huis op en liet hem dienstdoen in een tredmolen.

    Na verloop van tijd kwamen enige broeders naar Karpoforos toe en ze spoorden hem aan de wegloper van zijn straf te ontslaan. Ze beweerden dat hij toegaf het geld bij bepaalde mensen te hebben gedeponeerd.

    Karpoforos, vroom als hij was, zei dat hij zich geen zorgen maakte over zijn eigen geld, maar wel over die deposito’s, want voortdurend beklaagden vele mensen zich bij hem, zeggend dat ze hun geld aan Callixtus hadden toevertrouwd omdat hij het ook deed. Hoe dan ook, hij liet zich overtuigen en liet hem van zijn straf ontslaan.

    Callixtus, die niets had om terug te geven en niet nog een keer kon weglopen omdat hij werd bewaakt, verzon een listige manier om te sterven. Op een sabbat gaf hij voor naar zijn schuldeisers toe te gaan, maar in feite stormde hij de stampvolle synagoge van de joden binnen, stelde zich daar op en verstoorde de bijeenkomst. Verstoord scholden de joden hem uit, gaven hem een pak slaag en sleepten hem naar de stadsprefect Fuscianus.

    Op zijn vraag wat er aan de hand was, antwoordden zij: “De Romeinen hebben ons toestemming gegeven de Wet van onze voorouders in het openbaar te bestuderen, maar deze kerel drong de synagoge binnen en door ons te verstoren verhinderde hij dat, en hij zei dat hij een christen was.”

    Terwijl Fuscianus zich op de rechterzetel bevond en zich ergerde over de woorden van de joden, ging iemand Karpoforos vertellen wat er gaande was. Hij haastte zich naar de rechterzetel en riep: “Ik smeek u, edelachtbare, geloof hem niet! Hij is namelijk helemaal geen christen, maar hij zoekt een gelegenheid om te sterven, omdat hij veel geld van mij heeft verduisterd, zoals ik zal bewijzen.”

    Omdat de joden dachten dat dit een smoes was en dat Karpoforos onder dit voorwendsel probeerde zijn slaaf vrij te krijgen, gingen ze nog erger te keer tegen de prefect. En onder hun invloed liet hij Callixtus geselen en stuurde hij hem naar de ertsmijnen in Sardinië.noot Hippolytus, Weerlegging van alle ketterijen 9.12.5-9; vert. Simone Mooij.

    We zien hier hoe Callixtus probeerde de gespannen verhoudingen in de wijk aan de Via Appia uit te buiten. Dit keer greep de overheid in voordat de zaken uit de hand liepen, maar er moeten soortgelijke incidenten zijn geweest die wel escaleerden, zodat mensen gewond raakten of de begeerde marteldood vonden.

    Ik organiseer in het voorjaar van 2025 een reis naar de Provence en een reis naar de vernieuwde musea van Beieren. Door mee te gaan helpt u deze blog gratis te houden. Maar u kunt natuurlijk ook een van mijn boeken kopen (en lezen), een cursus doen, of doneren. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    https://mainzerbeobachter.com/2024/11/07/joden-en-christenen-in-rome/

    #Callixtus #DerdeSatire #Domitianus #FiscusJudaicus #HippolytusVanRome #Juvenalis #Rome #sabbat #ViaAppia