home.social

#eusebiosvancaesarea — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #eusebiosvancaesarea, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Bleef Paulus in Rome? (2)

    Paulus (Teseum, Tongeren)

    In het vorige blogje legde ik uit dat het archeologisch onderzoek onder de Sint-Paulus buiten de Muren niet hielp om vast te stellen of Paulus na zijn gevangenschap in Rome in die stad was gebleven. De traditie geeft echter een duidelijk antwoord: Paulus is onthoofd tijdens de vervolging door Nero, die plaatsvond na de grote brand van Rome. Die woedde in de zomer van 64 en afgaand op het verslag van Publius Cornelius Tacitus liet de keizer enkele christenen levend verbranden. De bevolking, voegt Tacitus toe, was verontwaardigd over deze onmenselijke straf. Er is geen vermelding van Paulus.

    Clemens en Ignatius: geen Rome, geen Nero

    De marteldood van Paulus is echter in een oude bron vermeld: de Eerste Brief van Clemens. Die dateert vermoedelijk uit de laatste jaren van de eerste eeuw, misschien een tikje later.

    Door jaloezie en afgunst werden de grootste en rechtvaardigste steunpilaren van de kerk vervolgd en vochten zij tot de dood toe. Laten we de goede apostelen voor ogen houden: Petrus, die vanwege onrechtvaardige jaloezie niet één of twee, maar vele beproevingen onderging, en nadat hij zo zijn getuigenis had afgelegd, naar de glorieuze plaats ging die hem toekwam. Door jaloezie en strijd wees Paulus de weg naar de prijs van volharding; zevenmaal zat hij in de boeien, hij werd verbannen, hij werd gestenigd, hij was een verkondiger zowel in het Oosten als in het Westen, hij verwierf de edele roem van zijn geloof, hij onderwees de hele wereld in gerechtigheid, en toen hij de grenzen van het Westen had bereikt, legde hij zijn getuigenis af voor de heersers, en zo verliet hij de wereld en werd hij opgenomen in de Heilige Plaats, het grootste voorbeeld van volharding.noot 1 Clemens 5.2-7.

    Deze christelijke auteur, één generatie na de gebeurtenis, kon het martelaarschap van Paulus dus bekend veronderstellen. Maar Clemens noemt noch Rome, noch Nero, en als je alleen de twee Bijbelteksten zou kennen die ik aanhaalde in de eerste alinea van het vorige blogje, zou je concluderen dat Paulus verder is gereisd naar Spanje en daar aan zijn einde gekomen.

    Iets jonger (vermoedelijk) is de Brief aan de Romeinen van Ignatius van Antiochië, die in Syrië gevangen is genomen en op transport is gezet naar Rome. De arrestant schrijft dat hij hoopt door de beesten te worden verscheurd en zegt verder dat hij zijn Romeinse penvrienden geen instructies zal geven, zoals Petrus en Paulus deden. De vergelijking impliceert dat de apostelen zijn gemarteld, en dat de ontvangers van de brief dat wisten. Het enige dat dus vaststaat is dat ten tijde van Domitianus en Trajanus bekend kon worden verondersteld dat Paulus gewelddadig ter dood was gebracht.

    Het begin van de traditie

    We moeten, als ik het goed zie, ongeveer driekwart eeuw wachten op de volgende aanwijzing: de tekst die bekendstaat als Handelingen van Paulus. Deze tekst is fragmentarisch bekend, maar het slot is overgeleverd en bevat voor het eerst de elementen die we herkennen uit de latere traditie: Paulus is in Rome, waar hij op last van Nero wordt onthoofd. De aanleiding is dat hij een hoveling uit de dood heeft opgewekt (het verhaal is een kopie van een incident genoemd in de Handelingen van de Apostelennoot Handelingen 20.9.) waarna Nero onderzoek instelt. Paulus legt uit dat de wereld door vuur zal worden verwoest (ekpyrosis), waarop Nero de apostel laat onthoofden en enkele christelijke soldaten laat verbranden. Sommige Romeinen protesteren. Daarna verschijnt Paulus nog eens aan Nero en diens hoffilosofen en ook aan enkele rouwende christenen.noot Handelingen van Paulus 10. Hier ontstaat dus de traditie, en over de datering weten we alleen dat deze tekst kort voor 200 is geschreven, aangezien Tertullianus de tekst, volgens hem recent gepubliceerd, veroordeelt.

    Even later, begin derde eeuw, is er een kort fragment van Gaius, dat wordt geciteerd in de Kerkgeschiedenis van Eusebios van Caesarea. Ik heb het al eens eerder vermeld:

    Ik kan je de trofeeën van de apostelen aanwijzen. Als je de moeite neemt de Vaticaanse Weg of de weg naar Ostia te nemen, zul je de trofeeën zien van degenen die de kerk stichtten.

    Dit is consistent met de locatie van de twee basilieken, de Sint-Pieter en de Sint-Paulus. Ik zie geen reden te betwijfelen dat Constantijn de Grote de kerken heeft laten bouwen op plaatsen die in de tweede eeuw al werden vereerd.

    Impasse

    Toen ik dit blogje begon te schrijven, ging ik ervan uit dat de interpretatie er een zou zijn zoals die rond Petrus in Rome: eigenlijk weten we alleen dat hij ter dood is gebracht, maar naarmate de tijd verstrijkt, worden de verhalen steeds preciezer. Mensen waren ontevreden met het weinige dat ze wisten en voegden steeds meer details toe. Die interpretatierichting maakt Petrus’ verblijf in Rome net zo verdacht als de steeds nauwkeurigere locatie van Tartessos en de groei van het sprookje van Archimedes’ brandspiegels. Ik vermoedde dat het met Paulus niet anders zou zijn: steeds meer details en de verdenking dat alles bedacht is door mensen die ontevreden waren over het weinige dat ze wél wisten. Zo werkt legendevorming nou eenmaal.

    Maar nu ik eens rustig kijk naar de Handelingen van Paulus, krijg ik toch een andere indruk. De auteur van die late bron lijkt onafhankelijk van Tacitus een herinnering te bewaren aan een gebeurtenis waarbij Nero enkele christenen liet verbranden en de stedelijke bevolking protesteerde. De auteur van de Handelingen van Paulus lijkt niets te weten van de stadsbrand en verklaart de vorm van de executies daarom vanuit Paulus’ aankondiging van een wereldbrand. We hebben, lijkt mij, minimaal een onafhankelijke traditie voor Nero’s executies.

    Dat maakt de opmerking dat ook Paulus toen om het leven kwam, misschien net een tikje plausibeler. Deze auteur wist blijkbaar iets over de gebeurtenissen van een eeuw daarvoor. Het is echter geen doorslaggevend bewijs voor Paulus’ dood in Rome.

    Pleit dit vóór de traditie, er pleit ook iets tegen. Het gebeente in de sarcofaag is te jong. Dat betekent dat er in de tweede eeuw geen herinnering was aan het feitelijke graf. Het kan dus zijn dat Paulus is gedood in Spanje, want 1 Clemens laat zich moeilijk anders lezen. Het kan echter óók zijn dat Clemens die westelijke dood vermeldde omdat hij had gelezen dat Paulus het voornemen had naar Spanje te reizen.

    De conclusie van deze twee blogjes is dus dat we niet kunnen aannemen dat Paulus ten tijde van Nero in Rome is gedood, maar dat we ook niet kunnen aannemen dat het niet zo was. Zoals zo vaak: we weten het niet.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #brandVanRome #ConstantijnDeGrote #EersteBriefVanClemens #ekpyrosis #EusebiosVanCaesarea #HandelingenVanPaulus #IgnatiusVanAntiochië #interpretatierichting #martelaarschap #Nero #Paulus #Petrus #PubliusCorneliusTacitus #Rome #SintPaulusBuitenDeMuren #Tertullianus
  2. Petrus in Rome (2)

    Petrus krijgt van Christus de sleutels (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

    In het vorige blogje heb ik het literaire bewijs voor Petrus’ aanwezigheid in Rome uiteengezet. Het was ambigu. In dit blogje behandel ik het archeologische bewijs.

    In 1950 kondigde de paus aan dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in het geheim onder de Sint-Pietersbasiliek opgravingen waren verricht en dat een graf was gevonden dat wellicht van Petrus was geweest. Er waren bij dat graf ook botten gevonden, maar die waren op dat moment slechts oppervlakkig onderzocht. Dat de paus erover zweeg, was verstandig, want ze bleken afkomstig van twee mannen, een vrouw, een varken en een paard.

    Een rode muur

    Dit was echter niet het einde van het verhaal. Achter het graf hadden de opgravers een roodkleurige muur met een nis en een klein altaartje gevonden. Dit kon niet anders zijn dan het door Eusebios van Caesarea op gezag van Gaius genoemde tropaion. Op en rond die muur waren graffiti aangebracht die Petrus vermeldden. De opgravers haalden Margherita Guarducci erbij, een specialiste die al eerder de Wet van Gortyn had uitgegeven. Aan de hand van de graffiti concludeerde zij dat hier toch ergens het graf van Petrus moest zijn. Toen ze een van de arbeiders vroeg of er weleens botten bij die muur waren gevonden, antwoordde die van wel. Elke avond, als de opgravers naar huis gingen, was een Vaticaanse functionaris langs gekomen om de menselijke resten weg te nemen, aangezien die nou eenmaal netjes dienden te worden herbegraven.

    Guarducci wist deze botten te vinden en die bleken te behoren bij een man van ongeveer zestig. Het is denkbaar dat dit de resten zijn van iemand die ooit in het graf heeft gelegen, dat zeker ouder was dan die rode-muur-met-monumentje, aangezien het er onder ligt. De botten kunnen, zoals Guarducci opperde, op zeker moment zijn overgebracht vanuit het graf naar de nis in de muur; de aarde die tussen de botten is gevonden, correspondeert met die onder het oorspronkelijke graf. Dat is te dateren aan de hand van enkele naburige graven, die dezelfde oriëntatie hebben; in een daarvan is een olielampje en een dakpan gevonden uit de tijd van keizer Vespasianus (r.69-79).

    Kortom: de vondsten zijn consistent met de traditie. Dat het gaat om begravingen en niet om crematies, is niet beslissend voor het christelijke karakter, maar spreekt het ook niet tegen.

    We hebben alles bij elkaar:

    • Enkele simpele graven uit de tweede helft van de eerste eeuw, waaronder “het” graf, maar dat was zonder relevante menselijke resten;
    • Een daar overheen gebouwde rode muur met een monumentje en een nis, waarin botten zijn gevonden; deze muur lijkt te dateren uit het midden van de tweede eeuw, toen op de Vaticaanse heuvel nieuwe, meer monumentale graven kwamen;
    • Een derde-eeuwse steunmuur, die bewijst dat er toen mensen waren die nog zorg hadden voor deze plek;
    • De vierde-eeuwse basiliek van keizer Constantijn de Grote, gebouwd op een vrijwel onmogelijke helling, zodat kosten noch moeiten zijn gespaard om het gebouw precies op deze plek te plaatsen.

    De complicaties

    We weten dus met zekerheid dat de plaats ten tijde van Constantijn de Grote werd beschouwd als graf van Petrus. Wat mij betreft mag je terugrekenen naar het midden van de tweede eeuw, maar of die rode muur met nis (het tropaion) is opgericht op het echte graf van Petrus, en of de botten uit die nis echt van hem waren, dat is niet uit te maken. Er is immers geen manier om “Petrusheid” te meten. Als we nou wat DNA hadden van de leider van de vroege kerk, was dat anders.

    Een wezenlijker probleem is echter dat de opgraving gecompromitteerd is. Ze vond plaats in het geheim en de menselijke resten werden zonder afdoende wetenschappelijke documentatie verwijderd. Heel humaan natuurlijk: je gunt de doden een zo onverstoord mogelijke rust. Maar wetenschappelijk is dit rampzalig.

    Twee graven van Petrus

    En er is nog een gegeven. Rond het midden van de derde eeuw werd een Romeinse villa aan de Via Appia omgebouwd tot christelijke gebedsplaats. Een later door paus Damasus aangebrachte inscriptie vermeldt dat de apostelen Petrus en Paulus hier hadden verbleven en een andere inscriptie noemt dit het domus Petri, “het huis van Petrus”. De logische interpretatie is dat Petrus in de villa heeft gewoond, maar andere inscripties vermelden dodenmaaltijden (refrigeria). Dat suggereert dat deze plek, onder de huidige San Sebastiano, in de derde eeuw gold al het feitelijke graf van Petrus, en inderdaad vermeldt het vijfde-eeuwse Leven van Sebastianus dat deze heilige is begraven “bij de resten van Petrus en Paulus”.

    Al in de Late Oudheid is geprobeerd de twee tradities te harmoniseren: Petrus zou maar tijdelijk begraven zijn geweest aan de Via Appia. Ik zal die antieke speculaties verder negeren. Het punt is namelijk dat er in de derde eeuw blijkbaar nog een tweede plek was die gold als Petrus’ graf. (Dat kan hebben samengehangen met een kerkelijke ruzie, waarbij een Novatianus het gezag van paus Cornelius in twijfel trok.) Feit is: die tweede traditie kan alleen zijn ontstaan als in de derde eeuw het graf op de helling van de Vaticaanse heuvel niet al vanouds & onomstotelijk gold als de plek waar Petrus was begraven.

    Samenvattend: dat Petrus is geëxecuteerd is heel aannemelijk, dat dit is gebeurd in Rome is mogelijk, dat het ten tijde van Nero gebeurde valt te overwegen, en dat zijn graf onder de Sint-Pietersbasiliek ligt is denkbaar. Maar zekerheid zullen we er nooit meer over krijgen.

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Paestum

    december 16, 2023
    Circus Maximus (3)

    juli 5, 2023
    Brokerless kingdom

    januari 30, 2022 Deel dit: #Antiochië #ConstantijnDeGrote #Damasus #EusebiosVanCaesarea #graffiti #HandelingenVanPetrus #MargheritaGuarducci #NieuweTestament #Petrus #Rome #SintPietersbasiliek #ViaAppia
  3. Montanisme (2)

    Het Laatste Oordeel (Catacomben van Domitilla, Rome)

    In het vorige blogje vertelde ik over het optreden van Montanus, een profeet die leefde rond het midden van de tweede eeuw. Op gezag van ene Apollinaris van Hierapolis vertelt Eusebios van Caesarea iets over Montanus’ opvattingen. De kerkhistoricus heeft geen goed woord over voor die zogeheten Nieuwe Profetie.

    Montanus stond echtscheiding toe en legde vastenregels op. Hij riep de dorpjes Pepouza en Tymion in Frygië uit tot [Nieuw] Jeruzalem, om zo aanhangers te lokken. Verder stelde hij mensen aan die cadeaus aannamen en tevens ontwierp hij een systeem om geschenken te ontvangen alsof het bijdragen waren voor zijn kerk. Hij betaalde zelfs mensen om zijn dwaalleer te verkondigen.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 5.18.2.

    Schandelijk natuurlijk, dat je je personeel betaalt!

    Tot de montanisten behoorde ook iemand die een circulaire over de Nieuwe Profetie publiceerde en daarvoor in de gevangenis belandde. Over een andere montanist vernemen we dat hij wegens roof werd veroordeeld, maar zich wist vrij te kopen door collectegeld van een van de christelijke gemeenschappen in Efese.

    De volgende generatie

    Het liep niet goed af met Montanus. Apollinaris erkent niet heel goed van de details op de hoogte te zijn, maar noteert dat Montanus en Maximilla zich zouden hebben verhangen, “net als de verrader Judas”. Apollinaris’ aarzeling zou erop kunnen duiden dat Montanus en Maximilla ter dood zijn gebracht, wat in andere christelijke kringen kan zijn uitgelegd als zelfmoord. Immers, in de mondelinge overlevering kan het verschil tussen “ophangen” en “zich ophangen” verdwijnen, zeker als er een verontwaardigde parallel met Judas valt te scheppen.

    Op gezag van Apollinaris, die erkent dat het volgende slechts wordt verteld, vervolgt Eusebios:

    In brede kringen vertelt men dat een zekere Theodotos één van de eerste verkondigers was van die zogenaamde Nieuwe Profetie. Men zegt dat hij ooit in vervoering raakte en zich, vertrouwend op een verleidende geest, liet opheffen en werd opgenomen in de hemelen. Later werd hij neergeworpen en kwam ook hij op een akelige manier om het leven.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 5.11.14.

    Het is niet helemaal duidelijk waarom Apollinaris/Eusebios dit vermeldt, maar hij noemt onmiddellijk daarna uitspraken die zouden zijn geopenbaard door de geest van Maximilla.

    Ik word uit de kudde schapen verjaagd als ware ik een wolf. Ik ben echter geen wolf, maar ik ben het Woord, de Geest en de Macht.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 5.11.17.

    Misschien is het verband tussen deze twee stukjes informatie dat Theodotos deze woorden optekende.

    Van Montanus naar Eirenaios

    Eusebios’ beschrijving van het montanisme houdt hier op. Hij vervolgt met het optreden van Eirenaios van Lyon, een bisschop die zich in het laatste kwart van de tweede eeuw toelegde op het definiëren van de christelijke leer. Hij is een sleutelfiguur voor de proto-orthodoxie, die zich bij hem afbakent van andere vormen van christendom, zoals gnosis en montanisme. Eusebios heeft niet méér informatie over de montanisten, of onderdrukt die informatie omdat ze gênant was. Het waren namelijk niet de geringsten die er sympathie voor voelden: bisschop Hippolytus van Rome, bijvoorbeeld, en ook de belangrijke auteur Tertullianus.

    Laatstgenoemde vertelt dat een bisschop in Rome (vermoedelijk Hippolytus) de profetische gaven van Montanus, Priscilla en Maximilla had erkend maar dat later een zekere Praxeas deze (of een latere) bisschop van Rome vals had geïnformeerd en had verleid zijn erkenning van het montanisme weer in te trekken.noot Tertullianus, Tegen Praxeas 1.4.  Uit deze weergave volgt dat Tertullianus en een van Romes bisschoppen sympathiseerden met de Nieuwe Profetie.

    Latere bronnen

    Er zijn nog latere bronnen, die aan de montanisten allerlei nare eigenschappen toeschrijven, zoals incest. Montanus zelf zou eigenlijk priester zijn van Kybele. We bevinden ons hier in de sfeer van de antieke polemiek; over de religieuze vernieuwingen van keizer Heliogabalus vertelde men soortgelijke zaken. De toon was echter al eerder gezet: het is bijvoorbeeld ronduit misleidend als Apollinaris zegt dat Montanus echtscheiding propageerde, terwijl het feitelijk ging om vrouwen die hun echtgenoot verlieten.

    Ik wil nog eens naar dat latere materiaal gaan kijken, want ik heb nog nergens ontdekt waar sprake is van een maat op het lijden die vervuld moet worden. Martelaarschap? Ja. Eindtijdverwachtingen? Wie een “nieuw Jeruzalem” sticht, lijkt daar rekening mee te houden. Maar dat de wederkomst van Christus wordt bespoedigd als gelovigen de maat van het lijden sneller vulden en daartoe het martelaarschap opzochten, daarvoor heb ik (nog) geen aanwijzingen gevonden. De reageerpanelen staan voor u open.

    Hoezo dwaalleer?

    Ik lees dat het montanisme zich vanuit Anatolië verspreidde naar Italië en Africa. Maar waarschijnlijk is er iets anders aan de hand. Want zo vreemd zijn de ideeën nou ook weer niet die Eusebios op gezag van Apollinaris doorgeeft.

    • Glossolalie ofwel klankentaal staat vermeld in het Nieuwe Testament.
    • De Didache documenteert het optreden van profeten/apostelen.
    • Vrouwen hadden in het christendom lange tijd belangrijke taken.
    • Paulus had een visioen van een tenhemelopneming.
    • De Eindtijdverwachting behoort tot de kern van de christelijke leer.

    Hoe nieuw was die Nieuwe Profetie dus? Is het niet feitelijk een voortzetting van een oorspronkelijk, charismatisch christendom? Kan het zijn dat de vernieuwing juist zat bij mannen als Eirenaios van Lyon, die een kerk begonnen te organiseren, bepaalden dat er één leer moest zijn en die ook vastlegden? Was de feitelijke vraag in de late tweede eeuw niet wat bepalend was voor het geloof: de openbaring (al dan niet in de vorm van klankentaal) of een kerkelijk kader? Ik weet het allemaal niet, al zie ik dat deze vragen ook door anderen zijn opgeworpen. In elk geval: er valt nog veel te ontdekken, te verbazen, te genieten.

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Altijd te weinig bewijsmateriaal (1)

    oktober 23, 2017
    Damelen en kromedarissen in Hatra

    januari 31, 2022
    “Woestijnkunst” (bij gebrek aan betere naam)

    juni 1, 2019 Deel dit: #ApollinarisVanHierapolis #Efese #Eindtijd #EirenaiosVanLyon #EusebiosVanCaesarea #Frygië #glossolalie #gnosis #Heliogabalus #HippolytusVanRome #martelaarschap #montanisme #Montanus #Tertullianus
  4. Montanisme (1)

    Een christelijke maaltijd op een tweede- of derde-eeuwse wandschildering uit de catacomben van Callixtus, Rome

    Hoe je ernaast kunt zitten hè, hoe je er toch naast kunt zitten. Ik noem op deze blog weleens het montanisme. Dat is een vorm van christendom uit de tweede en derde eeuw. “Het” christendom, met een uitgewerkte doctrine, zou pas later ontstaan, toen het nieuwe geloof niet langer werd vervolgd en zich onder keizerlijk toezicht begon te organiseren. Het Eerste Concilie van Nikaia in 325 is hierbij beslissend geweest: toen ontstond iets wat we orthodoxie kunnen noemen. Dat wil overigens niet zeggen dat er voordien niets was dat daarop leek. Het wil wél zeggen dat in de tweede en derde eeuw de proto-orthodoxie (die onder meer behelsde dat wie Christus vereerde niet ook andere goden mocht vereren) nog één stroming onder meerdere was. Veel van die christendommen staan bekend onder de parapluterm gnosis. En er was dus montanisme.

    Ik dacht dat ik wist wat het was, want ik had er eens college over gehad. Let wel: dat is dus dik vijfendertig jaar geleden. De docent had uitgelegd dat het ging om een groep uit het huidige Turkije die geloofde dat Christus spoedig zou terugkeren, namelijk wanneer het lijden van de mensheid compleet was. Als iedereen het martelaarschap aanvaardde, zo zouden de montanisten hebben gedacht, was de maat van het menselijk lijden eerder vol en zou de Eindtijd sneller beginnen. Dit gedachtegoed, waarover we zijn geïnformeerd door de Kerkgeschiedenis van Eusebios van Caesarea, beïnvloedde onder meer de christelijke auteur Tertullianus.

    Wat montanisme niet is

    Ik heb me nooit speciaal verdiept in deze materie en heb voetstoots aangenomen wat destijds werd verteld. Het paste bovendien bij andere informatie, namelijk dat andere christelijke groepen het zelfgekozen martelaarschap afwezen als zelfmoord. Een “erkende” martelaar doet geen pogingen de gewelddadige dood te ontwijken, maar zoekt die ook niet op: dat standpunt leek me een zinvolle reactie op de montanisten. Kortom, ik twijfelde niet aan wat me was verteld.

    Tot ik dit blogje begon te schrijven. Ik verifieerde nog eens dat de montanisten geloofden dat er een maat was op het lijden en dat ze Christus’ terugkeer wilden versnellen door het martelaarschap te zoeken. Ik vond echter weinig dat erop wees. Ik herlas Eusebios en vond niets. Montanistische Eindtijdverwachtingen? Ja. Montanistisch martelaarschap? Dat zeker. Maar dat je de terugkeer van Christus kon bespoedigen, daarvoor vond ik niets. Gek genoeg had ik bij eerdere lezing van Eusebios niet herkend dat hij die maat op het lijden niet vermeldde.

    Montanus

    Wat was het montanisme dan wel? Ik volg de beschrijving van Eusebios. Niet omdat die 101% betrouwbaar is, want ook een bisschop is maar een mens met vooroordelen, maar omdat zijn beschrijving teruggaat op een bron rond het jaar 200, Apollinaris van Hierapolis. Dat is de oudste bron die we hebben. Eusebios is echter vooringenomen en maakt meteen duidelijk dat hij geen enkel respect voor Montanus heeft.

    In Asia en Frygië kropen de valse overtuigingen als gifslangen over de aarde. Men beweerde dat Montanus de “Pleitbezorger” was en dat zijn vrouwelijke volgelingen Priscilla en Maximilla zijn profetessen waren.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 5.14.

    In het Evangelie van Johannes kondigt Jezus de komst van een Pleitbezorger (“Parakleet”) aan.noot Johannes 14.16-17. De orthodox geworden uitleg betrekt deze passage op de komst van de Heilige Geest, vermeld in de Handelingen van de Apostelen,noot Handelingen 2. maar in de tweede en derde eeuw sprak die gelijkstelling nog niet vanzelf. (Bedenk dat boekbezit zeldzaam was, zodat iemand die een Johannes bezat, niet per se ook Handelingen kende.) Mani, de grondlegger van het manicheïsme, meende in de derde eeuw dat hij de beoogde Pleitbezorger was; en van Montanus werd het rond het midden van de tweede eeuw blijkbaar ook gezegd.

    Montanus’ claim bleef niet onweersproken. De “onoverwinnelijke macht der waarheid” zorgde ervoor dat hij tegenstanders kreeg, waarvan Eusebios meldt dat hun verzet in diverse bronnen is gedocumenteerd. Helaas kennen wij die bronnen niet, al weten we dat Eusebios beschikte over een goede bibliotheek. Eusebios citeert dus Apollinaris van Hiërapolis, die vertelt dat hij in Ankara had vernomen van het bestaan van de afvalligen die zichzelf aanduidden als “de nieuwe profetie”. Deze zou teruggaan op Montanus, een recente bekeerling uit het Frygische dorp Ardabau, die veertig jaar vóór Apollinaris in extase allerlei klanken had uitgeslagen die werden uitgelegd als profetie. Dit verschijnsel staat bekend als glossolalie, “spreken in tongen”. De duivel – althans, zo citeert Eusebios de tekst van Apollinaris – stuurde een “verleidende geest”, die ervoor zorgde dat Montanus aanhangers kreeg, waaronder de twee profetessen, die hun echtgenoten verlieten om Montanus te volgen. Op naam van Maximilla werden later profetieën overgeleverd.

    [wordt vervolgd]

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Etniciteit in de Romeinse Maasvallei

    april 20, 2024
    De Tweede Sofistiek

    december 21, 2023
    Janus

    mei 6, 2015 Deel dit: #ApollinarisVanHierapolis #EersteConcilieVanNikaia #Eindtijd #EusebiosVanCaesarea #EvangelieVanJohannes #Frygië #glossolalie #gnosis #Kerkgeschiedenis #martelaarschap #montanisme #Montanus #Parakleet #protoOrthodoxie #Tertullianus
  5. De Kerkgeschiedenis van Eusebios

    Het Concilie van Nikaia (negende-eeuws manuscript uit Vercelli)

    De Kerkgeschiedenis van Eusebios van Caesarea is om verschillende redenen een interessante tekst. Om te beginnen natuurlijk om dat wat de auteur betoogt: dat het christendom weliswaar van diverse kanten wordt bedreigd maar dat de bisschoppen de gelovigen in het rechte, orthodoxe spoor houden. Die gedachte is eigenlijk best opmerkelijk, want de meeste Romeinen waren niet van mening dat er, in religieuze zin, zoiets bestond als orthodoxie. Zolang de offers maar op de juiste manier werden gebracht, was alles dik in orde.

    Van proto-orthodox naar orthodox

    Voor de christenen lag dat anders: in de eerste drie eeuwen van dit geloof waren er allerlei christelijke opvattingen, en langzaam maar zeker zette de opvatting door dat wie Christus vereerde niet ook andere goden mocht vereren. De aanhangers van deze opvatting staan bekend als proto-orthodoxe of exclusivistische christen. Tijdens het door keizer Constantijn de Grote voorgezeten Eerste Concilie van Nikaia (325) werd deze visie normatief. Tegelijk werd bepaald dat er maar één orthodoxe manier was om over Christus te denken: de tweenaturenleer.

    In het decennium voor het concilie schreef Eusebios de Kerkgeschiedenis, waarin hij het bestaan van een orthodoxie veronderstelde. Hij doet dat door alles wat van de ware leer afweek, te presenteren als dwaalleer of dwaasheid. Tevens benadrukt hij, zoals gezegd, het belang van de bisschoppen als hoeders van de orthodoxie. Zowel ketterijen als vervolgingen hebben zijns inziens te maken met mensen die niet luisterden naar hun bisschop, of bisschoppen die tekortschoten in hun herderlijke taak.

    Joodse invloeden

    Dit is overigens een idee dat we ook in de toenmalige joodse literatuur aantreffen. Als er iets mis ging, had dat te maken met tekortschietend rabbijns toezicht. Een andere overeenkomst tussen Eusebios’ boek en het toenmalige joodse denken is het idee van de “apostolische successie”: een bisschop weet wat hij moet doen omdat hij het leerde van zijn voorganger, die het weer wist van zijn voorganger, die het weer had van een eerdere generatie, en zo terug, dieper en dieper, naar de apostelen en Christus. Eusebios biedt in zijn Kerkgeschiedenis dus diverse lijsten van bisschoppen. Bij wijze van voorbeeld noem ik de bisschoppen van Jeruzalem:

    De eerste was Jakobus, die de “broeder van de Heer” werd genoemd. Na hem kwam als tweede Simeon. De derde was Justus. De vierde Zaccheüs, de vijfde Tobias, de zesde Benjamin, de zevende Johannes, de achtste Matteüs, de negende Filippos, de tiende Seneca, de elfde Justus, de twaalfde Levi, de dertiende Efres, de veertiende Jozef, en tot slot was Judas de vijftiende. Dit waren de bisschoppen van Jeruzalem vanaf de tijd van de apostelen.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 4.5.3-5.

    We vinden ditzelfde idee van opvolging/inwerking ook terug in het indrukwekkende Mishna-traktaat Aboth, waarin het leergezag op identieke wijze wordt overgedragen: van Mozes naar Jozua en dan via via naar de farizeeën en de rabbijnen.

    Documenten

    Een andere reden waarom de Kerkgeschiedenis van Eusebios zo boeiend is, is zijn systematische gebruik van documenten. Opnieuw een joodse gewoonte: al in het Bijbelboek Ezra-Nehemia worden brieven geciteerd. Dat is niet heel anders dan in de Griekse redevoeringen van diezelfde tijd, waarin sprekers hun betoog nogal eens onderbreken door voor te lezen wat er in deze of gene wet staat. Citaten zijn dan dus autoriteitsclaims.

    Dit gebruik uit de rechtspraak heeft in de Griekse geschiedschrijving weinig navolging gevonden. Een geciteerd document is immers een stijlbreuk en Griekse (en Romeinse) auteurs parafraseerden liever. En als ze al documenten citeerden, moeten wij er rekening mee houden dat die zijn verzonnen, zoals de toenmalige geschiedschrijvers ook nogal wat toespraken verzonnen. Het citeren van een valse bron duidt niet per se kwaadwillendheid; auteurs kunnen natuurlijk ook naïef zijn, zoals hedendaagse rectoren en journalisten die fictieve citaten ontlenen aan artificiële intelligentie.

    Dit alles roept de vraag op hoe authentiek Eusebios’ documenten zijn – en dus hoe betrouwbaar zijn Kerkgeschiedenis is. Hij citeert dus bisschopslijsten die teruggaan tot op de apostelen, maar we hebben het zeer sterke vermoeden dat het bisschopsambt eigenlijk pas in de tweede eeuw is gegroeid. Dat wil niet per se zeggen dat de informatie onwaar is, want ook zonder de titel “bisschop” kunnen er leiders zijn geweest, maar het dwingt wel tot nadenken. Van de andere kant: waar we Eusebios kunnen controleren, zoals wanneer hij Flavius Josephus aanhaalt, is hij vrij correct. Een door hem geciteerde brief waarover twijfel heeft bestaan, is later als papyrus teruggevonden.

    Ik ben dus al met al geneigd tot in dubio pro Eusebio. In elk geval kon hij in Caesarea beschikken over een goede bibliotheek, waar hij de geciteerde documenten inderdaad zou kunnen vinden. Tegelijk: daar kon hij ook teksten vinden van auteurs wier opvattingen hij, levend in de vierde eeuw, niet deelde. Die citeert hij dus niet. Hij citeert alleen wat hem te pas komt en vervalst het verleden door dingen weg te laten. De confirmation bias dus.

    Invloed

    Eusebios’ verslag loopt tot het moment waarop Constantijn alleenheerser is. Een kleine eeuw later kreeg hij opvolgers met twee nieuwe kerkhistorici: Sokrates en Sozomenos. Zij vervolgden het verhaal tot in de vijfde eeuw. Rufinus deed iets soortgelijks: hij vertaalde Eusebios in het Latijn en voegde twee boeken toe. Zij schreven elk een vervolg op Eusebios’ Kerkgeschiedenis. Zoiets heet een continuatie en zo’n auteur – u raadt het nooit – heet een continuator. Die continuaties kregen ook weer continuaties, en daarop volgden de excerpten. Dat is zeker duizend jaar zo doorgegaan.

    En daarmee bleef Eusebios’ Kerkgeschiedenis, die een heel selectief beeld gaf van de eerste drie eeuwen van het christendom, lange tijd de standaard. Het is nog steeds lastig ervan los te komen, en mede daarom zijn gnostische teksten als die uit Nag Hammadi zo vreselijk belangrijk.

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Tongeren

    september 15, 2018
    Eutropius (9): Vorstenspiegel

    september 28, 2019
    Hoe kennen we de Romeinen? (2)

    mei 4, 2015 Deel dit: #Aboth #apostolischeSuccessie #confirmationBias #ConstantijnDeGrote #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #exclusivistischeChristenen #Kerkgeschiedenis #orthodoxie #protoOrthodoxie #Rufinus #SokratesKerkhistoricus #Sozomenos
  6. Pontius Pilatus (6) Besluit

    Kopie van de inscriptie van Pontius Pilatus uit Caesarea.

    [Dit is het laatste van zes blogjes over Pontius Pilatus. Het eerste was hier.]

    Prefect

    Ik heb in de vorige vijf blogjes verteld dat de evangelisten, Filon van Alexandrië en Flavius Josephus de voornaamste bronnen zijn voor de loopbaan van Pontius Pilatus. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus noemt de man ook een keer, en typeert hem als procurator. Hij was feitelijk prefect. Dat weten we uit bovenstaande inscriptie, gevonden in 1961 in Caesarea Maritima, de residentie van de gouverneur van Judea. Ik heb er al eens over geblogd.

    De ene helft van de steen is beschadigd, maar we kunnen de andere helft lezen:

    . . . . S TIBERIEUM
    . . [Po]NTIUS PILATUS
    [praefe]CTUS IUDA[ea]E
    [ref]ECI[it]

    Dit betekent dat Pontius Pilatus, de prefect van Judea, iets heeft hersteld dat Tiberieum heette. Wat dat zou moeten zijn geweest, is vooralsnog onbekend, maar het is aannemelijk dat het een tempel was ter ere van keizer Tiberius.

    Vroegchristelijke bronnen

    En dan is er de vroegchristelijke literatuur. De auteur Tertullianus beweert in zijn Apologeticum dat Pontius Pilatus in zijn hart eigenlijk een christen was geweest. De kerkhistoricus Eusebios van Caesarea “weet” dat Pilatus zelfmoord pleegde uit berouw over de executie van Jezus.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 2.7.1. Augustinus, de invloedrijke bisschop van Hippo, rangschikt Pilatus in een van zijn preken onder de profeten.noot Preek 201.

    Het zogenaamde graf van Pilatus in Vienne

    Nog latere bronnen beweren dat Pilatus is verbannen naar Gallië, waar men in Vienne zelfs een graf aanwijst. In het gebied van de westelijke Alpen was in de Middeleeuwen een soort verering van de Romeinse magistraat, zodat we ook een berg kennen die Pilatus heet.

    In de Dom van Spiers heeft Pilatus de trekken van Napoleon

    Zo zijn er meer legendes. Die bevatten geen van alle informatie die relevant is voor de reconstructie van Pilatus’ leven. Ze documenteren vooral hoe christelijke schrijvers de Romeinse gezagdrager benutten als getuige dat de christenen geen gekruisigde crimineel aanbaden. Pilatus’ aarzeling, ooit, in Jeruzalem, moest bewijzen dat christenen geen bedreiging vormden voor de Romeinse samenleving.

    De Handelingen van Pilatus

    Ten slotte is er de tekst die bekendstaat als de Handelingen van Pilatus, een soort verslag van de dood van Jezus, waarin Pontius Pilatus sympathie betoont voor degenen die niet willen dat Jezus wordt gekruisigd. De tekst dateert uit de Late Oudheid, vermoedelijk de vijfde eeuw. Maar er is iets raars mee aan de hand: ze wordt geciteerd in de tweede eeuw. De christelijke auteur Justinus de Martelaar verwijst er tweemaal naar in zijn Eerste Apologie. Hij vertelt dat Pilatus in zijn Handelingen bevestigt dat soldaten hebben gedobbeld om Jezus’ kleed en dat Jezus de lammen had doen lopen, de stommen had doen spreken, de blinden had laten zien, de melaatsen had genezen en de doden had laten herleven.

    De genoemde wonderen behoren tot het antieke standaardrepertoire – ook keizer Vespasianus zou een lamme hebben laten lopen en een blinde hebben laten zien. Ik zou vreemd opkijken als de door Justinus aangehaalde tekst werkelijk het rapport was dat een zelfingenomen Pontius Pilatus naar keizer Tiberius heeft verzonden. Zo’n brief is er vast en zeker geweest, en daarin kan heus hebben gestaan dat aan de “koning der Joden” wonderbaarlijke genezingen werden toegeschreven, maar het is moeilijk voorstelbaar dat Justinus dat ambtsbericht in de Romeinse rijksarchieven zou hebben weten terug te vinden. Maar hij kan een oerversie van de vijfde-eeuwse Handelingen van Pilatus hebben gelezen, en dan hebben we een mooie aanwijzing voor het ontstaan van de christelijke literatuur – meer precies, voor een heel vroege christelijke briefroman.

    Tot slot

    Pontius Pilatus is een mooi voorbeeld van wat we eigenlijk weten over de Oudheid. Als hij niet iemand had laten kruisigen die later door honderden miljoenen als een godheid zou worden vereerd, zou hij volstrekt vergeten zijn. Voor de lezers van Filon van Alexandrië en Flavius Josephus was hij een Romeinse bestuurder waarvan er dertien gingen in een Romeins dozijn, met een aantal historiografische complicaties (mandaat? speelruimte?) waarvan er ook dertien gaan in een oudheidkundig dozijn.

    Combineer de vooringenomenheid van de bronnen met het betrekkelijke toeval waarmee die bronnen tot ons zijn gekomen. De conclusie moet zijn: de informatie die we hebben over de Oudheid is nogal willekeurig. We weten simpelweg niet of we documentatie hebben over de belangrijkste gebeurtenissen, personen en ideeën.

    Dit probleem staat bekend als de positivistische misvatting: het idee dat je er als geschiedkundige wel bent als je een verhaal baseert op bronnen. Maar dat is naïef positivisme. De impliciete aanname is dat de tot ons gekomen bronnen niet alleen representatief zijn, maar ook onbevooroordeeld. En zo is het dus niet. Voor elke Pilatus zijn tientallen bestuurders die niet van de vergetelheid zijn gered door een opvallend doodvonnis.

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Wie is de god der joden?

    maart 8, 2026
    De messiaanse maaltijd

    januari 23, 2022
    Oxyrhynchos (1)

    februari 17, 2023 Deel dit: #Augustinus #CaesareaMaritima #EusebiosVanCaesarea #inscriptie #Judea #JustinusDeMartelaar #naïefPositivisme #PontiusPilatus #positivistischeMisvatting #prefect #procurator #Tertullianus #Vienne
  7. Het Ware Kruis (1)

    Helena (Capitolijnse Musea, Rome)

    In het jaar 326 bezocht Helena, de moeder van Constantijn de Grote, het Heilig Land. Haar zoon had haar kort daarvoor de rang van augusta gegeven, wat je zou kunnen vertalen als “keizerin”, al betekent het niet dat ze beleid kon maken, uitvoeren of controleren. Ze had echter wél toegang tot de keizerlijke schatkist en kon daardoor het initiatief nemen tot bouwprojecten. In Betlehem legde ze de eerste steen voor de Geboortekerk, in Jeruzalem voor een kerk op de Olijfberg. Een van de aanwezigen was bisschop Eusebios van Caesarea, die enkele jaren later in zijn Leven van Constantijn verslag deed van het bezoek en de werkzaamheden.noot Eusebios, Leven van Constantijn 3.41-42.

    Kruisvinding

    Wat hij daarbij niet vermeldt, is dat Helena bij die gelegenheid het Ware Kruis zou hebben gevonden: het kruis waaraan Jezus dood zou zijn gemarteld. Christenen hebben de vondst eeuwenlang herdacht met het feest van de Kruisvinding.

    Een latere legende vertelt dat Helena op de plek van de Grafbasiliek niet minder dan drie kruisen zou hebben gevonden en had vastgesteld welk het echte was, door het houtwerk te gebruiken om een zieke mee aan te raken. Bij het Ware Kruis genas deze in een handomdraai. De keizerin nam dat kruis mee naar Rome, waar het nog eeuwenlang vereerd zou worden in een kerk die was ingericht in een voormalig keizerlijk paleis, de kerk van Santa Croce in Gerusalemme.

    De kapel bestaat nog steeds en u vindt er ook het bordje met het opschrift “Jezus van Nazaret, koning der Joden”, de spijkers waarmee Jezus werd vastgenageld aan het hout, doornen van de doornenkroon, een stukje van de paal waaraan Jezus was vastgebonden bij de geseling, de dwarsbalk van het kruis van de goede moordenaar, een vinger van de ongelovige Thomas en – de laatste keer dat ik er was – een bisschoppelijk goedgekeurde expositie die betoogde dat de Lijkwade van Turijn echt authentiek was en dat wetenschappers met hun koolstofdateringen er niks van begrijpen. Getuige het beledigende mailtje dat ik vorige week ontving zijn er nog steeds mensen die niet willen begrijpen wat wetenschap is.

    De kapel in de Santa Croce, Rome

    Vroege kruisverering

    De legende zijn pas later ontstaan en de vraag dringt zich op waar ze vandaan komt. Eén ding is zeker: Eusebios weet van niets, terwijl hij een ontdekking als deze, als hij er bij was geweest, zeker niet onvermeld zou hebben gelaten. Maar er circuleerden al verhalen over het kruis. Het tweede-eeuwse, apocriefe Evangelie van Petrus bevat bijvoorbeeld een exuberante beschrijving van Jezus’ opstanding, waarbij – ik verzin het ook niet – het kruis sprekend wordt opgevoerd.

    Deze tekst illustreert dat er mensen waren die het kruis beschouwden als een belangrijk onderdeel van hun geloof. Een inscriptie uit de omgeving van het Algerijnse Sétif documenteert de verering van “hout van het kruis uit het Beloofde Land” in het jaar 359.noot EDCS-70200001.. Je zou je kunnen voorstellen dat geestelijken die wilden benadrukken dat Christus weliswaar goddelijk was maar ook echt als mens had geleden, lichamelijk dus, als eersten het materiële aspect van de kruisiging hebben benadrukt. Er was in elk geval voldaan aan de voorwaarden om relikwieën van het kruis te gaan vereren.

    De eerste zekere vermelding van de verering van het kruishout in Jeruzalem is te vinden bij Egeria, een voorname pelgrim die Jeruzalem bezocht rond het jaar 383. Ze vertelt:

    Dan wordt een zetel voor de bisschop neergezet, achter het kruisbeeld dat daar nu staat. De bisschop neemt plaats op de zetel; een tafel met een linnen kleed wordt voor hem neergezet en rondom de tafel staan dia­kens. Dan brengt men een verguld zilveren kistje met daarin het heilige hout van het kruis: het wordt geopend en men haalt het eruit en het wordt op de tafel gezet, zowel het hout van het kruis als het opschrift.

    Zodra dat op tafel is gezet, houdt de bisschop met beide handen, zittend, de uiteinden van het heilig hout vast, terwijl de rondom staande diakens het bewaken. De reden van die bewaking is deze: het is gewoonte dat men een voor een naar voren komt, heel het volk, zowel gelovigen als doopleerlin­gen, en voorover buigt naar de tafel, het heilig hout kust en dan verder loopt; maar ooit, ik weet niet wanneer, heeft iemand naar men zegt erin gebeten en een stukje van het heilig hout gestolen. Daarom wordt het nu door de rond­om staande diakens bewaakt, zodat niemand die naar voren komt dat nog eens durft te doen.noot Egeria, Reisverslag 37; vert. Vincent Hunink.

    Uit de daarop volgende jaren zijn meer verslagen, waarin we de legende beginnen te herkennen. Misschien is er overigens een vermelding vóór Egeria. Kyrillos, die tussen 350 en 386 bisschop was van Jeruzalem, noemt dat in de Grafbasiliek Golgotha werd vereerd en dat “de hele wereld is gevuld met stukken kruishout”.noot Kyrillos van Jeruzalem, Mystagogische Katechese 4.10 en 13.4. Hoewel hij niet expliciet zegt dat ook in Jeruzalem het kruis werd vereerd, lijkt het er wel op. Het probleem is dat de datering van deze tekst niet helemaal duidelijk is. Steeds meer onderzoekers plaatsen ze tegen het einde van Kyrillos’ leven of nemen aan dat de teksten niet door hemzelf zijn geschreven.

    Constantijn en Helena (Madaba)

    Dit lijkt zeker: er circuleerden al vroeg verhalen over het kruis; relieken werden al vroeg overal vereerd; na 380 is er documentatie voor verering van het kruis in Jeruzalem. Je zou zeggen: het begon met de verering van crucifixen, waaruit in het derde kwart van de vierde eeuw de verering van het Ware Kruis in Jeruzalem is ontstaan, samen met de kiemen van een legende dat dit stuk hout door Helena was gevonden tijdens de regering van Constantijn.

    [Wordt vervolgd]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    1700 jaar Nikaia (6): bronnen

    mei 21, 2025
    Thermoluminescentie (en wat dat betekent)

    november 4, 2024
    Possidius’ Augustinus

    januari 23, 2017 Deel dit:

    #ConstantijnDeGrote #Egeria #EusebiosVanCaesarea #EvangelieVanPetrus #Golgotha #Grafbasiliek #HelenaKeizerin_ #Jeruzalem #koolstofdatering #Kruisvinding #KyrillosVanJeruzalem #LijkwadeVanTurijn #Sétif #WareKruis

  8. 1700 jaar Nikaia (6): bronnen

    Ik heb in de voorafgaande blogjes al een paar keer verteld dat de handelingen (actae) van het Concilie van Nikaia verloren zijn gegaan en dat de deelnemerslijst (Synodikon) een reconstructie is. Die is bovendien overgeleverd in uiteenlopende talen en versies, wat ons confronteert met een uitdagend tekstkritisch probleem. We zijn voor onze informatie over de kerkvergadering aangewezen op andere bronnen. Gelukkig zijn die er.

    Antieke geschiedschrijving

    Om te beginnen is er het boek dat Eusebios van Caesarea veertien jaar na de gebeurtenissen publiceerde: het Leven van de zalige keizer Constantijn. Deze terugblik is een invloedrijke tekst, die ook ten grondslag ligt aan de legende dat Constantijn aan de vooravond van de veldslag tegen zijn rivaal Maxentius aan de hemel een lichtend kruis zou hebben gezien en zich na dat visioen tot het christendom zou hebben bekeerd.

    Voor zover ik kan overzien heeft Eusebios over het Concilie van Nikaia nergens gelogen, maar is hij wel selectief. Dat komt deels doordat hij Constantijn portretteert als ideale heerser en deels doordat hij liever onvermeld laat dat hij zelf aanvankelijk sympathiseerde met Areios. Eusebios liet zich tijdens de vergadering echter overtuigen en stuurde na afloop een brief naar huis waarin hij de geformuleerde geloofsbelijdenis toelichtte.

    Die brief is een van de weinige primaire bronnen over het Concilie van Nikaia. We beschikken daarnaast, zoals in eerdere blogs aangegeven, over de Armeense tekst van een deel van de uitnodiging. Verder is er wat correspondentie: de brief die de vergadering van bisschoppen stuurde naar de kerk in Egypte en twee brieven van Constantijn. Een derde keizerlijk schrijven betreft de verbanning van twee bisschoppen uit Bithynië. Deze correspondentie wordt geciteerd door de kerkhistorici Sokrates en Theodoretos.

    Daarnaast kennen we de in Nikaia genomen beslissingen (de canones) in een bewerkte, Byzantijnse versie en in een ingekorte versie van de kerkhistoricus Rufinus. De beste versie lijkt de Aramese te zijn, te vinden in de Armeense collectie waar ook de uitnodiging toe hoort. Het besluit over de paasdatum is volledig overgeleverd in de Latijnse vertaling van bisschop Caecilianus van Karthago.

    Alles bij elkaar hooguit vijf of zes A4tjes: meer primaire bronnen zijn er niet. Met Athanasios van Alexandrië en Eusthathios van Antiochië, allebei onverzoenlijke tegenstanders van Areios, komen we al in de sfeer van de terugblik. En met de vier kerkhistorici Rufinus, Sokrates, Sozomenos en Theodoretos zitten we driekwart eeuw later. Dit zijn secundaire bronnen. Dat zij het echter eens zijn over bepaalde zaken die niet bij Eusebios te vinden zijn, suggereert dat er minimaal één andere door dit viertal gedeelde bron is geweest die zij betrouwbaar achtten. Vermoedelijk waren het meer bronnen.

    Ze zijn echter, zoals zo vaak in de Oudheid, verloren gegaan. We mogen nog wel hopen op de publicatie van Armeens en Aramees materiaal, want dat is nog lang niet allemaal uitgegeven.

    Moderne geschiedschrijving

    Als ik afga op de bezoekersaantallen, dan zijn de voorafgaande vijf blogjes u goed bevallen. De stof is boeiend genoeg. Ongeacht wat men denkt van het moderne christendom: in 325 is dat ontstaan in een voor ons herkenbare vorm. Dat geeft het onderwerp een zeker belang.

    Het is daarnaast ook wetenschappelijk interessant, want we kunnen de continuïteit van toen tot nu documenteren. Ik houd niet van claims dat in de Oudheid dingen zijn ontstaan die nog steeds bestaan, want de bewering dat een aspect van de ene, antieke samenleving de andere, moderne samenleving beïnvloedt, is sociaalwetenschappelijk van aard, terwijl oudheidkundigen zulke claims zelden met het sociaalwetenschappelijk instrumentarium onderbouwen. Anders gezegd: menig oudheidkundige bedrijft simsalabimsociologie. In dit geval is echter overtuigend aan te tonen dat een gebeurtenis uit een oude cultuur vormende werking (agency) heeft op onze cultuur.

    Tel uit je winst. Als je als oudheidkundige eens wil tonen wat je vak inhoudt, dan heb je met het Concilie van Nikaia een dijk van een thema. Het onderwerp heeft belang en is boeiend. De continuïteit is overtuigend bewijsbaar. Je kunt vertellen wat oudheidkundige tekst- en bronkritiek is. De wezenlijke vraag of individuen als keizer Constantijn de geschiedenis vormgeven, of dat er daarnaast dieperliggende processen zijn, valt mooi te illustreren. De meertaligheid van de oude wereld is hier mooi zichtbaar. Je kunt uitleggen dat het mogelijk is een narratief te baseren op bronnen maar dat zoiets desondanks onvolledig is zonder reflectie op welke informatie verloren is gegaan. Je kunt een knipoog geven naar Nikolaas van Myra. Het gaat over de Late Oudheid, die momenteel sterk in de belangstelling staat. En vooral: het publiek vraagt om niet vanuit kerkelijk perspectief geboden informatie over het ontstaan van een wereldgodsdienst.

    Gemiste kans

    Maar nu moet ik onze Nederlandse oudhistorici even beknorren. Ze hebben deze kans vermoedelijk weten te missen. Ik schrijf “vermoedelijk” omdat er één boek is gepubliceerd, namelijk De erfenis van het Concilie van Nicea. Samen beraden, geloven en vieren van Peter Nissen. Ik heb het nog niet kunnen lezen – ik was in Frankrijk – en hoop dat ik me vergis, maar het boek lijkt vooral het pastoraat te willen dienen. Ik lees althans hier dat het “gespreksvragen om door te praten binnen de parochie, gemeente of gespreksgroep” bevat en dat het is “aangevuld met gebeden, mooie citaten, afbeeldingen en liturgisch materiaal voor vieringen”.

    Begrijp me niet verkeerd: ik heb niets tegen liturgisch materiaal of theologie. Maar het ontstaan van een wereldgodsdienst is een voor iedereen belangrijk thema, voor oudheidkundigen te belangrijk om uit te besteden aan theologen. Wie meer over Nikaia wil lezen, kan terecht bij het fijne boek van Claire Reggio, Nicée. 1700 ans d’histoire, dat een paar weken geleden is verschenen. Ik heb er bij het schrijven van deze reeks veel aan gehad. Zeer aanbevolen.

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Tongeren

    september 15, 2018
    Het visioen van Constantijn (3)

    februari 16, 2018
    Limesmoeheid (3)

    december 10, 2017 Deel dit:

    #agency #Areios #AthanasiosVanAlexandrië #Caecilianus #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #EusthathiosVanAntiochië #NikolaasVanMyra #paasdatum #PeterNissen #primaireBron #Rufinus #secundaireBron #SokratesKerkhistoricus_ #Sozomenos #Synodikon #tekstkritiek #Theodoretos #vormendeWerking

  9. 1700 jaar Nikaia (5): de besluiten

    Nikaia loste niet alle problemen op; er waren meer concilies nodig. In het Rila-klooster zijn ze allemaal afgebeeld.

    Het is maar al te begrijpelijk dat de bisschoppen die aanwezig waren op het Concilie van Nikaia meenden dat de Heilige Geest hen in de juiste richting had geleid. Men was het vooraf oneens geweest over de relatie tussen God de Vader en God de Zoon, over de autonomie van de bisschoppen, over de paasdatum en over nog andere thema’s. De bisschoppen communiceerden in het Grieks, maar we moeten niet onderschatten dat de aanhangers van de twee grote scholen van Bijbeluitleg, de Alexandrijnse en Antiocheense, niet zelden dachten in het Egyptisch (Koptisch) en het Syrisch (Aramees).

    Persoonlijke ergernissen speelden een rol. Wellicht waren er mensen die zich stoorden aan de rol van de keizer. We beschikken over een door hem bij een andere gelegenheid gehouden toespraak waaruit blijkt dat hij de theologische finesses niet geheel beheerste. (De auteurs van onze bronnen, die Constantijn positief presenteren, maken overigens geen melding van irritaties over zijn rol.) Ondanks alle moeilijkheden eindigde de vergadering met consensus. De keizer had met de ruziënde bisschoppen een enorm risico genomen, maar kon tevreden beginnen aan het regeringsjubileum, de vicennalia, dat hij kort daarna zou vieren. Zoals gezegd heeft de Kerk de ingreep door het wereldlijk gezag geaccepteerd omdat de Heilige Geest zo evident aanwezig was geweest.

    De drie grote kwesties

    Wat werd er nu eigenlijk besloten? Om te beginnen was er de veroordeling van de opvattingen van Areios. De bisschoppen stemden in met de door Constantijn (of beter: een van zijn adviseurs) voorgestelde formulering dat Christus “één in wezen was met de Vader en uit het wezen van de Vader”. Dit was een compromis, waar voor het moment iedereen zijn eigen uitleg aan kon geven. Het werd vastgelegd door een in Jeruzalem gangbare geloofsbelijdenis uit te breiden met wat zinnetjes die aanhangers van Areios niet over de lippen zouden kunnen krijgen.

    In de praktijk was de kwestie echter doorgeagendeerd en in de tweede helft van de vierde eeuw was er nogal wat discussie over de vraag of de Vader en de Zoon wezensgelijk of wezensgelijkend waren. Daar zijn nog enkele andere concilies aan gewijd: dat van Constantinopel in 381, dat van Efese in 431 en tot slot dat van Chalkedon in 451. De kwestie is eigenlijk nooit helemaal opgelost. Er bestaan nog steeds nestorianen, wier teksten vooral in het Grieks en Aramees zijn gesteld, en monofysieten, wier literatuur vooral in het Koptisch en Armeens is geschreven.

    Bij de tweede grote kwestie, de paasdatum, was de vraag of het feest gevierd moest worden op de kalenderdag (volgens de joodse kalender) of de weekdag (zondag). Dit laatste standpunt overheerste en de besluitenlijst stelt expliciet dat het concilie hier de Romeinse traditie volgde. Bisschop Sylvester mocht dan afwezig zijn geweest, Rome had wel invloed. Het probleem bleef overigens bestaan. Weliswaar was er een heldere definitie, maar er was geen consensus over de berekening van de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente. Niet iedereen gebruikte namelijk de negentienjarige Cyclus van Meton.

    De derde kwestie was geen kwestie: het feit dat het concilie was samengekomen was al een ontkenning van het feit dat bisschoppen als Meletios van Lykopolis volledig autonoom waren. Dat dit een hamerstuk was, wilde niet zeggen dat er niets te regelen overbleef. In Nikaia werd ook de structuur van de kerk vastgelegd. Wat ons brengt bij zaken die verder ter tafel kwamen.

    Andere besluiten

    We weten van twintig andere tijdens het Concilie van Nikaia genomen beslissingen. Misschien stelde Constantijn ze aan de orde naar aanleiding van de klachten die vóór de vergadering waren geordend in de al genoemde libelli. Weliswaar had hij die laten verbranden, maar niemand zegt dat de keizerlijke kanselarij ook de onderliggende correspondentie heeft vernietigd.

    Om te beginnen: de geestelijkheid. De aanwezigen uniformeerden de regels voor de bisschopskeuze en stelden een hiërarchie vast. Drie bisschoppen kregen extra rechten, namelijk die van Alexandrië, Antiochië en Rome. In deze volgorde, die in Latijnse manuscripten overigens andersom is. Later zouden deze drie bisschoppen titels krijgen als “patriarch”, terwijl de aanspreekvorm papa, “paus”, steeds meer voor deze leiders gereserveerd zou worden. Bij latere concilies kregen ook de bisschoppen van Constantinopel en Jeruzalem de rang van patriarch.

    Er kwamen regels voor de geestelijkheid. Misdadigers en mannen die zichzelf vrijwillig hadden gecastreerd, waren uitgesloten van het priesterschap. Geestelijken mochten geld uitlenen als dat in het voordeel was van debiteuren, maar mochten zelf geen winst maken op die kredietverstrekking. Omdat ook geestelijken weleens vergissingen konden maken, en omdat ook vergaderingen van geestelijken die een dwalende collega gispten zich konden vergissen, kwamen er beroepsprocedures. Alleen over de seksuele betrekkingen van de geestelijkheid bleek consensus moeilijk. Dit mocht voortaan lokaal geregeld worden.

    Bisschoppen die tijdens de vervolging door keizer Diocletianus afvallig waren geweest – lees: die met terugwerkende kracht niet hadden voldaan aan eisen die pas in Nikaia werden geformuleerd – werden uit hun ambt ontzet. Dit lijkt een handreiking te zijn geweest aan de donatisten, maar ze maakte geen einde aan deze kerkscheuring.

    Ondanks het streven naar harmonie, eenheid en vrede, had het concilie ook nog wat rekeningen te vereffenen. Het werd bisschoppen verboden om mensen die in andere bisdommen een sanctie hadden gekregen, in dienst te nemen. Niet alleen was dit een verdere aantasting van de bisschoppelijke autonomie, het was bedoeld om mannen als de veroordeelde Areios het leven zo zuur mogelijk te maken. Areios’ aanhangers moesten penitentie doen.

    Ook Constantijn stond niet boven ressentiment. Hij had in 324 een burgeroorlog gewonnen en zijn tegenstander Licinius, die in 312/313 de toenadering tot de christenen had geïnitieerd, werd met terugwerkende kracht als afvallige beschouwd. Zijn soldaten moesten eveneens penitentie doen.

    Afrondende maatregelen

    Mogelijk heeft Constantijn bisschop Makarios van Jeruzalem opdracht gegeven te zoeken op welke plaatsen in zijn stad Jezus was gekruisigd, begraven en opgestaan. Dit staat nergens in onze bronnen, maar het staat wel vast dat keizerin-moeder Helena een jaar later de Grafbasiliek heeft laten bouwen. In Betlehem verrees de Geboortekerk en in Rome liet Constantijn kerken bouwen boven de (veronderstelde) graven van Petrus en Paulus. Een van de keizerlijke paleizen, het Lateraan, deed Constantijn cadeau aan de bisschop van Rome.

    Het concilie eindigde met de verslaglegging. Alle bisschoppen moesten de documenten tekenen. Daarna werden de beslissingen met de wereld gedeeld. We weten van een door het Concilie naar Egypte verstuurde brief over de drie grote kwesties en van twee keizerlijke brieven. De ene was gericht aan Alexandrië, waar Areios vandaan kwam, en de andere was een circulaire over de paasdatum die naar elk bisdom werd verstuurd.

    Bij hun vertrek kregen de bisschoppen nog geschenken mee. Maar niet iedereen was zo gelukkig. Twintig bisschoppen hadden moeite met de beslissingen. Onder dreiging van ballingschap tekenden zestien van hen alsnog de notulen, maar de resterende vier moesten hun stad verlaten. Daar kwamen er later nog twee bij. Het Concilie van Nikaia had eenheid gebracht, maar zelfs met een gemanipuleerde gastenlijst waren sancties nodig.

    [morgen meer]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De echte Nikolaas van Myra (3)

    november 13, 2011
    C02 | Constantijn en de Tetrarchie

    februari 29, 2024
    Het Romeinse Rijk van Fik Meijer (3)

    februari 22, 2016 Deel dit:

    #Areios #ballingschap #bisschop #christenvervolging #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #CyclusVanMeton #Diocletianus #donatisten #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #Grafbasiliek #HelenaKeizerin_ #Licinius #MakariosVanJeruzalem #MeletiosVanLykopolis #paasdatum #SintJanVanLateranen #SylvesterI #Synodikon

  10. 1700 jaar Nikaia (4): beraadslagingen

    Een beruchte scène uit het Concilie van Nikaia: Nikolaas van Myra staat op het punt een opponent een klap te geven (Rila-klooster)

    De uitnodiging voor het Concilie van Nikaia, dat vandaag 1700 jaar geleden begon, lijkt gepaard te zijn gegaan met een oproep om klachten en wensen te formuleren. Dit was het moment, zo lijken de organisatoren gedacht te hebben, om misstanden te benoemen en te verhelpen. Deze cahiers des doléances, om eens een analogie te introduceren, vormden de basis van enkele libelli, “boekjes”, waarin de uiteenlopende klachten thematisch waren geordend. Er moet dus een staf zijn geweest die alles las en ordende voordat het aan de keizer werd aangeboden.

    Die liet de libelli echter ongeopend verbranden. De politicus die Constantijn was, wilde zaken doen en kon het niet hebben dat er aan het begin van de vergadering blijken van wantrouwen waren in de richting van de mannen met wie hij moest overleggen. Dat is althans hoe de kerkhistoricus Theodoretos het presenteert. Zijn collega Sozomenos vergelijkt de daad met de vergevingsgezindheid van God. Het is overigens niet uitgesloten dat Constantijn wel degelijk op de hoogte was van de inhoud, al was het maar omdat de brieven die aan de libelli ten grondslag hadden gelegen, er gewoon nog waren.

    De wijze waarop we over dit voorval zijn geïnformeerd, is heel interessant. Het is namelijk alleen bekend uit de boeken van de vijfde-eeuwse kerkhistorici Rufinus, Sokrates en de zojuist genoemde Sozomenos en Theodoretos; we lezen het niet bij Eusebios van Caesarea, die in Nikaia aanwezig was. De consensus van de latere auteurs bewijst dat er informatie circuleerde die Eusebios dus heeft onderdrukt. Het is immers niet bepaald een compliment aan de keizer, wiens heiligenleven de bisschop van Caesarea aan het schrijven was. Maar we kunnen dus waardevolle informatie vinden bij niet-ooggetuigen.

    Het concilie in actie

    Dat onze bronnen, ook al zijn ze secundair, accurate informatie bevatten, blijkt ook uit het geboden beeld. Het concilie was bepaald geen vergadering van heiligen. De beraadslagingen waren bitter; met hun scheldpartijen en persoonlijke aanvallen gedroegen de aanwezige bisschoppen zich maar al te menselijk.

    Het criterium van de gêne is van toepassing. Dat is een door historici gehanteerde vuistregel, die behelst dat elke auteur een verhaal heeft om te vertellen, bijvoorbeeld dat de kerkvergadering door de Heilige Geest was geïnspireerd, en dat informatie die dit tegenspreekt, te algemeen bekend was om te onderdrukken. Anders gezegd: de lezers van de diverse kerkgeschiedenissen wisten dat het er in Nikaia hard aan toe was gegaan.

    Dat betrof vermoedelijk niet de al genoemde kwestie van de traditionele autonomie van de bisschoppen. Was het concilie wel bevoegd regels te geven? We lezen niets over discussie en dat is ook niet zo vreemd: het zou een vreemd bestuurlijk gremium zijn dat zichzelf, nadat het zichzelf bevoegdheden heeft toegekend, die weer in twijfel trekt.

    Er was zeker wel discussie over de paasdatum. Ooggetuige Eusebios vertelt in zijn geïdealiseerde keizerbiografie dat Constantijn geduldig luisterde en aandrong op eendracht en gematigdheid – wat een heel nette manier is om te zeggen dat de discussie geagiteerd verliep. Dankzij Constantijns geduld liep alles echter goed af, aldus Eusebios.

    De Zoon en de Vader

    Eusebios erkent verder dat de gemoederen op zeker moment hoog opliepen, zonder uit te leggen dat dit de relatie tussen God de Vader en God de Zoon betrof. Zoals ik al eens eerder uitlegde hadden de christelijke theologen, doordat ze zich bedienden van het jargon van de neoplatoonse filosofie, de problemen van de uitleg van Plato’s Timaios geïmporteerd. De Alexandrijnse geestelijke Areios (c.250-336) had enkele jaren voor het concilie de knuppel in het hoenderhok geworpen door te stellen dat Christus, het woord van God, was onderworpen aan de tijd en er niet altijd was geweest. Dat betekende dat God Christus had geschapen, dus van mening was veranderd en dus onvolmaakt was. Het betekende tevens dat de Zoon lager in de kosmische hiërarchie stond dan de Vader, wat weliswaar prima viel te beargumenteren aan de hand van het Nieuwe Testament, maar zich slecht liet rijmen met het idee dat alleen een wezen dat volledig goddelijk was de mensheid kon verlossen.

    Was Areios in Nikaia aanwezig? Hij lijkt uitgenodigd te zijn geweest, en zijn tegenstanders (Eusthathios van Antiochië, Alexandros van Alexandrië en diens rechterhand Athanasios) waren er zeker, maar ter plekke werd uit Areios’ geschriften voorgelezen. (Het luisteren naar die teksten zou, zo vernemen we, de hoogwaardige aanwezigen pijn aan de oren hebben gedaan.) Dat de teksten werden voorgelezen, suggereert dat Areios er niet was en maakt het mogelijk dat de bisschoppen werden geconfronteerd met een zó gekozen selectie dat ze de inhoud wel verwerpen moesten. Eusebios, die het met Areios eens was maar zijn persoonlijke oordeel uiteindelijk ondergeschikt maakte aan de kerkelijke eenheid, vermeldt hierover niets.

    Ik noem op dit punt nog even de late anekdote dat bisschop Nikolaas van Myra een van de verdedigers van Areios’ leer (of was het Areios zelf?) een pets heeft verkocht. De historiciteit staat ter discussie, maar te midden van de ruziënde bisschoppen zou het best mogelijk zijn geweest.

    [wordt vervolgd]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De Late Oudheid (1)

    oktober 5, 2022
    C01 | Constantijn wordt keizer

    februari 29, 2024
    Vienne

    mei 16, 2025 Deel dit:

    #AlexandrosVanAlexandrië #Areios #AthanasiosVanAlexandrië #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #criteriumVanDeGêne #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #EusthathiosVanAntiochië #NikolaasVanMyra #Rufinus #SokratesKerkhistoricus_ #Sozomenos #Synodikon #Theodoretos

  11. 1700 jaar Nikaia (3): het concilie begint

    Constantijn (let op het embleem op de helm; Staatliche Münzsammlung, München)

    Het is vandaag 1700 jaar geleden dat in Nikaia, het huidige İznik in Turkije, de grote kerkelijke vergadering begon die bekendstaat als het Eerste Oecumenische Concilie. Nu zou het zomaar eens kunnen zijn dat u nog nooit een oecumenisch concilie hebt bijgewoond, dus leek het me zinvol eens te vertellen wat er zoal gebeurde. Hoewel de handelingen (actae) verloren zijn gegaan en we dus geen primaire bron hebben, zijn er redelijk wat secundaire bronnen, waarover ik later nog zal bloggen.

    Voorbereidingen

    Uiteraard werden eerst uitnodigingen verstuurd. Toevallig is een zo’n uitnodiging overgeleverd in een in de vijfde eeuw door een Armeense geleerde aangelegde verzameling. Het was Constantijn (en niemand anders) die de bisschoppen uitnodigde, en uitlegde dat de locatie in Nikaia was gekozen omdat de stad voor Italische bisschoppen makkelijk bereikbaar was, omdat er een gunstig klimaat was en omdat hij zelf ook van plan was vanuit Constantinopel langs te komen. De genodigden – zoals gezegd: niet iedereen die zich christen noemde – ontvingen behalve reisvouchers ook de agenda. Die is verloren, maar Eusebios van Caesarea vermeldt dat er reden was om te overleggen over de relatie tussen God de Vader en God de Zoon, over bisschoppen die (zoals Meletios van Lykopolis) hun autonomie wilden handhaven en over de kwestie van de paasdatum.

    Vanuit het perspectief van de christenen, traditioneel geleid door autonome bisschoppen, was het, zoals gezegd, wat dubieus dat het concilie zich bevoegd achtte algemeen geldende regels op te stellen. De keizer had, als hoofd van de staatsgodsdienst, dit recht wel. Hij diende zichzelf echter niet aan als pontifex maximus, “hoogste priester”, zijn titel als hoofd van de staatsgodsdienst. In plaats daarvan benutte hij de meer christelijke titel episkopos. Dat woord betekent doorgaans bisschop, maar de oorspronkelijke betekenis was die van opzichter en het lijkt erop dat Constantijn dat heeft bedoeld. Dat hij zich echter met een voor christenen herkenbare titel presenteerde, suggereert een persoonlijke betrokkenheid.

    Evengoed was het uniek dat de keizer ingreep in christelijke aangelegenheden. Om de pil te vergulden, werden christelijke aanwezigen herinnerd aan een precedent: de vergadering in Jeruzalem die staat genoemd in de Handelingen van de apostelen. De apostelen hadden daar hun beslissing genomen “in overeenstemming met de heilige Geest”,noot Handelingen 15.28. en dat zou ook in Nikaia gelden: het mocht dan een keizerlijke ingreep zijn, aangezien er consensus groeide, was evident dat Gods zegen er desondanks op rustte. De Oostenrijkse oudheidkundige Günter Stemberger heeft er overigens op gewezen dat de bevoegdheden van het Concilie van Nikaia feitelijk waren geïnspireerd door het joodse Sanhedrin.

    20 mei 337

    Op 20 mei begonnen in het paleis van Nikaia, zes eeuwen eerder gebouwd door koning Nikomedes I van Bithynië, de voorbereidende besprekingen. Er waren gasten uit de hele wereld, dus niet alleen het Romeinse Rijk: ook uit Mesopotamië en Armenië kwamen bisschoppen.We weten niet precies hoeveel aanwezigen er waren: Eusebios stelt dat het er “meer dan 250” waren, andere auteurs noemen 270, “bijna 300” en zelfs 318. De diverse handschriften van het Synodikon, de lijst van deelnemers, bevatten tussen de 200 en 220 namen.

    De bisschop van Rome, Sylvester I, liet zich vertegenwoordigen door twee priesters. De verklaring is dat de paus al oud was, maar er speelt mogelijk meer: de bisschop van Rome claimde destijds al de eerste onder gelijke bisschoppen te zijn, en zou later het recht opeisen de beslissingen van elke kerkelijke vergadering te mogen bekrachtigen. Het kan zijn dat dit ook Sylvesters positie al was: hij liet anderen debatteren en zei dan na afloop ja of nee. Dataschaarste zijnde dataschaarste valt dit niet precies te weten. Overigens erkende het Concilie van Nikaia het gezag van de bisschop van Rome over alle Latijnse provincies – niet gering.

    Constantijn in Nikaia

    Drie dagen na het begin van de voorbesprekingen arriveerde Constantijn zelf – met alle op effect gerichte fanfare waarmee een antieke vorst zijn onderdanen kon overdonderen. Denk aan trompetgeschal en een presentatie die hem, aldus Eusebios, “deed lijken op hemelse gezant van God”. Het is wonderlijk dat de auteurs van onze bronnen deze epifanie opvatten als uiting van bescheidenheid. Het curieuze argument is dat een keizer traditioneel al op zijn troon zat als de gasten binnenkwamen, en dat het dit keer de bisschoppen waren die al zaten.

    Nu is de keizerlijke aanwezigheid misschien aanleiding tot vragen. In christelijke bronnen staat Constantijns aanwezigheid ook vermeld voor de Synode van Arles (314), hoewel we weten dat hij feitelijk een campagne leidde tegen de Franken. Dat Constantijns aanwezigheid in Nikaia eveneens een vroom verzinsel is, is dus denkbaar, maar we weten uit de wettencollectie die bekendstaat als Codex Theodosianus dat de keizer in deze tijd te Nikaia regelgeving heeft uitgevaardigd. Hij was er zeker.

    Het was óf Eusebios van Caesarea óf Eusthathios van Antiochië die de keizer welkom heette met een gebed voor ’s keizers gezondheid. Constantijn bedankte in het Latijn, de taal die de keizer altijd sprak aan het begin van een officiële plechtigheid. De eigenlijke beraadslagingen waren in het Grieks, de taal van het Nieuwe Testament, de moedertaal van de meeste aanwezigen en de taal waarin ook de Latijnse, Armeense en Aramese bisschoppen uit de voeten konden.

    [wordt vervolgd]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De Boog van Constantijn

    april 6, 2024
    De echte Nikolaas van Myra (2)

    november 13, 2011
    Het doorgeven van de Wet

    augustus 13, 2020 Deel dit:

    #Aramees #bisschop #CodexTheodosianus #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #dataschaarste #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #EusthathiosVanAntiochië #GünterStemberger #GriekseTaal #Latijn #MeletiosVanLykopolis #NikomedesI #primaireBron #Sanhedrin #secundaireBron #SylvesterI #Synodikon

  12. 1700 jaar Nikaia (2): de gastenlijst

    Het Concilie van Nikaia (Soumela)

    De Oudheid is per definitie de periode waarover we naast het archeologische materiaal ook geschreven bronnen hebben, maar niet voldoende om te komen tot werkelijke geschiedvorsing. Daardoor zijn er talloze onderwerpen waarover we niets weten. Zo staat vast dat Egypte in de tweede eeuw na Chr. een ware fabriek van nieuwe christelijke ideeën is geweest, maar hebben we geen idee, zelfs geen begin van een idee, hoe het christendom in Egypte is gekomen. Dat is maar één voorbeeld van het simpele feit dat we over de Oudheid eigenlijk altijd onvoldoende weten.

    Gelukkig begrijpen we wel waarom we over bepaalde onderwerpen minder informatie hebben dan er moet zijn geweest. We weten dat er teksten zijn geweest van de mensen die Christus vereerden in combinatie met andere goden, maar de middeleeuwse kopiisten hebben die niet overgeschreven. Ook de teksten van degenen die later als ketters zouden komen gelden, zijn op deze wijze verloren gegaan.

    Schaarse informatie is normaal en het is niet vreemd dat we alleen indirect zijn geïnformeerd over het Eerste Concilie van Nikaia, dat morgen 1700 jaar geleden is begonnen. We beschikken niet over de zogeheten actae, “handelingen”, die we over andere kerkelijke vergaderingen wel hebben. De wel overgeleverde deelnemerslijst, het Synodikon, is een latere reconstructie. Hoewel de in Nikaia genomen beslissingen bekend zijn, en we ook wel iets weten over het verloop van de discussies, missen we belangrijke stukken informatie. Het is bijvoorbeeld onbekend hoe de gastenlijst tot stand is gekomen.

    Geweigerde bisschoppen

    En dat is wel een gemis, want lang niet iedere bisschop was uitgenodigd. Zo ontbrak bisschop Donatus van Karthago. Die had weliswaar een discussie over de financiën van zijn kerk verloren en is de geschiedenis in gegaan als ketter, maar dat was pas later. Wie in 325 besloot hem niet uit te nodigen, en wel Donatus’ rivaal Caecilianus, had al een beslissing genomen over wat orthodox was en wat niet. Een misschien voorspelbare beslissing, aangezien Donatus in de westelijke provincies al een reputatie had als onruststoker, maar evengoed: niet iedere zich christen noemende bisschop was uitgenodigd. We weten niet wie de gastenlijst samenstelde, met welk recht en met welke criteria.

    Een soortgelijke kwestie speelde in Boven-Egypte, waar bisschop Meletios van Lykopolis een conflict had met de bisschop van Alexandrië. Volgens de regels die in Nikaia afgesproken zouden worden, zat Meletios in dit conflict verkeerd, maar die regels waren er vanzelfsprekend nog niet toen iemand besloot Meletios niet uit te nodigen. Terwijl Meletios en ook Donatus als bisschoppen van hun steden een grote autonomie hadden en officieel niemand boven zich hadden staan die beslissingen over hen kon nemen, plaatsten de organisatoren van het concilie zich wel boven de bisschoppen.

    Er kunnen meer van dit soort gevallen zijn geweest en we weten zeker dat er in Nikaia niemand is geweest die een niet-exclusivistische uitleg van het geloof voorstond. Terwijl Christus vereren in combinatie met andere goden, hoe ongebruikelijk wij dat ook vinden, destijds was wat elke weldenkende Romein zou hebben gedaan. Hoeveel Christusvereerders hadden de andere goden afgezworen? Hoeveel mensen combineerden de verering van Christus met de verering van andere goden? Hadden we maar meer informatie, maar het simpele feit is dat we over de exclusivisten wél informatie hebben en over de niet-exclusivisten niet. We kunnen niet vaststellen hoe representatief de genodigden in Nikaia zijn geweest voor de toenmalige verering van Christus.

    Een proto-kerk?

    Hoe dat ook zij: er was iemand die al beslissingen aan het nemen was voordat het Concilie van Nikaia begon, en die iemand had het oor van de keizer. Een mogelijke hypothese is dat er al iets bestond dat we gemakshalve “de proto-kerk” zullen noemen: een groep bisschoppen die weliswaar niet officieel was georganiseerd, maar zich op veel punten al kon presenteren als “de” vertegenwoordigersvan de christelijke gemeenschap. Die groep was dan exclusivistisch van aard.

    Hoewel de geschiedenis vaak zo wordt gepresenteerd, en er ook exclusivistische bronnen zijn over bisschoppen die met elkaar communiceren en discussiëren, is deze hypothese feitelijk ontoetsbaar omdat we, zoals gezegd, niet weten hoe representatief onze informatie is. Doordat de kopiisten teksten met sterk afwijkende meningen niet overschreven, hebben we over de eeuwen vóór Nikaia vooral informatie die in lijn is met de daar vastgestelde orthodoxie. Er is tekstselectie geweest, zoals altijd het geval is met informatie over de Oudheid.

    Toch is er een aanwijzing voor het bestaan van een min of meer erkende kerk vóór 325. Die aanwijzing betreft een zekere Paulus van Samosata, die bisschop was in Antiochië en ideeën verkondigde die in 269 werden afgewezen door een vergadering van zo’n zeventig bisschoppen. Zij zetten hun collega af, waarop keizer Aurelianus in 272 een hoorzitting organiseerde. Hij liet zich daarbij adviseren door de bisschoppen in Italië en bevestigde de afzetting. In deze anekdote ligt besloten dat er op dat moment een min-of-meer officiële kerk was, waar zelfs een keizer naar luisterde.

    Het probleem met deze anekdote is dat onze informatie vooral afkomstig is van Eusebios van Caesarea, een auteur die het bisschoppelijk gezag voortdurend benadrukt. Natuurlijk waren er rotte appels. Eusebios was een realist. Maar het college van bisschoppen corrigeerde dwalende bisschoppen als Paulus, en de gelovigen mochten hun herders vertrouwen. Aldus Eusebios. De anekdote past te goed bij de tendens van zijn werk om niet verdacht te zijn. Dat wil niet zeggen dat de bisschop van Caesarea snoeihard liegt, maar wel dat we zijn informatie niet kritiekloos mogen overnemen.

    Nikaia: de gezagsvraag

    Samenvattend: de gastenlijst van het Concilie van Nikaia is opgesteld door iemand die mensen uitsloot. Hier was iemand aan het werk die naar bepaalde conclusies toe wilde werken. In welke mate deze organisator een eerdere, min of meer erkende kerk vertegenwoordigde, en hoe representatief de vergadering was voor alle vereerders van Christus, valt niet langer uit te maken. We beschikken over te weinig data: het waren, zoals het cliché luidt, de overwinnaars die de geschiedenis schreven. Of, beter gezegd: het waren de orthodoxen die de bronnen kopieerden.

    Waar het om draait: er zijn bisschoppen geweest die vasthielden aan hun aloude autonomie, die niet werden uitgenodigd en die, autonoom als ze waren, ook geen reden hadden om het gezag van het Concilie van Nikaia te erkennen. Nikaia schiep de eenheid die Constantijn wilde, maar feitelijk is de vraag met welk religieus gezag de verzamelde bisschoppen hun meningen oplegden aan de kerk.

    [later meer over Nikaia]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Kybele in de Grieks-Romeinse wereld

    juli 10, 2023
    B6: Boeddhisme als oosterse filosofie

    juni 9, 2024
    Vasa diatreta

    december 8, 2018 Deel dit:

    #bisschop #Caecilianus #ConstantijnDeGrote #dataschaarste #donatisme #Donatus #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #exclusivistischeChristenen #kopiist #MeletiosVanLykopolis #nietExclusivistischeChristenen #PaulusVanSamosata #Synodikon #tekstselectie

  13. De martelaren van Lyon

    De onderaardse ruimte waar de martelaren van Lyon gevangen zouden zijn gehouden.

    Meestal blog ik op zondagmorgen over het Nieuwe Testament, maar vandaag neem ik een verwant onderwerp ter hand: de eerste christenen in Gallië – meer in het bijzonder die in de stad Lyon ten tijde van keizer Marcus Aurelius (r.161-180). Als we kijken naar wat latere informatie, zien we dat de christelijke gemeenschappen zich meestal bevinden in steden die niet al te ver van de grote wegen liggen. Het is geen woeste conclusie dat het nieuwe geloof zich door de Provence had verspreid langs de Via Domitia en stroomopwaarts langs de Rhône vanuit Arles naar Vienne en Lyon en daarvan dan richting Reims of via Metz naar het Rijnland.

    We weten zeker dat er in Lyon al rond het midden van de tweede eeuw christenen leefden. Een in 1974 ontdekt grafschrift is evident christelijk. Het is gesteld in het Grieks, wat suggereert dat migratie een rol speelde. De contacten met het oosten bleven bestaan: de straks te noemen bisschop Eirenaios werd uitgenodigd om uit het oosten te komen.

    De aanklacht

    In 177 werden in Lyon de christenen lastiggevallen. Wat de aanleiding was, weten we niet, al is er weleens op gewezen dat het paasfeest in dat jaar samenviel met een feest uit de eredienst van Kybele. De vereerders van die godin zouden aanstoot genomen kunnen hebben van de christenen, maar ik zou zelf niet goed weten wat het probleem geweest kan zijn. In elk geval was in antieke steden weinig nodig om relletjes te laten ontstaan. De overheid gaf dan nogal eens een identificeerbare groep de schuld – astrologen, joden, Isisvereerders of christenen dus. Als ze Grieks spraken, zal vreemdelingenhaat een rol hebben gespeeld. De ellende begon met

    allerlei lelijks dat de opgehoopte volksmassa tegen hen bedacht, scheldpartijen en rake klappen, meegesleurd en beroofd worden, smijten met stenen, gevangenname en allerlei andere dingen die wilde menigten graag hun vijanden en tegenstanders aandoen.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 5.1.7; vert. Fahner.

    Dit was een citaat uit een ooggetuigenverslag, dat verbatim wordt geciteerd in de Kerkgeschiedenis van Eusebios. Die vertelt dat de christenen werden opgepakt en zich op het forum moesten verantwoorden. De stedelijke magistraat verhoorde wat mensen op de pijnbank en hield vervolgens de zaak aan tot de gouverneur in de stad was – een interessant detail, omdat Lyon de provinciehoofdstad was en de gouverneur blijkbaar zijn ronde langs andere steden aan het maken was.

    Het proces

    Toen de stadhouder arriveerde, stelde hij alleen de vraag of de betrokkenen christenen waren. Sommigen zeiden van wel, anderen aarzelden.

    Hier en daar behoorde ook ons heidense huispersoneel tot de gevangenen, want de stadhouder had in het openbaar bevolen een zoekactie naar ons allen te houden. De heidense gevangenen waren bang voor de martelingen die ze de heiligen zagen ondergaan; door influistering van de Satan en op aandringen van de soldaten beschuldigden de huisdienaren ons ten onrechte van Thyestische maaltijden en ontucht à la Oidipous, en nog van andere misdrijven die ons ongeoorloofd zijn te bedenken, laat staan uit te spreken.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 5.1.14; vert. Fahner.

    Dit waren standaardbeschuldigingen: “Thyestische maaltijden” verwijst naar kannibalisme, “ontucht à la Oidipous” is incest. Logische beschuldigingen voor een groep die een rituele taal heeft waarin men elkaar aanspreekt als broeders en zusters en spreekt van het nuttigen van een lichaam en bloed. Met de pijnbank in zicht willen mensen zo’n beschuldiging wel bevestigen.

    Martelingen

    Nu het bewijs wettig en overtuigend geleverd was, konden de martelaren van Lyon naar de arena vertrekken. De tekst gaat nog even door en vermeldt de enorme moed van de jonge slavin Blandina.

    Haar aardse meesteres was één van de strijdende martelaren. Met haar vroegen wij ons af of Blandina door lichaamszwakte wel voldoende vrijmoedigheid zou hebben om haar geloofsbelijdenis vast te houden. Maar Blandina was zo vol kracht dat haar beulen er moe van werden; de heulen werkten van ’s ochtends tot ’s avonds, losten elkaar af en probeerden op alle manieren haar te folteren, maar ze erkenden dat ze verslagen waren, toen ze niets nieuws meer hadden om haar te martelen. Ze verbaasden zich erover dat haar verscheurde en opengereten lichaam nog ademde, en ze gaven toe dat één zo’n soort marteling voldoende was om iemands leven te beëindigen; laat staan dat iemand zo veel moordende martelpraktijken zou kunnen doorstaan.noot Eusebios, Kerkgeschiedenis 5.1.18; vert. Fahner.

    De auteur van het ooggetuigenverslag noemt de meest afschuwelijke details over het lot van de martelaren van Lyon, die ik u vandaag besparen zal. Ik herinner me hoe geschokt ik was toen ik de tekst voor het eerst las. Het komt erop neer dat zes mensen in het amfitheater werden terechtegsteld. Sommige arrestanten zworen het christendom af maar keerden even later weer tot het geloof terug. In totaal stierven achtenveertig mensen, waaronder de bisschop, Potheinos. Gregorius van Tours kent hun namen. De Romeinse burgers zouden zijn onthoofd; achttien overleden in de gevangenis, mogelijk aan de verwondingen van de tortuur; en zes mensen dus in de arena.

    Er waren overlevenden, zoals de auteur van het ooggetuigenverslag. En zij beriepen Eirenaios, die de nieuwe bisschop werd van Lyon – en een van de architecten van het vroege christendom. Maar dat is een ander verhaal.

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Marcus Aurelius (3): Religie en wetenschap in harmonie

    januari 13, 2024
    Het Tiende Legioen Gemina

    mei 3, 2020
    Tyrannenmoord (2)

    december 31, 2014 Deel dit:

    #Blandina #christenvervolging #EirenaiosVanLyon #EusebiosVanCaesarea #Lyon #martelarenVanLyon #marteling

Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.