home.social

#romeinsrecht — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #romeinsrecht, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Zes vragen aan Renske Janssen

    Renske Janssen

    De vaste lezers van deze blog kennen de rubriek waarin dit de alweer zesde aflevering is: we laten oudheidkundigen aan het woord over hun onderzoek en hun visie op het wetenschappelijk proces. Vandaag is het woord aan rechtshistorica Renske Janssen, die eerder een bekroond proefschrift schreef over de juridische kant van de vervolging van joden, waarzeggers en christenen, Marginalized Religion and the Law in the Roman Empire. Ze is tevens de initiatiefnemer van de vlogserie Wegen naar Rome.

    Wat bestudeert u?
    Ik werk aan recht en bestuur in het Romeinse Rijk, met name de periode tussen ca. 100 v.Chr. en 250 na Chr. Ik ben vooral geïnteresseerd in hoe het recht in de dagelijkse praktijk werkte en hoe mensen die geen juridische experts waren daarover nadachten. Aan welke criteria moest een goede wet volgens hen voldoen, wiens belangen moest het recht beschermen en in welke mate bestond er voor hen een verband tussen recht en rechtvaardigheid? De situatie in de Romeinse provincies is hierbij bijzonder interessant. Als Rome de macht over een bepaald gebied overnam, betekende dat niet dat lokaal recht en bestuur ook meteen werd vervangen – sterker nog, dat zou waarschijnlijk erg onpraktisch zijn geweest. Dat betekent dus dat we niet alleen over de keizer en de gouverneur moeten nadenken als we willen weten hoe de Romeinse wereld functioneerde, maar ook over de rol van de lokale bevolking.

    De toepassing van het recht in een Romeinse provincie: de Gnomon van de Idios Logos (klik=groot; Neues Museum, Berlijn)

    Momenteel werk ik bovendien in het kader van het onderzoeksprogramma Anchoring Innovation aan een project over de recente ontwikkelingen in dit vakgebied – een soort ‘levende wetenschapsgeschiedenis’. Mijn interesse in de juridische levens van ‘gewone’ inwoners van het Romeinse Rijk is deel van een bredere beweging in de oudheidwetenschappen, waarin steeds meer gekeken wordt naar mensen die niet tot de elite behoorden. Voor dit project bestudeer ik hoe mijn collega’s die ook aan Romeins Recht en bestuur werken nadenken over ons vakgebied, en hoe ze nieuwe ideeën in hun werk presenteren.

    Wat doet u nou concreet?
    Een groot deel van mijn onderzoek bestaat uit het verzamelen en het heel precies lezen van het werk van anderen – mensen uit de Oudheid, maar ook andere wetenschappers.

    Dit proces begint meestal achter mijn laptop: welke bronnen uit de Oudheid hebben we over een bepaald onderwerp en is daar onlangs misschien nog iets interessants bij gekomen? Voor mensen die aan recht in het Romeinse Rijk werken zijn teksten op papyrus vaak een heel belangrijke bron, omdat ze ons de echte praktijk laten zien (bijvoorbeeld van een rechtszaak over erfrecht tussen een Egyptische vrouw en haar vader). Nog steeds worden er regelmatig nieuwe teksten uitgegeven, dus het is belangrijk om goed op de hoogte te blijven.

    Ik maak zelf graag spreadsheets van de bronnen die ik voor een bepaald onderzoek gebruik, bij voorkeur in Excel, zodat ik een goed overzicht krijg van welke thema’s vaker terugkomen, en wat dus interessant kan zijn. Toen ik begon aan mijn project over de rol van het recht in de werken van de Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus, heb ik dus eerst alle teksten die we van hem over hebben helemaal doorgelezen, en meer dat 350 passages verzameld waarin het recht een rol speelt.

    Daarnaast is het ook belangrijk om te kijken naar wat collega’s al over een bepaald onderwerp hebben gezegd. Wetenschap is nooit een soloproject: je bouwt altijd voort op de ideeën van anderen, kijkt waar de gaten zitten (bijvoorbeeld door nieuw materiaal te bespreken of door met een andere blik naar dat materiaal te kijken) en probeert zo meer te weten te komen over hoe het leven in de antieke wereld eruit zag.

    Dit laatste aspect van onderzoek doen is extra belangrijk in mijn huidige project over ontwikkelingen in het vakgebied – daarbij draait het immers om wat mijn collega’s hebben gezegd, en hoe ze het zeggen. Hiervoor lees ik dus niet alleen recente en minder recente publicaties, maar neem ik ook interviews af om te kijken hoe wetenschappers zelf op hun werk reflecteren. Het is goed om te merken dat veel van de mensen met wie ik contact opneem bereid zijn om mee te werken, en dat ze de meerwaarde inzien van een project dat reflecteert op hoe we eigenlijk ‘wetenschap doen’.

    Wat is de voornaamste hindernis bij uw onderzoek?
    Aan de ene kant zijn er de gebruikelijke hindernissen van historisch onderzoek. De bronnen over de Oudheid die we over hebben zijn altijd een (bewuste of toevallige) selectie. Daardoor weet je nooit of je nu echt alleen relevante informatie in handen hebt. Met merendeel van de papyrusteksten die ik al noemde komt bijvoorbeeld uit Egypte, omdat ze daar beter bewaard blijven – maar weten we wel zeker dat recht in Egypte op dezelfde manier werkte als in de rest van het Romeinse Rijk?

    Aan de andere kant zijn er ook meer basale moeilijkheden. Zoals veel collega’s die aan het (relatieve) begin van hun wetenschappelijke carrière staan, heb ik geen vaste baan. Dat betekent dat ik vaak niet zeker weet of ik volgend collegejaar nog wel werk heb, en of ik door zal kunnen gaan met mijn onderzoek. Dat soort precariteit en onzekerheid kan veel stress opleveren – en stress is zelden goed voor je onderzoek.

    Hoe vergroot dit welk inzicht?
    Het recht is voor mij zo interessant omdat het niet alleen een praktisch effect had (of moest hebben) op het dagelijks leven van mensen in de Oudheid, maar ons ook kan helpen om te onderzoeken hoe ze nadachten over concepten als macht, autoriteit, moraliteit en rechtvaardigheid. Hoewel de parallellen nooit één op één zijn, kunnen we aan de hand daarvoor ook reflecteren op hoe we zelf naar het recht kijken: waarin zijn we het eens met mensen uit de Oudheid, en waarin juist niet?

    De groeiende belangstelling voor de ervaringen van mensen die niet tot de elite behoorden, zorgt er bovendien voor dat ons beeld van de Oudheid steeds veelzijdiger (en daardoor wat mij betreft interessanter) wordt. Hoewel dat de antieke wereld in zekere zin ingewikkelder maakt, brengt iedere historische complicatie ons denk ik ook verder: net als vandaag de dag is een simpel, eenduidig verhaal bijna nooit helemaal waar.

    Welk boek over uw onderwerp zou eigenlijk iedereen moeten lezen?
    Gezien de veelzijdigheid van het vakgebied is het moeilijk om één titel te noemen, maar twee interessante en leerzame overzichtswerken zijn The Oxford Handbook of Roman Law and Society (2016) van Paul du Plessis, Clifford Ando en Kaius Tuori en Law in the Roman Provinces (2020) van Kimberley Czajkowski, Benedikt Eckhardt en Meret Strothmann. Voor een heel interessante en kritische reflectie op de verschuivingen in oudheidstudies als vakgebied: Danielle Lambert, Decolonizing Roman Imperialism. The Study of Rome, Romanization, and the postcolonial Lens (2024).

    Is er iets dat u zelf nog kwijt wil?
    Ik denk dat de verschillende oudheidwetenschappen elkaar heel erg nodig hebben. Iedereen, van juristen tot historici, van papyrologen tot taalkundigen en van letterkundigen tot archeologen, heeft een eigen waardevolle expertise, en al die expertises dragen op hun eigen manier bij tot een breder én dieper begrip van de oudheid. Door over de grenzen van mijn eigen sub-discipline heen te kijken, ben ik nóg enthousiaster geworden over ons gezamenlijke vakgebied.

    ***

    Renske Janssen is momenteel verbonden als docent/onderzoeker aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Een overzicht van de rubriek “zes vragen” is hier.

    #AnchoringInnovation #PubliusCorneliusTacitus #RomeinsRecht #zesVragen
  2. Fryslân: Tolsum

    Schrijfplankje van Tolsum (Fries Museum, Leeuwarden)

    [Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter vijftien jaar, en ik plaats vijftien blogjes over vijftien voorwerpen uit de vijftiennoot Vandaag zijn Holland en Vlaanderen elk weer één gewest. Nederlandssprekende provincies.] 

    Tolsum

    Dat had ik niet verwacht: dat ik nog nooit heb geblogd over het Schrijfplankje van Tolsum, hoewel dat toch een van de bekendste voorwerpen is uit de archeologie van de Romeinse Lage Landen. Simpel samengevat: het is zo’n wastafeltje, waarop de Romeinen met een stilus (zeg maar een satéstokje) dingen noteerden. Als iemand hard drukte, raakte hij het hout onder het laagje was en die krassen zijn nog leesbaar.

    De eerste oudheidkundige die er naar keek was Wilhelm Vollgraff (de man die Utrecht zijn Romeinse verleden teruggaf); in 1917 meende hij dat het ging om het pachtcontract voor een koe. De technieken zijn sindsdien verbeterd en in 2009 haalde de Nederlandse papyroloog Klaas Worp er een team uit Oxford bij, en de huidige interpretatie (meer; €) is dat het gaat om een op 23 februari 29 n.Chr. overeengekomen afspraak over de aflossing van een lening, te voldoen aan de slaaf Carus.

    Dit zou kunnen betekenen dat een slaaf óf persoonlijke bezittingen had waarover hij zelfstandig kan beslissen óf het vertrouwen van zijn meester zo volledig had dat hij zelfstandig een lening kon verstrekken. In dat laatste geval biedt de parabel van de “onrechtvaardige rentmeester”,noot Lukas 16.1-9. die eveneens beschikte over andermans geld, een interessante en tot op het jaar nauwkeurige parallel uit een totaal andere hoek in de Romeinse wereld.

    Er zijn nog twee observaties te doen. Eén: dit voorwerpje is gevonden in Tolsum (halverwege Franeker en Bolsward). Het is zeker niet uitgesloten dat volgens het Romeins Recht opgestelde contracten ook daar geldig waren, maar het kan natuurlijk ook zijn dat schrijfplankje daar bij toeval is beland en dat Carus, woonachtig in pakweg Maastricht, zich wekenlang heeft afgevraagd waar die schuldbekentenis toch kon zijn gebleven.

    Twee: volgens de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus kwamen in 28 na Chr. de Friezen in opstand. Aannemend

    • dat die datering klopt (en dat is maar de vraag, want boek 4 van Tacitus’ Annalen is gecomponeerd rond Romeinse terugtochten),
    • dat het plankje inderdaad betrekking heeft op Tolsum (wat, zoals gezegd, maar de vraag is)
    • dat de Friezen inderdaad in Friesland woonden (en de alternatieve theorie dat Velsen = Flevum is inmiddels echt onhoudbaar)

    … was in het hoge noorden het Romeins Recht binnen een jaar weer hersteld. Dit voorbeeld illustreert hoeveel aannames er eigenlijk zitten in oudheidkundige informatie.

    [Dit was het 537e voorwerp in onze reeks museumstukken. Als u deze blog waardeert en wat geld kunt missen voor het dekken van de kosten, dan wordt uw bijdrage gewaardeerd.]

    #Fryslân #KlaasWorp #MainzerBeobachter #PubliusCorneliusTacitus #RomeinsRecht #schrijfplankjeVanTolsum #slavernij #WilhelmVollgraff
  3. Paulus in Spanje

    Vijfde-eeuwse joodse inscriptie (Archeologisch Museum, Mérida)

    De apostel Paulus lijkt rond het jaar 56 na Chr., toen hij op reis was door Griekenland, het voornemen gehad te hebben om nog eens verder te gaan naar Rome. Ter voorbereiding van dat bezoek schreef hij aan de plaatselijke christelijke gemeenschap de Brief aan de Romeinen. Aan het einde vertelt hij:

    Ik heb mijn taak in deze streken nu beëindigd, en omdat ik er zo naar verlang om na al die jaren naar u toe te komen, hoop ik dat te doen wanneer ik naar Spanje ga.noot Romeinen 15.23-24; NBV21.

    Dat hij vanuit Griekenland – mogelijk iets preciezer: Korinthe – door wilde reizen naar Italië en Spanje, paste uitstekend bij Paulus’ ambitie het christendom te verspreiden. Maar je vraagt je af hoe hij dat wilde aanpakken. Je krijgt uit Paulus’ brieven de indruk dat hij een heel netwerk van mensen had, joden en godvrezenden, op wie hij overal kon terugvallen. Maar had hij zulke contacten ook in het verre Spanje? Had hij daar, om zo te zeggen, al wat logeeradressen?

    In elk geval geen joden. Tot voor kort werd als oudste onomstreden bewijs voor joodse aanwezigheid op het Iberische Schiereiland een grafsteen uit Mérida aangewezen (niet de bovenstaande), maar ik hoorde in januari, toen ik het Sefardische Museum van Toledo bezocht, dat die inmiddels in de zevende eeuw wordt gedateerd. Een derde-eeuwse inscriptie uit de omgeving van Málaga, die ik in het plaatselijke museum niet heb gezien, is nu het oudste onomstreden materiële bewijs. Er zijn wel wat oudere aanwijzingen, maar die zijn te ambigu om doorslaggevend te zijn. Hebreeuwse letters op bijvoorbeeld een potscherf kunnen evengoed Aramees zijn.

    Niet dat de Joden niet zouden hebben geweten van het bestaan van Spanje. Er is een theorie dat het Tarsis waarheen de profeet Jona wil vluchten,noot Jona 1.3. feitelijk het Andalusische Tartessos is.

    Ten slotte is er het bewijs van usucapio. Dit is een procedure uit het Romeins Recht die erop neerkomt dat je eigenaar kunt worden van iets als je dat te goeder trouw in handen hebt gekregen en lange tijd hebt gebruikt zonder dat de feitelijke eigenaar van zich liet horen. Dus ongeveer zoals je iets mag houden dat je op straat hebt gevonden zonder dat de eigenaar zich bekendmaakt. Usucapio speelde in de Late Oudheid een rol toen mensen zich vestigden op onbeheerde landgoederen, de zogeheten bona vacantia.

    Ook de rabbijnen bespraken deze procedure. De Mishna, de eerste grote optekening van rabbijnse wijsheid, noteert dat iemand die drie jaar onafgebroken en zonder bezwaar gebruik heeft kunnen maken van een huis, een cisterne, een gracht, een opslagruimte, een duiventil, een badhuis, een olijfpers, een veld of een slaaf, deze verwerft. Een van de geciteerde rechtsgeleerden, een rabbijn uit het midden van de tweede eeuw na Chr., vertelt dan dat de periode van drie jaar is bedacht omdat dit lang genoeg is om iemand in Spanje (Ispamia) te laten vernemen dat iets in het Land van Israël door een ander in gebruik is genomen en bezwaar te laten maken.noot Mishna, Baba Bathra 3.2.

    Je kunt de rabbijnse discussie niet zomaar extrapoleren naar de tijd van de apostel Paulus. Alle in de discussie over usucapio geciteerde rabbijnen leefden in de tweede eeuw en je krijgt de indruk dat de ongebruikte huizen, cisternen, grachten, opslagruimten, duiventillen, badhuizen, olijfpersen, velden en slaven bona vacantia waren na een van de Joods-Romeinse oorlogen. Kortom, ik heb niet het idee dat als Paulus werkelijk verder naar Spanje is gereisd, hij daar veel joodse geloofsgenoten zal hebben ontmoet.

    [Ik organiseer een reis naar Spanje. Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    In april 2027 organiseer ik een mooie reis naar Spanje. Heeft u belangstelling? Kijk eens hier. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Hoe kennen we de Romeinen? (1)

    mei 3, 2015
    Berenike

    januari 5, 2025
    Gladiatrices en dwergen

    augustus 1, 2022 Deel dit: #BriefAanDeRomeinen #Mishna #Paulus #RomeinsRecht #usucapio
  4. Het vierkinderenrecht

    Reconstructie van het beeld van keizer Augustus uit Primaporta (Allard Pierson-museum, Amsterdam)

    De huwelijkswetgeving lag keizer Augustus na aan het hart. We weten niet waarom precies, maar zijn hele regering lang heeft hij geprobeerd de relaties tussen man en vrouw te reguleren. Uit het jaar 18 v.Chr. dateert de Lex Julia de maritandis ordinibus, die bepaalde wie met wie konden trouwen. Vermoedelijk uit hetzelfde jaar dateert de Lex Julia de adulteriis coercendis, ofwel een wet tegen overspel. Wellicht hingen deze wetten samen met de afkondiging van een “nieuwe era” in het daaropvolgende jaar.  We lezen verder over wetgeving de pudicitia, betreffende de openbare zeden.

    Hoe belangrijk dit thema was voor Augustus, blijkt wel uit het feit dat hij niet alleen het burgerlijk recht maar ook het strafrecht inzette. Bovendien bleef hij erop terugkomen: alsof drie wetten nog niet genoeg waren, herhaalde hij de wetgeving het in 9 na Chr., al liet hij het indienen toen over aan de twee consuls. Deze wet staat bekend als de Lex Papia et Poppaea, die de maatregelen uit de eerstgenoemde wet aanvulde en aanscherpte.

    Het doel van zowel de Lex Julia de maritandis ordinibus als de Lex Papia et Poppaea was om mensen te laten trouwen. Liefst ook met de juiste mensen: senatoren en hun kinderen konden niet al te ver beneden hun stand trouwen, en zeker niet met vrijgelatenen. Dat aspect was vermoedelijk voor de standsbewuste Romeinen het belangrijkste, maar ik ben in dit blogje meer geïnteresseerd in de wettelijke prikkels om te trouwen. Ongetrouwde mensen mochten bijvoorbeeld bepaalde voorstellingen niet bijwonen. Ook legden deze wetten straffen op bij celibaat en kinderloosheid. Wie zijn of haar partner verloor en niet snel hertrouwde, kreeg te maken met beperkingen in het erfrecht.

    Vierkinderenrecht

    Het bestraffen van kinderloosheid was harteloos. Het trof immers ook mensen die dolgraag kinderen wilden maar ze niet krijgen konden. Zulke mensen ook nog eens straffen was oneerlijk en daarom schafte de Lex Papia et Poppaea de straffen af en verving ze door beloningen voor wie wel kinderen had: het ius III vel IIII liberorum, “het recht van de drie of vier kinderen”. Een man met vier kinderen kreeg voorrang als hij zich kandidaat stelde voor een ambt en de moeder van vier kinderen mocht haar eigen bezittingen zonder voogd beheren. Behoorden de ouders tot de senatoriële stand, dan kreeg zo iemand deze privileges als ze drie kinderen hadden.

    Tot zover het principe: extra rechten bij vier kinderen, en voor the happy few al bij drie. En toen kwamen de complicaties. De Romeinse rechtsgeleerde Julius Paulus, die u moet plaatsen aan het begin van de derde eeuw na Chr. biedt een overzicht.noot Paulus, Sententiae 4.9. Als een kind later overleed, telde het niet mee. Een echtpaar kon het vierkinderenrecht dus weer verliezen. In feite werd het principe hier dus aangescherpt: “een kind” werd “een levend kind”. Dat een echtpaar een miskraam niet mocht laten meetellen lag hierna voor de hand. Als een vrouw beviel van een monstruosus, dus een kind met een wonderlijk uiterlijk, telde het niet mee. Opnieuw een aanscherping: het gaat dus niet meer om “een kind” maar om “een normaal kind”.

    Versoepeling versus verscherping

    Er zijn ook een paar bepalingen waar een zekere soepelheid uit blijkt. Dezelfde Paulus noemt bijvoorbeeld dat de kinderen uit verschillende huwelijken afkomstig mogen zijn.noot Paulus, Sententiae 16.3.4. (Het kon dus zijn dat de ene partner een recht had dat de andere niet bezat.) Maar over het algemeen lijkt de jurisprudentie de bepalingen vooral te hebben aangescherpt.

    Deze interpretatierichting, in de richting van steeds grotere scherpte, heeft een verklaring. Daarover binnenkort meer.

    In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Liberchies

    juli 24, 2020
    Messias (1)

    november 29, 2020
    Vreugde der Wet

    juni 16, 2013 Deel dit: #Augustus #huwelijkswetgeving #interpretatierichting #JuliusPaulus #LexJuliaDeAdulteriisCoercendis #LexJuliaDeMaritandisOrdinibus #LexPapiaEtPoppaea #RomeinsRecht #Senaat #vierkinderenrecht
  5. Vragen rond de jaarwisseling (1)

    Odysseus en Polyfemos (Eleusis)

    Twee weken geleden, op 17 december, nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal nu mijn best doen ze te beantwoorden. Er waren betrekkelijk weinig vragen over het “klassieke” deel van de oude wereld, maar daarmee begin ik vandaag wel.

    Wat vind je van de trailer van de verfilming van de Odyssee?

    Historici hebben geen mening over kunst. Ik heb het n.a.v. de film Redbad al eens uitgelegd. We vragen filmmakers toch ook niet of ze een mening hebben over historische processen?

    Fresco van een duiker (Paestum)

    Is de beroemde schildering van de duiker uit Paestum, gemaakt rond 475 v.Chr., Grieks, Etruskisch of Graeco-Etruskisch?

    Je kunt zeggen dat een scheppend kunstenaar autonoom is en uit de diverse tradities neemt wat hij nodig heeft, maar dat roept de vraag op welke tradities dat zijn. En of we die tradities eigenlijk wel kennen, want we kennen uit de Griekse wereld weinig dat hier op lijkt. Ik legde de vraag voor aan Ruurd Halbertsma, die voor het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een expositie maakte over Paestum. Hij schreef:

    De bekende ‘Tombe van de duiker’ blijft een Fremdkörper in de archeologie van Zuid-Italië. Het is tot nog toe de enige gedecoreerde graftombe uit de Griekse periode van Poseidonia/Paestum die we kennen. De twee lange wanden tonen vier ligbedden (klinai), waarop zes symposiasten zijn neergevleid, bezig met muziek, zang en liefkozingen. Een van de korte zijden laat de aankomst (of vertrek?) van de twee andere gasten zien, op de andere korte zijde is een jongen bezig met het uitschenken van de wijn. Op het deksel van de tombe is een naakte jongen afgebeeld, die vanaf een soort duiktoren een duik neemt in het water. Over de interpretatie is al veel inkt gevloeid. Het meest plausibel lijkt mij dat hier de geneugten van de jeugd worden gevierd. De duik als symbool van de overgang van leven naar dood wordt in de literatuur ook vaak genoemd, maar wordt op geen enkele manier gesteund door bijvoorbeeld literaire parallellen met een dergelijke beeldspraak als inhoud.

    De beste parallel voor de afbeelding is te vinden in de necropool van Tarquinia, in de Tombe van de Jacht en Visserij, ca. 520-510 v.Chr. Tussen al het jagen en vissen duikt een jongen vanaf een rotspunt de zee in, ook in de Etruskische wandschilderkunst een unicum. Nu hadden de Grieken uit Poseidonia wel contacten met de Etrusken, maar dat waren de Campaanse Etrusken, die aan de overkant van de rivier de Sele woonden. Hun hoofdstad, die onder het huidige Pontecagnano ligt, werd door de Romeinen in de Derde Samnitische Oorlog verwoest. Of het beeld/imago van de duiker in Poseidonia beïnvloed is door een kunstuiting helemaal ten noorden van de Tiber lijkt mij onwaarschijnlijk. Er werd door Grieken én door Etrusken voor het plezier gezwommen en gedoken, zoals jongetjes rondom de Middellandse Zee dat nog steeds doen, zoveel is zeker. En dat plezier zien we terug in de graven, naast de jacht, de muziek, de zang, de wijn en de seks. Kortom, laten we de ‘Tombe van de duiker’ maar gewoon Grieks blijven noemen!

    De Saalburg (even ten noorden van Frankfurt) is de moeder van alle limes-reconstructies.

    Waren er overeenkomsten tussen Tamuda (in Marokko) als grensgebied en de limesstreek in Nederland?

    Zoals zo vaak is het drievoudige antwoord: “ja” en “nee” en “we weten het niet”. Ja, want alle grensgebieden kennen dezelfde problematiek:

    • je moet niet ten onrechte welwillende bezoekers buitensluiten
    • je moet niet ten onrechte vijandelijke bezoekers toelaten.

    Voor de Romeinse wereld geldt hierbij als bijzonderheid seizoenmigratie en nomadisme, thema’s die voor de Nederlandse limes wat onderschat en voor de Maghreb wat overschat lijken te zijn. Tot zo ver het “ja”.

    Nee, want de limes langs de Rijn is langs een grote transportader door het vruchtbare vlakke land, terwijl in de Maghreb de vruchtbare gebieden in het voorland liggen, en er bergen zijn.

    Tot slot “we weten het niet”. We weten niet of de Romeinen één visie hadden op strategie, die aan alle grenzen dezelfde was, of dat de rijksverdediging steeds werd aangepast aan de omstandigheden. Voor zover ik weet zijn er argumenten voor beide standpunten.

    Codex Justinianus met Accursische glossen en in miniletters aanvullend commentaar (Limburgs Museum, Venlo)

    In de Oudheid waren er allerlei, meest ongeschreven rechtssystemen in ons land. Later zijn stedelijk, gewestelijk en nationaal recht ontstaan. Sinds wanneer is er sprake van nationale rechtssystemen en lijkt de ontwikkeling in ons land op die in bijvoorbeeld Duitsland?

    Voor zover mij bekend bestonden in het Romeinse Rijk inderdaad vooral ongeschreven rechtssystemen met daarnaast een geschreven traditie, waarvan we niet weten in welke mate die ook het leven reguleerde van gewone Bataven of Nerviërs. Dat geschreven rechtsstelsel is gecodificeerd in Beiroet en later, ten tijde van Justinianus, nog een tweede keer in Constantinopel. Deze Byzantijnse codificatie is rond 1200 in West-Europa ingevoerd en zou, samen met de standaardglossen van Accorso di Bagnolo de standaard zijn voor voor de nationale rechtssystemen.

    Let wel: rond 1200 waren er nog geen nationale staten.noot Ik vertik het om dat nieuwe anglicisme “natie-staat” te gebruiken. In de zestiende eeuw streefden de overheden naar eenheid (bijv. de Pragmatieke Sanctie van 1549), maar het verzet van de gewesten tegen deze centralisatiepolitiek was fel. Ik denk dat we in West-Europa pas kunnen spreken van nationale rechtssystemen vanaf pakweg 1800.

    Nederland en België waren rond 1830 wel zo’n beetje klaar, maar Duitsland werd pas in 1870 een eenheid, en ik meen te weten dat er pas in 1900 één rechtsstelsel was. In elk geval kon je in het Duitse Rijk tot 1899 een vonnis vragen volgens Romeinse regels.

    Imerix en Servofredus; twee goed-Germaanse namen (Archeologisch museum, Zadar)

    Wat weten we eigenlijk over Germaanse en Frankische naamgeving voor personen?

    Daarover blogde ik hier. (De vragensteller had vervolgvragen die ik niet zo 1-2-3 kan beantwoorden, sorry.)

    Allegorie op de wetenschap (Berliijn)

    Waarom bestuderen we de Oudheid? … Waarom heb jij voor de Oudheid gekozen?

    Waarom ik dit vak heb gekozen? Stom toeval. Ik had het verkeerde vakkenpakket om nog tropenarts te worden, en toen ik eenmaal was verlost van de militaire dienst, was de inschrijving voor Maatschappijgeschiedenis in Rotterdam al gesloten. Die van Geschiedenis aan de Vrije Universiteit was nog open.

    Waartoe dient de wetenschappelijke bestudering? Eén reden is dat dingen in de Oudheid zijn ontstaan die nog steeds het geval zijn, zoals het idee dat je niet én joods én christelijk kunt zijn, en maximaal één godsdienst kunt hebben: dat gaat terug op de implementatie van de Fiscus Judaicus door keizer Domitianus. Als je eenmaal weet dat iets onder specifieke omstandigheden is ontstaan, kun je je er ook van distantiëren. Het staat u vrij tegelijk moslim en katholiek te zijn, daar gaat Domitianus niet langer over. In die zin is oudheidkunde een bevrijdend, emancipatoir vak.

    Veel van die “ontstaan-claims” zijn overigens niet sociaalwetenschappelijk en overtuigend te bewijzen. En bovendien is het ontstaan van iets minder belangrijk dan het hedendaagse functioneren. Dus dit is geen heel sterke rechtvaardiging van de bestudering van het tijdperk.

    Een tweede, hiermee verwante rechtvaardiging is dat we zo nu en dan antieke ideeën kunnen reconstrueren en spiegelen met de onze. Wat een Aristoteles beweerde over vrouwen, zou in onze tijd ondenkbaar zijn, en roept de vraag op waarom wij zo anders denken.

    En dan is er nog het aspect waarop Rens Bod zo vaak attendeert: de modellen waarmee geesteswetenschappers hun onderzoek doen, beschrijven de werkelijkheid niet alleen maar vormen die ook. Ze hebben zélf agency. Ik adviseer iedereen om De vergeten wetenschappen te lezen. Oudheidkundig voorbeeld: de reconstructie van de Indo-Europese taalfamilie schiep het nationalisme in een voor ons herkenbare vorm.

    Tot zover de officiële redenen, waarmee de subsidiëring valt te rechtvaardigen. De voornaamste reden is echter een andere: het contact met het verleden is gewoon leuk. Net zoals het bijwonen van het North Sea Jazz festival, een vakantie in Limburg, een bezoek aan Museum Arnhem of het lezen van een roman, behoeft een liefde voor de Oudheid voor het niet-gesubsidieerde deel der mensheid geen rechtvaardiging.

    [Morgen meer]

    PS

    Ik deel altijd petities als oudheidkundige instellingen worden bedreigd, wat zo elke twee à drie maanden gebeurt. Soms pakt het gelukkig goed uit: de Vrije Universiteit in Amsterdam heeft aardwetenschappen (met een belangrijk isotopenlaboratorium) niet beëindigd.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

    Deel dit: #AccorsoDiBagnolo #agency #DerdeSamnitischeOorlog #Domitianus #FiscusJudaicus #Lucaniërs #nomadisme #Paestum #Redbad #RensBod #RomeinsRecht #schilderkunst #seizoensmigratie #speelfilm #Tamuda #vragenRondDeJaarwisseling
  6. Het Rijk van Toulouse (1)

    Sarcofaag uit de tijd van het Rijk van Toulouse (Musée Saint-Raymond, Toulouse)

    Achteraf geloof ik dat er, toen ik kort na 1990 een afstudeerscriptie schreef waarin ik de romanisering van het Iberisch Schiereiland vergeleek met de arabisering, iets gaande was dat je zou kunnen aanduiden als het ontstaan van een nieuwe visie op laatantiek Iberië. Je zou het zelfs een revolutie mogen noemen, als die term niet zo vaak werd misbruikt. Feit is dat een traditioneel beeld werd omgekeerd en dat daarbij twee boeken centraal stonden: Roger Collins’ Early Medieval Spain (1983) en zijn The Arab Conquest of Spain, 710-797 (1989).

    Het waren geen volmaakte boeken. Collins had de neiging economische factoren te bagatelliseren, met de overigens overtuigende toelichting dat er over bijvoorbeeld de belastingheffing in het Rijk van Toledo weinig méér bekend was dan dat ze had bestaan. Toch heb ik de boeken met veel plezier gelezen, niet het minst omdat Collins lef toonde en alles op z’n kop zette. Eerdere auteurs hadden laatantiek Iberië getypeerd als een geïsoleerd gebied; Collins benadrukte het tegendeel. Eerdere auteurs hadden beweerd dat het Rijk van Toledo gescheiden rechtsstelsels voor Germanen en Romeinen had gehad, volgens Collins was het één rechtssysteem.

    Anders gezegd: tegenover het rond 1990 al verouderde beeld dat het Romeinse Rijk ten onder was gegaan door aanvallen van Germanen en andere barbaren, waarna de Visigoten de macht hadden overgenomen in Spanje, kwam een nieuw beeld, dat de nadruk legde op de assimilatie van nieuwkomers. De etiketten die wij geven aan tijdvakken zijn zelden vrij van politieke connotaties (bijv. Sumerische Renaissance of Byzantijnse Rijk), maar we kunnen ze niet altijd meer vervangen, en zolang we ons bewust zijn van de connotaties, is het ook niet zo urgent. Maar de naam “Rijk van Toledo” is toch wel te verkiezen boven Hispania visigoda.

    Het Rijk van Toulouse

    Wat was eraan vooraf gegaan? Ik heb het al eens beschreven: in augustus 378 versloeg een leger van “barbaren”, gecommandeerd door Fritigern (r.376-380), het Romeinse leger van keizer Valens bij Adrianopel. Daarna zwierf dat leger over de Balkan, nu eens in dienst van de keizer, dan weer met een eigen agenda. Uiteindelijk kwam dit leger aan in Aquitanië, waar de soldaten land kregen. Het is gebruikelijk deze groep “Visigotisch” te noemen, hoewel er behalve Goten ook mensen bij waren met andere etnische achtergronden, en hoewel die naam pas later opduikt.

    De hoofdstad van koning Theodorik I (r.418-451) was Toulouse en zijn volgelingen kregen landerijen. Het Romeinse kadaster kende diverse categorieën, variërend van luxe paleisvilla’s tot simpele hoeven, en de nieuwkomers kregen 2/3 van de landgoederen uit de beste categorie. Het hiervoor gebruikte eufemisme was hospitalitas. We hoeven geen medelijden te hebben met de onteigenden: grootgrondbezitters bezaten meestal diverse boerderijen, inclusief 100% van de iets minder goede landgoederen. Ze zullen bovendien hebben bedacht dat de nieuwkomers gevechtservaring hadden. Die barbaren konden nog eens nuttig zijn, zullen de superrijken hebben gedacht, als er eens een boerenopstand dreigde.

    De culturele tegenstellingen tussen de Gallo-Romeinse bevolking en de immigranten waren minder groot dan wel aangenomen is geweest. De Belgische historicus Henri Pirenne wees er al in 1922 op dat de zwerftocht van de Visigoten archeologisch niet valt te documenteren. De mantelspelden en gespen die men weleens aanduidt als Germaans, kunnen door iedereen zijn gedragen, en als Franse musea het hebben over een wisigothique, is dat een tijdperk en geen etnische duiding. De nieuwkomers beheersten het Latijn. Ze waren ook christelijk. Misschien dat een bisschop mopperde dat die vermaledijde Germanen vervloekte arianen waren, en uit de veelal christelijke bronnen zou je afleiden dat dit een urgente kwestie was, maar dit is vooral bias.noot Overigens is interessant dat Rechiar, de leider van een andere “Germaanse” groep, de Sueben, al vóór 448 het Credo van Nikaia onderschreef.

    Sidonius Apollinaris

    Een van de belangrijkste bronnen voor het leven in het Rijk van Toulouse is de brievencollectie van Sidonius Apollinaris. Hij lijkt wel wat op Synesios van Kyrene: voorname afkomst, geverseerd in de letteren en uiteindelijk, na een civiele loopbaan, benoemd tot bisschop. Dat laatste betekent niet dat zulke mannen een geestelijke roeping hadden; het was een manier om verantwoordelijkheid voor de samenleving te nemen en het aanzien te behouden waarop men recht meende te hebben.

    In Sidonius’ vroegste brieven vinden we nogal wat overdreven, stereotiepe opmerkingen over wilde barbaren. Later, als hij zijn bisschopsstad Clermont-Ferrand heeft verloren aan koning Eurik van Toulouse (r.466-484) en als hij enige tijd gedetineerd is geweest, blijkt hij echter een andere kijk te hebben op de vermeende woestelingen. Sidonius erkent dat Eurik en zijn hovelingen de feitelijke erfgenamen zijn van het keizerrijk. Deze koning, en zijn voorganger Theodorik II, hadden veel gedaan om zich als Romeins magistraat te presenteren, zoals het afkondigen van wetten in de (verloren) Codex Theodoricianus en de (gedeeltelijk bewaarde) Codex Euricianus.

    Even iets over die codificaties. Terwijl eerdere onderzoekers opperden dat deze wetgeving alleen gold voor de Romeinen in de door Theodorik II en Eurik beheerste gebieden, heeft Collins aannemelijk weten te maken dat de regels golden voor alle ingezetenen. Daarmee bewaarden deze codificaties de algemeenheid van het Romeins Recht die in Europa pas terugkeerde met het Allgemeines Landesrecht in Pruisen (1794) en de Code Napoleon (1804).

    Lepel uit Visigotisch Aquitanië met Latijnse inscriptie (Musée d’archéologie nationale, Saint-Germain-en-Laye)

    Terug naar Sidonius. Misschien is hij het meest overtuigend als hij zijn eigen culturele standaard als norm neemt en schrijft dat de Visigoten zo goed Latijn spraken en zelfs bereid waren zich te scholen in de letteren.noot Sidonius Apollinaris, Brief 5.17.2 en Brief 8.2.2. Het is tekenend dat de bisschop een gedicht aan Eurik wijdt dat alleen begrijpelijk is als deze heel goed Latijn kon.noot Sidonius Apollinaris, Brief 8.9.

    De Codex Theodoricianus en Codex Euricianus waren geschreven in het Latijn, niet in het Gotisch, wat betekent dat minimaal een deel van de Visigoten de bestuurstaal goed beheerste. Dit wil niet zeggen dat men die taal ook in het dagelijks verkeer benutte, maar het is opmerkelijk dat Sidonius nergens melding maakt van tolken en allerlei mensen met Germaanse namen aanschrijft in het Latijn.

    [wordt vervolgd]

    Mijn boek over de geschiedenis van Libanon is verschenen; de opbrengst gaat via Cordaid naar het geteisterde land.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De dood van Sokrates

    juli 8, 2022
    Armeense volkscultuur

    juni 16, 2019
    Onbegrijpelijk glas

    juli 21, 2016 Deel dit:

    #arianisme #bisschop #ClermontFerrand #CodexEuricianus #CodexTheodoricianus #Eurik #Fritigern #Gallië #hospitalitas #Latijn #RijkVanToulouse #RogerCollins #RomeinsRecht #SidoniusApollinaris #SynesiosVanKyrene #TheodorikI #TheodorikII #Toulouse #Visigoten

  7. Echtscheiding in Romeins Judea

    Ik ben geen voorstander van niet-authentiek beeldmateriaal, maar ik heb bij het blogje van vandaag niks beters dan Abraham die Hagar verstoot.

    Het is een waarheid als een koe: waar twee culturen contact maken, nemen ze zaken van elkaar over. Dat geldt dus ook voor de Joodse cultuur, waar ik op zondag altijd over blog, en de Grieks-Romeinse cultuur, die momenteel aandacht krijgt in de Week van de Klassieken. Van Romeins-Joods cultuurcontact zijn allerlei voorbeelden en een speculatief voorbeeld schoot me vorige week te binnen: echtscheiding.

    Joodse echtscheidingen

    Een van de hardste gegevens over de leer van Jezus van Nazaret is zijn afwijzing van scheiding. Die is heel breed gedocumenteerd: Marcus 10.2-9 is een voorbeeld, de Bergrede bevat een ander.noot Matteüs 5.32. Het verbod is ook te vinden bij de apostel Paulus.noot Romeinen 7.2-6. We hebben dus documentatie uit minimaal drie bronnen: Marcus, Q en Paulus. Het zal bovendien niet in een Joodse context zijn verzonnen, aangezien het een breuk vormt met het gangbare jodendom. Echtscheiding was immers toegestaan, zij het met regels. De procedure rond de echtscheidingsbrief staat beschreven in Deuteronomium.noot Deuteronomium 24.1-4 en 21.14, 22.29.. De uitwerking van die regels staat in het Mishna-traktaat Gittin.

    Jezus’ afwijzing van echtscheiding hing niet in het luchtledige. Ook de sekte van de Dode-Zee-rollen had er moeite mee, met als argument dat wie veel vrouwen heeft, ook zijn joodse geloof zou verliezen. Dat had koning Salomo immers bewezen.

    Romeinse echtscheidingen

    Maar wellicht is er een tweede reden waarom Jezus tegen echtscheiding was. Ik verzin die, maar het is niet onmogelijk dat er in zijn tijd een toename was van het aantal echtscheidingen, omdat dit onder het Romeinse recht heel eenvoudig was. In de Romeinse wereld kon een scheiding tot stand komen zonder formaliteiten, eenvoudigweg doordat de twee partners stopten met gemeenschappelijk leven. Dat kon met wederzijdse goedkeuring gebeuren, of doordat een van de twee partners wegging.

    Ik kan het niet bewijzen, maar het zou me niet verbazen als iemand nog eens aantoonde dat er met de komst van Rome in de Joodse wereld meer echtscheidingen waren. Waar twee culturen contact maken, nemen ze zaken van elkaar over: dat is een waarheid als een koe. En het is ook een waarheid als een koe dat als de leden van twee culturen elkaar kennen, ze elkaars gebruiken kunnen afwijzen.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u een van mijn boeken kopen (en lezen), zoals Goden en halfgoden. Of ga mee op reis naar Tunesië! Of kom een cursus doen. Of doneer. U kunt deze blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #Bergrede #BriefAanDeRomeinen #Deuteronomium #DodeZeeRollen #echtscheiding #koningSalomo #Mishna #Paulus #QBron #RomeinsRecht

  8. Venus van het Riool

    De basis van de kapel van Venus Cloacina

    Op het Forum Romanum ligt de rare ronde schijf die u hierboven ziet. De diameter bedraagt zo’n tweeëneenhalve meter. Mocht u deze stenen zoeken: ze bevinden zich vlak voor de winkels in de Basilica Aemilia. Dit is het fundament van wat ooit de kapel was van Venus Cloacina, ofwel Venus van het Riool. Deze curieuze naam hangt samen met de plek van het heiligdommetje: boven het afwateringskanaal onder het Forum, de cloaca maxima.

    Tegenwoordig resteert dus alleen de ronde marmeren basis, maar er is een muntafbeelding van deze heilige plaats. Die is echter moeilijk te interpreteren. In elk geval stonden er twee standbeelden van vrouwen die een plengoffer lijken te brengen; één dame lijkt een bloem vast te hebben in een opgeheven hand.

    Verliefde magistraat

    De Romeinen wisten niet precies waarom ze Venus Cloacina vereerden, maar hadden respect voor de plaats omdat er ooit een gruwelijke moord was gepleegd. In het midden van de vijfde eeuw v.Chr. was Rome twee jaar bestuurd door het zogeheten College der Tienmannen, dat tot taak had het Romeins Recht te codificeren. Het voornaamste lid, Appius Claudius Crassus, begon zich echter steeds tirannieker te gedragen. Dat zou tot daaraan toe zijn geweest, maar hij werd verliefd, een kwaal die volgens de Romeinen vrijwel zonder uitzondering leidde tot iemands onafwendbare ondergang. Het meisje waarop hij zijn zinnen had gezet, Verginia, was de dochter van de dappere officier Lucius Verginius.

    De Romeinse geschiedschrijver Titus Livius schrijft dat alle pogingen die Claudius “in de verdwazing van zijn verliefdheid” ondernam om het meisje te versieren “afketsten op het harnas van haar kuisheid”.noot Livius 3.44.4. Daarom nam hij zijn toevlucht tot een list. Een handlanger zou haar bij de rechtbank aanklagen, beweren haar vader te zijn en haar terugeisen. (Processen over iemands afkomst en burgerlijke staat waren in de Oudheid aan de orde van de dag; er was immers geen bevolkingsregister.) De dienstdoende magistraat, Claudius zelf, zou de eiser in het gelijk stellen, en de nieuwe vader zou het meisje uithuwelijken aan een fatsoenlijke echtgenoot, en we hoeven ons niet lang af te vragen wie dat dan wel zou zijn.

    Volgens plan werd Verginia aangeklaagd, Claudius wees het meisje toe aan de eiser, gelastte een gerechtsdienaar het meisje te arresteren en verzocht de omstanders te vertrekken:

    De menigte ging uit eigen beweging uiteen en liet het meisje daar alleen staan, een prooi van het onrecht. Toen sprak Verginius, omdat hij nergens meer een uitweg zag: “Allereerst verzoek ik u, Appius, een vader zijn verdriet te vergeven, als ik misschien wat hard tegen u ben uitgevaren. Sta mij vervolgens toe hier in het bijzijn van mijn dochter de voedster te vragen hoe de zaak in elkaar zit. Als ik ten onrechte haar vader word genoemd, kan ik met minder hartzeer vanhier weggaan.”

    Zijn verzoek werd ingewilligd en hij nam het meisje en haar voedster apart bij de winkels naast het heiligdom van Cloacina – nu heten die de Nieuwe Winkels. Daar griste hij een mes uit de handen van een slager en zei: ‘Op deze manier, de enige waarop ik het kán, dochter van mij, kom ik op voor je vrijheid!’ Daarop doorstak hij de borst van het meisje.noot Livius 3.48.4-5.

    Hierdoor werd de Romeinen duidelijk wat de tirannie der Tienmannen inhield. Ze kwamen in opstand en herstelden de republikeinse staatsinstellingen.

    Of het verhaal, dat zich laat lezen als een toneelstuk, waar is, is de vraag, maar Livius zou daarop hebben geantwoord dat die vraag irrelevant was: sommige van zijn verhalen blonken immers eerder uit door poëtische schoonheid dan dat ze berustten op feiten. Livius wijst aan het eind van zijn verhaal ook op een positief gevolg van dit akelige voorval: de nieuwe consuls, Lucius Valerius en Marcus Horatius, vaardigden een wet uit die erop neerkwam dat er geen magistratuur kon bestaan waartegen geen beroep mogelijk was. Dit was een van de belangrijkste bepalingen uit het Romeinse recht en is nog altijd een uitgangspunt van moderne rechtsstelsels.

    Ik organiseer in het voorjaar van 2025 een reis naar de Provence en een reis naar de vernieuwde musea van Beieren. Door mee te gaan helpt u deze blog gratis te houden. Maar u kunt natuurlijk ook een van mijn boeken kopen (en lezen), een cursus doen, of doneren. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #CloacaMaxima #ForumRomanum #Rome #RomeinsRecht #TitusLivius #Venus #Verginia

  9. Mijn poging om de wondere wereld van het #RomeinsRecht samen te vatten: het belang, de complexe wortels, de ontwikkeling, de uiteindelijke geslaagde poging één systematisch geheel te scheppen.

    mainzerbeobachter.com/2023/10/

  10. Stedelijke rechten

    Agrippa, de stichter van Nijmegen (Altes Museum, Berlijn)

    Ik had er eigenlijk niet over willen bloggen, maar het onderwerp dook in vier dagen drie keer op: wat is de oudste stad van Nederland? Die vraag leeft nogal in Maastricht (dat ooit toeristen lokte met de slagzin “Maastricht staat op zijn Romeinse verleden”), in Nijmegen (dat elk decennium een ander stichtingsjaar heeft en in Tongeren (waar alle bewijs bestaat uit een inscriptie die niemand ooit heeft gezien).

    De eeuwige negentiende eeuw

    Als ik het goed zie, is het in feite een negentiende-eeuws discussie. Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, is er te weinig informatie over de oude wereld en spelen de vooronderstellingen van de oudheidkundige een belangrijke rol bij de interpretatie van de schaarse data. Dat is de aard van het vak, maar als je niet oppast neem je de vooronderstellingen van je voorgangers over. En dat lijkt hier te zijn gebeurd: in de negentiende eeuw ging men ervan uit dat er zoiets was geweest als Romeins stadsrecht, zoals dat in de Middeleeuwen ook had bestaan.

    Ten dele is dat waar. De Romeinen verleenden weleens aan een gemeente de rang van colonia, wat wilde zeggen dat zo’n stad een miniatuur-Rome werd. Alle burgers kregen het Romeinse burgerrecht en de stad kreeg een Capitool-tempel om de voornaamste Romeinse goden gepast te vereren. In steden als Keulen en Xanten is aan de burgers dus een rechtenpakket toegekend. Dat lijkt inderdaad wat op de middeleeuwse stedelijke privileges.

    Municipia en naamsveranderingen

    Er zijn echter nog twee verschijnselen. Om te beginnen gaan in de loop van de Keizertijd steeds meer gemeentes zichzelf aanduiden als municipium. Daarnaast is er een gewoonte dat steden de naam van de vorst aannemen: Nijmegen gaat zich aanduiden als Ulpia Noviomagus (naar keizer Marcus Ulpius Trajanus) en Voorburg wordt Forum Hadriani (naar keizer Hadrianus).

    Deze gegevens zijn (voor zover ik kan nagaan: in de jaren twintig van de vorige eeuw) samengebracht in een soort theorie-van-alles. Volgens die theorie zou het Romeinse staatsbestel drie rangen van gemeentes hebben gekend.

    • Er waren civitates, wat zowel “stad” als “stam” kan betekenen; de Griekse stadstaten (poleis) hadden vergelijkbare rechten;
    • civitates en poleis konden de municipium-status verwerven, wat inhield dat de burgers een lager soort burgerrecht kregen (het Latijnse burgerrecht);
    • en tot slot konden ze colonia worden.

    Daarnaast konden gemeentes gelden als bondgenoot of worden vrijgesteld van belastingen, zodat er een enorme verscheidenheid was aan rechtenpakketten. Verdeel en heers.

    De problemen

    Tot zover de reconstructie. Er waren complicaties. Er was bijvoorbeeld de vraag of een naamaanpassing – zoals Nijmegen dat zich Ulpia Noviomagus ging noemen – eigenlijk wel duidde op een statusverandering. Het twintigste-eeuwse Nijmegen heeft die vraag met ja beantwoord. De stad kreeg dus een Trajanusplein met een beeld van keizer Trajanus, omdat men ervan uitging dat de naamsverandering duidde op de verlening van stadsrechten. Maar dat is dus allerminst zeker.

    Een tweede complicatie is dat er slechts één verlening van een municipiumstatus expliciet is gedocumenteerd. Dat betreft Praeneste en speelt ten tijde van keizer Tiberius. Zoals we zo meteen zullen zien, bewijst die het tegengestelde van wat men denkt.

    Wanneer oudheidkundigen zeggen dat een stad een municipium werd, is dat dus niet gebaseerd op een akte of zo. Hoewel we tienduizenden inscripties kennen, is er niet één document waaruit blijkt dat deze of gene bestuurder municipale rechten verleent aan deze of gene gemeente. We hebben te maken met circumstantial evidence:

    • Enerzijds inscripties waaruit blijkt dat de stad zich municipium is gaan noemen.
    • Anderzijds inscripties die erop duiden dat een stad de naam van een keizer heeft aangenomen (zoals in Nijmegen).

    In beide gevallen is de aanname dat de juridische status veranderde precies dat: een aanname. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat een naamsverandering méér is geweest dan de gebruikelijke Romeinse hielenlikkerij. Uit Sabora in Andalusië hebben we de correspondentie over: de gemeente vraagt om zich naar keizer Vespasianus te mogen noemen, deze staat dit toe en herinnert eraan dat financiële overeenkomsten niet nietig worden nu de tenaamstelling niet langer klopt.

    Nog een kanttekening: blijkens de inscripties uit de Maghreb gaan municipia zich daar na verloop van tijd res publica noemen. Je zou, als de theorie-van-alles klopt, verwachten dat ook dit een statusverandering inhoudt, maar ik ben niet op de hoogte van iemand die zoiets heeft geclaimd. Ik heb echter niet alle relevante literatuur kunnen lezen, want die is de afgelopen kwart eeuw verborgen achter betaalmuren.

    Nog een probleem: wat is een municipium eigenlijk?

    Er is nog een beslissend bezwaar: we hebben de definitie van een municipium gewoon over. Het is een stad die voorvaderlijke rechten heeft. Dat is natuurlijk het enige wat de Romeinse overheid niet kan verlenen. Kijken we naar Praeneste, dan zien we dat de aan die stad verleende municipium-status geen promotie is van civitas naar municipium, maar het terugdraaien van een colonia-status. De stedelingen hadden het Romeinse burgerrecht gekregen maar vonden hun oude rechten aangenamer, waarop keizer Tiberius besloot dat als de goede mensen van Praeneste het geschenk liever niet hadden, hij het hun niet zou opdringen.

    Ik sla de standaardisering van de gemeentewetten, de status van bondgenoot en de belastingvrijstellingen (civitas libera) even over. Ook heb ik het niet over de laatste reddingsboei van de fans van het municipium-idee, het bestaan van “virtuele municipia”: typisch een hulphypothese die niet zou zijn verzonnen als het niet was om een weerlegd idee te handhaven. En dat dus in strijd met het Scheermes van Ockham. Waar het om gaat is dat het hele idee van een municipium-status een fata morgana is.

    Samenvattend

    Vier conclusies zijn relevant.

    1. Het aannemen van een keizerlijke naam betekent niets.
    2. Het is denkbaar dat het Latijnse jargon veranderde en dat de term civitas in de loop van de tweede eeuw werd ingeruild voor municipium, en later voor res publica, zonder dat de juridische status veranderde. Vergelijk het met het Nederlandse woord “departement”, dat steeds meer plaatsmaakt voor “ministerie”.
    3. De status van colonia is wél een reëel gegeven.
    4. Postuleer geen complexe juridische structuren als Romeinse stroopsmeerderij alles verklaart.

    Kortom: zolang er geen bewijs is dat Nijmegen of Voorburg de rang van colonia hebben gekregen, zijn ze altijd gewone gemeentes gebleven.

    Wat waren Nijmegen, Tongeren en Voorburg dan wel?

    Nijmegen, Voorburg of Tongeren waren echter – en dit is belangrijk – wél de voornaamste nederzettingen binnen de gemeente. Hier kwam de gouverneur op bezoek om recht te spreken. Rijke mensen bouwden hier hun stadsvilla’s. Hier stonden de voornaamste tempels. Kooplieden kwamen naar deze nederzettingen omdat ze hun waren konden slijten. Als het bewijsmateriaal uit Italië mag worden geëxtrapoleerd naar de Lage Landen, was er een cyclus van markten, elke weekdag ergens anders.

    Trajanus moet Agrippa zijn

    Tot slot: het stichtingsjaar van Nijmegen. De militaire basis bij Nijmegen lijkt in 19 v.Chr. te zijn ontstaan. Op dat moment moet er een civitas van de Bataven zijn geweest. Nijmegen had in 1982 zijn 2000-jarig bestaan kunnen vieren.

    Dat de stad een standbeeld heeft voor Trajanus, eert iemand die voor Nijmegen niet bijzonder veel heeft gedaan. De gouverneur die in 19 v.Chr. verantwoordelijk was voor het Rijnland en aan wie Nijmegen zijn bestaan heeft te danken, was Agrippa. Het is tijd het beeld van Trajanus te vervangen door iets beters.

    Kunnen we in het volgende decennium dan weer een ander stichtingsjaar verzinnen voor Nijmegen? Dat denk ik niet. De datering van de militaire basis, gebaseerd op munten, is redelijk hard, terwijl onze kennis van het Romeins bestuursrecht in de loop van de twintigste eeuw is gegroeid. Maar misschien is ergens een specialist in Romeins bestuursrecht die kan uitleggen waarom al het bovenstaande onzin is.

    Literatuur

    Fergus Millar, The Roman Emperor (1977)

    PS

    Tongeren beweert al een halve eeuw of zo dat er een inscriptie is die de stad vermeldt als municipium. Dat bewijst, zoals gezegd, niets, maar belangrijker: geen enkele onderzoeker, zelfs de mevrouw die de officiële publicatie deed, heeft de inscriptie ooit gezien. We moeten zo zoetjesaan maar aannemen dat het een vervalsing is.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Was Hadrianus in Voorburg?

    oktober 7, 2022
    De Syro-Fenicische vrouw

    mei 1, 2022
    Limesmoeheid (3)

    december 10, 2017 Deel dit:

    #civitasLibera #colonia #FergusMillar #gemeentewet #Maastricht #municipium #Nijmegen #Praeneste #RomeinsRecht #RomeinseStadsrechten #ScheermesVanOckham #stadsrechten #Tongeren #UlpiaNoviomagus #Voorburg

Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.