home.social

#titus-livius — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #titus-livius, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Wat heet mooi? De teksten

    Een dichteres uit Pompeii, soms geïdentificeerd als Sapfo.

    Wat heb ik me op de hals gehaald, dacht ik, toen ik de ruim 230 mooie voorwerpen en tekstennoot Een tekst is natuurlijk ook een voorwerp, meer precies een werktuig, en nog preciezer een container (voor informatie). zag waarmee u reageerde op mijn oproep anderen met schoonheid te verrijken en te bevoordelen. U leverde teveel schoonheid voor één blogje, en sometimes there’s so much beauty in the world, I feel like I can’t take it. Ik begin met een lijst van mooie teksten, en heb op 10 september een blogje over architectuur, en wat daarna komt weet ik nu nog niet.

    Observatie vooraf: je zou hebben verwacht dat als mensen houden van een bepaalde cultuur en bijvoorbeeld sculptuur noemen, ze ook wel architectuur zouden noemen en teksten. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Soms kan ik verklaren waarom mensen die een bepaalde esthetiek waarderen die wel in de ene kunstcategorie kunnen benoemen maar niet in een andere. Keltische voorwerpen liggen in allerlei musea maar Keltische architectuur is feitelijk niet overgeleverd. Even vaak kan ik het verschil niet verklaren.

    Maar goed. Jalla, mes enfants, let’s go.

    Nabije Oosten

    Ik begin meteen met een verrassing: ik had niet verwacht dat het Indische Theyyam-ritueel zou worden genoemd, dat oeroude wortels schijnt te hebben. Een volgend oeroud item is de Hurritische hymne voor de godin Nikkal, de oudste wat langere melodie die is overgeleverd. De Nederlandse oudheidkundige Theo Krispijn heeft het muziekstuk weleens gespeeld. Ook genoemd: het Bijbelboek Prediker.

    Grieks

    Het kon niet missen dat van de Griekse teksten de poëzie van Homeros als eerste werd genoemd (“niet voor niets al ruim 2½ millennium een hit”). U noemde de Ilias, het verhaal over de wrok van Achilleus, drie keer, en ook de Odyssee, over de uitgestelde wraak van Odysseus, noemde u driemaal. De vroegste Griekse poëzie leverde ook het leerdicht op van Parmenides, waarin hij redeneert dat aangezien het zijnde is en het niet-zijnde niet is, verandering niet kan bestaan, een redenering waarmee hij feitelijk de hele westerse filosofie ontketende.

    Van het Atheense toneel werd Aischylos’ Smekelingen genoemd “vanwege het vooruitlopen op de twee verloren delen van de trilogie”. Uit het oeuvre van Sofokles selecteerde u de Oidipous en de Antigone. Euripides bleef onvermeld, al is hij natuurlijk wel het lijdend voorwerp van het toneelstuk van Aristofanes, De kikkers. “Ik heb meermaals luidop gelachen toen ik dit voor het eerst in vertaling las.”

    Verder de claim dat

    wie het priemgetallenbewijs van Eukleides niet noemt, de ware schoonheid nooit gezien heeft en niet begrijpt hoe anders dan spreektaal taal kan zijn.

    Dat is wel heel stellig, maar ik heb nog nooit iemand ontmoet die niet met plezier terugdacht aan de frappe waarmee de wiskundeleraar in de brugklasnoot Ik begrijp dat het inmiddels geen brugklasstof meer is. We doen onze kinderen zwaar tekort. het bewijs uitlegde. En nu ik toch persoonlijk commentaar geef: ik had Theokritos’ Tweede Idylle (“de tovenares”, over een meisje dat haar geliefde probeert terug te winnen) nooit gelezen en doe mijn voordeel van de goede raad. Het Seikiloslied is eveneens genoemd.

    Verder werden getipt: 1 Korintiërs 13, de lofzang op de liefde van de apostel Paulus en een evergreen bij bruiloften. Wie het noemde, is in gezelschap van de Cambridge-historicus G.E.M. de Ste Croix, die dit zelfs het allermooiste noemde dat hij ooit in het Grieks had gelezen. Nu we bij de Griekse literatuur van de keizertijd zijn, kan Lukas’ versie van het kerstverhaal niet ontbreken, die prachtige omkering van de keizerlijke propaganda.

    Uit de tweede eeuw na Chr.: Ploutarchos’ biografie van Julius Caesar, de poëzie van Julia Balbilla op de Memnonkolossen in Thebe en de Persoonlijke Notities van keizer Marcus Aurelius. De o zo menselijke correspondentie uit Oxyrhynchos is het jongste voorbeeld dat u noemde, en ik concludeer dat u niet houdt van de Griekse kerkvaders. (Van de Latijnse en Aramese vaderen ook niet, trouwens.)

    Latijn

    Iemand noemde het Latijn als taal en gaf enkele beklijvende voorbeelden uit de poëzie van Quintus Horatius Flaccus en Publius Vergilius Maro. Waarmee meteen de allerklassiekste klassieke Latijnse poëzie is vermeld. Lichtvoetiger is Publius Ovidius Naso’s beroemde Metamorfosen, dat driemaal werd genoemd, inclusief een mooie vertaling.

    Verder noemde u de toespraken van Cicero, zoals de eerste redevoering tegen Catilina, “omdat hij al in de eerste zinnen zijn tegenstander omver blaast en hem verder geen kans meer geeft”. Van Gaius Valerius Catullus noemde u de gedichten 5, 64 (de haarlok van Berenike), 85 en 101 (“omdat we onze tranen niet konden bedwingen”). Uit dezelfde generatie: het oeuvre van Marcus Terentius Varro en de Gallische Oorlog van Julius Caesar (“omdat ik als kind de vertaling stukgelezen heb” en “een meesterwerk in manipulatie”).

    Uit de tijd van keizer Augustus: “Titus Livius’ beschrijving van de opkomst van Rome vond ik indrukwekkend en uitermate boeiend geschreven”. Ik had niet verwacht dat iemand de interessante landbouwgeschriften van Lucius Junius Moderatus Columella zou noemen als iets dat ook mooi was, of de al even interessante graffiti uit Pompeii. Verrassend. Leuk!

    Uit de tweede eeuw noemde u de Historiën van Publius Cornelius Tacitus, met name de passage over de moord op keizer Galba, en Tacitus’ Annalen. Het jongste dat u noemde was de correspondentie uit Vindolanda. Ik had verwacht dat iemand wel Ausonius’ gedicht over de Moezel zou noemen of het christelijke Latijn. Ik voeg daarom het Te Deum toe. Let niet op de kitscherige kerkklokken die men rond 400 niet kende.noot Neutralere versies laten zich niet integreren in dit blogje.

    Tot zover voor vandaag. Veel plezier hiermee!

    #Aischylos #Aristofanes #Ausonius #Eukleides #GaiusValeriusCatullus #Homeros #Horatius #JuliaBalbilla #LuciusJuniusModeratusColumella #Lukas #MarcusAurelius #MarcusTerentiusVarro #Memnonkolossen #Oxyrhynchos #Parmenides #Ploutarchos #Prediker #PubliusCorneliusTacitus #PubliusOvidiusNaso #PubliusVergiliusMaro #schoonheid #Seikilos #Sofokles #TheoKrispijn #Theokritos #TitusLivius #Vindolanda
  2. Consuls en suffeten

    Een suffeet (Nationaal Museum, Tripoli)

    De hoogste magistraten in de Romeinse Republiek waren de twee consuls. Hun naam is weleens in verband gebracht met een werkwoord dat zoiets betekent als “samen dansen”, wat dan een verwijzing zou zijn naar een krijgsdans. Misschien is het waar, misschien is het niet waar, en in elk geval is het niet de oudste aanduiding. Ze heetten oorspronkelijk iudices, “rechters”.

    Hun ambt is ontstaan, of gegroeid, in de verwarde jaren rond 506 v.Chr. (510 volgens de onjuiste Varroniaanse chronologie). We hebben een verslag in het geschiedwerk van Titus Livius, die vertelt dat koning Tarquinius Superbus in opspraak raakte door een seksschandaal waarbij zijn zoon was betrokken, en dat de Romeinen de koninklijke familie verdreven. Een van de leiders van de opstand was Lucius Junius Brutus, die eerst een andere leider van de opstand uitschakelde, daarmee feitelijk de alleenheerschappij vestigde, en korte tijd later sneuvelde. Op dat moment lijken de Romeinen te hebben gekozen voor twee iudices die één jaar zouden regeren.

    Het grappige is dat we een parallel kennen uit een andere stad en dat we zelfs weten dat Rome precies in dat verwarde jaar contact had met die stad. Die stad is Karthago, waarmee Rome een verdrag sloot in het eerste jaar van wat een republiek zou worden. In Karthago was, na het afschaffen van de monarchie die in zo veel Fenicische steden en koloniën bestond, de macht in handen gekomen van zogeheten suffeten, wat “rechters” betekent. Als u Bijbelvast bent, zou u de term kunnen kennen uit de joodse Bijbel, want er is een Bijbelboek dat Rechters ofwel Richteren of wel Shoftim ofwel שופטים heet.

    Ik zou kunnen concluderen dat de Romeinse consul de Karthaagse suffeet imiteerde, en het zou inderdaad kunnen. De suffeten waren zeker met z’n tweeën, net zoals de Romeinse consuls, en dienden één jaar. Maar er is een alternatief, want we weten dat in Midden-Italië colleges van opnieuw twee magistraten, zogeheten meddices, bestonden bij de Sabijnen en de Samnieten. Het bewijs is overigens wat aan de late kant en het is denkbaar dat deze volken uit het Italische bergland Rome volgden.

    Zelf zou ik dus willen aannemen dat Rome Karthago kopieerde en dat de Sabijnen en Samnieten Rome kopieerden. Maar bewijsbaar is het allemaal niet. Wat daarentegen wel vaststaat is dat “de” Romeinse cultuur niet bestond. Rome leende. Rome leende uit. Waar culturen naast elkaar bestaan, kopiëren ze elkaar.

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    π

    maart 14, 2019
    Confucius 1: Tijd en leven van Confucius

    maart 24, 2026
    Achaimenidisch Perzië (1)

    oktober 14, 2023 Deel dit: #consul #LuciusJuniusBrutus #Rechters #Sabijnen #Samnieten #suffeet #TarquiniusSuperbus #TitusLivius #VarroniaanseChronologie
  3. De ambtstermijn van een dictator

    Mogelijk portret van de dictator Sulla (Glyptothek, München)

    Aan het begin van de vierde eeuw v.Chr. begon Rome een regionale grootmacht te worden. Het beslissende moment was de inname van de Etruskische stad Veii in 393/392 v.Chr. ofwel 396 volgens de onjuiste traditionele chronologie. De gebeurtenis kreeg in de Romeinse geschiedschrijving legendarische trekken: de belegering zou à la Trojaanse Oorlog tien jaar hebben geduurd en pas succes hebben gehad nadat de Romeinse generaal Marcus Furius Camillus het ritueel had voltrokken dat bekendstaat als evocatio.

    En zo werd Rome een machtige stad. Gevaarlijk machtig, naar de zin van de alleenheerser van Syracuse, Dionysios I. Daarom verzocht hij de Gallische huurlingen die hij in die tijd in dienst nam, om even langs Rome te gaan, als ze toch op weg waren naar het zuiden. Op 18 juli 387 versloegen zij een Romeins leger en daarna sloegen ze het beleg op voor het Capitool. De Romeinen kochten de belegeraars af en we vinden de Galliërs vervolgens in de “teen” van Italië. Dionysios stuurde later nog eens een vloot, die overigens weinig te plunderen vond.

    Camillus dictator

    We zijn er zeker van dat de Romeinen in deze crisis een dictator aanstelden, een tijdelijke magistraat met absolute bevoegdheden, verheven boven elke andere vorm van gezag. Dat was de zojuist genoemde Marcus Furius Camillus. (Ik heb het altijd een interessante man gevonden. Ter voorbereiding van mijn gymnasiumexamen vertaalde ik het zesde boek van Titus Livius; ik heb als puber een roman over hem geschreven; ik heb meegewerkt aan de latere Nederlandse Liviusvertaling.) Camillus’ optreden is met legenden omgeven, maar dát hij dictator was, is boven elke twijfel verheven. Livius schrijft over de wederopbouw:

    De stad stond weer overeind, maar zocht aanvankelijk nog steun bij degene met wiens hulp zij zich had opgericht: Marcus Furius Camillus, haar voornaamste burger. Men wilde niet dat hij afstand deed van de dictatuur voor het einde van het jaar.noot Livius 6.1.4-5; vert. Katwijk-Knapp.

    Het einde van het jaar is juni 386, want het Romeinse jaar liep destijds van zomer tot zomer. Zoals Livius het beschrijft, bekleedde Camillus de dictatuur dus zeker tien of elf maanden. Of dat feitelijk waar is, is onbelangrijk: het gaat me erom dat in een algemeen bekend verhaal over een algemeen bekende oer-Romeinse held voor een algemeen ontwikkeld publiek de dictatuur langer werd uitgeoefend dan de zes maanden die menigeen associeert met dit ambt.

    Want die zes maanden, die staan werkelijk overal, in n’importe welke oudheidkundige publicatie waarin het woord “dictator” valt. Zeg “dictator” en de oudheidkundige echoput roept “zes maanden”. Behalve dus dat Camillus tien maanden dictator was.

    Andere voorbeelden

    Er zijn meer voorbeelden die duidelijk maken dat die zes maanden een wassen neus waren. Toen begin 314/313 v.Chr. (316 Varro) een conflict met de Samnieten dreigde, stelden de Romeinen opnieuw een absolute machthebber aan: Lucius Aemilius Mamercinus Privernas.noot Livius 9.21.1-2. Die bleef het hele jaar in functie en droeg vervolgens de macht over aan … nee, niet aan de consuls, ook al werden die gekozen, maar aan een nieuwe dictator, Quintus Fabius Maximus Rullianus.noot Livius 9.2.1. Die bleef ook lang aan.

    Een eeuw later is Quintus Fabius Cunctator acht-en-een-halve maand dictator, vanaf de Romeinse nederlaag bij het Trasimeense Meer tot het overdragen van de macht aan de nieuwe consuls. Na de nederlaag bij Cannae gebeurt iets soortgelijks: Marcus Junius Pera blijft dictator tot hij zijn leger kan overdragen aan de consuls, medio maart 215.

    Voilà: ik heb niet alle dictatoren gecontroleerd, maar hier hebt u er vijf die langer dan zes maanden in functie waren. Tegen het einde van de republiek duurde de dictatuur van Lucius Cornelius Sulla dertien maanden, maar zijn benoeming verliep middels een machtigingswet (de Lex Valeria) en niet volgens een reguliere crisisprocedure, dus die laten we maar even buiten beschouwing.

    Cicero

    De vraag is waar het idee vandaan komt dat een dictator maximaal zes maanden mocht dienen. Er lijkt wel een soort norm te hebben bestaan, waar verschillende auteurs naar verwijzen. De voornaamste is Cicero, die in De Wetten schrijft dat tijdens een oorlog die gepaard gaat met interne spanningen, de Senaat één iemand voor niet meer dan zes maanden (ne amplius sex menses) kan aanstellen met het gezag van beide consuls.noot Cicero, De Wetten 3.9.3. De Nederlandse vertaling van Maarten Klink (2023) laat de hier in het Latijn weergegeven woorden weg. Misschien ontbreken ze in de door Klink geraadpleegde Latijnse editie. Cicero’s tekst geeft echter niet de Romeinse praktijk weer maar een ideaal; het boek is expliciet geïnspireerd door het gelijknamige werk van Plato, waarin de Griekse filosoof zijn visie geeft op de beste staatsinrichting. Je kunt de woorden van Cicero dus niet interpreteren als een bestaande wet. Het is wat Cicero als wet zou willen hebben.

    Het is ook logisch dat een termijn van zes maanden niet méér kan zijn geweest dan een suggestie, een advies. De termijn kan nooit in een wet hebben gestaan, want als je iemand de absolute macht geeft, staat hij boven de wet, en dus ook boven de wettelijke termijn. Cicero stelt daarom niet één maar twee beperkingen voor: de dictator regeert maximaal een half jaar én heeft de macht van beide consuls. Geen absolute macht.

    Julius Caesar

    En nu de moraal: toen Julius Caesar zich aandiende als “eeuwig dictator” was er geen constitutioneel beletsel. Caesar is, zoals ik in mijn blogreeks heb aangegeven, niet vermoord omdat zijn monarchie onconstitutioneel zou zijn. In tegendeel: wat de moordenaars angst aanjoeg, was dat hij een vorm had gevonden die wél constitutioneel was, zodat ze nooit meer van de alleenheerser af zouden komen. Tenzij ze de man zelf doodden.

    #Cicero #dictator #DionysiosIVanSyracuse #evocatio #JuliusCaesar #LuciusAemiliusMamercinusPrivernas #LuciusCorneliusSulla #Plato #QuintusFabiusCunctator #QuintusFabiusMaximusRullianus #Rome #TitusLivius #VarroniaanseChronologie
  4. Romulus en Remus & co

    Romulus en Remus op een munt uit Pisidië (onbekend museum)

    Al ruim eenentwintig eeuwen geldt de eenentwintigste april als de stichtingsdag van Rome. Volgens de traditie waren Romulus en Remus, zoals de stichters heetten, eigenlijk herders, en dat is wat raar, aangezien in de meeste verhalen over stadstichtingen de klus in handen is van koningszonen of aristocraten. Waar komt het Romeinse verhaal vandaan?

    Verzonnen dateringen

    Eerst iets over de datum. Op 21 april vierden de Romeinen de Parilia. Het was een herdersfeest, waarbij mensen sprongen over vuurtjes van stro en olijftakken. Omdat de Romeinen meenden dat de oudste kern van hun stad iets primitiefs moest zijn geweest, en omdat ze niets primitievers kenden dan herders, redeneerden ze dat de eerste Romeinen ook wel herders zouden zijn geweest. Je zou het een sociologische theorie kunnen noemen. In elk geval heeft het niets van doen met de historische waarheid, want die is dat de eerste bewoners van Rome boeren waren. Niks herders, het archeologisch bewijs is zonneklaar. Maar goed. Als je aanneemt dat de eerste Romeinen herders waren, dan houd je herdersfeesten in ere, en vanaf de eerste eeuw v.Chr. meende men dat Rome was gesticht op 21 april.

    Ook van het stichtingsjaar, dat wij 753 v.Chr. noemen, weten we hoe het is verzonnen. De eerste Romeinse geschiedschrijvers kenden voldoende magistraten om de stichting van de republiek te dateren in 505 v.Chr., en daar voegden ze voor elk van de zeven koningen vijfendertig jaar aan toe, plus één jaar voor een zogeheten interrex. Het oudste berekende stichtingsjaar was dus 751. Volgens een andere berekening 749. Toen Julius Caesar en Augustus de monarchie stichtten, lasten stroopsmeerders jaren in waarin Rome door volkomen fictieve alleenheersers zou zijn bestuurd. Zo verzon men het stichtingsjaar 753. Antieke geschiedschrijvers als Titus Livius en Velleius Paterculus waren professioneel genoeg om aan deze flauwekul niet mee te doen: volgens deze auteurs is Rome gesticht in 751.

    Niet dat dat jaartal accuraat is, overigens. Vanzelfsprekend is er noch één dag noch één jaar aan te wijzen voor het aaneengroeien van enkele op heuveltoppen gelegen boerendorpjes. Rome is niet op één dag gebouwd. Het verhaal over de stadstichting is pas ontstaan toen de Romeinen zelf steden stichtten en zich begonnen af te vragen wie hun eigen stad had gesticht. Het is dus een vrij jong, bewust in elkaar geflanst verhaal.

    Romulus en Remus

    De hoofdpersonen Romulus en Remus zijn ook al niet heel speciaal. Om te beginnen zijn ze de kinderen van de god Mars. Dit is een standaardmotief in de Indo-Europese literatuur: zie de helden die zijn verwekt door de Griekse oppergod Zeus (Herakles, Perseus…). Uit het Indische gedicht Mahabharata vernemen we hoe de zonnegod Surya bij Kunti de vijf Pandava’s verwekte. In de Ierse mythologie was de held Cú Chulainn de zoon van de god Lugh. De Griekse oorlogsgod Ares is de vader van Parrhasios en Leukastos, over wie zo meteen meer.

    De moeder van Romulus en Remus, Rhea Silvia, is zo’n meisje dat geen man mag hebben omdat er een of andere onheilsvoorspelling is, en die dus door haar vader wordt opgesloten. Voor de goden uit de vorige alinea is dat doorgaans geen werkelijk beletsel – de verkrachting van een gevangen vrouw was in de oude wereld, of althans in het mythische deel daarvan, blijkbaar geen onoverkomelijk probleem. De Griekse Danaë en de al genoemde Indische Kunti zijn lotgenoten van Rhea Silvia. Een bijzonder nauwe parallel is die met de gevangen Germaanse prinses Hiltburg, dochter van koning Waldigund, die de moeder wordt van Wolfdietrich.

    Vervolgens belanden Romulus en Remus in een mandje in de rivier. Perseus en dat meisje op de Kinderdijk bedienden zich van hetzelfde transportmiddel. Dit motief is overigens vanuit het oosten gekomen, waar de Mesopotamische koning Sargon van Akkad en de joodse leider Mozes in biezen mandjes de rivier bevoeren. Ook een van de kinderen van de Indische Kunti, Karna, drijft in een mandje weg.

    Tot slot wordt de Romeinse tweeling gevoed door een wolvin. Wolfdietrich dankt zijn naam aan zijn dierlijke min, de Ierse koning Cormac mac Airt is een ander wolfskind. Wolvinnen dragen ook zorg voor de Griekse tweeling Parrhasios en Leukastos en de Poolse tweeling Waligóra en Wyrwidab.

    Over the top

    Kortom, de Romeinen waren niet bijster origineel toen ze Romulus en Remus verzonnen. Het verhaal is een mix van traditionele Indo-Europese elementen. Als er al iets bijzonders aan is, is het dat het zo véél elementen combineert. Het is alsof de Romeinen dachten: “we hebben geen stichtingsverhaal, we moeten iets verzinnen, laten we maar alle bestaande verhalen combineren en iets maken dat volkomen over the top is”.

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De Ammonieten

    januari 10, 2024
    De Kimmeriërs

    oktober 15, 2025
    De duivel en zijn voorgangers

    maart 31, 2023 Deel dit: #Ares #CúChulainn #CormacMacAirt #Herakles #herders #IndoEuropeanistiek #Kinderdijk #Lugh #Mahabharata #MarcusVelleiusPaterculus #Mozes #mythologie #Parilia #Perseus #RheaSilvia #Rome #RomulusEnRemus #SargonVanAkkad #TitusLivius #Wolfdietrich
  5. De moord op Julius Caesar (7): de dood

    Portret van Julius Caesar, gebaseerd op zijn lijkmasker (Archeologisch Museum, Palermo)

    Caesars reactie

    Julius Caesar sprong op om zich te verdedigen en Casca riep zijn broer. In zijn opwinding sprak hij Grieks.noot Nikolaos van Damascus, Augustus 89.

    Caesar greep Casca’s arm en doorstak die met zijn schrijfstift.noot Suetonius, Caesar 82; vert. Daan den Hengst.

    Caesar draaide zich om en greep de dolk en hield die vast. Ze slaakten ongeveer gelijktijdig een uitroep; de getroffene riep in het Latijn:  “Vervloekte Casca, wat doe je?” en de dader in het Grieks tegen zijn broer: “Broer, help!”noot Ploutarchos, Caesar 66; vert. Hetty van Rooijen.

    Caesar trok nu zijn kleed uit de handen van Cimber, pakte de hand van Casca vast, sprong van zijn zetel af, draaide zich om en smeet Casca met grote kracht weg.noot Appianus, Burgeroorlogen 2.117; vert. John Nagelkerken.

    Schok

    De senatoren die van niets wisten waren verbijsterd en huiverden bij het zien van die daad. Ze durfden niet te vluchten of hem te hulp te komen, of ook maar een woord te uiten.noot Ploutarchos, Caesar 66; vert. Hetty van Rooijen.

    Verdere wonden

    De andere Casca gehoorzaamde hem en stak zijn zwaard in Caesars zijde. Even eerder had Cassius hem al van opzij in het gezicht gestoken. Decimus Brutus raakte hem in de dij. Cassius Longinus wilde nog eens steken maar miste en trof Marcus Brutus in de hand. Ook Minucius deed een uitval naar Caesar, maar hij raakte Rubrius op de dij. Het leek alsof ze vochten om Caesar.noot Nikolaos van Damascus, Augustus 89.

    Caesar deed een poging om op te springen, maar een nieuwe verwonding maakte dit onmogelijk. Hij merkte dat hij van alle kanten met getrokken dolken werd belaagd.noot Suetonius, Caesar 82; vert. Daan den Hengst.

    Maar van degenen die zich op de moord hadden voorbereid ontblootte ieder zijn dolk en Caesar, van alle kanten omringd en waarheen hij zich ook wendde doorboord door dolksteken die op zijn gezicht en ogen gericht waren, was nu als een wild dier verstrikt in de handen van allen. Want ze moesten allemaal zijn bloed proeven en aan het offer deelnemen. Daarom bracht ook Brutus hem één steek toe, in de lies. … Veel daders verwondden elkaar bij hun pogingen om al die steken in één lichaam aan te brengen.noot Ploutarchos, Caesar 66; vert. Hetty van Rooijen.

    Terwijl hij dat deed, stak een ander hem met zijn dolk diep in zijn zij, die door de draai strakgespannen stond. En Cassius trof hem in het gezicht, Brutus raakte zijn dij en Bucolianus zijn rug, zodat Caesar zich onder woedend gebrul als een wild dier van de een naar de ander keerde, maar na een steek van Brutus [lacune] Bij dat gezwaai in het wilde weg met hun dolken verwondden ze vaak elkaar.noot Appianus, Burgeroorlogen 2.117; vert. John Nagelkerken.

    De dood van Julius Caesar

    Bedekt met wonden viel Caesar neer aan de voeten van het standbeeld van Pompeius. Er was er niet één die hem niet stak toen hij roerloos lag, als om te tonen dat ieder zijn aandeel in de daad had gehad. Pas toen hij vijfendertig wonden had opgelopen, blies hij zijn laatste adem uit.noot Nikolaos van Damascus, Augustus 90.

    Caesar omhulde zijn hoofd met zijn toga en trok gelijk met zijn linkerhand de plooien van zijn toga strak omlaag tot aan zijn voeten, zodat ook het onderste gedeelte van zijn lichaam bedekt zou zijn en hij er behoorlijk bij zou liggen. In deze houding werd hij drieëntwintig maal doorstoken.noot Suetonius, Caesar 82; vert. Daan den Hengst.

    Sommigen zeggen dat hij zich tegen de anderen verweerde en zich schreeuwend heen en weer wierp, maar toen hij Brutus met getrokken dolk tegenover zich zag zijn toga over zijn hoofd trok en zich liet vallen (toevallig of omdat de moordenaars hem in die richting duwden) bij het voetstuk van Pompeius’ standbeeld. Dat werd helemaal besmeurd met bloed zodat het leek alsof Pompeius zelf de leiding had bij de wraak op zijn vijand, die nu aan zijn voeten lag, stuiptrekkend van zijn vele steekwonden. Men zegt dat hij er drieëntwintig opliep.noot Ploutarchos, Caesar 66; vert. Hetty van Rooijen.

    [lacune] of het eindelijk opgaf, zijn kleed over zijn hoofd trok en beheerst neerviel voor het beeld van Pompeius. Zelfs nu hij gevallen was, bleven ze hem mishandelen tot hij drieëntwintig keer gestoken was.noot Appianus, Burgeroorlogen 2.117; vert. John Nagelkerken.

    De laatste woorden van Julius Caesar

    Alleen bij de eerste stoot kermde hij zonder een woord, al hebben sommigen overgeleverd dat hij, toen Marcus Brutus zich op hem stortte, in het Grieks tot hem heeft gezegd: “Ook jij, mijn zoon.”noot Suetonius, Caesar 82; vert. Daan den Hengst.

    Hij trok zijn toga voor zijn gezicht terwijl hij door vele dolkstoten
    dodelijk werd getroffen. Volgens mij is dit de meest betrouwbare versie, maar enkele bronnen vermelden nog dat hij, toen hij hard door Brutus werd geraakt, tegen hem gezegd zou hebben: “Jij ook, jongen.”noot Cassius Dio, Romeinse Geschiedenis 44.19; vert. Gé de Vries.

    Caesars beroemde laatste woorden worden doorgaans vertaald alsof het een vraag zou zijn geweest, waaruit verbazing zou blijken dat ook Brutus aan de aanslag zou hebben deelgenomen. Dat vraagteken staat ook in de vertaling van Daan den Hengst, die ik hier citeer.

    Het vraagteken is echter pas uitgevonden in de Middeleeuwen. Het kan dus met geen mogelijkheid in het verslag van Suetonius hebben gestaan. Om die reden lijkt het mij allerminst uitgesloten, ja zelfs voor de hand liggend, dat Caesars laatste woorden, “καὶ σύ τέκνον”, verwijzen naar een standaardformule die we kennen van allerlei antieke grafschriften. De woorden “καὶ σύ” zijn een herinnering dat iedereen eens zal sterven: heden ik, morgen gij, vandaag Gaius Julius Caesar en volgend jaar Marcus Junius Brutus.

    De standaardformule καὶ σύ op een mozaïek uit Antiochië

    Dat de stervende de dood van Brutus aankondigde hoeft niet historisch waar te zijn; Suetonius en Dio kennen andere overleveringen. Maar het zou goed passen bij Caesars herhaalde aankondiging dat als hij zou sterven, het imperium opnieuw in chaos zou worden gedompeld.

    Om 13:00 meer.

    [Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Voorislamitisch Iran (5): Parthen en Romeinen

    augustus 10, 2011
    Mithras: mysterie en mythe

    februari 14, 2022
    De slag bij Farsalos (2)

    juni 29, 2022 Deel dit: #RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #Appianus #CassiusDio #DecimusJuniusBrutus #dictator #GaiusCassiusLonginus #JuliusCaesar #MarcusJuniusBrutus #MarcusVelleiusPaterculus #NikolaosVanDamascus #Ploutarchos #ServiliusCasca #Suetonius #TitusLivius #vraagteken
  6. De moord op Julius Caesar (6): de aanval

    Herdenkingsmunt van de moord op Julius Caesar (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

    Verschillende bronnen documenteren de moord op Julius Caesar. Te beginnen met de correspondentie van de politicus Cicero, die voldoende van het complot wist om te weten dat hij niet méér wilde weten. Hij bleef die dag weg, maar zou er later naar verwijzen in zijn toespraken. Dat levert niet zo heel veel informatie op, maar het is het oudste bewijs dát er iets is gebeurd. Een echt verslag krijgen we pas na een halve eeuw: de beschrijving door Nikolaos van Damascus. Het relaas van Titus Livius is verloren gegaan en Velleius Paterculus maakt vooral duidelijk dat de moordenaars wel iets dankbaarder hadden mogen reageren op Caesars clementie. We moeten tot de vroege tweede eeuw wachten tot we opnieuw een bron hebben: Suetonius. Daarop volgt Ploutarchos, die verschillende keren over de moord heeft geschreven, het meest uitgebreid in zijn biografieën van Caesar en van Brutus. Tot slot is er de beschrijving door Appianus.

    Het ergerlijke is dat achter al die bronnen feitelijk slechts twee verslagen schuil gaan: enerzijds Nikolaos van Damascus, anderzijds de gedeelde bron van Suetonius, Ploutarchos en Appianus. De voornaamste verschillen tussen die drie zijn dat Ploutarchos de reactie noemt van de geschokte senatoren – de meeste aanwezigen zaten immers niet in het complot – en dat Suetonius verschillende tradities kent over Caesars laatste woorden. Omdat de overeenkomsten zo groot zijn, is er evident een gemeenschappelijke bron, wellicht Titus Livius. En als je de vier verslagen leest, vraag je je af ze feitelijk niet allemaal teruggaan op één bron.

    Tullius Cimber

    Degenen die hem wilden doden, gingen rondom hem staan. De eerste die op hem toekwam, was Tillius Cimber, wiens broer door Caesar was verbannen. Hij stapte op hem af alsof hij een smeekbede wilde doen namens zijn broer.noot Nikolaos van Damascus, Augustus 88.

    Terwijl hij plaats nam, kwamen de samenzweerders om hem heen staan, zogenaamd om hem te begroeten, en direct trad Tillius Cimber, die de leidersrol op zich had genomen, op hem toe als om iets te vragen.noot Suetonius, Caesar 82; vert. Daan den Hengst.

    Toen Caesar binnenkwam, stond de Senaat eerbiedig op, en enkele vrienden van Brutus gingen achter hem staan, rondom zijn zetel. Andere gingen hem tegemoet om het verzoek te steunen van Tillius Cimber, die hem benaderde over zijn verbannen broer, en begeleidden hem zo tot aan zijn zetel. Caesar nam plaats.noot Ploutarchos, Caesar 66; vert. Hetty van Rooijen.

    Tillius Cimber, een van hen, kwam voor hem staan en vroeg hem zijn verbannen broer toe te staan terug te keren.noot Appianus, Burgeroorlogen 2.117; vert. John Nagelkerken.

    Weigering

    Tillius Cimber greep Caesars toga, zogenaamd als smekeling maar feitelijk om te verhinderen dat hij op zou staan en om zijn handen kon gebruiken. Caesar reageerde vol kwaadheid.noot Nikolaos van Damascus, Augustus 88.

    Toen Caesar hem terugwees en met een gebaar beduidde dat hij met zijn verzoek moest wachten, greep Cimber zijn toga bij beide schouders vast. Caesar riep uit: “Maar dit is geweld!”noot Suetonius, Caesar 82; vert. Daan den Hengst.

    Caesar wees hun verzoeken af, en sloeg bij hun aandringen tegen ieder van hen een barsere toon aan, waarop Tillius met beide handen Caesars toga vastgreep en haar wegtrok van zijn hals. Dat was het sein voor de aanslag.noot Ploutarchos, Caesar 66; vert. Hetty van Rooijen.

    Toen Caesar daarop simpelweg antwoordde dat die zaak een andere keer aan de orde moest komen, pakte Cimber hem bij zijn purperen gewaad alsof hij er nog verder op aan wilde dringen en trok het kleed weg, zodat zijn hals bloot lag, terwijl hij uitriep: “Waar wachten jullie nog op, vrienden?”noot Appianus, Burgeroorlogen 2.117; vert. John Nagelkerken.

    De eerste steek

    De samenzweerders, vastberaden, trokken snel hun dolken en sprongen op Caesar af. Eerst stak Servilius Casca hem in de linkerschouder, vlak boven het sleutelbeen, maar door zijn nervositeit miste hij zijn doel.noot Nikolaos van Damascus, Augustus 88-89.

    Op hetzelfde ogenblik bracht een van de gebroeders Casca hem van achteren een wond toe, even onder de keel.noot Suetonius, Caesar 82; vert. Daan den Hengst.

    Eerst bracht Casca hem met zijn dolk een steek toe in zijn nek die niet diep of dodelijk was. Hij was natuurlijk te nerveus bij het begin van zo’n waagstuk.noot Ploutarchos, Caesar 66; vert. Hetty van Rooijen.

    Casca, die boven Caesars hoofd uittorende, stootte als eerste zijn dolk in diens keel, maar die ketste weg en raakte zijn borst.noot Appianus, Burgeroorlogen 2.117; vert. John Nagelkerken.

    Over vijf minuten meer.

    [Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

    #RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #Appianus #DecimusJuniusBrutus #dictator #JuliusCaesar #LuciusTilliusCimber #NikolaosVanDamascus #Ploutarchos #ServiliusCasca #Suetonius #TitusLivius #toga
  7. De moord op Julius Caesar (4): vertrek

    Caesar droomde van een dexiosis, zoals deze van Mithridates I van Kommagene en Herakles (Arsameia)

    Zoals ik al verschillende keren heb aangegeven, wist Julius Caesar van de samenzweringen die tegen hem waren beraamd. Hij had geprobeerd ze te pareren door te laten weten dat hij ervan op de hoogte was en door de mensen eraan te herinneren dat als hij dood zou zijn, de hel opnieuw zou losbarsten. En toch lijkt hij op de vroege ochtend van 15 maart 44 v.Chr. te hebben geaarzeld.

    Dromen

    Diverse bronnen vertellen dat Caesar en zijn echtgenote nare dromen hadden gehad. Hier is wat Caesars biograaf Suetonius vertelt:

    In de laatste nacht voor de dag van de moord droomde Caesar eerst dat hij zweefde boven de wolken en daarna dat hij Jupiter de hand schudde. Zijn vrouw Calpurnia zag in een droom hoe de gevel van hun huis instortte en hoe haar echtgenoot in haar arm en doorstoken werd. En plotseling gingen de deuren van het slaapvertrek vanzelf open.noot Suetonius, Caesar 81; vert. Daan den Hengst.

    Dit moeten wel verzinsels achteraf zijn. Caesars droom, waarin we het artistieke motief herkennen van de dexiosis, de hierboven afgebeelde handdruk, komt te precies overeen met zijn latere vergoddelijking. Wat Calpurnia droomde, past ook iets te netjes bij de latere gebeurtenissen. De Romeinse geschiedschrijver Titus Livius vermeldt nog een andere, al even ongeloofwaardige droom:

    Aan Caesars huis was bij Senaatsbesluit als sieraad en ereteken een gevelornament bevestigd … Calpurnia droomde dat ze dit in stukken zag vallen en dat ze daarom jammerde en huilde. In elk geval vroeg ze Caesar, toen het dag was geworden, om als het mogelijk was niet uit te gaan, maar de Senaatsvergadering uit te stellen of, als hij zich niets wilde aantrekken van haar dromen, door andere vormen van zienerskunst en offers de toekomst te onderzoeken. Ook Caesar zelf koesterde, naar het schijnt, een zekere argwaan en angst. Want hij had bij Calpurnia nooit eerder de bijgelovige angst waargenomen die vrouwen eigen is, maar hij zag dat zij daar nu hevig aan leed.noot Geciteerd door Ploutarchos, Caesar 63; vert. Hetty van Rooijen.

    Nog meer voortekens

    Vermoedelijk iets serieuzer is de in verschillende bronnen genoemde voorspelling van Spurinna:

    De ingewandschouwer Spurinna waarschuwde hem, toen hij een offer bracht, op zijn hoede te zijn voor een gevaar dat niet langer dan tot de iden van maart zou wachten.noot Suetonius, Caesar 81; vert. Daan den Hengst.

    Ingewandschouw gold als serieuze, officiële vorm van futurologie en de zieners hadden politieke netwerken. Niet de lever van een offerdier, maar Spurinna’s kennis van de situatie zal hem tot zijn waarschuwing hebben gebracht. Kortom, Caesar was een gewaarschuwd man. En hij handelde ernaar. Hij liet de Senaat weten dat hij niet goed in orde was – wat men een diplomatiek verkoudheidje noemt. Zijn mede-consul Marcus Antonius zou de honneurs waarnemen en de vergadering voorzitten.noot Appianus, Burgeroorlogen 2.115.

    Ten slotte ging hij toch omstreeks het vijfde uur [rond 11:00] op weg, omdat Decimus Brutus er bij hem op aandrong de talrijke senatoren, die al geruime tijd wachtten, niet teleur te stellen.noot Suetonius, Caesar 81; vert. Daan den Hengst; vgl. Appianus, Burgeroorlogen 2.115.

    Decimus Junius Brutus was een van Caesars persoonlijke vrienden. Toen Caesar zijn testament maakte, stond Decimus bij de erfgenamen.

    Waarschuwingen

    Per draagstoelnoot Appianus, Burgeroorlogen 2.115. ging Caesar nu naar het Senaatsgebouw van Pompeius. Het was, als we aannemen dat Caesar vertrok van zijn ambtswoning als hogepriester op het Forum Romanum, een tochtje van een klein half uur.

    In het voorbijgaan overhandigde iemand hem een schrijven waarin de aanslag werd verraden, maar hij legde het bij de andere stukken die hij in de linkerhand hield, om het later te lezen.noot Suetonius, Caesar 81; vert. Daan den Hengst.

    We weten dat deze man Artemidoros van Knidos heette en een Griekse geleerde was.noot Ploutarchos, Caesar 65. Dat was niet de enige waarschuwing. Appianus kent nog een ander verhaal.

    Caesar was al in de draagstoel onderweg naar de Senaat, toen een van zijn eigen mensen, die op de hoogte was gesteld van de aanslag, naar zijn huis rende om hem te vertellen wat hij te weten was gekomen. Toen hij daar Calpurnia tegenkwam, vertelde hij haar alleen dat hij Caesar wilde spreken over dringende aangelegenheden en bleef hij wachten tot Caesar terugkwam van de Senaat; hij was niet tot in details bekend met wat er gaande was.noot Appianus, Burgeroorlogen 2.116; vert. John Nagelkerken.

    We zullen hierna nog twee keer horen over Caesars echtgenote: namelijk hoe ze het stoffelijk overschot in ontvangst nam en Caesars archief afstond. We zouden graag méér weten van haar gevoelens en wederwaardigheden. Ze was pas achtendertig. Ik neem aan dat haar vader Lucius Calpurnius Piso, die de komende dagen een cruciale rol zou spelen, voor bescherming gezorgd zal hebben. In de volgende jaren was Italië in handen van de aanhangers van Julius Caesar; ik neem aan dat ook die ervoor hebben gezorgd dat de echtgenote van hun god in leven bleef. Maar dit alles blijft speculatie. Calpurnia’s verdere leven blijft onbekend, ja zelfs het weinige dat we wél weten over haar leven – zoals haar droom in de nacht van 14 op 15 maart – riekt naar fictie.

    Over een half uur meer.

    [Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

    #RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #Appianus #ArtemidorosVanKnidos #Calpurnia #DecimusJuniusBrutus #dexiosis #droom #JuliusCaesar #LuciusCalpurniusPiso #Spurinna #Suetonius #TitusLivius
  8. Marcus Antonius en de Lupercalia

    Marcus Antonius (Staatliche Münzsammlung, München)

    Zoals ik zojuist al schreef was het 15 februari 44 v.Chr. De Romeinen vierden de Lupercalia, een vruchtbaarheidsfeest ter ere van een vergeten godheid Lupercus. De priesters renden hierbij naakt door de straten en sloegen met riemen, gemaakt van geitenhuid, naar de omstanders. Wie werd geraakt, mocht hopen op grotere vruchtbaarheid. Verder dreven de Romeinen op deze dag met alles en iedereen de spot. Er is in de loop der eeuwen een hoop flauwekul verzonnen over dit feest; daarover leest u hier meer. Voor het moment is belangrijk dat heel Rome in een vrolijke stemming was.

    Nikolaos van Damascus, de auteur van een biografie van keizer Augustus, beschrijft in groot detail wat er op die dag gebeurde. Hier is het verslag. Voor het goede begrip: Caesar was, zoals bekend, dictator; naast hem stond zijn rechterhand, Marcus Aemilius Lepidus. Wie een diadeem omdeed, kroonde zichzelf tot koning.

    Marcus Antonius werd aangewezen om de Lupercalia te leiden. Gevolgd door een grote menigte marcheerde hij over het Forum, zoals de gewoonte was. Caesar zat op een gouden troon op de zogeheten Rostra, gehuld in zijn paarse mantel. Nu naderde Licinius hem als eerste, met een lauwerkrans waar een diadeem doorheen scheen. Terwijl Caesar vanaf zijn hoge positie een toespraak hield, legde Licinius, opgetild door zijn collega’s, de diadeem aan Caesars voeten.

    Het volk schreeuwde dat die op zijn hoofd moest worden geplaatst en riep Lepidus op om dit te doen, maar hij aarzelde. Gaius Cassius Longinus, een van de samenzweerders, die onder de schijn van welwillendheid tegenover Caesar zijn ware bedoelingen verborg, was hem echter voor. Hij nam de diadeem en legde die op schoot. Publius Servilius Casca was ook aanwezig.

    Toen Caesar een afwerend gebaar maakte, liep Marcus Antonius naar hem toe, naakt en gezalfd (zoals gebruikelijk tijdens de processie) en plaatste de diadeem op Caesars hoofd. Caesar nam die echter van zijn hoofd en gooide die in de menigte. Degenen die wat verderop stonden juichten dit gebaar toe, terwijl degenen die dichterbij stonden riepen dat hij de diadeem moest aannemen en het volk deze gunst niet moest onthouden.

    Blijkbaar kwamen mensen de diadeem terugbrengen.

    Toen Marcus Antonius voor de tweede keer de diadeem op Caesars hoofd zette, riep het volk in zijn eigen taal: Salve, rex! (“wees gegroet, koning”). Ook dit keer accepteerde Caesar niet en hij beval de diadeem te brengen naar de Jupitertempel op het Capitool. Opnieuw applaudisseerden degenen die eerder hadden geapplaudisseerd.

    Er is een versie die luidt dat Antonius dit deed om zich geliefd te maken bij Caesar, met de heimelijke hoop door hem geadopteerd te worden. Uiteindelijk omhelsde hij echter Caesar en overhandigde hij de kroon aan enkele omstanders om het standbeeld van Caesar, dat vlakbij stond, ermee te kronen. En zo gebeurde.noot Nikolaos van Damascus, Augustus 71-75.

    ***

    Let wel: het gaat hier dus om de kroning van het standbeeld dat al eerder gekroond was geweest. Caesar was toen razend geweest, wat de vraag oproept wat Marcus Antonius kan hebben bewogen om het opnieuw te doen. Later gingen geruchten dat hij zo de moordenaars een aanleiding wilde geven om toe te slaan.noot Cicero, Tweede Philippica 84-87. Ik zou willen schrijven dat zoiets meer iets is voor een complottheorie, maar er wás natuurlijk ook een complot.

    Nikolaos van Damascus weet het ook niet.

    De meningen over dit incident liepen uiteen. Sommigen waren woedend omdat dit machtsvertoon de grenzen van de volksheerschappij overschreed. Anderen waren vóór een kroning omdat ze geloofden dat ze Caesar een gunst verleenden. Weer anderen verspreidden het gerucht dat Marcus Antonius niet zonder Caesars goedkeuring had gehandeld. Velen wilden dat hij zonder veel discussie koning werd. Allerlei geruchten deden onder het volk de ronde.

    De Romeinse geschiedschijver Titus Livius noemde dit incident als derde aanleiding tot de samenzwering en vrijwel zeker is ook het bon mot dat Caesar werd versierd als een offerdier dat werd klaargemaakt voor zijn dood,noot Florus, Epitome 2.92. afkomstig uit zijn geschiedwerk. Maar feitelijk begrijpen we het voorval gewoon niet goed. Of beter, we begrijpen wél dat Caesar hierop niet zat te wachten, maar we begrijpen niet wat Marcus Antonius kan hebben bezield. En we begrijpen ook al niet waarom Caesar, als hij dit soort gênante vertoningen wilde vermijden, het gespeculeer over koningstitels niet simpelweg aan zijn naaste medewerkers verbood.

    Enfin. We naderen de climax van deze reeks. Op 14 maart ben ik er weer.

    [Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

    #RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #diadeem #dictator #GaiusCassiusLonginus #JuliusCaesar #Lupercalia #MarcusAemiliusLepidus #MarcusAntonius #NikolaosVanDamascus #Periochae #ServiliusCasca #TitusLivius
  9. De val van Cartagena (2)

    Cartagena nu en toen

    De stad Cartagena, waarover ik zojuist al blogde, was gebouwd op een schiereiland dat een grote baai in tweeën deelde. De zuidelijke helft staat nog altijd in verbinding met de zee en wordt nog altijd als haven gebruikt. Hier legde Scipio’s vloot aan. De noordelijke helft van de baai was een soort lagune, gevoed met zoet water vanuit een riviertje en van de zee gescheiden door het schiereiland met de eigenlijke stad. Toen het riviertje in de Nieuwe Tijd opdroogde, is deze lagune verzand; er ligt een moderne stadswijk die Ensanche heet, “de uitbreiding”.

    Scipio sloeg zijn kamp op tegenover de plek ten oosten van het schiereiland, waar de stad met het land was verbonden. Hier ligt een hoge heuvel, de Cerro de los Moros, voorzien van een fort uit de Nieuwe Tijd. De volgende dag liet hij zijn mannen oprukken in de richting van de muren, die zijn opgegraven.

    Cerro de los Moros

    De Karthaagse verdedigers probeerden de Romeinen in het open veld tegen te houden, maar werden teruggedreven tot bij de stadspoort. Die is er niet meer, maar een deel van de Punische muur, gelegen tussen twee hoge heuvels die in de Oudheid met tempels waren bekroond, is er nog wel. Vervolgens plaatsten Scipio’s mannen stormladders tegen de muur, maar toen deze aanval geen succes had, liet Scipio zijn mannen terugtrekken.

    Karthaagse stadsmuur

    De aanval had namelijk zijn doel gediend: de Karthaagse soldaten weg lokken naar de oostelijke stadspoort. De rest van de stadsmuren was nu slecht verdedigd.

    Inmiddels was het eb geworden. Een groep van zo’n 500 soldaten waadde nu door de lagune en bereikte de noordelijke stadsmuur. Had Neptunus niet beloofd de Romeinen te helpen? De Griekse geschiedschrijver Polybios, een vertrouweling van Scipio die de situatie ter plekke kende, noteerde:

    De mannen die via de lagune de muur naderden en de borstweringen onbemand aantroffen, zetten niet alleen hun ladders ongehinderd overeind, maar klommen ook zonder strijd omhoog en bezetten de muur. De verdedigers moesten immers hun aandacht op andere punten richten, speciaal degenen die bij de landengte en de poort stonden.noot Polybios, Wereldgeschiedenis 10.14; vert. Kassies.

    Tegelijk voer de vloot de haven binnen en viel vanuit het zuiden de stad aan. Dit bewijst dat er verraad in het spel was, want midden in de baai lag een vrijwel onzichtbaar rif; alleen als Scipio beschikte over inside information, kon de vloot met succes de baai binnenvaren. De ondiepte is tegenwoordig een klein eilandje, zichtbaar middenin de foto hieronder, verbonden met het vasteland door een pier (links). Toen beide aanvallen succes hadden, gelastte Scipio zijn eigen mannen om de oostelijke poort opnieuw te bestormen.

    De haven van Cartagena

    Terreur

    Toen Scipio schatte dat er voldoende Romeinen de stad waren binnengekomen, stuurde hij de meesten van hen, zoals dat bij de Romeinen de gewoonte is, op de inwoners van de stad af met het bevel iedereen die ze tegenkwamen te doden en niemand te sparen, maar niet te gaan plunderen voordat het signaal daartoe werd gegeven.

    De Romeinen doen dit naar mijn mening om de mensen schrik aan te jagen. Bij de inname van een stad door de Romeinen kan men dan ook dikwijls niet alleen de lijken van gedode mensen zien, maar ook in tweeën gehakte honden en andere zwaar verminkte dieren. Door het grote aantal inwoners kwam dit soort dingen bij deze gelegenheid op grote schaal voor.

    Zelf rukte Scipio met ongeveer duizend man op naar de burcht. Bij zijn nadering maakte [de Karthaagse commandant] Mago eerst aanstalten zich te verdedigen, maar toen hij eenmaal begreep dat de stad al volledig in handen van de vijand was, stuurde hij afgevaardigden om te spreken over een vrije aftocht voor hemzelf en gaf de burcht over. Pas daarna werd het signaal gegeven, waarop men het moorden staakte en begon aan de plundering.noot Polybios, Wereldgeschiedenis 10.15; vert. Kassies.

    Gecalculeerde terreur. Zoals ik al opmerkte, wil je de inname van een stad door een Romeins leger niet meemaken. De buit was enorm: de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius noemt 120 grote katapulten, 231 kleinere, drieëntwintig grote blijden, tweeënvijftig kleinere, goud, zilver, graan, slaven, drieënzestig schepen, brons, ijzer, zeilen… De voornaamste winst was echter diplomatiek: de drie Karthaagse commandanten zagen hun Iberische bondgenoten opnieuw deserteren, en dit keer voorgoed.

    Baecula

    In 209 of 208 viel Scipio, met een veel groter leger dan het jaar ervoor, Andalusië binnen, waar zijn vader en zijn oom twee jaar eerder waren gesneuveld. Aan de bovenloop van de Guadalquivir, zo’n honderd kilometer ten oosten van Córdoba, stuitte hij op Hasdrubal Barka, de broer van Hannibal, die numeriek superieur was en een sterke positie op een heuvel had ingenomen bij Baecula (het huidige Bailén), om daar te wachten op de twee andere legers.

    Scipio redeneerde dat elk uur dat hij wachtte, door de Karthager zou worden benut om zijn stellingen te verbeteren, tot het moment kwam dat de andere generaals arriveerden. Hij liet meteen aanvallen en de Romeinse bestorming verliep succesvol. Dat blijkt niet alleen uit de bronnen, maar ook uit het opgegraven slagveld, waarover ik al eens blogde. Het hielp natuurlijk wel dat Hasdrubals olifanten schichtig werden en zich keerden tegen hun eigen troepen. De Karthager zelf wist te ontkomen en voegde zich bij de twee andere generaals. Ze spraken af dat Hasdrubal de Pyreneeën en Alpen zou overtrekken om Hannibal bij te staan in Italië, en dat de twee andere generaals zouden proberen de nu onvermijdelijk geworden Romeinse overname van Andalusië zoveel mogelijk zouden vertragen.

    #Baecula #Cartagena #CarthagoNova #HasdrubalBarka #Polybios #ScipioAfricanus #TitusLivius #TweedePunischeOorlog
  10. Toerist in Alicante

    Alicante, Castell de Santa Bàrbara

    Over Alicante, de havenstad waaraan ik deze zesde aflevering van mijn narcistisch winterfeuilleton wijd, is een hoop te vertellen. Historisch bezien gaat het om twee plaatsen: het huidige Alicante, dat ligt aan de voet van het 160 meter hoge Castell de Santa Bàrbara, en een antieke stad op een uur wandelen ten noordoosten van het huidige centrum. Deze plek heet tegenwoordig Tossal de Manises, en het gaat om een gebied van ongeveer drie hectare met een Romeins badhuis, marktplein, woonhuizen, stadsmuur en een islamitisch grafveld.

    Drie namen voor twee plaatsen

    De Latijnse naam voor deze plaats was Lucentum, waarin het woord lux zit, “licht”. Dat zal wel verwijzen naar een landschappelijk fenomeen dat stralend wit was. In het Grieks heette de stad, gesticht door Hannibals vader Hamilkar Barka, Akra Leukè, “de witte burcht”. De Romeinse geschiedschrijver Titus Livius vermeldt bovendien een fort, waarvan de naam meestal wordt weergegeven als Castrum Album, wat opnieuw “de witte burcht” betekent. Die lezing lijkt ingegeven door de betekenis van het Griekse Akra Leukè, en de aanname is dat het gaat om dezelfde plek.

    Tossal de Manises, gezien vanaf Castell de Santa Bàrbara

    Er zijn echter twee complicaties. Om te beginnen dat we voor dezelfde plek nu twee Latijnse namen hebben, namelijk Lucentum en Castrum Album. En verder is er de complicatie dat in de middeleeuwse handschriften geen Castrum Album staat, maar Castrum Altum, “de hoge burcht”. Dat suggereert dat dit de naam was van het fort boven het huidige Alicante, het Castell de Santa Bàrbara dus.

    Museum

    Aan de voet van het fort ligt een interessant archeologisch museum, dat bestaat uit drie grote zalen waarin archeologie wordt uitgelegd: je ziet een opgraving op ware grootte, onderzoek aan een middeleeuwse kerk op ware grootte en een scheepswrak op ware grootte. Aan weerszijden van die drie zalen liggen twee gangen, waarvan de linker loopt langs vier zalen voor de tijdelijke expositie (momenteel gewijd aan de havenstad Denia), terwijl de rechter loopt langs de permanente opstelling.

    Een deel van de opgraving op ware grootte (NB: archeologen werken bij daglicht)

    Deze rechtergang dient om uitleg te geven van wat archeologen doen en kan met recht voorbeeldig worden genoemd: schrijvend op mijn hotelkamer herinner ik me geologie, pollenonderzoek, archeozoölogie, dendrochronologie, koolstofdateringen, thermoluminescentie, mineralogie, het onderzoek naar gewassen, fysische antropologie, etnografie, metallurgie, de bestudering van keramiek en glas en ook de filologie, de numismatiek en de epigrafie.

    De eerste van de vier zalen van de permanente opstelling toonde het prehistorische materiaal en de tweede behandelde de Iberiërs, die in Alicante en omgeving de Contestaniërs heetten. In deze zaal stond het beeld van de Dame van Cabezo Lucero, die een tikje ouder lijkt dan de Dame van Elche. Er was ook interessant aardewerk. De derde zaal bevatte Romeinse vondsten, die niet heel spectaculair waren, en tot slot was er een zaal gewijd aan de Middeleeuwen.

    Dame van Cabezo Lucero

    Ook in Alicante is de Arabische tijd niet heel spectaculair getoond. Zoals zo vaak krijg je wat aardewerk te zien, maar worden daarmee minder verhalen verteld dan met het Griekse aardwerk; je krijgt wat sculptuurfragmenten te zien, maar zelden vertellen die iets groters; je verneemt weer eens dat de Arabieren de islam meebrachten, maar daar blijft het bij. Het is – en dat geldt voor alle musea die ik bezocht – alsof er geen geëigende vorm is om het materiaal te tonen. Dat komt natuurlijk deels doordat de bestudering van de Middeleeuwen vaak is gebaseerd op teksten en de archeologie pas aan bod komt als teksten ontbreken (hoewel het vak, zoals ik al aangaf, heel belangrijke informatie heeft te bieden). De archeologie van El-Andalus komt mede daardoor slecht uit de verf. Er zijn meer factoren, maar daarover hebben we het nog eens.

    In elk geval is het museum in Alicante, ondanks de niet heel spectaculaire collectie, een bezoek meer dan waard. Ook omwille van het goede boekhandeltje, trouwens.

    Monument voor de evacuatie van Alicante

    Alicante

    We zijn naar het fort gewandeld, Livius’ Castrum Altum, waar diverse bouwfasen zijn te herkennen. Het hoogste deel dateert uit de Arabische tijd, al is daarvan weinig te herkennen, en daarna is het uitgebreid met drie steeds lagere terrassen. Aan de voet van het fort is een basiliek voor Sint-Nikolaas, die u met gerust hart kunt overslaan, tenzij u een reliekhouder wil zien met een haar van paus Johannes Paulus II. Katholieken bezitten doorgaans enig relativeringsvermogen maar ik ben er niet helemaal zeker van dat dit een poging was tot humor.

    In de Spaanse Burgeroorlog was Alicante de laatste stad die nog weerstand bood aan de troepen van generalísimo Francisco Franco. De havenstad viel op 1 april 1939. Italiaanse fascisten, Franco’s bondgenoten, namen 15.000 verdedigers van de Spaanse republiek gevangen, en 3000 mensen werden gered dankzij vissersboten en een Britse stoomboot die hen overzette naar Oran in Frans Algerije. Bij de haven van Alicante staat tegenwoordig een bescheiden borstbeeld van de kapitein van het Britse schip, Archibald Dickson, en een deel van de boulevard is gewijd aan de “martelaren voor de vrijheid”.

    Morgen: Elche.

    #Alicante #ArchibaldDickson #Contestaniërs #DameVanCabezoLucero #FranciscoFranco #HamilkarBarka #Lucentum #SintNikolaas #SpaanseBurgeroorlog #TitusLivius #TossalDeManises
  11. Een diadeem voor Julius Caesar

    Kleopatra VII, geliefde van Caesar, met de diadeem die toont dat ze een koningin is (Altes Museum, Berlijn)

    Het was 23 januari in het jaar waarin Julius Caesar en Marcus Antonius het consulaat bekleedden (44 v.Chr.). U weet, na deze constatering, dat u bent beland in een nieuw deel in de naar een climax neigende reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?”

    Hij keerde terug naar Rome. Hij had de Saturnalia gevierd in Puteoli en had op de Albaanse Berg (ten zuiden van Rome) de zogeheten Latijnse Feesten voorgezeten. Dat was een plechtigheid waarbij de steden uit de omgeving van Rome samen offerden aan Jupiter. Als voornaamste magistraat van de voornaamste stad, en toevallig ook als hogepriester, zal Caesar zijn voorgegaan, melk hebben geplengd en een wit rund hebben geofferd. Daarna was hij richting Rome afgereisd. De volgende dag betrad hij de stad in een kleine triomftocht, een zogeheten ovatie, die vermeld staat op een kalender waarvan de fragmenten zijn te zien in de Capitolijnse Musea. Daardoor weten we dat het 23 januari was.

    Caesar was al een paar weken niet in de stad geweest. Er heerste enthousiasme voor de naderende Parthische Oorlog, maar er was ook een vorm van enthousiasme waar Caesar zich ongemakkelijk bij voelde. Nikolaos van Damascus, een tijdgenoot en biograaf van keizer Augustus, vertelt:

    Het volk eiste luidkeels dat hij koning zou worden en dat ze niet langer zouden wachten om hem te kronen, aangezien het Lot hem al had gekroond. Maar Caesar antwoordde dat hij, hoewel hij er altijd naar had gestreefd om het volk ter wille te zijn, nooit zou instemmen met zo’n daad. Uit respect voor de republikeinse tradities vroeg hij om begrip voor zijn weigering. Hij verkoos een legale hoogste magistratuur boven een illegale.noot Nikolaos van Damascus, Augustus fr.70.

    Een diadeem voor Caesar

    De biograaf Suetonius vermeldt een soortgelijk incident. Toelichting: een diadeem was een symbool van koninklijke waardigheid. Zie het plaatje hierboven.

    Bij zijn terugkeer in Rome na de Latijnse Feesten werd Caesar door het volk met ongekend enthousiasme toegejuicht. Iemand uit de massa plaatste bij die gelegenheid op zijn standbeeld een lauwerkrans, omwonden met een witte band. De volkstribunen Gaius Epidius Marullus en Lucius Caesetius Flavus gaven bevel de band van de krans weg te nemen en de man te arresteren. Maar Caesar voer heftig tegen de tribunen uit en onthief hen van hun functie, woedend omdat de suggestie van het koningschap zo slecht werd ontvangen of, zoals hij zelf beweerde, omdat hem de eer was ontnomen het koningschap te weigeren.noot Suetonius, Caesar 79; vert. Daan den Hengst.

    Dit was de tweede van drie incidenten die volgens Titus Livius de samenzwering de wind in de zeilen gaven. Het voorval is in elk geval goed gedocumenteerd, want ook andere auteurs noemen het. Nikolaos van Damascus weet dat het standbeeld van goud was en stond op de Rostra, het sprekersplatform op het Forum Romanum.

    Zodra Caesar van het voorval hoorde, riep hij de Senaat bijeen in de Tempel van Concordia en beschuldigde hij de tribunen ervan dat zij zelf het beeld in het geheim met de diadeem hadden gekroond om hem publiekelijk te beledigen en (hem en de Senaat negerend) de indruk te wekken dat ze zich als dappere mannen gedroegen, terwijl het hem, Caesar, aan eergevoel ontbrak.noot Nikolaos van Damascus, Augustus fr.69.

    Paranoia

    Dat de volkstribunen, om te laten zien dat ze deugden, de diadeem zélf hadden laten aanbrengen, klinkt behoorlijk paranoïde. Maar er was zeker reden voor bezorgdheid.

    Caesar voegde eraan toe dat hun gebaar een groter plan en een ernstiger bedreiging verried: als ze er ooit in zouden slagen hem als usurpator bij het volk in diskrediet te brengen, zou een weergaloze crisis volgen en zou hij gedood worden.noot Nikolaos van Damascus, Augustus fr.69.

    Caesar wist dat er plannen waren hem te doden en redeneerde dat de volksgunst een garantie vormde voor zijn leven. Hij vermoedde bovendien (en terecht) dat als hij gedood zou worden, de anarchie zou terugkeren. Ook Cicero dacht er zo over, zoals we in een eerder stukje hebben gezien. Suetonius noteert:

    Caesar zou zelfs bij herhaling hebben gezegd dat de staat er, meer dan hijzelf, bij gebaat was dat hij in leven bleef. Hij had al macht en roem in overvloed verworven, maar de staat zou, als hem iets overkwam, geen rust meer kennen en nog veel zwaarder door burgeroorlogen worden geteisterd.noot Suetonius, Caesar 84; vert. Daan den Hengst.

    Moi ou le chaos

    Het incident met de diadeem op het standbeeld zegt veel over Caesars pogingen een voor iedereen aanvaardbare machtspositie te scheppen. Enerzijds bleef hij demonstratief binnen de constitutionele grenzen. Daarmee probeerde hij de verwijten van de complotteurs te pareren. Anderzijds was er dreiging: hij benadrukte dat als hij weg zou vallen, de gevolgen catastrofaal zouden zijn. Moi ou le chaos.

    En verder moesten oude grieven maar vergeven en vergeten  zijn. Caesar gaf het voorbeeld. Ballingen mochten terugkeren, de weduwen van gedode tegenstanders werden hersteld in hun rechten. Het leek te werken – er was althans enige toenadering toen de senatoren een eed van trouw aflegden.

    Er zijn er die menen dat hij, vertrouwend op het laatste Senaatsbesluit en de eed van de senatoren, zelfs de Spaanse lijfwachten, die hem overal met getrokken zwaard begeleidden, had weggezonden.noot Suetonius, Caesar 84; vert. Daan den Hengst.

    Binnen twee maanden zou duidelijk zijn dat Caesar te optimistisch was geweest.

    [Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

    #RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #AlbaanseBerg #diadeem #dictator #JuliusCaesar #koningschap #LatijnseFeesten #NikolaosVanDamascus #Periochae #Rome #Rostra #Suetonius #TitusLivius
  12. Het Comitium in Rome

    Opgraving onder het Comitium

    Wie de Senaatszaal verliet, kwam op het Comitium. Na de renovatie door Julius Caesar en Augustus was van het oorspronkelijke plein, dat ten tijde van de Republiek ruimte had geboden aan de Volksvergadering, weinig over. Destijds hadden om het ronde terrein, dat een doorsnede had van vijfentwintig meter, lage tribunes gestaan en eretekens voor verdienstelijke mensen en de profetessen die Sibillen werden genoemd. De Romeinse encyclopedist Plinius de Oudere stuitte op een vermelding van nog twee beelden:

    Ik heb ontdekt dat aan weerszijden van het Comitium beelden van Pythagoras en Alkibiades hebben gestaan, omdat de Delfische Apollo ons tijdens de Samnitische Oorlog gelastte op een opvallende plaats standbeelden op te richten van de machtigste en de verstandigste onder de Grieken. Ze hebben er gestaan totdat de dictator Sulla het Senaatsgebouw vergrootte tot op die plaats. Het is overigens wonderlijk dat de vroede vaderen Pythagoras hoger aansloegen dan Sokrates, die door dezelfde god toch als meest verstandige is aangewezen, dat ze Alkibiades verdienstelijker vonden dan zoveel anderen, en dat ze iemand hoger achtten dan Themistokles, die machtig én verstandig was.noot Plinius de Oudere, Natuurlijke Historie 34.26.

    Aan een ander standbeeld was een bekend verhaal verbonden, dat de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius met smaak opdist:

    Attus Navius, destijds een beroemd ziener, verklaarde dat er niets mocht worden veranderd en ook niets nieuws mocht worden ingesteld tenzij de vogels het gunstig hadden geduid. Hierover ontstak koning Tarquinius Priscus in woede en men zegt dat hij, spottend met de zienersgave, uitriep: “Vooruit dan, goddelijke ziener, raadpleeg de vlucht van de vogels en zeg dan of datgene waaraan ik op dit ogenblik denk, kan gebeuren!”

    Toen Attus, na de voortekenen te hebben waargenomen, verklaarde dat het inderdaad zou gebeuren, zei de koning: “Nee maar! Waar ik aan zat te denken was dat jij met een scheermes een slijpsteen zou kloven. Hier, pak die dingen en zie voor elkaar te krijgen wat volgens de verkondiging van je vogels mogelijk is!”

    Toen kloofde – zegt men – de priester zonder aarzelen de slijpsteen. Vroeger stond er een standbeeld van Attus, met bedekt hoofd, op de plaats waar dit is voorgevallen, op het Comitium, op de treden links van het Senaatsgebouw. Volgens de overlevering werd daar ook de slijpsteen geplaatst, om het nageslacht aan dit wonder te herinneren.noot Titus Livius, Geschiedenis van Rome sinds de Stichting van de Stad 1.36.3-5; vert. Katwijk-Knapp.

    Na de nieuwbouw ten tijde van Augustus zijn enkele van deze oude standbeelden verplaatst naar het naar hem vernoemde forum, maar al snel kwamen er nieuwe voor in de plaats.

    Volcanal

    Een deel van het Comitium was vernoemd naar de vuurgod Vulcanus en heette Volcanal. In de keizertijd lag daar een afgebakende ruimte, geplaveid met zwart marmer en ommuurd door een hek van wit marmer. Om haar kleur heette de plek ook Lapis Niger, “Zwarte Steen”. Eronder lag een zeer oud heiligdom: archeologen troffen er een altaar aan uit de vierde eeuw v.Chr., de sokkel van een standbeeld en een stenen kubus met een inscriptie die aan de hand van de lettervormen is gedateerd tussen 650 en 600.

    Inscriptie, in oeroud Latijn, gevonden onder de Zwarte Steen (Nationaal Museum, Rome)

    Omdat in de Griekse wereld stadstichters een monument kregen op de markt van de door hen gestichte steden, schrijft de Grieks-Romeinse auteur Dionysios van Halikarnassos dit monument toe aan de stichter van Rome:

    Romulus wijdde een bronzen vierspan aan Vulcanus en richtte daarnaast een beeld op van zichzelf met een inscriptie in Griekse letters waarin hij zijn eigen daden vermeldde.noot Dionysios van Halikarnassos, Romeinse Oudheden 2.54.2; vert. Simone Mooij.

    Met “Griekse letters” bedoelt Dionysios waarschijnlijk het archaïsche schrift van de inscriptie, dat inderdaad lijkt op het alfabet van de in Italië gevestigde Grieken. Hoewel we de inscriptie dus kunnen lezen, is ze onbegrijpelijk. Daarvoor is het Latijn te oud. Een mogelijke interpretatie is dat degene die een heilige plaats schendt ter dood zal worden gebracht, dat de heraut van de koning iets afkondigt en de koning een reinigingsoffer moet brengen.

    Ook al blijft de inscriptie een mysterie, het is duidelijk wat het monument onder de Zwarte Steen was: een cultusplaats voor Romulus, die volgens een oeroude traditie afstamde van een vuurgod.noot FGrH 817F1.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Meisje met duiven

    november 18, 2016
    Het einde van Athene (4)

    oktober 2, 2021
    De Hangende tuinen van Babylon?

    mei 6, 2013 Deel dit:

    #Alkibiades #AttusNavius #Augustus #Comitium #DionysiosVanHalikarnassos #ForumRomanum #JuliusCaesar #LapisNiger #LuciusCorneliusSulla #Octavianus #PliniusDeOudere #Pythagoras #Rome #Romulus #Senaat #sibille #Sokrates #TarquiniusPriscus #Themistokles #TitusLivius #Volcanal #volksvergadering #Vulcanus

  13. Turms, de Etruskische Mercurius

    Turms (Museo nazionale Etrusco di Villa Giulia, Rome)

    Even ten noorden van Rome lag Veii, een machtige Etruskische stad die de Romeinen in 393/392 v.Chr. veroverden.noot En niet in 396, zoals je nogal eens leest. Daarna vielen de kleinere stadjes in de omgeving, die ooit onderworpen waren geweest aan Veii, eveneens in Romeinse handen. Zo ook Falerii, dat zich korte tijd later op nogal bijzondere wijze onderwierp. Een schoolmeester had namelijk een klasje aristocratische kinderen als gijzelaars uitgeleverd aan de Romeinse generaal Camillus, die dit geschenk, dat de oorlog tot een snel einde zou hebben kunnen brengen, had geweigerd, en de schoolmeester geboeid en gegeseld terug had gezonden naar Falerii, met de mededeling dat hij de stad zou nemen “met Romeinse middelen”. De burgers capituleerden ogenblikkelijk: volgens geschiedschrijver Titus Livius omdat ze onder de indruk waren van Camillus’ nobele gebaar, maar je hoeft niet heel cynisch te zijn om te herkennen dat men doodsbang was voor “de Romeinse middelen”.

    In Falerii is verschrikkelijk mooie terracotta-sculptuur gevonden, die voor het merendeel is terechtgekomen in de Villa Giulia, het Etruskische museum van Rome. Bovenstaande kop komt uit een tempel die stond op een plek genaamd Sassi Caduti. Dit heiligdom, even ten westen van de acropolis, was gewijd aan de godheid die de Romeinen Mercurius noemden en de Etrusken Turms. Hij was de boodschapper van de oppergod Tinia, beschermde de handel en begeleidde de dode zielen op weg naar de Onderwereld. Bij Sassi Caduti is ook een marktplein gevonden, wat natuurlijk wel zo gepast is voor een god van de handel.

    Omdat er dus nogal wat overeenkomsten waren met de Griekse god Hermes, werd Turms/Mercurius in elk geval in de derde en tweede eeuw v.Chr. afgebeeld met de gevleugelde sandalen, de herautenstaf en de breedgerande hoed die deze godheid kenmerken. Dat zal zeker niet de oorspronkelijke outfit zijn geweest van zijn Etruskische evenknie. Misschien zijn er heel oude afbeeldingen, maar ik ken die niet. Wat overigens weinig zegt.

    Etruskische tempels hadden vaak standbeelden ter ere van diverse goden, en bovenstaande godheid is Apollo of, zoals de Etrusken hem noemden, Aplu. Zijn woeste kapsel duidt op de goddelijke inspiratie van de orakelgod; zijn zittende houding en iets naar rechts gewende hoofd zouden kunnen betekenen dat hij op het punt staat een voorspelling uit te spreken. Er is wel geopperd dat de keramist de sculptuur van de Griekse beeldhouwer Lysippos kende, en dat hij heeft gekeken naar het portret van Alexander de Grote.

    Enfin. Het is gewoon mooi, ik wilde het u laten zien, het dateert uit de vroege derde eeuw v.Chr. en het is destijds niet lang zichtbaar geweest, want in 241 maakten de Romeinen Falerii met de grond gelijk.

    [Dit was het 511e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Agrigento

    juni 19, 2014
    De slag bij Telamon (3)

    mei 11, 2023
    Nieuws uit Tyrus

    februari 9, 2024 Deel dit:

    #Aplu #Falerii #Hermes #Lysippos #MarcusFuriusCamillus #Mercurius #terracotta #TitusLivius #Turms

  14. Titus Livius (7): kwaliteiten

    Zomaar een Romein met een kapsel à la keizer Augustus, niet per se Titus Livius (Archeologisch museum Córdoba)

    [Laatste blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

    Livius leefde tweeduizend jaar geleden. Je mag hem elitair noemen, je mag zijn moralisme oppervlakkig noemen. Het is immers een klassieke auteur. Om deze reeks niet in mineur te beëindigen, noem ik twee deugden die Livius óók bezit.

    Titus Livius als stilist

    Om te beginnen kan hij een verhaal vertellen. Tijdens het bewind van keizer Domitianus (r.81-96) stelde Quintilianus, een docent welsprekendheid, de Romeinse geschiedschrijvers Livius en Sallustius gelijk aan de Griekse auteurs Herodotos en Thoukydides.noot [Quintilianus, Opleiding tot redenaar 10.1.101.]. Dat was destijds de allergrootst mogelijke lof. Als Livius iets vertelde, zo vervolgde Quintilianus, was het verhaal zo helder als kristal, terwijl zijn toespraken onbeschrijfelijk welluidend waren.

    Quintilianus was niet de enige die de auteur van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad prees. Een wel heel curieus compliment is dat van Plinius de Jongere, die in het najaar van 79 na Chr. het lezen van Livius verkoos boven een bezoek aan de spectaculair ontploffende Vesuvius. Ook daarna, in de Middeleeuwen en Renaissance, hebben mensen Livius bewonderd om zijn vertelkunst en zijn stijl, en dit is nooit veranderd.

    Titus Livius als geschiedschrijver

    Livius is ook een betere geschiedschrijver dan men wel aanneemt. Akkoord, hij heeft een causaliteitsbegrip van het jaar nul: zoals vrijwel alle andere antieke geschiedschrijvers is hij een methodisch individualist, wat een jargonterm is om aan te duiden dat uitsluitend individuen agency zouden hebben.noot De enige antieke historicus met een hedendaags causaliteitsbegrip is Appianus. Zoals ik al zei verhoudt de antieke geschiedschrijving zich tot de huidige zoals alchimie en astrologie zich verhouden tot chemie en astronomie. Omdat de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad een pre-wetenschappelijke activiteit vertegenwoordigt, zou het oneerlijk zijn de auteur af te rekenen aan de hand van normen die pas in het eerste kwart van de vorige eeuw zijn geformuleerd.

    Een eerlijker criterium is of de auteur de doelen haalt die hij zelf stelt. Titus Livius wilde zijn tijdgenoten voorbeelden geven van nastrevenswaardige en vermijdbare gedragingen. Daarmee hoopte hij goedbedoelende Romeinen aan te sporen de oude Romeinse kwaliteiten te herstellen. Zelf zou hij hebben gezegd dat de enige relevante toets voor de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad was of het werk bijdroeg aan Augustus’ ethisch reveil. We kunnen nu constateren dat de Romeinse wereld tot rust kwam, maar we kunnen niet bepalen of het geschiedwerk daarbij een rol speelde.

    Fouten? Of toch niet?

    Maar wat hebben wij eraan? Uiteraard mogen hedendaagse oudheidkundigen de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad gebruiken voor andere doelen dan waarvoor de auteur haar schreef: namelijk voor informatie over de Romeinse republiek. De grote negentiende-eeuwse Altertumswissenschaftler hebben fouten geconstateerd:

    • Livius vertelt sommige verhalen twee keer, wat te verklaren zou zijn doordat hij ze in verschillende bronnen vond onder verschillende jaartallen;
    • de chronologie klopt niet;
    • het beeld van de grandeur van Rome in de late koningstijd, toen de dynastie der Tarquinii heerste, zou een regelrechte leugen zijn, bedoeld als propaganda voor de monarchie van Augustus.

    Deze beoordeling is lange tijd blijven hangen. U vindt de constateringen nog in het commentaar op de eerste vijf boeken van Livius door Robert Maxwell Ogilvie (1974). In de week waarin ik deze blogjes online aan het plaatsen was, reageerden verschillende classici die nog steeds een lage dunk hebben van Livius als geschiedschrijver.

    De afgelopen halve eeuw is echter veel veranderd. Archeologen hebben het bestaan van la grande Roma dei Tarquini min of meer bevestigd. Gebeurtenissen die ooit als doublures zijn gebrandmerkt, blijken wel degelijk te onderscheiden gebeurtenissen te zijn. En bij nader inzien blijkt Livius’ chronologie beter te zijn dan de chronologie van Varro die in menige vertaling – ook de Nederlandse van mevrouw Van Katwijk-Knapp – wordt gebruikt om de Romeinse datering (aan de hand van consulnamen) om te rekenen naar onze jaartelling. Mij stoort het nogal dat oudheidkundigen dingen die bij Livius goed zijn, verhelderen met verkeerde informatie.

    Het historisch ambacht

    Dergelijk gegoochel is niet alleen chronologisch misleidend. Het miskent de man. Door vast te houden aan de traditionele chronologie van de Romeinse geschiedenis, wijst Livius de Varroniaanse chronologie af. Dat systeem, waarvan we weten welke fouten er in zitten, was door Augustus geautoriseerd omdat het antecedenten bevatte voor de alleenheerschappij. De Varroniaanse chronologie stond volledig uitgeschreven op de triomfboog van Augustus; iedereen op het Forum Romanum kon het lezen.

    Dat was dus geschiedvervalsing en Livius weigerde zijn vakkennis, voorwetenschappelijk of niet, ondergeschikt te maken aan politiek opportunisme. Voorbeelden geven? Prima. Moralisme? Dat is bedoeling. Retorische overdrijvingen op belangrijke momenten? Dat kan, zo nu en dan. Maar blijf verder bij de feiten, en introduceer geen antecedenten voor de alleenheerschappij in je verslag. Dat is Livius zelf. Wie zijn verslag verheldert met het chronologische systeem dat hij afwees, miskent zijn beheersing van het historisch ambacht en geeft feitelijk de augusteïsche propaganda het laatste woord.noot Velleius Paterculus is een andere auteur die via de chronologie oppositie voerde.

    De constateringen over doublures, over de koningstijd en over het historisch métier betekenen niet dat Titus Livius in de afgelopen halve eeuw is komen gelden als superaccurate bron voor de Romeinse republiek. Dat zal Livius nooit zijn, want hij is geen historicus in de normale zin des woords. Wie hem echter beschouwt als slechts een verhalenverteller en een moralist, doet hem niet volledig recht.

    Mijn boek over Libanon is verschenen. De opbrengst is geoormerkt voor Cordaid Libanon.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Apollonios van Tyana (2)

    oktober 28, 2013
    Van keizer tot keizer (1)

    september 22, 2023
    Muiterij tegen Caesar

    oktober 28, 2021 Deel dit:

    #agency #antiekeGeschiedschrijving #Augustus #DanteAlighieri #KlassiekeGeschiedschrijvers #MarcusFabiusQuintilianus #methodischIndividualisme #PliniusDeJongere #RobertMaxwellOgilvie #TitusLivius #VarroniaanseChronologie

  15. Titus Livius (6): bronnen

    Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Kunsthistorisch museum, Boedapest)

    [Zesde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

    Livius pochte dat hij alle relevante Griekse en Romeinse geschiedenisboeken had gelezen en eigenlijk is er geen reden om daaraan te twijfelen. Dat wil niet zeggen dat gegarandeerd waar is wat hij schrijft. Niet omdat hij niet waarheidlievend zou zijn. Hij is erop gespitst de waarheid te vertellen en onderbreekt zijn verhaal regelmatig voor opmerkingen die een kritische houding verraden:

    Van de vijanden kwamen 2500 man om en velen bezweken later aan hun verwondingen. Door [sommige eerdere geschiedschrijvers] wordt een veelvoud van verliezen aan weerszijden overgeleverd. Ikzelf houd om te beginnen niet van ongegronde overdrijving – een veel voorkomende neiging van geschiedschrijvers – en bovendien beschouw ik Fabius, een tijdgenoot van deze oorlog, als de beste bron.noot Livius 22.7.4; vert. Hetty van Rooijen.

    Dit verhaal is meer geschikt voor een theatervoorstelling, waar wonderbaarlijke gebeurtenissen in trek zijn, dan om er geloof aan te hechten, en het is de moeite niet waard het te bevestigen of te weerleggen.noot Livius 5.21.8.

    Moderne auteurs klagen over de topografische fouten van Livius, maar hij deed zijn best. Uit de aard der zaak is een juiste verbetering niet te herkennen en een verschlimmbesserung wel (voorbeeld), zodat het beeld van Livius als topograaf een tikje te zwart is. Dat correcte informatie hem interesseerde, blijkt bijvoorbeeld uit de terloopse vermelding dat hij in Liternum (bij Napels) een monument inspecteerde dat was gewijd aan Publius Cornelius Scipio Africanus.noot Livius 38.56.3. Het probleem is niet Livius’ gebrek aan kritische houding, maar de kwaliteit van zijn bronnen.

    Geschiedvorsing en geschiedschrijving

    Er zijn in wezen twee soorten auteurs die zich bezighouden met het verleden:

    • de geschiedvorser die archieven bestudeert en een kritische monografie schrijft over een klein onderwerp,
    • de geschiedschrijver, die zijn lezers door middel van een synthese bijpraat over een belangrijk thema.

    Titus Livius behoort tot de laatste categorie. Zijn doel was een tot goed Romeins gedrag inspirerende synthese van het hele Romeinse verleden, en daarbij moest hij vertrouwen op eerdere bronnen. Als hij wilde slagen in zijn opzet, was er gewoon geen tijd om te controleren wat in zijn bronnen stond. Als die met elkaar in overeenstemming waren, presenteerde hij het als feit, en hij gaf aan als een auteur van de consensus afweek. Het is de methode die ook een Arrianus zou volgen. Gegeven de omvang van Livius’ project, was het onmogelijk het beter te doen.

    Livius en Polybios

    Hoewel Livius’ aanpak voor zijn gestelde doel goed was, is ze dat niet voor wat wij willen weten. Dat maakt de vraag relevant hoe hij zijn bronnen behandelde. Gelukkig kunnen we die vraag beantwoorden, omdat we de boeken 21-33 van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad kunnen vergelijken met een andere bron, de boeken 3-18 van de Wereldgeschiedenis van de Griekse auteur Polybios van Megalopolis (c.200-c.118). Livius  prijst zijn oudere collega als “een auteur die geenszins moet worden veracht” en “een betrouwbare autoriteit voor de gehele Romeinse geschiedenis”.noot Livius 30.45.5 en 33.10.10. Soms herkennen we letterlijke overeenkomsten.

    Het is aantrekkelijk te denken dat Livius in eigen woorden navertelt wat hij bij Polybios had gelezen; zo bezien zou Livius’ geschiedwerk in wezen een compilatie zijn van oudere bronnen. Als je echter in detail gaat vergelijken, zoals ik heb gedaan voor het verhaal van Hannibals tocht over de Alpen, ontdek je dat Polybios en Livius dezelfde bron navertellen. Dat verklaart niet alleen de letterlijke overeenkomsten, maar verklaart bovendien waarom Livius informatie biedt die niet aan Polybios kan zijn ontleend maar wel correct is.

    Livius en de Annalisten

    We weten dat Livius ook andere schrijvers benutte. In de eerste pentade maakte hij gebruik van Quintus Fabius Pictor (rond 200 v.Chr.) en Lucius Calpurnius Piso Frugi (rond 150 v.Chr.). Zij waren de eerste geschiedschrijvers van Rome geweest en behoorden tot de Annales-traditie, waarin de stof jaar voor jaar werd gepresenteerd. Livius gebruikte ook jongere annalisten: de optimaat Quintus Valerius Antias (rond 80 v.Chr.) en de popularis Gaius Licinius Macer (rond 70 v.Chr.).

    Ook verwijst Livius naar Quintus Aelius Tubero (rond 50 v.Chr.), maar zeer terughoudend, en het lijkt erop dat Livius deze auteur is gaan wantrouwen en er uiteindelijk geen waarde meer aan hechtte. Ik noemde Tubero vorig jaar al eens op deze blog als de aanklager van Quintus Ligarius.

    In de tweede pentade kon Livius ook Quintus Claudius Quadrigarius gebruiken. Als hij de oorlog tegen Hannibal beschrijft, zijn Lucius Coelius Antipater (rond 110 v.Chr.) en Polybios de belangrijkste bronnen, terwijl Livius nog steeds Valerius Antias gebruikt voor de beschrijvingen van de gebeurtenissen in de stad. In de boeken 31-45 zijn Polybios, Antias en Quadrigarius de bronnen van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad. Al die eerdere bronnen zijn gaan verloren – en dat zegt veel over de hoge waardering die men in de Oudheid had voor Livius.

    Vertaalfouten

    Livius’ verslag is dus zo goed als zijn bronnen: waar ze overeenstemden, presenteerde hij dat als feit, terwijl hij aangaf wat afweek. Dat sluit vanzelfsprekend blunders niet uit. Livius’ Grieks was niet fantastisch en soms begrijpt hij Polybios verkeerd. In een beschrijving van een belegering waarin mineurs en contramineurs in een tunnel slaags raken, vermeldt Polybios dat sommige soldaten vierkante schilden droegen, de zogeheten thyreous. Livius begreep dat als thyras, en vertaalde het als zodanig. Zodat er nu staat dat de soldaten met deuren door de tunnels liepen…noot Polybios 21.28.11 en Livius 38.7.10.

    [wordt morgen afgerond]

    Mijn boek over Libanon is verschenen. De opbrengst is geoormerkt voor Cordaid Libanon.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Migratie in de Arabische wereld

    maart 11, 2023
    Arm en straatarm in Rome (2)

    oktober 17, 2023
    Misverstand: Kleopatra

    maart 30, 2020 Deel dit:

    #annalistiek #antiekeGeschiedschrijving #Arrianus #GaiusLiciniusMacer #KlassiekeGeschiedschrijvers #LuciusCalpurniusPisoFrugi #LuciusCoeliusAntipater #Polybios #QuintusAeliusTubero #QuintusClaudiusQuadrigarius #QuintusFabiusPictor #QuintusValeriusAntias #TitusLivius

  16. Titus Livius (5): kenmerken

    Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Altes Museum, Berlijn)

    [Vijfde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

    Het was ooit een droom geweest van de Romeinse redenaar Cicero dat er nog eens een Romeinse auteur zou opstaan die een geschiedenis van Rome zou schrijven die kon wedijveren met die van beroemde Grieken als Herodotos en Thoukydides. Als Cicero Livius’ Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad had kunnen lezen, zou hij tevreden zijn geweest. De Romeinse geschiedschrijver mist weliswaar de scherpzinnigheid van een Thoukydides en de humor van een Herodotos, maar zijn beschrijving van het ontstaan en de groei van de Romeinse republiek is een kunstwerk. Voor wie nog nooit iets van Livius heeft gelezen, noem ik drie zaken om op te letten:

    1. De invloed van de welsprekendheid
    2. De structuur
    3. De (politieke) thematiek

    De invloed van de welsprekendheid

    De Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad is duidelijk geschreven door iemand die was opgeleid als redenaar. Romeins onderricht bestond vaak uit het spreken over historische onderwerpen: een jongeman moest bijvoorbeeld beargumenteren wat er zou zijn gebeurd als deze of gene historische gebeurtenis niet had plaatsgevonden, moest in een hypothetische situatie argumenten geven voor bepaald beleid, of moest zich inleven in een historische figuur. Livius moet in dit spel een meester zijn geweest, want de door hem ingevoegde toespraken zijn pareltjes.

    Hoewel de aanwezigheid van verzonnen toespraken vreemd op ons voorkomt – het zijn immers geen echte historische feiten – was dit destijds een normale praktijk. Ze boden de auteur de gelegenheid om uit te leggen waarom een persoon handelde zoals hij deed. Livius heeft er echter ook een tweede bedoeling mee: hij gebruikt ze voor psychologische portretten. De twee toespraken van de oude, vermoeide Hannibal en de jonge, bloed ruikende Scipio voor de slag bij Zama vormen geweldige lectuur. Hoewel we niet weten of de zo gegeven portretten correct zijn, zijn ze psychologisch overtuigend en dragen ze bij aan de charme van het geschiedwerk.

    Boek 9 bevat nog een interessante digressie, waarin Titus Livius een stelling verdedigt zoals Romeinen kenden uit de opleiding tot redenaar: hij betoogt dat als Alexander de Grote niet het Perzische Rijk had aangevallen, maar in plaats daarvan naar het westen was gekomen, hij door de Romeinen zou zijn verslagen.

    De structuur

    Als we het eerste boek negeren, dat alleen legendarisch materiaal bevat waarvan ook Livius zegt er geen snars van te geloven, heeft de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad een heel eenvoudige structuur: hij beschrijft de gebeurtenissen jaar voor jaar.

    • eerst noemt hij de magistraten die hun naam aan het jaar gaven;
    • daarop volgen de belangrijkste gebeurtenissen in het buitenland, meestal oorlogen;
    • vervolgens zijn er de gebeurtenissen in Rome. Hierdoor behoudt het werk, hoewel het geldt als wereldgeschiedenis, ook het karakter van een lokale kroniek. Livius’ lezer heeft nooit het gevoel dat de wereld te groot is en het verhaal te complex.
    • tot slot noemt Livius andere vermeldenswaardigheden, zoals voortekens, epidemieën, voedseltekorten en bouwprojecten. Eventueel is er een beschrijving van de verkiezingen, maar daarna begint het volgende jaar.

    Livius heeft deze vorm geërfd van eerdere Romeinse schrijvers, de auteurs van de zogeheten Annales, “jaarboeken”. Daarover meer in het blogje van vanmiddag. Zo nu en dan dwaalt Livius af om verwante onderwerpen te behandelen, zoals de vroege geschiedenis van de Galliërs (Boek 5), de oorsprong van Karthago (Boek 16), de vestiging van de Galaten in Anatolië (Boek 38), de etymologie van Baleares (Boek 60), of de gewoonten van de Germaanse stammen (Boek 104). Meestal zijn deze digressies beknopt en verstoren ze het verhaal nooit.

    Zoals we al zagen, behandelt Titus Livius doorgaans meerdere jaren in één boek. De boeken zelf zijn gegroepeerd in eenheden van vijf, tien of vijftien. Voor zover mij bekend, heeft geen enkele andere antieke geschiedschrijver zo’n structuur gebruikt. Livius is echter geen slaaf van zijn systeem. Hij behandelt de Derde Punische Oorlog in de boeken 48-51, die behoren tot twee pentaden. We weten dat er een editie heeft bestaan van de boeken 109-116, die de Acht boeken over de Burgeroorlog heette, wat suggereert dat ook Livius dat achttal als eenheid zag.

    De (politieke) thematiek

    Zoals gezegd was Titus Livius geen historicus. Hij was, zoals alle antieke geschiedschrijvers, een moralist. Wie hem zijn moralisme aanwrijft, maakt in feite een verwijt aan de hele antieke geschiedschrijving. Zijn analyse is ook heel voorspelbaar: de degeneratie van de Romeinen begon met de val van Karthago in 146 v.Chr. Luxe en decadentie waren daarna normaal geworden; rijke mensen gedroegen zich frivool en gaven een slecht voorbeeld aan armere Romeinen, die daardoor hun plaats niet meer kenden. Ze begonnen zelfs politieke eisen te stellen, wat via de opkomst van de Gracchen alleen kon leiden tot burgeroorlogen, meervoud.

    Rome veroverde de wereld, maar verloor zijn ziel: nauwelijks een origineel thema. In 42 of 41 had Sallustius precies hetzelfde geschreven en Augustus deelde de analyse. Wat Livius in zijn geschriften hekelde, probeerde de keizer te genezen met wetgeving over luxe en huwelijk. Een moreel herstel was nog steeds mogelijk, al overweegt Livius in zijn voorwoord dat Rome te ziek is voor het medicijn.

    Bij het reveil speelde Livius in elk geval zijn rol. Mannen moesten weer moedig zijn en hun verantwoordelijkheid nemen in het openbare leven; de even belangrijke plicht van de Romeinse vrouw was in kuisheid de huishouding te doen. Livius toont vaak hoe moed en vroomheid werden beloond en hoe onjuist gedrag werd bestraft. In boek 22 vertelt hij bijvoorbeeld hoe Gaius Flaminius in 217 het consulaat accepteerde zonder de nodige rituelen en onmiddellijk een militaire campagne tegen Hannibal lanceerde. Livius zegt dat veel senatoren dit schandalig vonden en beschouwden het als “geen oorlog tegen de vijand, maar een oorlog tegen de goden”. Het siert Livius, die meestal meeleeft met slachtoffers, dat hij, wanneer Flaminius sneuvelt bij het Trasimeense Meer, niet terugkeert op dat verwijt. Door het vóór de nederlaag te noemen, is de boodschap voldoende duidelijk, en hij vindt het niet nodig de doden een trap na te geven.

    Hoewel Livius Augustus’ zorgen deelde, was hij niet diens propagandist. Zijn eerste zorg was de waarheid. Eén voorbeeld kan volstaan. De Romeinen hadden de gewoonte dat een commandant die een buitenlandse generaal doodde in een tweegevecht, diens wapens mocht presenteren aan Jupiter. Deze spolia opima golden als zeer prestigieus. In 29 v.Chr. eiste een Romeinse aanvoerder het eerbewijs op, maar Augustus vond dit te veel eer voor een gewone bevelhebber, en bedacht een nieuwe regel, waarin stond dat alleen consuls in aanmerking kwamen. Helaas was een van degenen die het eerbewijs had ontvangen, een zekere Cossus, geen consul geweest, maar Augustus pretendeerde dat dit wel zo was geweest. Wanneer Livius in zijn geschiedwerk de overwinning van deze Cossus beschrijft,noot Livius 4.20. stelt hij onomwonden dat de oorlogsheld een tribuun was geweest, en hij noteert in iets dat eruitziet als voetnoot dat Augustus het niet eens was met de integrale historische traditie. Hij zegt nergens expliciet dat Augustus een leugenaar was, maar de boodschap was duidelijk.

    [wordt om 13:00 vervolgd]

    Mijn boek over Libanon is verschenen. De opbrengst is geoormerkt voor Cordaid Libanon.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Migratie in de Arabische wereld

    maart 11, 2023
    Arm en straatarm in Rome (2)

    oktober 17, 2023
    Misverstand: Kleopatra

    maart 30, 2020 Deel dit:

    #annalistiek #antiekeGeschiedschrijving #digressie #KlassiekeGeschiedschrijvers #TitusLivius

  17. Titus Livius (4): inhoud

    Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)

    [Vierde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

    Avaritia & crudelitas

    Ik was vanmorgen begonnen met een samenvatting van het geschiedwerk van Titus Livius en had de tweede eeuw v.Chr. bereikt. Nu volgt het conflict tussen twee rivaliserende Romeinse staatslieden: Marius en Sulla. De boeken 66-70 gaan over de opkomst van Marius en worden gevolgd door zes boeken over de Bondgenotenoorlog, waarin de Romeinen moeten vechten tegen hun Italische medestanders, die burgerschap eisen. Na een Romeinse zege voeren de Romeinen oorlog tegen koning Mithridates van Pontus, zonder hem te overwinnen. Generaal Sulla neutraliseert het probleem, keert terug naar Italië en bestuurt de republiek als dictator.

    Dit deel van de geschiedenis van Rome vanaf de oprichting, dat de verdeeldheid van de Romeinse elite hekelt en eindigt met de dood van Sulla, werd waarschijnlijk aan het begin van onze jaartelling gepubliceerd. De Periochae maken duidelijk dat Livius vaak aangaf dat politieke vraagstukken werden opgelost per vim, “met geweld”. Andere terugkerende begrippen zijn avaritia en crudelitas, “gierigheid” en “wreedheid”. Het was dus geen opbeurende lectuur, al zal Livius hebben opgemerkt dat met Augustus alles beter was geworden.

    De ondergang van de Republiek

    De boeken 91-105, gepubliceerd rond 5 na Chr., gaan over de opkomst van Pompeius, Crassus en Julius Caesar. We vernemen hoe de jonge Pompeius met succes vecht tegen de rebellenleider Sertorius in Hispania, zich bindt aan Crassus en consul wordt, en later vecht tegen de Cilicische piraten, Mithridates en de Joden. Hierop volgt de formatie van het Eerste Driemanschap, door Livius getypeerd als “een samenzwering tegen de staat door de drie voornaamste burgers”. Caesars sensationele Gallische oorlog eindigt met een climax: de Romeinen steken in Boek 105 niet alleen de Rijn maar ook het Kanaal over.  Deze ontknoping suggereert dat Livius’ boodschap was dat Romeinen, als ze hun verdeeldheid maar overwonnen, de grootste dingen konden bereiken. Het is interessant dat Boek 104 een digressie heeft gehad geweest over Germaanse gewoonten, wat suggereert dat Livius de rapporten heeft gelezen van de Romeinse generaals Drusus en Tiberius.

    De volgende decade gaat over de staatsgreep van Caesar. Boek 106 begint met de dood van Julia, Caesars dochter en de echtgenote van Pompeius. Vanaf nu zijn de harmonieuze relaties tussen de Romeinse leiders verdwenen. Ramp volgt op een ramp. De Belgische leider Ambiorix verslaat de legioenen van Caesar en de Parthische commandant Surena verslaat de soldaten van Crassus in Carrhae. Er is onrust in Rome, Caesar wordt verslagen bij Gergovia, en hoewel hij in Boek 108 de Galliërs verslaat, verslechtert zijn relatie met Pompeius nog verder. De Tweede Burgeroorlog breekt uit. Ik citeerde in een eerder blogje al Livius’ jeugdherinnering aan een waarzegger die in Padua de uitkomst van de slag bij Farsalos “zag”. Boek 115, waarschijnlijk gepubliceerd in 8 na Chr., eindigt met Caesars viervoudige triomf. Het moet bemoedigend zijn geweest voor Livius’ tijdgenoten, die net ernstige militaire tegenslagen in Illyricum hadden geleden.

    Boek 116 begint met het complot tegen Caesar. Livius’ oordeel over de dictator: “Het valt niet uit te maken of het beter was voor de republiek dat Caesar werd geboren of dat beter was geweest als hij nooit was geboren.” De hele pentade (dus de boeken 116-120) beschrijft dan het conflict tussen Marcus Antonius en Octavianus. Vijf boeken is veel ruimte voor slechts twee jaar, maar Padua, waar Livius is geboren, speelde in deze oorlog een rol en Livius had het meegemaakt. Hij zal de gebeurtenissen belangrijker hebben gevonden dan wij. Boek 120 beschrijft hoe de twee kemphanen met Lepidus het Tweede Driemanschap sluiten.

    Augustus

    Livius publiceerde deze pentade in ca.10 na Chr. en het is mogelijk dat hij opnieuw benadrukte dat heersers samenwerken, een thema dat in deze jaren steeds belangrijker was in de Augusteïsche propaganda. Uit deze jaren stamt een tempel voor Concordia en ook werd Tiberius ingewerkt als opvolger.

    Maar ook al stemde Titus Livius in met de heerschappij van Augustus, hij wilde ook niet ontkennen dat diens regering met geweld was begonnen. Moderne oudheidkundigen wijzen wel op de opmerking in de Periochae dat Boek 121 en de volgende boeken zijn gepubliceerd “na de dood van Augustus”. Dat hoeft niet te betekenen dat Livius censuur vreesde; hij lag ongeveer op schema.

    De boeken 121-133 vertellen over de oorlog van de Driemannen tegen Brutus en Cassius, culminerend in de Dubbele veldslag bij Filippoi (Boek 124). Daarop volgen Marcus Antonius’ oorlog tegen de Parthen (Boek 128) en Octavianus’ oorlogen tegen Sextus Pompeius en in Illyricum. Lepidus verdwijnt van het toneel (Boek 129) en Marcus Antonius ontmoet Kleopatra. De Zeeslag bij Aktion rondt het verhaal af.

    Misschien was dit het oorspronkelijke eindpunt van Livius’ project. Hij was ooit begonnen met een geschiedenis van Rome, en had nu het moment bereikt waarop hij zich aan dat werk had gezet. Hij had toen gedacht dat na de burgeroorlogen een ethisch reveil mogelijk was. De Romeinse wereld was inderdaad vreedzamer geworden, maar hij moet hebben opgemerkt dat de republiek, met zijn publieke debatten, was veranderd in een monarchie, waar beslissingen werden genomen door één man. En in het geheim.

    Livius was daardoor niet in staat iets te produceren zoals de voorgaande drieëndertig boeken, waarin hij vierentwintig jaar had beschreven. Na boek 134 verviervoudigt het tempo van zijn verhaal: hij beschrijft tweeëntwintig jaar in slechts negen boeken. Het verhaal was nu heel anders dan het voorafgaande en het is mogelijk dat Livius zijn belangstelling begon te verliezen. Het is waarschijnlijk dat boek 134 begon met de woorden van fragment 58:

    Ik heb inmiddels genoeg roem verdiend en zou een punt achter mijn geschiedwerk kunnen zetten, maar mijn rusteloze geest voedt zich met het schrijven.

    Titus Livius bleef dus schrijven. De Periochae van de laatste boeken zijn zeer kort en suggereren niet dat het opwindende lectuur was. Dat was niet Livius’ schuld. De tijden waren aan het veranderen. De trieste paradox van de geschiedschrijving is immers dat alleen oorlogen en rampen materiaal leveren voor een boeiend narratief. Als de laatste boeken van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad wat saai waren, was het omdat Livius tot zijn geluk niet leefde in interessante tijden.

    [wordt morgenochtend vervolgd]

    PS

    Het hing al een tijdje in de lucht, maar de universiteit van Cardiff sluit inderdaad alle oudheidkundige opleidingen. Een nieuwe bijdrage aan het lijstje hier.

    Mijn boek over Libanon is verschenen. De opbrengst is geoormerkt voor Cordaid Libanon.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Caesar in Lilybaion

    oktober 1, 2023
    Waarom de Oudheid zo leuk is

    november 1, 2012
    Caesar op de vlucht

    oktober 15, 2023 Deel dit:

    #antiekeGeschiedschrijving #Augustus #DerdeBurgeroorlog #digressie #EersteDriemanschap #GaiusMarius #GallischeOorlog #GnaeusPompeiusMagnus #JuliaI #JuliusCaesar #KlassiekeGeschiedschrijvers #LuciusCorneliusSulla #MarcusLiciniusCrassus #MithridatesVIEupator #Octavianus #ParthischeRijk #Periochae #slagBijFarsalos #Tiberius #TitusLivius #TweedeBurgeroorlog #TweedeDriemanschap

  18. Titus Livius (3): inhoud

    Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

    [Derde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

    De Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad van Titus Livius was een zeer, zeer ambitieus werk. In totaal verschenen niet minder dan 142 boekrollen. De lengte van zo’n rol kwam overeen met pakweg vijfenzestig bladzijden in een modern pocketboek. De totale lengte van Livius’ geschiedwerk bedroeg dus een slordige 9.250 pagina’s ofwel eenendertig pocketboeken. Hij schreef dit alles in ongeveer vijfenveertig jaar, wat betekent dat hij elk jaar ruim drie rollen of 205 pagina’s publiceerde. Ook met een tekstverwerker is dat alleszins respectabel.

    Er zijn twee gevolgen. Eén: dit werk was te groot om volledig tot ons te komen. We hebben alleen nog de boeken 1-10 en 21-45.  Misschien duikt nog eens iets op in de Egyptische woestijn of bij de papyri uit Herculaneum, waar inmiddels een boekrol is geïdentificeerd van een jongere Romeinse geschiedschrijver. Twee: het is duidelijk dat Titus Livius gebruik moest maken van eerdere geschiedwerken en zelden de mogelijkheid had tot archiefonderzoek. Dat had gevolgen, waarover we het nog zullen hebben.

    Wat heeft Livius te vertellen? Er zijn dus maar 35 van 142 rollen over. De inhoud van de niet overgeleverde boeken (dus 11-20 en 46-142) is echter bekend uit een vierde-eeuws uittreksel, de beknopte Periochae. We kunnen bovendien iets weten over de verloren teksten omdat die door latere auteurs zijn benut. Zo is bijvoorbeeld Lucanus’ gedicht Pharsalia, een gedicht over de Romeinse burgeroorlogen waarin Pompeius de held is en Julius Caesar de schurk, vermoedelijk gebaseerd op Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad.

    De vroege republiek

    We weten dat het werk was georganiseerd in pentaden en decaden, groepen van vijf en tien rollen. De eerste pentade gaat over de oorsprong van Rome tot de zomer van 386 v.Chr.noot Of 390 volgens het chronologische systeem van Varro, dat Livius niet gebruikte. Anders dan sommige moderne geleerden begreep Livius de fouten daarvan. In het eerste boek vertelt hij de legendes van Rome als een koninkrijk; hij gaat verder met de oprichting van de republiek door Brutus en Valerius Publicola; en na een verslag van de moeilijke vijfde eeuw (boeken 2, 3 en 4) culmineert de eerste pentade in een adembenemend verslag van de inname van Veii, de plundering van Rome door de Galliërs, en de tweede stichting onder de auspiciën van Marcus Furius Camillus. De cirkel is gesloten.

    Dit deel van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad is voltooid rond 26 v.Chr. Livius vermeldt namelijk Octavianus’ titel Augustus, die dateert uit 27 v.Chr., maar weet niets van de sluiting van de tempel van Janus in 25. Livius presenteert Camillus, zegevierend in oorlog en tweede stichter van de stad, als alter ego van Augustus. Het is interessant dat hij Camillus dux noemt, een titel die ook Octavianus had gebruikt.

    De volgende tien boeken hadden betrekking op de verovering van Italië. De eerste helft – de tweede pentade dus – is over en daarover wil ik nog eens bloggen. Aanvankelijk moet Rome zich nog herstellen van de crisis, maar aan het einde van boek 10 hebben de Romeinen de Etrusken, de Umbriërs, de Galliërs en de Samnieten verslagen in de slag bij Sentinum (295 v.Chr.) Hoewel het verhaal van de eenwording van het Apennijnse schiereiland daarmee nog niet voorbij is – daarvoor was de volgende pentade – was de beslissende strijd gewonnen door de zelfopoffering van enkele beroemde Romeinen, zoals Publius Decius Mus. Dit is in lijn met de propaganda van Augustus.

    De derde eeuw v.Chr.

    De volgende vijf boeken van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad zijn verloren. Uit de Periochae weten we dat deze pentade de eenwording van Italië omvatte, met onder meer de oorlog tegen koning Pyrrhos van Epirus. Als Livius schreef met zijn gewone tempo van ruim drie rollen per jaar, zal hij de boeken 6-15 rond 24 v.Chr. hebben afgerond.

    In de boeken 16-20 werd het eerste conflict met Karthago beschreven: de Eerste Punische Oorlog, het langste en grootste militaire conflict in de oude wereld. De Tweede Punische Oorlog, een conflict van minder grote omvang, vormt het thema van de volgende tien boeken (21-30), waarvan de helft is gewijd aan de successen van de Karthaagse generaal Hannibal en de helft aan de successen van zijn Romeinse tegenstander Publius Cornelius Scipio Africanus.

    Toen Livius zijn werk rond 19 v.Chr. voortzette, werd hij plotseling moe, als we althans het voorwoord van de volgende pentade mogen geloven:

    Wanneer ik me realiseer dat drieënzestig jaren – want zoveel zijn het er vanaf de Eerste Punische Oorlog tot het eind van de Tweede – evenveel boeken bij mij in beslag hebben genomen als de 487 jaar vanaf de stichting van de stad tot het consulaat van Appius Claudius, die de eerste oorlog tegen de Karthagers begon, dan voorzie ik nu al wat me te wachten staat: net als iemand die zich laat verlokken door het ondiepe water langs de kust en de zee in waadt, kom ik met elke stap voorwaarts in veel grotere diepte, ja in een soort afgrond terecht, en het werk lijkt bijna toe te nemen, terwijl het door het voltooien van de eerste delen minder groot leek te worden.noot Livius 31.1.3-5; vert. Hetty van Rooijen.

    Dat Livius zich realiseerde dat zijn werk eigenlijk te groot was, wordt ook gesuggereerd door het feit dat zijn digressies, de korte uitweidingen waarmee auteurs aanvullende informatie geven, vanaf dit punt korter worden. Hij moest zich haasten.

    De midden-Republiek

    De derde groep van vijftien boeken heeft betrekking op de verovering van het oostelijke Middellandse Zeegebied in de jaren 201-167. Drie machtige hellenistische koninkrijken verzetten zich tegen Rome: Macedonië, het Seleukidische Rijk in Azië en het Ptolemaïsche Rijk van Egypte. In de boeken 31-35 lezen we hoe de Romeinen met Macedonië omgingen en Griekenland “bevrijdden”.noot Ik zet “bevrijdden” tussen aanhalingstekens omdat de vrijheid van Romes Griekse bondgenoten met naast zich het Seleukidische Rijk vanzelfsprekend net zo’n bevrijding was als wanneer Donald Trump de Europese bondgenoten had bevrijd van hun bondgenootschap. Ik ben geen voorstander van historische parallellen, want al gauw herkent men lessen uit het verleden. Maar hier helpt het heden bij het begrip van het verleden. In de volgende pentade staat de oorlog tegen de Seleukidische koning Antiochos III de Grote centraal; en in de laatste vijf boeken wordt het Macedonische koninkrijk geliquideerd na de slag van Pydna. De climax is een Romeinse ambassade in Alexandrië, waar een Romeinse diplomaat koning Antiochos IV Epifanes, die op het punt staat Egypte te veroveren, gelast naar huis terug te keren. De lezer die dit punt had bereikt, wist dat Rome een supermacht was geworden.

    Het volgende tiental boeken (46-55), inmiddels verloren, markeren het keerpunt in de Romeinse geschiedenis, althans volgens Livius. Ik heb weleens gedacht dat als de reeks eigenlijk rollen had moeten tellen, dit ook precies de helft was. Rome moest zich nu gedragen als een supermacht, maar kon de verantwoordelijkheden niet aan. Aanvankelijk kon het zijn wil nog opleggen aan enkele Ptolemaïsche vorsten, maar in boek 48 begint alles te veranderen. Eerst is er een nieuwe en onnodige oorlog: de Derde Punische Oorlog, die door de Romeinen wordt uitgelokt en leidt tot de ondergang van Karthago (in boek 51). Volgens de meeste Romeinse geschiedschrijvers verviel Rome nu tot decadentie en verloren de Romeinen hun voorouderlijke kwaliteiten.

    Dit is al te zien in Boek 48, waarin generaal Servius Sulpicius Galba zich in Hispania ontpopt tot een oorlogsmisdadiger, en de lokale leider Viriathus de Romeinen bezighoudt tot in Boek 54. De Romeinen veroveren intussen Griekenland (Boek 52) en staan aan het einde van Boek 55 voor het eerst bij de Oceaan: de rand van de aarde. Livius bereikte dit punt in ca.11 v.Chr.

    De volgende decade (56-65) valt uiteen in twee duidelijk herkenbare pentaden. De eerste gaat over een nieuwe reeks Spaanse oorlogen, culminerend in de verovering van de Keltiberische hoofdstad Numantia. Het centrale thema is echter de strijd tegen de hervormingen van Tiberius en Gaius Sempronius Gracchus. Het conflict waarin de laatste wordt gedood, betekent dat de Romeinen geweld beginnen te gebruiken tegen elkaar.

    Ondertussen worden buitenlandse vijanden, zoals de  Numidische koning Jugurtha en enkele Germaanse stammen, onverwacht gevaarlijk. Titus Livius heeft hun successen waarschijnlijk gepresenteerd als gevolg van de morele ineenstorting van Rome. (Een verwijzing naar een toespraak over het huwelijk, in 9 v.Chr. gehouden door keizer Augustus, bewijst dat Boek 59 nadien is voltooid.) Boek 65 was, als de Periochae betrouwbaar is, een litanie van Romeinse rampen.

    [wordt vanmiddag vervolgd]

    Mijn boek over Libanon is verschenen. De opbrengst is geoormerkt voor Cordaid Libanon.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Karneades in Rome (1)

    juni 16, 2023
    Spitsboog

    mei 27, 2018
    M11 | Simon de Makkabeeër

    december 22, 2022 Deel dit:

    #antiekeGeschiedschrijving #AntiochosIIIDeGrote #AntiochosIVEpifanes #DerdePunischeOorlog #digressie #EerstePunischeOorlog #GaiusSemproniusGracchus #Hannibal #Jugurtha #KlassiekeGeschiedschrijvers #MarcusFuriusCamillus #Periochae #Pydna #PyrrhosVanEpirus #ScipioAfricanus #Sentinum #TiberiusSemproniusGracchus #TitusLivius #TweedePunischeOorlog #Viriathus

  19. Titus Livius (2): biografie

    Augustus, die stilzwijgend aanwezig is op elke bladzijde die Titus Livius schreef (Glyptothek, München)

    [Tweede blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

    Toen keizer Augustus de monarchie had gesticht, hadden veel mensen het gevoel dat de situatie in Italië zou normaliseren. De dichter Vergilius schreef zijn optimistische Georgica en Griekse auteurs als Dionysios van Halikarnassos en Strabon van Amaseia vestigden zich in de hoofdstad. Livius lijkt in deze stemming te hebben gedeeld en publiceerde de eerste vijf boeken van zijn Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad tussen 27 en 25.

    Hij was rond de dertig. Een Romeinse man zou inmiddels zijn getrouwd en kinderen hebben gehad. Quintilianus weet dat de geschiedschrijver een zoon had, voor wie hij een verhandeling schreef over stijl, en een dochter, die was getrouwd met wwn zekere Lucius Magius. De encyclopedist Plinius de Oudere citeert een geografisch werk van een zoon van Livius.

    Ethisch reveil

    De Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad was bedoeld als voorbeeld voor de Romeinen. Ze hadden geleden, maar dat was te wijten aan hun eigen, immorele gedrag. Een ethisch reveil was echter nog steeds mogelijk en Livius bood zijn publiek opbeurende én afschrikwekkende voorbeelden. Zoals gezegd: hij was geen historicus in onze zin van het woord. Het was echter een serieus en belangrijk project en Augustus was geïnteresseerd. Livius behoorde niet tot diens inner circle, maar de twee mannen respecteerden elkaar en we weten dat Augustus eens (wellicht na de publicatie van de boeken 91-105) een grap maakte dat Livius nog steeds een voorstander was van Pompeius, de vijand van Caesar.

    Als dit al een verwijt was, was het niet ernstig. Livius bleef dicht genoeg bij het keizerlijke hof om de jonge prins Claudius aan te moedigen geschiedenis te gaan schrijven. (De toekomstige keizer publiceerde helaas verloren geschiedwerken over Karthago en de Etrusken.)

    Titus Livius zelf bleef zijn leven lang werken aan de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad.  De publicatiegeschiedenis valt enigszins te reconstrueren:

    26 v.Chr.1-5Vroege geschiedenis24 v.Chr.6-15Verovering van Italië19 v.Chr.16-30Oorlogen tegen Karthago14 v.Chr.31-45Oorlogen in het oosten11 v.Chr.46-55Tot het jaar 146 v.Chr.1 v.Chr.56-90De Gracchen, Marius en Sulla5 na Chr.91-105Opkomst van Caesar8 na Chr.106-115Caesar alleenheerser10 na Chr.116-120Derde BurgeroorlogNa 14121-133Vierde Burgeroorlog17?134-142Regering van Augustus

    Beroemdheid?

    Titus Livius zou een bekend persoon zijn geweest en er is een beroemde anekdote, verteld door Plinius de Jongere, dat eens een man helemaal uit “Gades” was gekomen om Livius eens in het echt te zien. Plinius denkt dat de man uit het Gades in Andalusië kwam, maar als er al iets waar is van dit malle verhaal, zal het wel slaan op een gelijknamig dorpje in Campanië.

    We lezen echter ook dat er maar weinig publiek was bij voorleesavonden. Dat is begrijpelijk. Het ontbrak de man uit Padua aan de charme, de ironie en de andere kwaliteiten van het toenmalige literaire leven. Zijn wereldbeeld was nooit dat van de Romeinse literaire elite; hij bleef altijd provinciaal. En ook al moet je er geen website naar noemen, hij was, zoals gezegd, een betere geschiedschrijver dan men weleens zegt.

    [wordt morgenochtend vervolgd]

    Mijn boek over Libanon is verschenen. De opbrengst is geoormerkt voor Cordaid Libanon.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Het Teutoburgerwoud

    mei 1, 2017
    Caesar in Utica

    februari 18, 2024
    Caesar in Kessel: terugblik (2)

    januari 18, 2016 Deel dit:

    #antiekeGeschiedschrijving #Augustus #KlassiekeGeschiedschrijvers #TitusLivius

  20. Titus Livius (1): biografie

    Zomaar een jonge Romein, niet per se Titus Livius (Archeologisch museum, Thessaloniki)

    Ooit, lang geleden, nog in de vorige eeuw, had ik een website over de Oudheid, die hing onder een Planet-account en een URL had die eindigde op /~lende045. Dat was onhandig en ik besloot een domeinnaam te registreren. Een vernoeming naar de geboren verhalenverteller Herodotos leek me wel wat. Herodotus.com dus. Maar die naam was al vergeven. Livius.com dan, vernoemd naar die andere geboren verteller van historische verhalen? Die naam was al in handen van een Roemeense tandarts. En dus koos ik voor Livius.org. Achteraf bedacht ik: ik had ook Herodotus.org kunnen kiezen. Of een variant met Herodotos.

    Wie was Livius, behalve een geboren verteller van historische verhalen? Omdat ik op vakantie ben, heb ik zeven stukken voor u klaargezet over de Romeinse auteur. Belangrijk om te onthouden: hij is geen historicus in de normale zin des woords, dus iemand die aan de hand van een genuanceerd causaliteitsbegrip probeert het verleden te verklaren. (Verklaren is wat het verslag maakt tot meer dan een opsomming; het genuanceerde causaliteitsbegrip is een voorwaarde voor hedendaagse wetenschappelijkheid.) Eerder was Livius een voorloper van de geschiedvorsing, zoals de alchimist voorafgaat aan de chemicus en de astroloog an de astronoom.

    Jeugd

    Het is een gemeenplaats om te zeggen dat over het leven van Titus Livius, de auteur van een Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad, vrijwel niets bekend is. Bijna alles wat we over de auteur weten, zo gemeenplaatsen we verder, moeten we afleiden uit zijn geschiedwerk zelf en een handvol anekdotes bij latere auteurs. Dat is frustrerend maar in elk geval meer dan we weten over pakweg Homeros.

    De christelijke auteur Hieronymus, die belangstelling had voor chronologie, beweert dat Livius is geboren in 59 v.Chr. en overleden in 17 na Christus. Dit maakt Livius een bijna-tijdgenoot van de Romeinse politicus Octavianus, die in 63 werd geboren, de alleenheerschappij vestigde onder de naam Augustus in en overleed in 14 na Chr.

    Dat Livius is geboren in Patavium, het huidige Padua, blijkt uit zijn eigen werk, maar dat is alles wat we weten. Verschillende inscripties uit die stad noemen leden van de Liviusfamilie, maar geen daarvan kan worden verbonden met de geschiedschrijver. Hij zal hebben behoord tot de provinciale elite; zijn familie was vermogend genoeg om de jonge Titus naar een bekwame leraar te sturen. Omgekeerd: Livius’ moeizame omgang met Griekse teksten suggereert dat hij geen vervolgonderwijs heeft genoten in bijvoorbeeld Athene, zoals een Romeinse jongen uit de allerrijkste families zou hebben gedaan.

    Tijdens Livius’ jeugd was Julius Caesar gouverneur van Gallia Cisalpina, de provincie waarin Padua lag. Het is waarschijnlijk dat de jongen vaak verhalen heeft gehoord over de oorlog in Gallië. Hij is echter nooit gewend geraakt aan het militaire leven. Zijn geschiedwerk verraadt weinig kennis van oorlogvoering. Dit, in combinatie met zijn gebrek aan politieke ervaring, zou Livius normaal gesproken hebben gediskwalificeerd als geschiedschrijver, maar zoals we zullen zien, is hij een beter auteur dan weleens wordt beweerd.

    Toen Livius ongeveer tien jaar oud was, brak de Tweede Burgeroorlog uit. In 48 v.Chr. streed Caesar tegen Pompeius bij Farsalos. De volwassen Livius herinnerde zich later een miraculeus voorval. Zijn eigen beschrijving is niet bekend, maar een eeuw later vertelde de Griekse auteur Ploutarchos het volgende:

    In Patavium was er een bekende waarzegger, Gaius Cornelius, een stadgenoot en kennis van de geschiedschrijver Titus Livius. Op de dag van de veldslag was deze man toevallig aan het werk. Volgens Livius begreep hij eerst dat het gevecht op dat moment was begonnen, en verklaarde hij tegen de aanwezigen dat op dit tijdstip de zaken werden beslist omdat de troepen nu in actie kwamen. Toen hij de verdere tekens onderzocht, sprong hij op in een soort extase en riep: “Caesar, de overwinning is aan u!” De aanwezigen waren verbaasd, maar hij nam de krans van zijn hoofd en verklaarde plechtig dat hij die niet meer zou dragen totdat de feiten hadden bewezen wat zijn kunst hem had onthuld. Livius zegt zeer expliciet dat dit echt is gebeurd.noot Ploutarchos, Caesar 47.

    Titus Livius, een serieuze geest

    We kennen nog een verhaal over Livius’ jeugd. De Romeinse filosoof Seneca vertelt dat de latere geschiedschrijver als jonge man filosofische essays schreef. Het kan waar zijn, hoewel Livius’ geschriften geen diep filosofische geest verraden. Hoe dit ook zij, deze anekdotes suggereren een ernstige jonge man, en dat is ook de indruk die we krijgen bij het lezen van zijn geschiedwerk. Humor en ironie zijn afwezig. Wel heeft hij groot gevoel voor de menselijke psyche en opmerkelijk veel sympathie voor mensen die lijden; in citeerde het verhaal van Verginia al. Wij vinden zijn ernst misschien wat moeilijk te verdragen, maar Livius had een hart.

    Misschien was hij getraumatiseerd. Na de gewelddadige dood van Julius Caesar volgde immers een nieuwe burgeroorlog, waarin Padua een rol speelde. Het is bepaald niet ondenkbaar dat de jonge Titus Livius in 44/43 een deel van de gevechten heeft meegemaakt. Pas rond 30 v.Chr. keerde de rust weer, toen Octavianus de monarchie stichtte.

    [wordt vanmiddag vervolgd]

    Mijn boek over Libanon is verschenen. De opbrengst is geoormerkt voor Cordaid Libanon.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    “Woestijnkunst” (bij gebrek aan betere naam)

    juni 1, 2019
    Het lot van Henoch

    april 27, 2016
    Militaire termen in het Gallisch

    mei 10, 2023 Deel dit:

    #antiekeGeschiedschrijving #Augustus #Hieronymus #JuliusCaesar #KlassiekeGeschiedschrijvers #LiviusOrg #LuciusAnnaeusSeneca #Octavianus #Padua #Patavium #Ploutarchos #TitusLivius

  21. De Tiber

    De Tiber bij het eiland in Rome

    Amsterdam ligt aan de Amstel, Antwerpen aan de Schelde en Rome aan de Tiber. Dat was destijds, vóór de kanalisering van 1870, een wispelturige rivier die vaak buiten zijn oevers trad. Helaas stonden de Romeinse graanpakhuizen stroomafwaarts, tussen de heuvel Aventijn en de rivier. Als ze onder water kwamen staan, was de ellende niet te overzien. De Historia Augusta geeft een beschrijving:

    [Keizer] Marcus Aurelius gaf zich geheel en al over aan de filosofie en won de genegenheid van de burgerij. Maar de overstroming van de Tiber, de ergste in zijn tijd, verstoorde dat geluk. Ze trof veel gebouwen in de stad, doodde talloze dieren en veroorzaakte een zeer ernstige hongersnood. Maar Marcus en [zijn medekeizer] Lucius Verus verlichtten de nood door hun zorgzaamheid en aanwezigheid.noot Historia Augusta, Marcus Aurelius 8.2-5.

    Een tekst over de overstroming van een zijrivier van de Tiber bevat beeldende details die de gevolgen van watersnood illustreren. De auteur, Plinius de Jongere, bekleedde op het moment dat hij onderstaande woorden schreef, een hoge bestuurlijke functie, die hem verantwoordelijk maakte voor de bedding en oevers van de Tiber. Hij wist dus waarover hij het had. Ook betoont zich een auteur die iets niet simpel zegt als het ingewikkeld kan, want de beeldspraak in de eerste regel is een complexe manier om te zeggen dat er villa’s stonden in de uiterwaarden:

    De Anio, elegantste van alle stromen, en daarom door de aanliggende landhuizen als het ware uitgenodigd en vastgehouden, heeft een groot deel de bossen waardoor hij wordt beschaduwd, geveld en meegesleurd. Heuvels heeft hij ondergraven en op veel plaatsen raakte hij versperd door aardverschuivingen, zodat hij, op zoek naar de bedding die hij was kwijtgeraakt, gebouwen heeft omvergeworpen en over de bouwvallen stortend is voortgeraasd.

    Mensen die op hoger gelegen plaatsen door dat noodweer werden overvallen, zagen op de ene plek meubilair van rijken en massief huisraad, op een andere landbouwwerktuigen, hier weer ossen, ploegen met de voerman erbij, elders losgeraakte en onbeheerde kuddes en daartussendoor boomstronken of balken van woonhuizen lukraak her en der ronddrijven.

    Zelfs streken die boven het bereik van de rivier lagen, bleven voor het onheil niet gespaard, want in plaats van de rivier had men daar continue stortregens en wervelstormen die uit de wolken neersloegen. Muren waarmee kostbare akkers omgeven waren, werden neergehaald, grafmonumenten ontwricht en zelfs tegen de grond gesmakt. Veel mensen zijn bij zulke rampzalige voorvallen verminkt, bedolven of verpletterd en behalve veel schade was er ook veel rouw.noot Plinius de Jongere, Brief 8.17.3-5; vert. Peters.

    De Anio was, zoals gezegd, een zijstroom van de Tiber. De gevolgen van een Tiberoverstroming waren nog dramatischer. De fundamenten van de woonkazernes waren vaak slecht en konden worden los gespoeld, zodat het huis instortte. Tegelijk drong het rivierwater de riolering binnen en stroomde het vuil terug naar de stad. Watersnood ging daardoor gepaard met epidemieën. Cholera, dysenterie, hepatitis, tuberculose, lepra en tyfus waren vertrouwde verschijnselen in Rome.

    Ter hoogte van het stadscentrum was een doorwaadbare plaats, waar ook een eiland lag. De Romeinen dachten dat het er niet altijd was geweest en de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius vertelt een aardig verhaal over het ontstaan. Ooit, kort voor het jaar 500 v.Chr., was koning Tarquinius Superbus verdreven en de Romeinse republiek ontstaan. De verdreven vorst beraamde daarop een complot om terug te keren, maar de Romeinse politicus Lucius Junius Brutus ontdekte dit op tijd.

    Daarop werden de goederen van Tarquinius ter plundering aan het lagere volk vrijgegeven: had het volk zich eenmaal vergrepen aan die koninklijke buit, dan kon het alle hoop laten varen ooit nog vrede met de Tarquinii te sluiten. Het land van de Tarquinii, dat lag tussen de stad en de Tiber, werd gewijd aan Mars en was sindsdien bekend als het Marsveld.

    Men zegt dat daar toen juist graan op de velden stond, rijp voor de oogst. Omdat het om godsdienstige redenen niet raadzaam was dit gewas voor consumptie te gebruiken, werd een grote groep mannen gelijktijdig ingezet om het met halm en al af te snijden, in manden te doen en zo in de Tiber te gooien. De rivier stond heel laag, zoals meestal middenin de zomer, en dus bleven er bergen koren steken in het ondiepe water en in de modder vastzitten. Daardoor ontstond langzamerhand een eiland. Later zijn daar vermoedelijk dammen aan toegevoegd en is er mensenwerk verricht om het terrein zo hoog te maken als het nu is en sterk genoeg om tempels en zuilengangen te dragen.noot Livius, Geschiedenis sinds de stichting van de stad 2.5.1-4; vert. Katwijk-Knapp.

    Op de plaats op het eiland waar nu de S. Bartolomeo staat, was in de Oudheid de tempel van Asklepios, de van oorsprong Griekse god waaronder de gezondheidszorg ressorteerde. Hij werd afgebeeld met een slang. Livius vertelt over de introductie van zijn cultus in Rome op 1 januari 291 v.Chr.:

    $Omdat de staat te lijden had van een epidemie, werden afgezanten gezonden om het beeld van Asklepios van Epidauros naar Rome te brengen. Ze brachten een slang mee, die bij hen aan boord was gegaan en waarin de godheid zonder twijfel zelf aanwezig was. De slang begaf zich van het schip naar het Tibereiland en op die plaats werd een tempel voor Asklepios opgericht.noot Livius, Periochae 11; vert. Katwijk-Knapp.

    Zieken konden op dit eiland eenvoudig in quarantaine worden gehouden en daarom waren hier ook in de Middeleeuwen en daarna ziekenhuizen. Het huidige hospitaal der Fatebenefratelli kan met enig recht beweren het oudste ter wereld te zijn.

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u een van mijn boeken kopen (en lezen), zoals Goden en halfgoden. Of ga mee op reis naar Tunesië! Of kom een cursus doen. Of doneer. U kunt deze blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #Anio #Asklepios #CampusMartius #cholera #dysenterie #hepatitis #HistoriaAugusta #lepra #LuciusJuniusBrutus #LuciusVerus #MarcusAurelius #Marsveld #PliniusDeJongere #Rome #TarquiniusSuperbus #Tiber #TitusLivius #tuberculose #tyfus

  22. De Romeinse tempel voor Concordia

    De schamele resten van de tempel van Concordia

    Als ik aan de westelijke zijde van het Forum Romanum sta – en dat heb ik weleens gedaan – moet ik altijd denken aan de ontmoeting van Gregory Peck en Audrey Hepburn aan de voet van de Boog van Septimius Severus. Vlak daarbij liggen de schamele resten van de Romeinse tempel voor de godin van de Eendracht, Concordia.

    De Standenstrijd

    Dat heiligdom was in de jaren zestig van de vierde eeuw v.Chr. gebouwd om het einde te herdenken van het slepende sociale conflict tussen patriciërs en plebejers, de zogeheten Standenstrijd. De eerste groep, de Romeinse adel, monopoliseerde op dat moment consulaat en Senaat. Het plebs (letterlijk: het vulsel) was de rest van de bevolking, en daaronder waren ook rijke mannen die bestuursfuncties wilden bekleden. Hun voornaamste argument om toegelaten te worden tot de hoogste magistratuur, was dat zij in tijden van oorlog werden geacht in de voorste gelederen te strijden, maar dat zij geen invloed hadden op de beslissing over oorlog en vrede. Bovendien betaalden ze veel belasting zonder iets te mogen zeggen over de besteding daarvan.

    Deze ambitieuze en rijke niet-aristocraten verbonden zich met de armen, die ook enkele grieven hadden. Velen hadden schulden gemaakt om de belasting te betalen waarmee de bouw van de  republikeinse stadsmuur werd gefinancierd. Ze eisten schuldsanering. Degenen die hun boerderij aan schuldeisers hadden moeten verkopen, verlangden nieuw land. Veel van het veroverde land was namelijk in handen gekomen van de allerrijksten, die best wat konden missen. Volgens de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius kanaliseerden de volkstribunen Sextius en Licinius de onvrede:

    Ze stelden wetten voor die allemaal gericht waren tegen de invloed van de patriciërs en de belangen van de plebejers dienden. Een ervan betrof de schulden: wat er al aan rente was betaald zou in mindering moeten worden gebracht van de hoofdsom en het restant zou in drie gelijke jaarlijkse termijnen moeten worden afgelost. Een tweede wet bepaalde de omvang van het grondbezit: niemand zou meer mogen bezitten dan 125 hectare land. Volgens een derde wet … zou een van beide consuls uit de plebejers worden gekozen. Alle drie waren het reusachtige projecten, die niet dan met de grootste strijd verwezenlijkt konden worden. Hiermee werd alles wat door mensen mateloos begeerd wordt – land, geld, hoge posities – in één keer aan de orde gesteld.noot Titus Livius, Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad 6.35.4-5; vert. Hetty van Rooijen.

    Volgens het Romeinse staatsrecht van die tijd mochten volkstribunen geen wetten indienen, maar alleen zaken verbieden. Dat wapen was echter scherp genoeg: Licinius en Sextius verboden álles, zelfs magistratenverkiezingen. Een jaar lang heerste er anarchie. De impasse werd doorbroken toen er oorlog uitbrak en de senatoren een dictator aanwezen. Dat was het enige wat volkstribunen niet konden verbieden.

    De eerste tempel voor Concordia

    De man die de problemen moest oplossen, was Marcus Furius Camillus, de meest vooraanstaande senator van zijn tijd. Hij had zo’n veertig jaar daarvoor het gehate Veii veroverd en het Romeinse prestige in Latium na de Gallische inval hersteld. Ook ditmaal boekte hij een militaire zege, en toen de soldaten met buit naar de stad terugkeerden was er al iets van de spanning uit de lucht genomen. De Grieks-Romeinse auteur Ploutarchos vertelt dat de volkstribunen toen probeerden Camillus te laten arresteren:

    Op het Forum brak een geschreeuw en tumult uit zoals nog nooit was vertoond. Het gevolg van Camillus probeerde de gerechtsdienaar van het podium af te duwen, terwijl de menigte daaronder hem aanspoorde Camillus mee te trekken. Deze wist niet goed raad met de situatie, maar legde zijn ambt niet neer. Hij verzocht de senatoren hem te volgen en begaf zich naar het Senaatsgebouw. Voordat hij naar binnen ging, draaide hij zich om naar het Capitool en smeekte de goden de toestand tot het best mogelijke einde te brengen. Verder deed hij de gelofte een tempel voor de Eendracht te bouwen als de onrust was bedaard.

    In de Senaat ontstond een fel debat over de tegenover elkaar staande meningen, maar het mildere standpunt, dat aan het volk tegemoet kwam en het wilde toestaan één van de consuls uit hun midden te kiezen, kreeg de overhand. Toen Camillus dit aan het volk bekendmaakte als Senaatsbesluit, waren ze, zoals te verwachten viel, opgetogen en verzoenden zich onmiddellijk met de Senaat, en onder luide toejuichingen begeleidden ze Camillus naar huis.

    De volgende dag kwamen ze bijeen en besloten om ter herdenking van het gebeurde het heiligdom van de Eendracht, dat Camillus had beloofd, te bouwen tegenover het Forum en het Comitium.noot Ploutarchos, Camillus 52.2-4.

    Verschillende geleerden menen dat dit verhaal onwaar is en dat de tempel van Concordia in feite is gebouwd aan het einde van de vierde eeuw. Hoe dit ook zij, het gebouw onderging tijdens de Tweede Punische Oorlog een opknapbeurt. Weliswaar was de tempel niet beschadigd, maar de initiatiefnemer zocht naar een mogelijkheid het Romeinse volk ertoe te motiveren eensgezind de oorlogsinspanning aan te gaan.

    Tweedracht en eendracht

    De volgende constructiefase dateert uit 121 v.Chr. en diende om te gedenken dat consul Lucius Opimius in dat jaar Gaius Gracchus en zijn aanhangers had laten doden. Opimius bouwde naast de tempel van Concordia de Basilica Opimia, waarover Ploutarchos het volgende schrijft:

    De bouw van de tempel van de Eendracht door Opimius zette kwaad bloed bij de bevolking. Zo wekte hij de indruk er trots op te zijn dat zoveel burgers waren gedood. Het leek wel een triomf. Daarom schreven sommigen ’s nachts onder de inscriptie op de tempel: ‘Krankzinnige tweedracht bouwt een tempel voor Eendracht.’noot Ploutarchos, Gaius Gracchus 17.6.

    Concordia Augusta

    Zijn definitieve vorm kreeg de tempel van de Eenheid ten tijde van keizer Augustus. Voortaan vond hier de cultus plaats voor Concordia Augusta, een naam die op drie manieren kon worden uitgelegd: als ‘verheven eendracht’, als ‘door de keizer verwezenlijkte eensgezindheid’ en als ‘harmonie binnen de keizerlijke familie’. De eerste betekenis was natuurlijk de beoogde en de meeste Romeinen stemden ermee in omdat er een einde was gekomen aan de burgeroorlogen. Maar er zullen bij de inwijding in 10 of 12 na Chr. ook mensen zijn geweest die voor een moment dachten aan de tweede interpretatie. Augustus had de oppositie immers de mond gesnoerd.

    Ook de derde uitleg zal sommige aanwezigen door het hoofd hebben gespeeld, want de inwijding werd verricht door Augustus’ beoogde opvolger Tiberius. De verhouding tussen beide mannen was lange tijd gespannen geweest en de godin van de Eendracht had de Romeinen zelden zo gezegend als toen ze Augustus en Tiberius had verzoend.

    De nieuwe tempel was dus gewijd aan de verheven eendracht, maar suggereerde tegelijk dat de bestuurders eensgezind en sterk waren en oppositie ongewenst was. Hetzelfde signaal werd afgegeven door de beelden aan weerszijden van de trap naar de tempel: Hercules en Mercurius, de kracht en het kapitaal van het regime. Bovenop de nok stonden Concordia en twee andere godinnen (vermoedelijk Vrede en Gezondheid), geflankeerd door beelden van soldaten.

    Museum

    De zaal van de T-vormige tempel was groter dan het Senaatsgebouw, en daarom vonden hier de vergaderingen van het hoge college plaats als de opkomst hoog was. De senatoren zaten dan in een indrukwekkende ruimte, want de tempel van de Eendracht diende tevens als museum van Griekse beeldhouw- en schilderkunst. De oudere Plinius noemt in zijn Natuurlijke historie elf kunstwerken van antieke topkunstenaars`, zoals vier olifanten van obsidiaan.

    En dit was nog niet alles. Keizer Tiberius liet er een standbeeld van de Griekse godin Hestia opstellen dat hij had laten overbrengen van het eiland Paros. Flavia Domitilla, de dochter van keizer Vespasianus, overtrof echter alle schenkingen met een gouden zegelring waaraan een even beroemd als tragisch verhaal was verbonden. Hij zou namelijk hebben toebehoord aan Polykrates, de alleenheerser van Samos. Volgens de sage was hij de gelukkigste mens op aarde en had hij zich tijdig gerealiseerd dat de goden jaloers zouden worden op zijn voorspoed. Om toch enig verdriet te hebben en daarmee de goddelijke toorn af te wenden, had hij het sieraad in zee geworpen, maar een paar dagen later had zijn kok het voorwerp aangetroffen in de maag van een vis die hij bereidde voor zijn meester. Deze wist toen dat hij gedoemd was en kwam in 522 v.Chr. inderdaad onaangenaam aan zijn einde. Plinius de Oudere beschrijft het juweel:

    Het staat vast dat de edelsteen een bruin-witte agaat was en we moeten maar geloven dat ze hem tentoonstellen in het heiligdom van de Eendracht, gevat in een gouden hoorn, een geschenk van de keizerin. In een collectie van veel kostbaarder voorwerpen neemt deze bijna de laatste plaats in.noot Plinius, Natuurlijke Historie 37.4.

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u een van mijn boeken kopen (en lezen), zoals Goden en halfgoden. Of ga mee op reis naar Tunesië! Of kom een cursus doen. Of doneer. U kunt deze blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #AudreyHepburn #Augustus #Concordia #ForumRomanum #GaiusSemproniusGracchus #GregoryPeck #LuciusOpimius #MarcusFuriusCamillus #patriciërs #plebs #PliniusDeOudere #Ploutarchos #PolykratesVanSamos #Rome #Standenstrijd #TitusLivius #TweedePunischeOorlog

  23. De invloed van Mommsen

    Italische soldaat, vierde eeuw v.Chr. (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)

    Ik geloof dat ik al eens heb verteld dat een van de plannen die ik voor de wat langere termijn heb voor deze blog, een geschiedenis is van Rome in de vierde eeuw v.Chr. Die bestaat in hoofdlijnen uit de boeken zes tot en met tien (“de tweede pentade”, in jargon) van de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius, in combinatie met andere bronnen, zoals Diodoros, en het archeologisch materiaal. In deze periode wist Rome, dat in 387 v.Chr. nog een nederlaag had geleden tegen een schare Gallische krijgers, centraal Italië aan zich te onderwerpen en de rest met verdragen aan zich te binden. In 295 v.Chr. was, met de slag bij Sentinum, een grootmacht ontstaan die het kon opnemen tegen de hellenistische staten in het oosten.

    De materie behoort niet tot de “grote” oudheidkundige thema’s, zoals de Atheense democratie, de antieke economie of het keizerschap van Augustus. De Romeinse geschiedenis begint eigenlijk pas met de Tweede Punische Oorlog, terwijl archeologen meer belangstelling hebben voor archaïsch Italië – denk aan de Nederlandse opgravingen in Satricum en Crustumerium. Wat natuurlijk niet betekent dat er nóóit iets wordt opgegraven uit de vierde eeuw, maar ik heb niet de indruk dat er veel gebeurt.

    De vierde eeuw, steeds hetzelfde

    Dat heeft gevolgen, waarvan ik me bewust werd toen ik mijn reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek schreef. Het viel me toen op dat de presentatie van de vijfde en vierde eeuw v.Chr. door-en-door traditioneel was: een afwisseling van enerzijds Italische conflicten en anderzijds institutionele aanpassingen. Hoe ontstond deze of gene magistratuur, hoe en waarom evolueerde volksvergadering, wie mochten welke ambten bekleden? Steeds stond de wisselwerking tussen krijgsgeschiedenis en institutionele geschiedenis centraal.

    De helft van de antwoorden is voor het handboek echter helemaal niet ter zake. Het is bijvoorbeeld irrelevant dat studenten de voorgeschiedenis kennen van het ambt van dictator, want tegen de tijd dat deze functie belangrijk wordt, is het een totaal andere dan de oorspronkelijke.

    De Blois en Van der Spek zijn niet de enigen. In zijn Macht zonder grenzen heeft Fik Meijer een vergelijkbare presentatie en in SPQR doet Mary Beard hetzelfde. Bij andere oudheidkundige thema’s is meer variatie.

    Theodor Mommsen

    Deze vorm van presenteren – oorlog en institutionele ontwikkeling – gaat terug op de Römische Geschichte van Theodor Mommsen, de grote Duitse oudhistoricus. In zijn tijd, de tweede helft van de negentiende eeuw, was de Duitse wereld volop in beweging. En die beweging bestond onder meer uit een reeks oorlogen die leidden tot de eenwording en institutionele ontwikkeling van Duitsland, culminerend in het keizerschap. Vandaar de door Mommsen gelegde accenten.

    Die accenten zijn daar in de historiografische traditie blijven liggen, althans voor de vierde eeuw v.Chr. Het is immers een onderwerp waar oudhistorici en archeologen niet voldoende vaak naar omkijken om te ontdekken dat het ook anders kan. Als Mommsen dan ook nog een van de best schrijvende oudheidkundigen is, wordt het moeilijk je los te maken van zijn invloed.

    ***

    Momenteel is de Week van de Klassieken. Het programma vindt u daar.

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u een van mijn boeken kopen (en lezen), zoals Goden en halfgoden. Of ga mee op reis naar Tunesië! Of kom een cursus doen. Of doneer. U kunt deze blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #Crustumerium #DeBloisEnVanDerSpek #FikMeijer #handboek #ItaliëInDeVierdeEeuwVChr_ #MaryBeard #Satricum #TheodorMommsen #TitusLivius

  24. Venus van het Riool

    De basis van de kapel van Venus Cloacina

    Op het Forum Romanum ligt de rare ronde schijf die u hierboven ziet. De diameter bedraagt zo’n tweeëneenhalve meter. Mocht u deze stenen zoeken: ze bevinden zich vlak voor de winkels in de Basilica Aemilia. Dit is het fundament van wat ooit de kapel was van Venus Cloacina, ofwel Venus van het Riool. Deze curieuze naam hangt samen met de plek van het heiligdommetje: boven het afwateringskanaal onder het Forum, de cloaca maxima.

    Tegenwoordig resteert dus alleen de ronde marmeren basis, maar er is een muntafbeelding van deze heilige plaats. Die is echter moeilijk te interpreteren. In elk geval stonden er twee standbeelden van vrouwen die een plengoffer lijken te brengen; één dame lijkt een bloem vast te hebben in een opgeheven hand.

    Verliefde magistraat

    De Romeinen wisten niet precies waarom ze Venus Cloacina vereerden, maar hadden respect voor de plaats omdat er ooit een gruwelijke moord was gepleegd. In het midden van de vijfde eeuw v.Chr. was Rome twee jaar bestuurd door het zogeheten College der Tienmannen, dat tot taak had het Romeins Recht te codificeren. Het voornaamste lid, Appius Claudius Crassus, begon zich echter steeds tirannieker te gedragen. Dat zou tot daaraan toe zijn geweest, maar hij werd verliefd, een kwaal die volgens de Romeinen vrijwel zonder uitzondering leidde tot iemands onafwendbare ondergang. Het meisje waarop hij zijn zinnen had gezet, Verginia, was de dochter van de dappere officier Lucius Verginius.

    De Romeinse geschiedschrijver Titus Livius schrijft dat alle pogingen die Claudius “in de verdwazing van zijn verliefdheid” ondernam om het meisje te versieren “afketsten op het harnas van haar kuisheid”.noot Livius 3.44.4. Daarom nam hij zijn toevlucht tot een list. Een handlanger zou haar bij de rechtbank aanklagen, beweren haar vader te zijn en haar terugeisen. (Processen over iemands afkomst en burgerlijke staat waren in de Oudheid aan de orde van de dag; er was immers geen bevolkingsregister.) De dienstdoende magistraat, Claudius zelf, zou de eiser in het gelijk stellen, en de nieuwe vader zou het meisje uithuwelijken aan een fatsoenlijke echtgenoot, en we hoeven ons niet lang af te vragen wie dat dan wel zou zijn.

    Volgens plan werd Verginia aangeklaagd, Claudius wees het meisje toe aan de eiser, gelastte een gerechtsdienaar het meisje te arresteren en verzocht de omstanders te vertrekken:

    De menigte ging uit eigen beweging uiteen en liet het meisje daar alleen staan, een prooi van het onrecht. Toen sprak Verginius, omdat hij nergens meer een uitweg zag: “Allereerst verzoek ik u, Appius, een vader zijn verdriet te vergeven, als ik misschien wat hard tegen u ben uitgevaren. Sta mij vervolgens toe hier in het bijzijn van mijn dochter de voedster te vragen hoe de zaak in elkaar zit. Als ik ten onrechte haar vader word genoemd, kan ik met minder hartzeer vanhier weggaan.”

    Zijn verzoek werd ingewilligd en hij nam het meisje en haar voedster apart bij de winkels naast het heiligdom van Cloacina – nu heten die de Nieuwe Winkels. Daar griste hij een mes uit de handen van een slager en zei: ‘Op deze manier, de enige waarop ik het kán, dochter van mij, kom ik op voor je vrijheid!’ Daarop doorstak hij de borst van het meisje.noot Livius 3.48.4-5.

    Hierdoor werd de Romeinen duidelijk wat de tirannie der Tienmannen inhield. Ze kwamen in opstand en herstelden de republikeinse staatsinstellingen.

    Of het verhaal, dat zich laat lezen als een toneelstuk, waar is, is de vraag, maar Livius zou daarop hebben geantwoord dat die vraag irrelevant was: sommige van zijn verhalen blonken immers eerder uit door poëtische schoonheid dan dat ze berustten op feiten. Livius wijst aan het eind van zijn verhaal ook op een positief gevolg van dit akelige voorval: de nieuwe consuls, Lucius Valerius en Marcus Horatius, vaardigden een wet uit die erop neerkwam dat er geen magistratuur kon bestaan waartegen geen beroep mogelijk was. Dit was een van de belangrijkste bepalingen uit het Romeinse recht en is nog altijd een uitgangspunt van moderne rechtsstelsels.

    Ik organiseer in het voorjaar van 2025 een reis naar de Provence en een reis naar de vernieuwde musea van Beieren. Door mee te gaan helpt u deze blog gratis te houden. Maar u kunt natuurlijk ook een van mijn boeken kopen (en lezen), een cursus doen, of doneren. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #CloacaMaxima #ForumRomanum #Rome #RomeinsRecht #TitusLivius #Venus #Verginia

  25. "No law can possibly meet the convenience of every one: we must be satisfied if it be beneficial on the whole and to the majority." — Titus Livius — — — #TitusLivius #quote #quotes #law #fair #everyone #majority #democratic #conditional #most

Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.