home.social

#poseidonios-van-apameia — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #poseidonios-van-apameia, aggregated by home.social.

fetched live
  1. De Germanen (6) Religie

    Metalen godsbeeldje edelsmeedwerk  (Landesmuseum für Vorgeschichte, Halle)

    [Dit is het laatste van zes blogjes over de oude Germanen. Het eerste was hier.]

    Er zijn nog twee met elkaar verwante onderwerpen die ik ter afronding van deze reeks blogjes wil bespreken: de Germaanse religie en de “archaic survivals”. Over het eerste weten we te weinig en dus roepen wetenschappers het tweede in, maar ook daarmee zijn problemen. En om het helemaal complex te maken zijn er allerlei versteende theorieën die inmiddels niet meer als hypothese worden herkend en gelden als feit. Zo werd ooit gedacht dat alle religie was ontstaan als de verering van natuurkrachten, hoewel dat ten dele christelijke polemiek is (“alleen het monotheïsme is een zuivere religie, de heidenen vereerden valse goden zoals natuurverschijnselen”). De notie blijft echter terugkomen, en niet alleen in de germanistiek.

    Ter zake nu. Wat weten we wel? ik denk het volgende.

    De Germaanse religie

    We hebben wat geschreven bronnen en zoals altijd zijn dat Griekse en Romeinse teksten, die vreemde culten op hun eigen wijze interpreteren. Publius Cornelius Tacitus noemt de Germaanse goden dus Hercules, Mars, Mercurius en Isis, al kent hij ook wat Germaanse namen (bijv. Baduhenna). Auteurs als hij presenteerden bovendien een selectie die aansloot bij thema’s die zij belangrijk vonden. Het viel hen bijvoorbeeld op dat monumentale tempels, die rond de Middellandse Zee normaal waren, in Germanië ontbraken. Archeologen hebben dit in zoverre bevestigd dat ze  alleen weinig opvallende heilige ruimtes hebben geïdentificeerd; een enkele keer is de herinnering aan een Germaanse cultusplek bewaard een plaatsnaam, zoals in het Gelderse Herwen, *Harh-wiha, “heilige ruimte”. Archeologen hebben die heilige ruimte een paar jaar geleden teruggevonden.

    Nauwelijks herkenbaar: een godsbeeldje (Landesmuseum, Bonn)

    Een volk zonder tempels: dat was voor de Grieken en Romeinen het bewijs voor absolute barbarij. Dat precies dit gegeven is opgeschreven, dient dus de portrettering van de Germanen als anti-Romein. Om diezelfde reden is er veel aandacht voor mensenoffers: aan het begin van onze jaartelling citeert Strabon van Amaseia een oudere beschrijving (Poseidonios van Apameia?) en Tacitus doet het nog eens dunnetjes over. Tot de slachtoffers behoorden krijgsgevangenen. Veenlijken bevestigen de realiteit van zulke offers, maar wat onduidelijk blijft is hoe ze functioneerden, welke kosmische orde erdoor moest worden bewaard of hersteld.

    We kennen de namen van enkele goden, maar weten weinig méér: het is als een christelijke heiligenkalender zonder legendes. De oppergod was in elk geval Wodan (Odin), die in de Romeinse bronnen werd gelijkgesteld aan Mercurius. We zouden Jupiter hebben verwacht, maar als dondergod was die gelijk aan Donar (Thor). Tîw was de Germaanse Mars, dus de god van vruchtbaarheid en oorlog. Nerthus was de naam van de aardgodin. Tacitus is er stellig over dat Isis werd vereerd en geleerden hebben haar gelijkgesteld aan de natuurgodin Freya, maar het is niet volledig uit te sluiten dat de Germanen via Griekse of Italische contacten de verering hebben overgenomen van deze van oorsprong Egyptische godin.

    Wijding aan Hludana (Museum van Xanten)

    Uit het Romeinse Rijnland – dus uit de marge van de Germaanse wereld – kennen we ongeveer 3000 inscripties met namen van Germaanse goden en godinnen, soms dubbel, zoals Mars Thingsus. Ze dateren merendeels uit de tweede en derde eeuw, en de goden die ik zojuist noemde (Wodan, Freya, Donar…), staan in de inscripties nergens vermeld. Een van de interessantere wél vermelde godheden is Hludana, waarvan Jacob Grimm opperde dat het de antieke voorganger is van het personage van Vrouw Holle. Die theorie is uit de mode geraakt.

    Archaic survivals

    Daarmee zijn we echter aangekomen bij het recentere bewijs: namelijk dat van de middeleeuwse bronnen en de archaic survivals in de latere volkscultuur. Wat betreft het laatste: er zijn in de negentiende eeuw nogal fantastische theorieën opgesteld, zoals dat Sinterklaas die te paard over de besneeuwde daken rijdt, eigenlijk Wodan is die op de achtbenige Sleipnir rijdt over de wolken. Merendeels zijn die theorieën verwezen naar het rijk der fabelen, maar misschien is men daar iets te snel mee geweest.

    De Germaanse oppergod Wodan/Odin op zijn paard Sleipnir, op een steen uit Ardre (Zweden)

    De middeleeuwse bronnen bieden ook solide informatie. Er zijn christelijke teksten, zoals de Utrechtse Doopbelofte, waarin de demonen staan opgesomd die dienen te worden afgezworen, en zo kennen we namen als Wodan en Donar. De belangrijkste verzameling teksten komt van IJsland: de Edda. Een voorname auteur is Snorri Sturluson, die rond 1200 allerlei oude verhalen heeft naverteld, waarbij hij de goden van weleer presenteerde alsof het mensen waren geweest. Daaraan (en aan allerlei Scandinavische sculptuur) danken we een groot deel van de Noordse mythologie.

    Hoewel de Noordse goden niet corresponderen met die uit de inscripties, is de Edda-mythologie relevant. De Scandinavische talen zijn namelijk al heel vroeg los komen staan van de andere Germaanse talen, en enkele oeroude verhalen zijn in het hoge noorden bewaard gebleven. Weliswaar aangepast en bewerkt, maar het wereldbeeld dat we tegenkomen in de Scandinavische teksten, past bij wat we weten over de continentale Germaanse samenleving. Ik stel me voor dat als een Nebisgast, om eens een Germaanse leider uit Nederland te noemen, een verhaal over de IJslandse Odin zou hebben gehoord, hij het zou hebben herkend als onderdeel van zijn eigen cultuur. Uiteraard is dit speculatie mijnerzijds.

    Ons verdwenen verleden

    Sinds men rond 1500 in het hertogdom Gelre parallellen ging trekken tussen de Bataven en Gelre, en waarschijnlijk al eerder, zijn de Germanen “ons” verleden. Op Java verrees Batavia, we hebben een Bataafse Republiek gehad, Batavus Droogstoppel is ons nationale alter ego en ik rijd op een Batavusfiets. Er bestaat een krant die Tubantia heet en een noordelijke provincie associeert zich met de Friezen. Ik kom uit Apeldoorn, waar straten zijn vernoemd naar Germaanse volken. Onze overgrootouders hebben weliswaar nooit een Hermannsdenkmal opgericht, maar tot voor kort begon het geschiedenisonderwijs met de Bataven, Chamaven,  Chauken, Eburonen, Franken, Friezen, Nerviërs en Saksen.

    Ze zijn gereduceerd tot bijzaak in het canonvenster limes. En dat betreur ik. Weliswaar ligt mijn eigen belangstelling meer bij de culturen rond de Middellandse Zee, maar dat maakt me niet blind voor het onloochenbare feit dat voor Nederlanders en Vlamingen het allervoornaamste erfgoed Germaans is: onze taal. Dat kun je niet zomaar opgeven, want dan geef je een belangrijk stuk op van je eigen identiteit. Ik heb het idee dat we, door de eenzijdige nadruk die de laatste kwart eeuw is gelegd op het Romeinse verleden, iets te veel hebben prijsgegeven.

    PS

    Een schatkamer aan informatie over de Germaanse taal is Taaldacht. Samensteller Olivier van Renswoude plaatste daar ook een vertaling van de Beowulf. Wie meer wil weten over de Germaanse wereld, kan het beste met dat gedicht beginnen.

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De Zuil van Trajanus (en meer)

    augustus 16, 2024
    De Romeinse Isis

    december 9, 2023
    Domitianus (1): Corona civica

    december 19, 2021 Deel dit: #archaicSurvival #Donar #Eburonen #Edda #Franken #Freya #Friezen #GermaanseTalen #Hermannsdenkmal #Herwen #Hludana #Isis #JacobGrimm #mensenoffer #Nebisgast #Nerthus #NoordseMythologie #Odin #OlivierVanRenswoude #PoseidoniosVanApameia #PubliusCorneliusTacitus #Saksen #Sleipnir #SnorriSturluson #StrabonVanAmaseia #Thor #UtrechtseDoopbelofte #VrouwHolle #Wodan
  2. De Germanen (2) Gradaties

    Tacitus’ Germania (Landesmuseum, Bonn)

    [Dit is het tweede van zes blogjes over de Germanen. Het eerste was hier.]

    Ik heb in het vorige blogje verteld dat de Germanen rond 100 v.Chr. voor het eerst opduiken in het overgeleverde deel van de Grieks-Romeinse literatuur en dat er in die tijd een zuidwaartse migratie plaatsvond vanuit Denemarken en de Noord-Duitse Laagvlakte. Dit is te bewijzen aan de hand van de historische taalkunde, waar ik nog even mee verder ga. Ik zal vertellen dat de regio waar men Germaans sprak, niet samenvalt met de regio die de Grieken en Romeinen “Germania” noemden. Ze valt trouwens ook niet samen met de Germaanse archeologische culturen, en ook daarover wil ik het hebben.

    De grenzen van Germania

    Als de zuidgrens van Germania hebben de Griekse en Romeinse auteurs altijd de Donau aangewezen. Dat was al zo ten tijde van Poseidonios van Apameia en voor zover ik weet heeft geen enkele antieke geograaf er ooit anders over gedacht. Ten zuiden van de rivier lagen Keltische staten als Raetia (zeg maar Baden-Württemberg) en Noricum (zeg maar Beieren): twee gebieden die voor zover ik weet niemand ooit Germaans heeft genoemd.

    De Germaanse grens in het westen is te danken aan Julius Caesar, die in de eerste zinnen van zijn Gallische Oorlog een krijgstoneel afbakende. Daarbij nam hij de rivier de Rijn als grens tussen Gallië en Germanië. Hij wist echter dat er Germanen woonden op de linker Rijnoever, en later zouden de Romeinen hier ook twee provincies inrichten die ze Germania Inferior en Germania Superior noemden. De bewoners van de laatstgenoemde provincie spraken aanvankelijk een Keltische taal, het Gallisch, en behoorden tot de La Tène-cultuur, die we ook beschouwen als Keltisch.

    Er is vrijwel geen Germaans dorp of er is onbewerkt ijzer gevonden (Archeologisch staatsmuseum, Warschau)

    Is de ambiguïteit hier overzichtelijk (de Romeinen noemden de bewoners Germanen maar die spraken Keltisch en deelden in de Keltische materiële cultuur), in Germania Inferior is de situatie lastiger te doorgronden. Dit staat vast: er woonden mensen op de westelijke/zuidelijke Rijnoever die een andere taal dan het Gallisch spraken, zodat de Romeinen andere tolken nodig hadden. Er is echter geen garantie dat die taal Germaans was. De grote Belgische taalkundige Maurits Gysseling heeft geopperd dat hier een andere taal werd gesproken, noch Keltisch noch Germaans; hij noemde die taal het Belgisch. Duitse taalkundigen spreken van een Noordwestblok. Andere taalkundigen houden het erop dat de hier gesproken taal een Germaans dialect was. In elk geval: de situatie is in het land van de Beneden-Rijn minder duidelijk.

    Nog onduidelijker is de oostgrens van Germanië. De Grieken en de Romeinen kenden dit gebied gewoon niet goed. Aan het begin van onze jaartelling noemt de Romeinse geograaf Pomponius Mela de Weichsel als grensnoot Pomponius Mela, Beschrijving van de wereld 3.33., en ook Plinius de Oudere lijkt het zo te zien,noot Plinius de Oudere, Natuurlijke Historie 4.81., maar een generatie later vermeldt de Romeinse auteur Publius Cornelius Tacitus in zijn boek over de Germanen ook allerlei volken die verder naar het oosten leefden.

    De kwestie van de oostgrens is niet helemaal zonder betekenis, want moeten we de IJzertijdculturen rond de Weichsel, dus zeg maar in Polen, nu wel of niet rekenen tot de Germanen? En zo ja, wat betekent dat?

    Jastorf-aardewerk (Landesmuseum für Vorgeschichte, Halle)

    Archeologische culturen

    De archeologie helpt ons verder, al komen de meeste resultaten pas in een later blogje aan de orde. Het gebied waar vanouds Germaans werd gesproken, Denemarken en de Noord-Duitse Laagvlakte dus, correspondeert namelijk met de zogeheten Jastorf-cultuur. Die heeft daar bestaan vanaf ongeveer 600 v.Chr. De ontwikkeling loopt min of meer parallel met de Keltische La Tène-cultuur. Die synchronisatie is logisch, want er was handel: de Germanen exporteerden erts, slaven en textiel, en waren tussenhandelaren in barnsteen. Zeer geschematiseerd:

    La Tène D150-1SeedorfLa Tène C350-150RipdorfLa Tène B400-350Jastorf CLa Tène A475-400Jastorf BHallstatt D600-475Jastorf A

    De vierde en vijfde fase zouden ook wel Jastorf D en E hebben kunnen heten, maar inmiddels was de expansie begonnen; vandaar dat er een aparte naam aan is gegeven. De Przeworsk-cultuur in Polen is met Ripdorf verwant en de meeste onderzoekers denken, voor zover ik overzie, dat de Przeworsk-mensen Germaans spraken. De Seedorf-fase tot slot is het moment waarop de Kimbren en Teutonen doorbraken naar de Mediterrane wereld. Deze fase wordt dus minder door archeologische kenmerken gedefinieerd dan door het toeval van de overlevering van onze historische bronnen.

    Przeworsk-aardewerk (Landesmuseum für Vorgeschichte, Halle)

    Waren de eerste fasen van Jastorf nog heel primitief, zeker in vergelijking tot de voorafgaande Bronstijd, later nam de welvaart toch wat toe. Germanië bleef echter een eenvoudige boerensamenleving; het staatsvormingsproces zoals bij de Kelten is achterwege gebleven. Schrijven deed men niet, en dat is een van de redenen waarom we zo weinig weten. Desondanks meent de Oostenrijkse historicus Herwig Wolfram dat de Eerste Germaanse Klankverschuiving plaatsvond in de Jastorf-wereld.

    Gradaties van germaansheid

    Kortom, er zijn drie criteria van Germaansheid:

    1. Germaanse materiële cultuur (Jastorf of Przeworsk),
    2. de Germaanse talen,
    3. het woongebied Germania.

    De drie vallen niet samen. Er zijn gebieden die aan alle drie criteria voldoen, terwijl er ook gebieden zijn die maar aan twee criteria voldoen, of zelfs één. Er zijn dus gradaties van germaansheid. Zo geldt alle land benoorden de Boven-Donau als Germania, maar behoorde Bohemen lange tijd tot de La Tène-cultuur en het Keltische taalgebied; het germaniseerde pas vanaf het begin van onze jaartelling. Tegelijk noemt Caesar, zoals gezegd, Germaanssprekenden op de westelijke Rijnoever, dus buiten het gebied dat gold als Germanië. Om het complex te maken, kunnen binnen het gebied dat we, met welke criteria dan ook, Germaans noemen, deelgebieden worden aangewezen, die elk op een ander moment in de geschiedenis een rol speelden. Daarover binnenkort meer.

    [Wordt vervolgd]

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Mattias, een van de Twaalf

    juni 8, 2025
    En het Woord was…

    juni 19, 2017
    Boeddha

    juni 18, 2017 Deel dit: #Bohemen #EersteGermaanseKlankverschuiving #GermaanseTalen #GermaniaInferior #GermaniaSuperior #HerwigWolfram #historischeTaalkunde #JastorfCultuur #JuliusCaesar #MauritsGysseling #PliniusDeOudere #PomponiusMela #PoseidoniosVanApameia #PrzeworskCultuur #PubliusCorneliusTacitus #Weichsel
  3. De Germanen (1) Herkomst

    Romeins portret van een Germaan (British Museum, Londen)

    Het is met de Germanen zoals met de Kelten: begripsverwarring. Soms verwijst de naam naar degenen die door de Grieken en Romeinen zo werden aangeduid. Soms is verwezen naar de bewoners van een bepaald gebied, “Germania”. Soms is verwezen naar de sprekers van een bepaalde taal. Ik sla nog het een en ander over, maar dit is duidelijk: zoals de Kelten zichzelf geen Kelten noemden, zo wisten de Germanen niet dat ze Germanen waren. Dit alles geldt overigens voor wel meer antieke volken.

    Ik wil nu zes blogs wijden aan de Germanen. Ik wil vandaag iets vertellen over de herkomst van het idee dat er überhaupt Germanen bestonden en zal daarna ingaan op het onderzoek – eerst de historische taalkunde. Daarna behandel ik dan de geografie en archeologie, en is, hoop ik, duidelijk waarom de geografische begrenzing lastig is en er eigenlijk gradaties van Germaansheid zijn. Ik vermeld dan in een derde blogje wat historische gebeurtenissen (zoals de slag in het Teutoburgerwoud) vervolg met meer geschiedenis, en ik rond af met een schets van de Germaanse cultuur, met speciale aandacht voor religie.

    Antieke opvattingen

    Waar komen die Germanen nou vandaan? De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos kende ze in de vijfde eeuw v.Chr. nog niet: in het noorden woonden de Skythen en de Kelten. Misschien herkende hij dat zij de sprekers waren van talen uit twee verschillende takken van de Indo-Europese taalfamilie. Rond 100 v.Chr. is de geografische kennis veranderd en kennen de Griekse en Romeinse geografen een derde volk – of groep volken, het is maar hoe je het wil invullen – in het noorden: aan de overzijde van de Donau woonden ergens de Germanen. Voor zover ik weet is Poseidonios van Apameia de eerste auteur van wie een verwijzing is overgeleverd.noot Geciteerd door Athenaios, Tafelgesprekken 153E.

    Zie ik het goed, dan hebben alle auteurs vóór Poseidonios Herodotos’ tweedeling gehandhaafd. Het is denkbaar dat de Germanen al bekend waren aan een auteur als Pytheas van Marseille (rond 325 v.Chr.), een Eratosthenes van Kyrene (rond 225 v.Chr.) of een Polybios (rond 150 v.Chr.) en dat hun beschrijvingen van de noorderlingen niet zijn overgeleverd. Het kan echter ook zijn dat de Germanen pas kort voor Poseidonios “op de radar verschenen”.

    Migraties

    Misschien verdient die laatste verklaring de voorkeur, aangezien niet veel eerder de Kimbren en Teutonen vanuit het hoge noorden zuidwaarts waren gekomen, groepen die evident niet Keltisch waren. Ze spraken een andere taal en waren, volgens de Romeinen, veel primitiever dan de Kelten. Als die golden als barbaren, dan vertegenwoordigden de Germanen een nog woestere wildheid, wat goed paste bij het Grieks-Romeinse wereldbeeld dat naarmate je verder van de Middellandse Zee kwam, de mate van beschaving afnam.

    Naald en barnsteenkralen (Niedersächsisches Landesmuseum, Hannover)

    In elk geval: na pakweg 100 v.Chr. kenden de Grieken en Romeinen de Germanen. Ze leefden in het hoge noorden en kwamen naar het zuiden. Die migratie zette zich nadien voort en wordt geassocieerd met een Germaans volk dat bekendstaat als de Sueben. Zij vestigden zich in het midden van wat nu Duitsland is. Eerdere bewoners trokken naar het westen, over de Rijn, en naar het oosten, richting Bohemen. Er was ook expansie naar het noorden, waar de Sami (ofwel Lappen) uitweken naar noordelijk Scandinavië.

    De Germaanse taal

    Ik zei al dat deze mensen een eigen taal hadden, die duidelijk geen Keltisch was. Het gaat echter wel om een Indo-Europese taal. Dat deze vroegste Germaanse taal (of verzameling talen, daar wil ik nu vanaf zijn) überhaupt heeft bestaan is af te leiden uit het simpele feit dat moderne Germaanse talen (bijv. het Engels, Nederlands, Fries en Duits) meer lijken op elkaar dan op andere Indo-Europese talen. En dat hangt weer samen met een alleen onderling gedeelde woordenschat: ons woord zee heeft wél parallellen in de andere moderne Germaanse talen, maar niet in de romaanse talen (die woorden gebruiken die afstammen van het Latijnse mare). Mogelijk komen die woorden uit een eerdere taal, die de voorouders van de Germanen aantroffen toen ze zich in Noordwest-Europa kwamen vestigen.

    Het eigene van de Germaanse talen is verder beschreven door de Eerste Germaanse Klankverschuiving ofwel de Wet van Jacob Grimm (die van de sprookjes). Woorden die in de meeste Indo-Europese talen een /p/ hebben, willen in Germaanse talen nogal eens een /f/ hebben: het Engelse father, het Duitse Vater en ons eigen vader corresponderen met het Latijnse en het Griekse pater, het Indische pitar en het Avestische patar. Op vergelijkbare wijze veranderde de oorspronkelijke /d/ in een /t/ (Latijn edere en ons eten).

    De historische taalkunde heeft natuurlijk meer te bieden dan inzicht in woordenschatten en klankwettige verschuivingen. Uit de namen van rivieren kunnen we afleiden dat Germaanse talen in het eerste millennium v.Chr. al werden gesproken in wat nu Denemarken is en op de Noord-Duitse Laagvlakte. Later breidde dit gebied zich uit, en het ligt voor de hand dat dat tegelijk met de genoemde migraties is gebeurd, al is dat strikt genomen onbewijsbaar.

    [Wordt vervolgd]

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Alexander de Grote in Milete

    maart 11, 2025
    De grootste oorlog uit de Oudheid (3)

    oktober 20, 2018
    Zelfvergoddelijking

    maart 11, 2014 Deel dit: #Athenaios #Bohemen #Donau #EersteGermaanseKlankverschuiving #EratosthenesVanKyrene #GermaanseTalen #HerodotosVanHalikarnassos #historischeTaalkunde #IndoEuropeseTalen #JacobGrimm #Kimbren #klankwet #Polybios #PoseidoniosVanApameia #Pytheas #Sueben #Teutonen
  4. Aristoteles over de Nijl

    Ergens langs de Nijl

    De studenten die in de Late Middeleeuwen aan de Sorbonne filosofie studeerden, kregen een reeks teksten te lezen, waaronder een forse hoeveelheid Aristoteles. Omdat er veel studenten waren, waren er dus ook veel boeken, en zo komt het dat we ruim tachtig kopieën hebben van het traktaatje dat bekendstaat als De overstroming van de Nijl. Tachtig handschriften is heel veel.

    Helaas is de Griekse tekst, op een citaat in een fragment op een papyrus uit Oxyrhynchos na, verloren gegaan, maar dat vormt niet het laatste woord. Aan de hand van enkele specifieke vertaalkeuzes is vast te stellen dat de Latijnse vertaling is gemaakt door Willem van Moerbeke (1225-1286), wiens vertaalprincipes bekend zijn: hij wilde niet alleen de inhoud weergeven, maar liefst ook de Griekse zinsopbouw, zelfs als de weergave daarvan slecht Latijn opleverde. Dat betekent dat onbegrijpelijke stukken Latijn weleens begrijpelijker worden als je bedenkt wat er gestaan zou kunnen hebben in het Grieks.

    Vraag en antwoorden

    De opbouw van het werkje is door-en-door aristotelisch. Aristoteles’ standaardopbouw is dat als hij een vraagstuk aansneed, hij eerst uitlegde wat eerdere geleerden erover hadden gedacht en waarom die zich hadden vergist, om vervolgens zijn eigen oplossing te presenteren. Dat is natuurlijk wat hautain: hij is in deze presentatie als het ware zelf de doeloorzaak van de wetenschappelijke ontwikkeling – alles ontstaat en groeit tot het bij Aristoteles pas werkelijk bloeit. Van de andere kant: Aristoteles’ weergaven van eerdere ideeën zijn cruciaal voor moderne reconstructies van de geschiedenis van de vroege Griekse filosofie.

    De auteur van De overstroming van de Nijl volgt de standaardopbouw. Eerst is er de vraag:

    Hoe valt het te verklaren dat, terwijl andere rivieren in de winter zwellen en in de zomer veel kleiner worden, de Nijl als enige rivier die in de zee uitmondt, in de zomer over een uitgestrekt gebied overstroomt en zo breed wordt dat alleen de dorpen er bovenuit steken als eilanden?noot Aristoteles, De overstroming van de Nijl 1; vert. Beullens.

    En daarna komen de antwoorden, zoals de theorie van Thales van Milete dat de etesische winden (de zomerse noordwestenwind) het Nijlwater terug zouden blazen. Commentaar van Aristoteles: dan zouden we het ook bij andere rivieren moeten observeren. Hij behandelt de theorie van Anaxagoras dat de Nijl een smeltrivier was, maar zó veel sneeuw als er extra Nijlwater is, is onmogelijk. En er is de theorie van Nikagoras van Cyprus dat de bron van de Nijl op het zuidelijk halfrond ligt –maar dan zou het water over de evenaar komen, waar het zó heet is dat alle water verdampt. En zelfs als de rivier die regio kon doorkruisen, zou de afstand onmeetbaar en dus voor mensen onkenbaar zijn. Dus ook deze hypothese is onhoudbaar. QED.

    De Sudd

    Als hij alle hypothesen heeft weerlegd, meestal met bewijzen uit het ongerijmde, beschrijft Aristoteles zijn eigen theorie:

    Men heeft waargenomen dat het veel en overvloedig regent in Ethiopië in de periode vanaf de opkomst van Sirius tot die van Arcturus, maar in de winter niet. … Daardoor komt de overstroming samen met de etesische winden. Vooral die winden voeren namelijk wolken aan naar die streek, net zoals de voorafgaande zomerwinden. Wanneer de wolken tegen de bergen stoten, stroomt het water naar de moerassen waardoor de Nijl vloeit.noot Aristoteles, De overstroming van de Nijl 12; vert. Beullens.

    Dit is ruwweg correct: het zijn inderdaad regens in oostelijk Afrika die zorgen voor extra water. Maar het gaat niet om de etesische noordwestenwind die waait in de Griekse zomer, het gaat om de noordoostelijke passaat. Aristoteles meent bovendien dat het water uit het Ethiopische Hoogland via moerassen naar de Nijl stroomt, maar lijkt niet te weten dat de Sudd-moerassen liggen aan de Witte Nijl, die een bron heeft in het Victoriameer, terwijl hij zelf de regenrivier Blauwe Nijl beschrijft. Dat gezegd zijnde: hij heeft het grotendeels goed begrepen.

    Waarnemingen

    Wie zouden de “men” zijn die de Ethiopische regens gezien hebben? Het is een verleidelijk idee dat Alexander de Grote wetenschappers naar het zuiden heeft gestuurd. Misschien is dat wel zo, maar het staat vast dat Kallisthenes, Alexanders wetenschappelijk adviseur, zijn beschrijving van de Nijloverstroming baseerde op informatie die hij had gevonden bij Aristoteles.noot Strabon, Geografie 17.1.5. Dat betekent dat Aristoteles al informatie van ooggetuigen had ontvangen vóór Alexanders expeditie.

    De al genoemde Oxyrhynchos-papyrus, met daarop een tekst van Poseidonios die Aristoteles’ De overstroming van de Nijl citeert, noemt een zekere Thrasyalkes als bron van Aristoteles’ informatie. We weten niet of dit correct is. Feit is dat er altijd Griekse huurlingen dienden in de Egyptische legers – u zou Wahibre-em-Achet kunnen kennen. Zulke mannen kunnen heel goed zelf naar het diepe zuiden hebben gereisd, of informatie uit Nubië hebben vernomen.

    [Met dank aan Pieter Beullens, de werkt aan een kritische editie, die hopelijk volgend jaar zal verschijnen. Beullens’ Nederlandse vertaling is gepubliceerd in het Tijdschrift voor Filosofie 73 (2011) 513-534.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

    Zelfde tijdvak


    De slag bij Issos (4)

    november 6, 2022
    Misverstand: Democratie

    maart 22, 2020
    Zelfvergoddelijking

    maart 11, 2014 Deel dit: #Anaxagoras #Arcturus #Aristoteles #Kallisthenes #Nijl #NikagorasVanCyprus #Oxyrhynchos #PoseidoniosVanApameia #Sirius #Sudd #ThalesVanMilete #WahibreEmAchet #WillemVanMoerbeke
  5. De omtrek van de aarde: Poseidonios

    Atlas, met boven zijn hoofd het sterrenbeeld Argo (Archeologisch museum Napels)

    In de twee vorige blogjes heb ik verteld hoe Dionysodoros met een onbekende methode de aardomtrek stelde op 264.000 stadiën, vermoedelijk 50.688 kilometer, en hoe Eratosthenes berekende dat het moest gaan om 252.000 stadiën, vermoedelijk 46.620 kilometer. Een derde berekening was die van Poseidonios van Apameia (135-51 v.Chr.). Ook zijn methode kennen we via het werk van Kleomedes.

    We zullen meteen erkennen: Poseidonios maakte dezelfde fout als Eratosthenes door aan te nemen dat de twee plekken waarvan hij de waarnemingen gebruikte, Alexandrië en Rhodos, lagen op dezelfde meridiaan. Het eiland bevindt zich echter op een meridiaan die drie graden westelijker ligt. Opnieuw zou de afstand tussen de twee meetpunten 5000 stadiën zijn, en opnieuw is dat incorrect, hoe kort of lang Poseidonios’ stadion ook is. Kleomedes vertelt:

    Poseidonios zegt dat de zeer heldere ster genaamd Canopus in het zuiden ligt, praktisch op het roer van [het sterrenbeeld] Argo. De genoemde ster is niet waarneembaar in Griekenland … maar als je van noord naar zuid reist, begint hij zichtbaar te worden op Rhodos. Als hij daar even boven de horizon komt, gaat hij onmiddellijk weer onder, omdat het hemelgewelf nu eenmaal draait. Maar als we 5.000 stadia verder zijn gevaren en bij Alexandrië zijn, blijkt deze ster, als hij in het zuiden op zijn hoogste punt aan de hemel staat, op een hoogte boven de horizon te staan van 7°30’.noot Kleomedes, Over de cirkelvormige banen van de hemellichamen 1.10.

    De berekening is verder hetzelfde als die van Eratosthenes: 7°30’ is één achtenveertigste deel van 360°, dus de omtrek van de aarde moet achtenveertig keer 5000 stadiën zijn, en zo kwam Poseidonios uit op 240.000 stadiën, ofwel 44.4000 kilometer (als hij Ptolemaïsche stadiën gebruikte) of 46.080 kilometer (als hij Olympische stadiën gebruikte).

    Uit de Grieks-Romeinse Oudheid ken ik verder geen metingen, maar ik weet wel van een latere schatting. Kalief Al-Ma’mun – we kwamen hem op deze blog al eens tegen – stuurde rond 827 een team onderzoekers, geleid door Al-Khwarizmi, de Syrische woestijn in om de hoogte te bepalen van het met het blote oog nog net waarneembare sterretje dat tegenwoordig bekendstaat als HIP62572. Het onooglijke object stond op dat moment op de plaats van onze Poolster en leek dus onbeweeglijk. De geleerden zouden hebben vastgesteld dat de ster een graad hoger aan de hemel kwam te staan voor elke 104 kilometer die men noordelijker kwam. Helaas weten we dat niet helemaal zeker omdat het omrekenen van Arabische afstandsmaten nog lastiger is dan het omrekenen van stadiën. Maar als dit klopt, concludeerden ze dat de aardomtrek 37.440 kilometer bedroeg. Dat is 6% te weinig.

    De eerste die met zekerheid werkelijk in de buurt kwam, was onze eigen Willebrord Snel van Royen, ofwel Snellius. Anders dan zijn voorgangers beschikte hij over perfecte driehoeksmetingen, zich uitstrekkend over een gebied van de Laurenskerk in Alkmaar tot de Gertrudiskerk in Bergen op Zoom. Zo kon hij vaststellen dat een breedtegraad overeenkwam met 107.370 meter, wat betekende dat de omtrek van de aarde 38.653 kilometer was: 3,5% te weinig.

    De aarde is echter niet rond. Meer landmeetkunde hier.

    Dank u wel voor de donaties die ik van u mocht ontvangen om de hosting van deze blog te financieren! Het bedrag is bijna binnen. Dank!

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Parthisch schot

    februari 13, 2019
    Klassieke literatuur (8): welsprekendheid

    november 8, 2019
    De essenen

    december 10, 2023 Deel dit:

    #aardrijkskunde #AlKhwarizmi #AlMaMun #Alexandrië #Alkmaar #ArgoSterrenbeeld_ #BergenOpZoom #bolvormVanDeAarde #Kleomedes #landmeetkunde #omtrekVanDeAarde #PoseidoniosVanApameia #Rhodos #Snellius

Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.