#jeruzalem — Public Fediverse posts
Live and recent posts from across the Fediverse tagged #jeruzalem, aggregated by home.social.
-
Pontius Pilatus (4) Jezus
Jezus voor Pilatus, zesde-eeuws handschrift[Dit is het vierde van zes blogjes over Pontius Pilatus. Het eerste was hier.]
Van de diverse gebeurtenissen uit het gouverneurschap van Pontius Pilatus is de rechtszaak tegen Jezus natuurlijk het best geattesteerd en het beroemdst. Er zijn niet minder dan vier onafhankelijke verslagen: in chronologische volgorde zijn dat het evangelie van Marcus, de Joodse Oudheden van Flavius Josephus, het evangelie van Johannes en de Annalen van de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus. De lijdensverhalen van de evangelisten Matteüs en Lukas zijn afgeleid van dat van Marcus, maar bevatten informatie die authentiek zou kunnen zijn.
Jezus’ vergrijp
Op het eerste gezicht is het vreemd dat de Joodse leiders, met name de hogepriester Kajafas, Jezus overdroegen aan Pontius Pilatus. Natuurlijk had Jezus het komende Koninkrijk van God voorspeld, en ook had hij op het Tempelterrein de banken van de geldwisselaars omvergeworpen, maar eschatologisch gespeculeer en vandalisme waren geen redenen voor een executie. Wie in de joodse Tempel de regels overtrad, kreeg stok- of zweepslagen.
We kunnen slechts speculeren over de reden van de uitlevering. Dat Jezus zich tijdens het nachtelijk verhoor had geïdentificeerd als de Mensenzoon die het Laatste Oordeel zou vellen, zal hogepriester Kajafas hebben ervaren als een mateloos en irritant bijgeloof, maar niet als werkelijk zorgwekkend. Een charismaticus die beweerde dat de eersten de laatsten zouden zijn en de laatsten de eersten, kon echter gevaarlijk grote menigtes op de been brengen, en dat was wel zorgwekkend. De Romeinse stedelijke elites waren doodsbang voor het grauw. (We weten dat Griekse concertredenaars het advies kregen om niet te vaak over de Griekse onafhankelijkheid te spreken omdat mensen het weleens letterlijk zouden kunnen nemen.) Een oproerkraaier van het platteland kon maar het beste worden uitgeschakeld, zal Kajafas hebben gedacht, en hij leverde Jezus uit. Misschien is dit wat er gebeurde.
Voor Pilatus was de claim dat Jezus “koning der Joden” was, vervolgens voldoende om hem te laten executeren: kruisiging was voor hoogverraad de normale straf. Weliswaar was een messias geen koning van Judea, maar een titel als “zoon van David” deed weinig om de indruk weg te nemen. Het eerdere oproer op het tempelplein bewees dat Jezus met geweld de macht had willen grijpen. Zo simpel zag het eruit voor een Romeinse bestuurder.
Het is zinvol hieraan toe te voegen dat Pilatus met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen Aramees sprak en dus de intern-joodse discussies niet kende. Hij was aangewezen op mannen als Kajafas, met wie hijzelf en zijn voorganger Valerius Gratus al jaren tot volle tevredenheid samenwerkten. Als Kajafas zei dat een messias een koning was, was er voor Pilatus geen reden om daaraan te twijfelen. En los daarvan: ook een Romeinse gouverneur behoorde tot de stedelijke elite, ook zo iemand had geen zin in een confrontatie met een kwade menigte.
Proces
Volgens onze oudste bron, Marcus, voelde Pontius Pilatus echter aan dat er iets niet in de haak was: “hij begreep wel dat de hogepriesters hem uit afgunst hadden uitgeleverd”.noot Marcus 15.10. Dit zou weleens kunnen zijn bevestigd door Flavius Josephus. Met zijn tekst, die bekendstaat als Testimonium Flavianum, is gerommeld, maar er is consensus over de reconstructie, die historisch logisch en taalkundig opvallend sterk is.
In die tijd leefde Jezus, een wijs mens. Hij verrichtte namelijk wonderlijke daden en was de leraar van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen. Daarom had hij veel Joden en ook veel Grieken als leerlingen. Toen hij door Pilatus, bij wie hij door onze leiders was aangeklaagd, was veroordeeld tot het kruis, weigerden die leerlingen hun liefde voor hem op te geven. Daarom is de naar hem “christenen” genoemde stam nog niet verdwenen.noot Flavius Josephus, Joodse Oudheden 18.63-64.
Dit is een merkwaardige tekst. In plaats van de aanklacht te noemen, noemt Josephus de aanklagers. Dit is des te opmerkelijker omdat de Joodse geschiedschrijver een hekel had aan opstandelingen, die hij verantwoordelijk hield voor de grote oorlog tussen de Joden en de Romeinen van 66-70. Gewoonlijk schept hij er plezier in over hun verdiende straf te schrijven. Dat hij nu de beschuldiging van hoogverraad onvermeld laat, suggereert dat hij twijfels had.
Dat de evangeliën ons een Pontius Pilatus tonen die niet overtuigd was van de schuld van de timmerman, viel uiteraard te verwachten. Marcus en Johannes laten onafhankelijk van elkaar zien hoe de gouverneur de Joden dwong om een deel van de verantwoordelijkheid te nemen: Pilatus verklaart dat hij geen schuld kan vinden en verwijst naar Jezus als “uw koning”, waardoor de bevolking van Jeruzalem wordt gedwongen te verklaren dat ook zij willen dat de man werd gekruisigd.
Een proces als onderhandeling
Het is denkbaar dat de gouverneur van de gelegenheid gebruik maakte om loyaliteitsbeloften te verkrijgen. De bewering van Johannes dat de Joden zelfs verklaarden “geen andere koning te hebben dan de keizer” zou een historisch feit kunnen zijn.noot Johannes 19.15. Pilatus heeft er misschien spijt van gehad dat hij een man moest kruisigen die onschuldig leek, maar hij kan dit hebben beschouwd als een aanvaardbare prijs voor de soepele samenwerking met de tempelautoriteiten.
Er speelt nog iets: we weten, zoals ik vorige week schreef, niet goed hoeveel speelruimte Pilatus had. Als het proces tegen Jezus plaatsvond in het voorjaar van 30 na Chr., kon hij rekenen op steun van de machtige praetoriaanse prefect Lucius Aelius Seianus in Rome. Vond het proces plaats in 33, dan stond Pilatus zwakker en kon hij door een menigte onder druk worden gezet met een argument als “als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer”.noot Johannes 19.12.
Of het Pontius Pilatus was die zocht naar loyaliteitstoezeggingen of dat de menigte hem dwong, valt niet te weten. Wel staat vast dat de bestuurder geen conflict zocht. De evangeliën documenteren dat hij respect toont voor joodse gebruiken. Elk voor zich zijn de voorbeelden weliswaar discutabel, maar de tendens is duidelijk.
- Matteüs laat Pilatus zijn handen wassen,noot Matteüs 27.24. wat een farizees gebruik was.
- Johannes schrijft dat Pilatus Jezus’ tegenstanders toe om te spreken van buiten zijn hoofdkwartier, het Praetorium.noot Het betreden van het gebouw zou de joodse priesters verontreinigen, en dat vlak voor een religieus feest; Johannes 18.29.
- Marcus en Johannes stellen onafhankelijk van elkaar dat Pilatus Jozef van Arimatea toestond de dode te begraven voor het begin van de sabbat.noot Marcus 15.43 en Johannes 19.38.
Vooral dit laatste is opmerkelijk omdat keizer Augustus had verboden dat mensen die waren geëxecuteerd op beschuldiging van hoogverraad, een normale uitvaart zouden krijgen. Pilatus’ toestemming oogt als de daad van iemand die religieuze gevoelens wil respecteren.
Andere arrestanten
Tot slot nog twee vreemde aspecten. Eén: we lezen nergens dat Pilatus Jezus’ aanhangers liet arresteren. Als hij werkelijk geloofde dat Jezus met geweld een koninkrijk wilde stichten, was dit ronduit onverantwoord. Als hij het idee had dat de executie van een plattelandsmessias de prijs was die hij voor de lieve vrede moest betalen, was het echter volkomen logisch.
Maar het vreemdste is dat Pilatus, op de dag waarop hij een man veroordeelde die op z’n kerfstok niet veel meer had dan een flinke rel, een man vrijliet die zeker wél schuldig was: Barabbas. We lezen het bij Marcus en Johannes, onafhankelijk van elkaar, wat een zekere betrouwbaarheid suggereert, maar het is raar. Dat een gouverneur elk jaar een veroordeelde crimineel zou vrijlaten, is immers ronduit bizar. Ik meen dat geen enkele wetenschapper het begrijpt, maar het is duidelijk wat de eerste christenen ervan dachten: het was ironisch dat een huns inziens onschuldige man was doodgemarteld, en een schuldige man was vrijgelaten.
[wordt over twee weken vervolgd]
Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
Een Romeinse stad
mei 3, 2017
Het koninkrijk Dacië
december 30, 2019
Romeins Jeruzalem
augustus 6, 2023 Deel dit: #Barabbas #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanMarcus #FlaviusJosephus #Jeruzalem #JezusVanNazaret #JozefVanArimatea #Judea #Kajafas #kruisiging #LuciusAeliusSeianus #messias #PontiusPilatus #PubliusCorneliusTacitus #TestimoniumFlavianum #ValeriusGratus -
Pontius Pilatus (4) Jezus
Jezus voor Pilatus, zesde-eeuws handschrift[Dit is het vierde van zes blogjes over Pontius Pilatus. Het eerste was hier.]
Van de diverse gebeurtenissen uit het gouverneurschap van Pontius Pilatus is de rechtszaak tegen Jezus natuurlijk het best geattesteerd en het beroemdst. Er zijn niet minder dan vier onafhankelijke verslagen: in chronologische volgorde zijn dat het evangelie van Marcus, de Joodse Oudheden van Flavius Josephus, het evangelie van Johannes en de Annalen van de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus. De lijdensverhalen van de evangelisten Matteüs en Lukas zijn afgeleid van dat van Marcus, maar bevatten informatie die authentiek zou kunnen zijn.
Jezus’ vergrijp
Op het eerste gezicht is het vreemd dat de Joodse leiders, met name de hogepriester Kajafas, Jezus overdroegen aan Pontius Pilatus. Natuurlijk had Jezus het komende Koninkrijk van God voorspeld, en ook had hij op het Tempelterrein de banken van de geldwisselaars omvergeworpen, maar eschatologisch gespeculeer en vandalisme waren geen redenen voor een executie. Wie in de joodse Tempel de regels overtrad, kreeg stok- of zweepslagen.
We kunnen slechts speculeren over de reden van de uitlevering. Dat Jezus zich tijdens het nachtelijk verhoor had geïdentificeerd als de Mensenzoon die het Laatste Oordeel zou vellen, zal hogepriester Kajafas hebben ervaren als een mateloos en irritant bijgeloof, maar niet als werkelijk zorgwekkend. Een charismaticus die beweerde dat de eersten de laatsten zouden zijn en de laatsten de eersten, kon echter gevaarlijk grote menigtes op de been brengen, en dat was wel zorgwekkend. De Romeinse stedelijke elites waren doodsbang voor het grauw. (We weten dat Griekse concertredenaars het advies kregen om niet te vaak over de Griekse onafhankelijkheid te spreken omdat mensen het weleens letterlijk zouden kunnen nemen.) Een oproerkraaier van het platteland kon maar het beste worden uitgeschakeld, zal Kajafas hebben gedacht, en hij leverde Jezus uit. Misschien is dit wat er gebeurde.
Voor Pilatus was de claim dat Jezus “koning der Joden” was, vervolgens voldoende om hem te laten executeren: kruisiging was voor hoogverraad de normale straf. Weliswaar was een messias geen koning van Judea, maar een titel als “zoon van David” deed weinig om de indruk weg te nemen. Het eerdere oproer op het tempelplein bewees dat Jezus met geweld de macht had willen grijpen. Zo simpel zag het eruit voor een Romeinse bestuurder.
Het is zinvol hieraan toe te voegen dat Pilatus met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen Aramees sprak en dus de intern-joodse discussies niet kende. Hij was aangewezen op mannen als Kajafas, met wie hijzelf en zijn voorganger Valerius Gratus al jaren tot volle tevredenheid samenwerkten. Als Kajafas zei dat een messias een koning was, was er voor Pilatus geen reden om daaraan te twijfelen. En los daarvan: ook een Romeinse gouverneur behoorde tot de stedelijke elite, ook zo iemand had geen zin in een confrontatie met een kwade menigte.
Proces
Volgens onze oudste bron, Marcus, voelde Pontius Pilatus echter aan dat er iets niet in de haak was: “hij begreep wel dat de hogepriesters hem uit afgunst hadden uitgeleverd”.noot Marcus 15.10. Dit zou weleens kunnen zijn bevestigd door Flavius Josephus. Met zijn tekst, die bekendstaat als Testimonium Flavianum, is gerommeld, maar er is consensus over de reconstructie, die historisch logisch en taalkundig opvallend sterk is.
In die tijd leefde Jezus, een wijs mens. Hij verrichtte namelijk wonderlijke daden en was de leraar van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen. Daarom had hij veel Joden en ook veel Grieken als leerlingen. Toen hij door Pilatus, bij wie hij door onze leiders was aangeklaagd, was veroordeeld tot het kruis, weigerden die leerlingen hun liefde voor hem op te geven. Daarom is de naar hem “christenen” genoemde stam nog niet verdwenen.noot Flavius Josephus, Joodse Oudheden 18.63-64.
Dit is een merkwaardige tekst. In plaats van de aanklacht te noemen, noemt Josephus de aanklagers. Dit is des te opmerkelijker omdat de Joodse geschiedschrijver een hekel had aan opstandelingen, die hij verantwoordelijk hield voor de grote oorlog tussen de Joden en de Romeinen van 66-70. Gewoonlijk schept hij er plezier in over hun verdiende straf te schrijven. Dat hij nu de beschuldiging van hoogverraad onvermeld laat, suggereert dat hij twijfels had.
Dat de evangeliën ons een Pontius Pilatus tonen die niet overtuigd was van de schuld van de timmerman, viel uiteraard te verwachten. Marcus en Johannes laten onafhankelijk van elkaar zien hoe de gouverneur de Joden dwong om een deel van de verantwoordelijkheid te nemen: Pilatus verklaart dat hij geen schuld kan vinden en verwijst naar Jezus als “uw koning”, waardoor de bevolking van Jeruzalem wordt gedwongen te verklaren dat ook zij willen dat de man werd gekruisigd.
Een proces als onderhandeling
Het is denkbaar dat de gouverneur van de gelegenheid gebruik maakte om loyaliteitsbeloften te verkrijgen. De bewering van Johannes dat de Joden zelfs verklaarden “geen andere koning te hebben dan de keizer” zou een historisch feit kunnen zijn.noot Johannes 19.15. Pilatus heeft er misschien spijt van gehad dat hij een man moest kruisigen die onschuldig leek, maar hij kan dit hebben beschouwd als een aanvaardbare prijs voor de soepele samenwerking met de tempelautoriteiten.
Er speelt nog iets: we weten, zoals ik vorige week schreef, niet goed hoeveel speelruimte Pilatus had. Als het proces tegen Jezus plaatsvond in het voorjaar van 30 na Chr., kon hij rekenen op steun van de machtige praetoriaanse prefect Lucius Aelius Seianus in Rome. Vond het proces plaats in 33, dan stond Pilatus zwakker en kon hij door een menigte onder druk worden gezet met een argument als “als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer”.noot Johannes 19.12.
Of het Pontius Pilatus was die zocht naar loyaliteitstoezeggingen of dat de menigte hem dwong, valt niet te weten. Wel staat vast dat de bestuurder geen conflict zocht. De evangeliën documenteren dat hij respect toont voor joodse gebruiken. Elk voor zich zijn de voorbeelden weliswaar discutabel, maar de tendens is duidelijk.
- Matteüs laat Pilatus zijn handen wassen,noot Matteüs 27.24. wat een farizees gebruik was.
- Johannes schrijft dat Pilatus Jezus’ tegenstanders toe om te spreken van buiten zijn hoofdkwartier, het Praetorium.noot Het betreden van het gebouw zou de joodse priesters verontreinigen, en dat vlak voor een religieus feest; Johannes 18.29.
- Marcus en Johannes stellen onafhankelijk van elkaar dat Pilatus Jozef van Arimatea toestond de dode te begraven voor het begin van de sabbat.noot Marcus 15.43 en Johannes 19.38.
Vooral dit laatste is opmerkelijk omdat keizer Augustus had verboden dat mensen die waren geëxecuteerd op beschuldiging van hoogverraad, een normale uitvaart zouden krijgen. Pilatus’ toestemming oogt als de daad van iemand die religieuze gevoelens wil respecteren.
Andere arrestanten
Tot slot nog twee vreemde aspecten. Eén: we lezen nergens dat Pilatus Jezus’ aanhangers liet arresteren. Als hij werkelijk geloofde dat Jezus met geweld een koninkrijk wilde stichten, was dit ronduit onverantwoord. Als hij het idee had dat de executie van een plattelandsmessias de prijs was die hij voor de lieve vrede moest betalen, was het echter volkomen logisch.
Maar het vreemdste is dat Pilatus, op de dag waarop hij een man veroordeelde die op z’n kerfstok niet veel meer had dan een flinke rel, een man vrijliet die zeker wél schuldig was: Barabbas. We lezen het bij Marcus en Johannes, onafhankelijk van elkaar, wat een zekere betrouwbaarheid suggereert, maar het is raar. Dat een gouverneur elk jaar een veroordeelde crimineel zou vrijlaten, is immers ronduit bizar. Ik meen dat geen enkele wetenschapper het begrijpt, maar het is duidelijk wat de eerste christenen ervan dachten: het was ironisch dat een huns inziens onschuldige man was doodgemarteld, en een schuldige man was vrijgelaten.
[wordt over twee weken vervolgd]
Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
Een Romeinse stad
mei 3, 2017
Het koninkrijk Dacië
december 30, 2019
Romeins Jeruzalem
augustus 6, 2023 Deel dit: #Barabbas #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanMarcus #FlaviusJosephus #Jeruzalem #JezusVanNazaret #JozefVanArimatea #Judea #Kajafas #kruisiging #LuciusAeliusSeianus #messias #PontiusPilatus #PubliusCorneliusTacitus #TestimoniumFlavianum #ValeriusGratus -
Pontius Pilatus (3) Aquaduct
De spaarbekkens van het aquaduct van Jeruzalem in 1905[Dit is het derde van zes blogjes over Pontius Pilatus. Het eerste was hier.]
Het aquaduct en de tempelschat
Een antieke generaal die een overwinning had geboekt, wijdde dankbaar een tiende van de buit aan de goden, meestal in de vorm van mooi edelsmeedwerk. Als later dan weer eens een oorlog uitbrak, kon een generaal huurlingen in dienst nemen door wat edelmetaal uit een tempel mee te nemen. Anders gezegd: het was al eeuwen staande praktijk dat tempels dienden als bank. Deposito en kasopname. Dat was in de Romeinse wereld niet anders, al gebruikten gouverneurs het kapitaal toen steeds vaker voor infrastructurele projecten. In tijden van Pax Romana waren er immers weinig vijanden meer en de goden hadden er geen bezwaar als deze of gene constructie het leven van de vrome vereerders vereenvoudigde.
En dus liet Pontius Pilatus, gebruikmakend van het kapitaal in de tempel van Jeruzalem, een aquaduct bouwen voor de heilige stad; het is door archeologen teruggevonden. De bronnen lagen in de omgeving van Betlehem, waar ook spaarbekkens zijn geïdentificeerd. Het frisse water moet de hygiëne in het uit zijn voegen barstende Jeruzalem sterk hebben verbeterd. Het project bood bovendien werk aan allerlei mensen, wat des te urgenter was nu het meest arbeidsintensieve werk aan de Tempel van Herodes was afgerond.
De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus verteltnoot Flavius Josephus, Joodse Oorlog 2.175-177; Joodse Oudheden 18.60-62. dat er protesten waren omdat het geld was gehaald uit dat deel van de tempelschat dat bekendstond als Korbanas, waarvan wel wordt aangenomen dat het was geoormerkt voor de ondersteuning van arme mensen. (Ik weet niet zeker of dit klopt.) Toen er een demonstratie was, zou Pilatus soldaten in burgerkleding tussen de menigte hebben geplaatst, die op een gegeven teken met de wapenstok hadden ingeslagen op de demonstranten.
Zou het werkelijk?
We weten niet waarop Josephus’ verslag is gebaseerd, maar mondelinge informatie is waarschijnlijk: tot en met de regering van Herodes de Grote beschikt de Joodse geschiedschrijver over geschreven bronnen, maar daarna houdt het op. In dit geval gaat het zeker om gekleurde informatie: het project had de goedkeuring van de tempelautoriteiten,noot Als dit niet zo was geweest, had Josephus immers geschreven dat Pilatus het geld had gestolen. was begonnen door koning Herodes de Grote en voltooid door koning Herodes Agrippa I (r.41-44). De credits behoorden te gaan naar de dynastie, dat vond ook Josephus (een aanhanger van Herodes Agrippa II). Dat een Romeinse bestuurder ermee van doen had gehad, was een ongemakkelijk gegeven. Pontius Pilatus diende dus zwart gemaakt te worden.
Wat er feitelijk is gebeurd, valt niet te achterhalen, maar erg logisch is het niet dat een Romeinse magistraat zijn troepen in het geheim zou hebben ingezet. Het klinkt eerder alsof demonstranten vertrapt raakten in het gedrang en er vervolgens een schuldige moest worden aangewezen. Als er überhaupt iets waars schuilt in de beschuldiging dat er soldaten bij betrokken waren, kan het alleen maar gaan om mannen van de Ala I Sebastenorum of de Cohors I Sebastenorum, manschappen dus uit de nabijgelegen stad Samaria dus. Soldaten uit de Italische eenheden in het Judese garnizoen zouden al zijn herkend voordat ze in actie kwamen.
Nog een laatste punt: de demonstratie lijkt te hebben plaatsgevonden tijdens een joods feest, aangezien Pontius Pilatus in Jeruzalem verbleef. Het kan de gelegenheid zijn geweest waarbij soldaten “het bloed van de Galileeërs vermengden met hun offers,”noot Lukas 13.1. maar de hyperbool kan verwijzen naar elke onregelmatigheid op het tempelplein.
[wordt om 11:00 (Bulgaarse tijd) (ik ben in Bulgarije) vervolgd met de rechtszaak tegen Jezus]
Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
Apollonios van Tyana (8)
november 5, 2013
Afrikaans aardewerk
februari 24, 2019
De messiaanse maaltijd
januari 23, 2022 Deel dit: #aquaduct #FlaviusJosephus #HerodesDeGrote #Jeruzalem #PontiusPilatus -
Pontius Pilatus (2) Het begin
Caesarea Maritima[Dit is het tweede van zes blogjes over Pontius Pilatus. Het eerste was hier.]
Aankomst in Judea
In 26 na Chr. arriveerde Pontius Pilatus, wellicht met zijn echtgenote, in zijn nieuwe residentie in Judea: Caesarea Maritima. Vrijwel onmiddellijk begonnen de problemen: soldaten hadden voorwerpen naar Jeruzalem gebracht die een overtreding vormden van de regels. Over de aard van die voorwerpen lopen de bronnen uiteen, maar het was blijkbaar heel aanstootgevend. Er ging vervolgens van alles mis.
Over deze gebeurtenissen zijn drie bronnen. De oudste auteur is Filon van Alexandrië, die zijn informatie ontleent aan een brief die Herodes Agrippa I zou hebben gestuurd aan keizer Caligula.noot Filon, Gezantschap naar Caligula 299-305. De aanstootgevende objecten zouden schilden zijn geweest waarop de naam van de gouverneur en die van de keizer zouden hebben gestaan – een type inscriptie dat we goed kennen en dat in Caesarea zelfs is gedocumenteerd voor Pilatus. Er is niets onwaarschijnlijks aan Filons mededeling en het is moeilijk voorstelbaar dat een ere-inschrift aanstootgevend was. Ook het door Filon geschetste vervolg, dat prinsen uit de familie van koning Herodes bemiddelden, is volstrekt geloofwaardig.
Zoals Filon het presenteert vernam prins Herodes Agrippa dat keizer Caligula had bevolen dat zijn standbeeld in de Tempel in Jeruzalem moest komen staan. Dat zou een affront zijn, en daarom schreef Agrippa een brief, waarin hij de keizer herinnerde aan het incident ten tijde van Pontius Pilatus. Keizer Tiberius zou de gouverneur van Judea hebben teruggefloten toen die dus schilden had laten aanbrengen, en Agrippa opperde in zijn brief dat Caligula iets soortgelijks zou doen. Om Tiberius als voorbeeld te kunnen typeren, moest Agrippa echter Pilatus typeren als incompetent. Dat negatieve beeld van een gouverneur kwam Agrippa bovendien goed uit, want het zou helpen bewijzen dat een Joodse koning geschikter was om over Judea te heersen – Herodes Agrippa bijvoorbeeld. Kortom, we mogen Filons verwijzing naar Pontius Pilatus, teruggaand op een tendentieus document, niet zonder meer geloven.
De twee andere verslagen zijn geschreven door de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus. Hij schreef zijn Joodse Oorlog in de late jaren zeventig van de eerste eeuwnoot Flavius Josephus, Joodse Oorlog 2.169-174. en herhaalde de stof nog eens in de vroege jaren negentig in zijn Joodse Oudheden.noot Flavius Josephus, Joodse Oudheden 18.55-59. In zijn presentatie gaat het niet om schilden met inscripties, maar om veldtekens waaraan het portret van de keizer was bevestigd. Een jood zou zoiets inderdaad kunnen uitleggen als een overtreding van een van de Tien Geboden, namelijk het verbod op het maken van afbeeldingen. Josephus vertelt ook dat een deel van de bewoners naar Caesarea Maritima marcheerde, zich neerzette in de paardenracebaan (zie boven) en de nieuwe gouverneur smeekte om in te grijpen, wat deze ook deed.
Interpretatie
Er zijn nogal wat verschillen tussen deze twee verhalen. Beschreven schilden of veldtekens? Prinselijke bemiddeling of stedelijk protest? Het is mogelijk dat we te maken hebben met twee incidenten, maar het lijkt aannemelijker dat we twee visies hebben op dezelfde gebeurtenis. Filon kreeg zijn informatie van een prins, die de rol van zijn familie centraal stelde, terwijl Josephus zich baseert op mondelinge informatie.
En beide auteurs hebben één ding gemeen: ze vertellen het verhaal niet vanuit het standpunt van Pontius Pilatus. Ze vertellen een Joods verhaal, waarin de nadruk is gelegd op een tegenstelling tussen Joden en Romeinen. Die was er natuurlijk, maar je kunt er ook teveel in lezen. Josephus plaatst het incident aan het begin van Pilatus’ gouverneurschap en het is heel goed mogelijk dat we te maken hebben met nieuwe, in Italië gerekruteerde eenheden (Cohors II Italica Civium Romanorum en de Cohors I Augusta) die de plaatselijke gevoeligheden nog niet kenden. In elk geval zorgde Pilatus ervoor dat de schilden of standaards werden weggehaald. Keizer Tiberius lijkt zijn gouverneur de ongelukkige start niet kwalijk te hebben genomen, want hij handhaafde Pilatus nog tien jaar.
Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
De opstand van Tacfarinas (2)
augustus 5, 2025
Het vierkinderenrecht
februari 20, 2026
Lezen in de Oudheid
juni 1, 2025 Deel dit: #CaesareaMaritima #Caligula #FilonVanAlexandrië #FlaviusJosephus #HerodesAgrippaI #Jeruzalem #Judea #PontiusPilatus #Tiberius -
Jakobus de Rechtvaardige
De dood van Jakobus de Rechtvaardige (San Marco, Venetië)Het leiderschap van de sicariërs, een stroming binnen het jodendom, was in handen van de afstammelingen van Judas de Galileeër; als leiders van de farizeeën komen we de familie van Gamaliël tegen; je zou van de op Jezus van Nazaret teruggaande stroming dus eveneens verwachten dat zijn verwanten er grote invloed hadden. En zo is het inderdaad. Het Nieuwe Testament noemt Jezus’ broer Jakobus als een leider van de vroege christelijke gemeenschap . Mogelijk oefende ook een broer Judas gezag uit. Op gezag van de tweede-eeuwse auteur Hegesippos weten we dat ook Judas’ kleinzonen nog een rol speelden. Ik blogde daar al eens over en ik laat het nu rusten.
Ik wil het hebben over Jakobus, die in de vroegchristelijke literatuur bijnamen heeft als “broer van de Heer” en “de Rechtvaardige”. Hij wordt ook wel “de Mindere” genoemd, misschien om hem te onderscheiden van de Jakobus die een van de Twaalf was (en die wordt vereerd in Santiago de Compostela). In elk geval: Jezus had een broer die Jakobus heet en die in het Marcus-citaat waarover ik vorige week blogde, in één adem wordt genoemd met Joses, Judas, Simon en een onbepaald aantal zussen.noot Marcus 6.3.
Deze Jakobus zou dus een leider zijn geweest van de vroege kerk, en meer in het bijzonder: in Jeruzalem. Dat is opmerkelijk, want de familie kwam uit Galilea. De verklaring zou kunnen zijn dat men op de naderende Jongste Dag in de heilige stad wilde zijn, maar dat is hypothetiscj. De apostel Paulus ontmoette Jakobus daar enkele keren. In de Brief aan de Galaten vertelt Paulus dat hij drie jaar na zijn bekering Petrus ging opzoeken en toen ook de apostel Jakobus, de broer van de Heer, ontmoette.noot Galaten 1.17. “Apostel” betekent hier niet “een van de Twaalf”, maar verwijst naar één van de velen die door Jezus waren uitgezonden om zijn leer ook elders te verkondigen. Logisch dus dat Paulus toevoegt dat hij geen van hen was tegengekomen in Jeruzalem.
Paulus noemt in dezelfde Galatenbrief Jakobus met Petrus en Johannes “de drie zuilen van de kerk”.noot Galaten 2.9. Met hen zou hij later zijn overeengekomen dat zij de leer van Jezus zouden verkondigen aan de Joden en dat Paulus en Barnabas het zouden doen bij andere volken. Dit wordt in iets andere termen bevestigd door de Handelingen van de Apostelen, waar we lezen over een vergadering van de vroege christenen, die tot dezelfde beslissing komt.noot Handelingen 15.
Dat Jakobus zeer hoog in aanzien stond bij de eerste gelovigen, blijkt ook uit het zogeheten Evangelie van de Hebreeën, waarin de opgestane Christus als eerste verschijnt aan zijn broer. Deze tekst is weliswaar vrij jong, maar documenteert de blijvende herinnering aan het leiderschap van Jakobus.
Rechtvaardiging
De Handelingen en de brieven van Paulus hebben vooral betrekking op de prediking onder de andere volken, maar we beschikken over een Brief van Jakobus die lijkt weer te geven wat Jezus’ broer dacht over precies datgene waar Paulus iets nieuws introduceerde, namelijk de rechtvaardiging door het geloof in Christus. Volgens de auteur is dat onvoldoende – echt geloof blijkt uit goede werken. Daar laat ik het verder even bij, want ik heb het er al eens over gehad.
Ik leg in dat eerdere blogje trouwens ook uit dat een van de argumenten tegen authenticiteit veronderstelt dat iemand uit Galilea niet zulk goed Grieks zou kennen. Wat een onbewezen aanname is en bovendien een tikkeltje hovaardig – alsof wij de oude taal beter zouden kennen dan de mensen uit de Oudheid. Taalkundigen kunnen héél veel, en dat schrijf ik zonder ironie, maar ik zou zelf toch niet zo stellig zijn. In elk geval: er is dus discussie over de authenticiteit van de Brief van Jakobus, en volgende week kom ik daar nog eens op terug.
Dood
De Joodse geschiedschrijvers Flavius Josephus vertelt over de dood van Jakobus in het jaar 62. Josephus zijnde Josephus gaat het verhaal natuurlijk vooral over de officiële leiders van de Joodse gemeenschap, en dus over de relatie tussen gouverneur en hogepriester. De gouverneur, Lucceius Albinus, kreeg een conflict met hogepriester Ananos II.
Deze Ananos meende handig te kunnen profiteren van de situatie dat [de oude gouverneur Porcius] Festus dood was en [de nieuwe gouverneur] Albinus nog onderweg was. Hij riep een vergadering van rechters bijeen en liet daar de broer van de Jezus die Christus genoemd wordt — de man heette Jakobus — alsmede enkele anderen voorleiden. Hij beschuldigde hen ervan dat ze de Wet hadden overtreden en leverde hen uit om gestenigd te worden. De groepering echter van degenen van wie iedereen in de stad vond dat ze zich precies aan de Wet hielden en die op grond daarvan zeer goed aangeschreven stonden [de farizeeën], nam de zaak hoog op. Ze stuurden in het geheim een vertegenwoordiging naar de koning [Herodes Agrippa II] om er bij hem op aan te dringen Ananos te gelasten zich voortaan van dergelijke acties te onthouden. Het was namelijk niet de eerste keer dat hij over de schreef was gegaan. … Voor koning Agrippa vormde de zaak aanleiding Ananos als hogepriester te ontslaan – hij is drie maanden in functie geweest.noot Josephus, Joodse Oudheden 20.200-203; vert. Wes/Meijer.
Een latere auteur, Clemens van Alexandrië, meende dat Jakobus van de tempelmuur af was gegooid, en daarna was gedood. Dit hoeft niet per se in strijd te zijn met wat Josephus schrijft, omdat de beulen bij een steniging willen dat het slachtoffer stil blijft liggen: de ongelukkige wordt dus ingegraven of men breekt hem de benen – door hem van een tempelmuur te werpen. Ik denk overigens dat we de latere bronnen beter allemaal kunnen negeren, al heb ik, zoals u al merkte, een zwak voor Hegesippos.
Terug naar de anekdote van Josephus. Die is waanzinnig interessant. Om te beginnen vertelt ze iets over de problemen in het dagelijks bestuur van een provincie, waarin lokale gezagdragers niet altijd deden wat Rome wou. De anekdote identificeert verder de enige sadducee die we kennen, namelijk Ananos, die tijdens de Joodse Opstand leiding zou geven aan de provisorische regering in Jeruzalem. Het is verder opvallend dat Josephus, die een hekel had aan de farizeeën, weigert hen te noemen. En tot slot: de passage bewijst dat Jakobus gold als jood en dat andere joden verontwaardigd waren over de wijze waarop hij was aangepakt. In het jaar 62 was er nog geen sprake van dat de wegen van joden en christenen uiteen zouden gaan.
[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]
Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.
Zelfde tijdvak
De vogel Feniks
april 24, 2023
De dood van de messias (4)
maart 30, 2018
Het Romeinse platteland
mei 5, 2017 Deel dit:#AnanosII #Barnabas #BriefAanDeGalaten #BriefVanJakobus #ClemensVanAlexandrië #EvangelieVanDeHebreeën #farizeeën #FlaviusJosephus #HandelingenVanDeApostelen #Hegesippos #HerodesAgrippaII #JakobusDeRechtvaardige #Jeruzalem #LucceiusAlbinus #NieuweTestament #Paulus #Petrus #PorciusFestus #steniging
-
Hoe vroeg is het Johannes-evangelie?
(Mar Tadros, Behdidat)Ik kreeg vragen over een podcast waarin iemand zou hebben verteld dat het Johannes-evangelie ouder was dan aangenomen. En het bleef niet bij één of twee vragen: inmiddels zijn het er negentien. Alle reden om me in de materie te verdiepen.
Een vroeg Johannes-evangelie
Eerst even dit: de Ongelooflijke Podcast is al vijf jaar een vast item van de Evangelische Omroep en daarin behandelen David Boogerd en Stefan Paas, zoals u al vermoedde, vragen over religie. Rond Pasen lieten ze Cambridge-hoogleraar Geurt Henk van Kooten aan het woord, die kwam vertellen dat het Johannes-evangelie niet, zoals gebruikelijk, moet worden gedateerd aan het einde van de eerste eeuw na Chr., maar vóór de verwoesting van Jeruzalem in 70. Het argument is dat de evangelist spreekt over het Betzata-badhuis in de tegenwoordige tijd.noot Johannes 5.2.
Als deze claim klopt, zo impliceerde Van Kooten, is niet het Marcus-evangelie (met Jezus als maar al te menselijke man van smarten) de oudste biografie van Jezus, maar het Johannes-evangelie, dat een zogeheten “hoge christologie” heeft. Johannes’ Jezus is god, of minimaal een god. De makers van de podcast speculeren verder over de mogelijkheid dat de auteur een ooggetuige is geweest en noemen de ontdekking een game-changer.
Scepsis
Omdat ik zoveel vragen kreeg, wilde ik het wetenschappelijke artikel, dat wel door de peer review is maar nog niet in New Testament Studies is gepubliceerd, eens lezen, maar de podcastmakers wisten niet of Van Kooten het zou waarderen als ze het Word-document deelden. Navraag leerde dat ook de redactie van Trouw, die eveneens over de theorie berichtte en er commentaar op had, het artikel niet heeft ingezien. Dat maakt het lastig om de vragen te beantwoorden die de podcast oproept. We moeten het doen met een onderhoudend podcastgesprek en we moeten maar vertrouwen op de peer review.
En daar begint de schoen te wringen. Wetenschapsjournalisten zouden de peer review niet moeten hoeven herhalen. De oudheidkundige disciplines zijn echter verdeeld en veel tijdschriften hebben een te eenzijdig samengestelde redactie. De “editorial board” van New Testament Studies is filologisch en theologisch van aard; ik kon geen archeoloog ontdekken. Een tweede probleem: we hebben te maken met de archeologie van Israël, en ik heb al vaker aangegeven dat daar weleens iets verkeerd gaat. Derde probleem: de podcast schiet stromannen omver. Zo wordt het lezen van het Nieuwe Testament als normale antieke tekst gepresenteerd als “een radicaal voorstel”. Het is natuurlijk volkomen gangbaar. Zie ook onder Wettstein, J.J.
Ik wil graag de peer review kunnen vertrouwen. Denk aan mijn gaffe over Sponsianus, denk aan mijn aanvankelijk kritiekloze optimisme rond de ontdekking van de Sapfo-fragmenten. Er is echter een punt waar zelfs de meest goedgelovige blogger de wetenschap het nadeel van de twijfel gaat geven. Bij de oudheidkunde is dat punt bereikt. Het vak is te verdeeld om nog veel waarde te kunnen hechten aan de peer review, er zijn teveel belangen, er zijn teveel misleidende presentaties. Ik mocht onlangs de problemen uitleggen in De Volkskrant.
De archeologie
Laat ik nu de vragen beantwoorden. De eerste daarvan is: weten we zeker dat dat badhuis was verwoest? De bedenkingen zijn niet onredelijk. Het compleet verwoesten van een stad is immers een verworvenheid van de twintigste eeuw en antieke beschrijvingen van verwoeste steden zijn doorgaans overdreven – ik denk aan Karthago, dat verwoest zou zijn maar waar de Romeinse generaal Gaius Marius desondanks een huis betrok. We weten bovendien dat Jeruzalem minimaal gedeeltelijk bewoond is gebleven: het was de basis van het Tiende Legioen Fretensis. Zowel legioenbases als de castella van de Romeinse hulptroepen hadden een badhuis, dus de aanname dat Betzata in gebruik is gebleven, is niet onredelijk.
Ik begrijp van Stefan Paas dat Van Kooten de opgravingsrapporten van Ronny Reich, Yuval Baruch, Gideon Avni en Hillel Geva heeft geraadpleegd, die stellen dat dit deel van Jeruzalem verlaten is geweest. Ik kan niet achter de academische betaalmuren, maar een bevriende archeoloog oppert dat dit een verwijzing is naar de bundels Unearthing Jerusalem (2011) en Ancient Jerusalem Revealed (2019). In de eerste bundel wijdden Reich en Geva hoofdstukken aan de keizertijd, maar die gaan niet specifiek over de verwoesting. Avni is specialist in Byzantijns Jeruzalem. Reich en Baruch schreven in de tweede bundel over de Davidsstad, in het zuidoosten van Jeruzalem. Een publicatie over Betzata in het noordoosten van de oude stad konden we niet vinden.
Maar zelfs als het noordoosten van Jeruzalem na 70 was verlaten, zegt dat niets over het badhuis. Paas vertelt dat Van Kooten wijst op de verslagen van onder andere de christelijke auteur Eusebius, die bevestigen dat de zuilengangen rond Betzata waren verdwenen. In de tussentijd had keizer Hadrianus echter de stad herbouwd en het recyclen van oude zuilen zou niet vreemd zijn geweest.
Ik zou deze tegenwerpingen niet formuleren als Van Kooten in de podcast niet zou hebben verteld dat de universiteit van Haifa nog volop onderzoek aan het doen is. Met andere woorden, eigenlijk hebben we vooralsnog geen harde conclusies over Betzata. Ik zou het artikel én het nog te verschijnen rapport uit Haifa moeten zien om te weten of het badhuis na 70 wel of niet in gebruik of zichtbaar was. Uw vragen hierover kan ik dus niet beantwoorden.
“Er is”
Maar laten we aannemen dat Betzata behoorde tot de na 70 niet langer bestaande delen van de oude stad. Van Kooten stelt dat het feit dat Johannes er in de tegenwoordige tijd over spreekt, bewijst dat het er nog was toen hij schreef, en dat Johannes dus schreef voor 70.
Omdat ik het artikel niet heb gelezen, kan ik alleen vermoeden dat Van Kooten denkt aan ἔστιν δέ of misschien ἔστιν, wat allebei zoiets betekent als “er is”. In elk geval gaat het volgens Van Kooten om een formulaire uitdrukking. In de vijfendertig gevallen die hij volgens de podcast heeft gevonden blijkt het te gaan om iets dat er is op het moment dat de auteur schrijft. Ik zou de argumentatie in detail willen zien, want in elk geval Herodotos is in staat om dit te gebruiken voor zijn fictieve beschrijving van Babylon.noot Herodotos, Historiën 1.183. Misschien gebruikt Herodotos die formulering echter wel om betrouwbaarheid te suggereren, dus dan is dit geen argument. Nogmaals: ik zou het artikel willen lezen.
De podcastmakers opperen dat de evangelist gebruik kan hebben gemaakt van een oudere bron. Hij zou de stad zelf niet hebben gekend en dus ten onrechte een tegenwoordige tijd hebben gebruikt. Dat vond ik een plausibel argument; zie opnieuw Herodotos over een Babylon dat hij niet kende. Van Kooten wierp tegen dat het Johannes-evangelie duidelijk één auteur heeft gehad. Dit overtuigt mij niet. Ook als een tekst één auteur heeft, heeft die gebruik gemaakt van eerdere informatie. Flavius Josephus is ook de enige auteur van vier boeken, maar dat wil niet zeggen dat hij geen oudere bronnen benut.
Een jong Johannes-evangelie
Wie een stelling poneert, moet twee dingen doen: argumenten vóór aandragen en tegenargumenten weerleggen. En er zijn nogal wat tegenargumenten. Dat we Johannes gewoonlijk laat dateren, heeft zo zijn redenen. Van Kooten weerlegt in de podcast het (inderdaad moeilijk te verdedigen) tegenargument dat de uitgewerkte theologie duidt op een zeker verstrijken van tijd. Maar dat is niet het enige tegenargument.
Eén voorbeeld is dat Johannes regelmatig informatie uit andere evangeliën corrigeert. Ik heb er weleens op gewezen dat in het zinnetje “Jezus droeg zelf zijn kruis” het woordje “zelf” alleen zin heeft als je weet dat de auteur polemiseert tegen evangeliën waarin staat dat Simon van Kyrene het kruis droeg, m.a.w. Marcus en de twee daarvan afgeleide teksten.noot Johannes 19.17; Marcus 15.21. Er zijn vrij veel van dit soort voorbeelden en ik meen dat die zijn te vinden in het proefschrift In verhalen krijgt geschiedenis betekenis van Door Brouns-Wewerinke (2002), dat ik heb bezeten maar niet kan terugvinden.
Er zijn meer tegenargumenten waarom Marcus ouder is dan Johannes. Die ga ik vandaag niet allemaal behandelen. Je zult in elk geval, als je Johannes als oudste evangelist wil typeren, op die tegenargumenten een antwoord moeten formuleren. Tot nu toe heb ik dat niet gehoord. Zoals in de podcast ook is gezegd, zal de discussie nu gaan over de vraag of dit ene zinnetje, dit ene argument voor een vroege datering, opweegt tegen al die andere redenen om te kiezen voor een late datering.
Hype
Tot slot de vraag of dit werkelijk zo ingrijpend is. Is dit echt een game-changer? Welnee. Kom nou zeg. Het is oudheidkunde, waar ze het gebrek aan betrouwbare data compenseren door de meest uitzinnige claims.
Als Johannes vroeg zou moeten worden gedateerd, hebben we niet twee maar drie getuigen voor een vrij vroeg bestaan van de hier boven genoemde hoge christologie: het idee dat Jezus een meer dan menselijk wezen was. De apostel Paulus zag het zo, de anonieme dichter van een in de Brief aan de Filippenzen geciteerde hymnenoot Filippenzen 2. zag het eveneens zo, en daar kunnen we nu dan Johannes aan toevoegen. Dat is alles.
De hoge christologie is dus sowieso al vroeg gedocumenteerd. Wel is het zo dat Paulus en de dichter van de Filippenzen-hymne de goddelijkheid pas plaatsen na de opstanding, terwijl Johannes de goddelijkheid van Jezus al tijdens zijn aardse bestaan plaatst. Dat is een significant verschil, maar verandert ons inzicht in de joodse wereld niet. Zoals ik in mijn stukken over de Henochitische literatuur al heb aangegeven, was er gewoon een vacature van Tweede Persoon van de Heilige Twee-Eenheid; dat Jezus die vacature vervulde, blijft zoals het was. Dat dit Jezus’ zelfbeeld is geweest, zoals in de podcast even aangestipt, is in elk geval geen nieuwe gedachte. Dat dit een game-changer zou zijn, lijkt mij een gevalletje oudheidkundige standaardoverdrijving.
Voor ik ga afronden wijs ik nog op een aspect dat in de podcast wat wordt weggemoffeld: als Johannes vroeg is, is ook het anti-joods gevoelen in het christendom vroeg. Dat is geen fijne constatering. En eerlijk gezegd geloof ik dat ook niet. Voor het ontstaan van zulke gevoelens was een verwoesting van de tempel, een heroriëntatie binnen het jodendom en rivaliteit met andere joodse groepen nodig. Het anti-joodse karakter van het Johannes-evangelie lijkt me beter te passen in de laat-eerste-eeuwse wereld van de Birkat haMinim en de Fiscus Judaicus.
Twee conclusies
Enfin. Zoals de podcast al aangeeft, zal er nogal wat discussie zijn. En dat is goed zo. Maar wel denk ik alvast te mogen concluderen dat dit echt geen game-changer is. Nieuw is de gedachte ook niet: in Groot-Brittannië zijn meer wetenschappers geweest die het Johannes-evangelie beschouwen als vroeg.
Mijn tweede conclusie: het is beter als de media pas aandacht besteden aan een theorie als er een publicatie ligt die we kunnen inzien. Dit mag dan geen pseudowetenschappelijke paashoax zijn, het is onverstandig Pasen te benutten om ontransparante informatie te verspreiden. Ik moet nu vragen beantwoorden zonder dat ik de antwoorden kennen kan. Dit is geen fijne manier om wetenschap te moeten uitleggen.
[Een overzicht van de blogjes over het Nieuwe Testament is hier.]
Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.
Zelfde tijdvak
Seneca en Paulus
oktober 29, 2023
XIII Gemina (1)
maart 13, 2024
Hemelvaart
mei 14, 2023 Deel dit: #Betzata #BriefAanDeFilippenzen #christologie #DavidBoogerd #Davidsstad #DoorBrounsWewerinke #EusebiosVanCaesarea #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanMarcus #evangelist #GeurtHenkVanKooten #Hadrianus #hype #Jeruzalem #JohannJakobWettstein #peerReview #StefanPaas #XFretensis