home.social

#nieuwe-testament — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #nieuwe-testament, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Roepen in de woestijn

    Rechte weg in de woestijn

    Zo nu en dan schuif ik aan bij mijn goede vriend Richard, die van alles weet over van alles, zodat een gesprek altijd ergens over gáát, en die verder ook nog een van de aardigste mensen is die ik ken, zodat een gesprek ook altijd gezellig is. En onlangs attendeerde hij me op iets grappigs in het Evangelie van Marcus. Dat begint als volgt.

    Er staat geschreven bij de profeet Jesaja: “‘Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal je een weg banen. Een stem roept in de woestijn: ‘Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden!’”

    En zo is het gebeurd toen Johannes ging dopen in de woestijn en de mensen opriep tot inkeer te komen en zich te laten dopen.noot Marcus 1.2-4; NBV21.

    De woorden die de evangelist toeschrijft aan Jesaja, kloppen niet, vertelde Richard me. Om te beginnen is “Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal je een weg banen” een citaat uit een heel ander Bijbelboek, namelijk Maleachi.noot Maleachi 3.1. Maar dat is niet het enige. Hier is het tweede deel, eerst Marcus en dan Jesaja:

    Marcus: Een stem roept in de woestijn: “Maak de weg van de Heer gereed.”

    Jesaja: Een stem roept: “Maak in de woestijn de weg gereed voor de Heer.”noot Jesaja 40.3.

    Anders gezegd, en in onze termen verwoord, Marcus heeft iets dat tussen aanhalingstekens stond, geciteerd alsof het vóór de aanhalingstekens stond. Zoiets is op zich niet zo heel erg vreemd, want men had in de Oudheid nog geen aanhalingstekens en ook al geen dubbele punten. Je kunt dit een fout noemen, al is het citaat in de huidige vorm gepaster om te verwijzen naar Johannes de Doper, die zijn werkzaamheden immers niet al te ver van de woestijn verrichtte. Je kunt dit dus ook een verbetering noemen, want de persoonlijkheidscultus rond de Originele Auteur bestond destijds nog niet, en antieke auteurs voelden zich vrij andermans woorden aan te scherpen. In elk geval: net als alle andere auteurs van het Nieuwe Testament citeert Marcus niet de Hebreeuwse tekst, maar de destijds gangbare Griekse Bijbelvertaling, de Septuaginta.

    Bij wijze van afronding attendeer ik erop dat ook Hubert Lampo’s beroemdste roman De komst van Joachim Stiller begint met wegwerkzaamheden in de Antwerpse Kloosterstraat.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Ik organiseer volgend voorjaar een reis naar Bulgarije. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De Didache

    juli 17, 2014
    Nog één keer dan: de limes (2)

    februari 19, 2019
    Limes en scepsis (4)

    september 30, 2016 Deel dit: #EvangelieVanMarcus #HubertLampo #Jesaja #JohannesDeDoper #Maleachi #NieuweTestament #RichardKroes #Septuaginta #woestijn
  2. Joodse en christelijke spijswetten

    Herders slachten een ram (Archeologisch museum, Split)

    De Dode Zee-rollen zijn een van de allerbelangrijkste oudheidkundige ontdekkingen uit de afgelopen eeuw, en binnen deze verzameling van bijna duizend boekrollen springt één tekst er echt uit: Enige Werken der Wet, ook wel bekend als 4QMMT. Niet alleen wordt hier duidelijk wat “werken der Wet” zijn – niet de “goede werken”, zoals Luther dacht, maar een ethnic marker voor wie joods is – maar ook toont deze tekst dat een schisma in de joodse wereld zich voltrok over de wijze waarop iemand zich aan de Wet van Mozes moest houden, de halacha. Anders gezegd: hoe ga je om met de diverse reinheidsvoorschriften, sabbatsregels en spijswetten?

    Integratie van de joden in de grotere wereld

    Rond het begin van onze jaartelling was de algemene tendens in het jodendom er een naar grotere openheid. Dat is al te vinden in de jongere delen van Jesaja, waar de tempel in Jeruzalem een “huis voor alle volken” heet.noot Jesaja 56.7. De vroege hellenistische tijd zag verdere integratie van de Joden in de grotere wereld. Dat veranderde enigszins rond 100 v.Chr., toen de Makkabeeënopstand, die ruim een halve eeuw eerder had plaatsgevonden, werd uitgelegd als verzet tegen de hellenisering – een perspectief dat eerder eigenlijk wat marginaal was geweest en ook na 100 v.Chr. bepaald niet het enige was. Toen koning Herodes de Grote de tempel herbouwde, was er ook ruimte voor niet-joden, al was het op enige afstand.

    De wereld van het Nieuwe Testament kent echter wel spanning tussen joods en niet-joods. Ik vind het zelf heel significant dat in het Evangelie van Marcus een legioen kwade geesten zich van een geesteszieke verplaatst naar een toom varkens, die zichzelf vervolgens in een meer verdrinkt.noot Marcus 5.1-13. Het is moeilijk dit niet als anti-Romeins te lezen, maar het is tegelijk wel de stille spot van mensen die de zaken niet op het spits willen of kunnen drijven. Daarnaast is er in ditzelfde evangelie de vriendelijke conversatie tussen Jezus en een vrouw uit de Fenicische havenstad Tyrus.noot Marcus 7.24-30.

    De in 66 na Chr. uitgebroken oorlog tussen Joden en Romeinen heeft het perspectief geplaatst op de tegenstelling tussen de twee vijanden, wat natuurlijk logisch is. Er waren echter volop andere stemmen. De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus zag geen onoverbrugbare tegenstelling, zijn politieke leider Herodes Agrippa II vond samenwerking ook ideaal. Maar assimilatie was voortaan moeilijker, al zie je het in de Mishna terugkeren: de collectie rabbijnse wijsheid is te lezen als een handboek over de wijze waarop joods leven mogelijk was in een wereld zonder Joods politiek gezag.

    Paulus

    Het is in deze context dat we Paulus moeten plaatsen. En hij heeft de Wet van Mozes óf compleet afgeschaft (als we de Brief aan de Galaten het belangrijkste vinden) óf het belang ervan sterk genuanceerd (volgens de Handelingen van de Apostelennoot Handelingen 15.20.). De Eerste Brief aan de Korintiërs bevat een heel duidelijke passage over het eten van vlees dat niet is geslacht volgens de joodse spijswetten, die hij dus minder belangrijk vond:

    U mag alles eten wat er in de vleeshal wordt verkocht; u hoeft niet omwille van uw geweten na te gaan waar het vandaan komt. Immers: “Van de Heer is de aarde en alles wat daar leeft.” Wanneer een ongelovige u uitnodigt om bij hem te komen eten en u neemt zijn uitnodiging aan, kunt u rustig alles eten wat u aangeboden wordt. Het is niet nodig dat u omwille van uw geweten vraagt waar het vandaan komt.noot 1 Korintiërs 10.25-27; NBV21.

    Met deze relativering, of opschorting, of abrogatie, of beëindiging van de joodse spijswetten neemt Paulus bepaald geen ongebruikelijk standpunt in. De Babylonische Talmoed bevat bijvoorbeeld een discussie over het eten van niet-ritueel-geslacht vlees, waarin de vroeg vierde-eeuwse rabbi Abba ben Joseph bar Hama (kortweg Raba) verdedigt dat een jood alle vlees mag eten. De rabbijnen bespreken vervolgens hoe de Joodse koning Josafat had gedineerd bij de afvallige koning van Israël, Achab, en bediscussiëren vervolgens de mogelijkheden dat Josafat wel aanzat maar niet at, of dat hij wel at maar het vlees liet staan. Ze stellen echter vast dat Josafat zich het onreine vlees niet ontzegde, en daarmee is de zaak beklonken.noot Babylonische Talmoed, Chullin 4b; 2 Kronieken 18.2.

    Kortom, Paulus zegt weinig opzienbarends: het relativeren van de Wet past in zijn tijd en past ook in het latere jodendom. Maar, zegt hij, wees tactvol.

    Wanneer iemand u er dan op wijst dat u vlees eet dat aan zijn goden is gewijd, laat het dan staan omwille van hem.noot 1 Korintiërs 10.28.

    Dit gaat dus om iemand die meer waarde hecht aan de spijswetten. Je kunt je afvragen, vanuit ons eigen tijdgewricht, of je wel concessies moet doen aan mensen die van anderen verlangen dat ze rekening houden met religieuze voorschriften die de hunne niet zijn. Feit is in elk geval

    • dat Paulus rekening wilde houden met mensen die de spijswetten wilden blijven volgen,
    • dat zowel de Handelingen van de Apostelen als de Romeinse auteur Plinius de Jongere documenteren dat er nog ruim een halve eeuw christenen waren die de spijswetten serieus namen,noot Handelingen 15.20; Plinius de Jongere, Brief 10.96.
    • dat uiteindelijk de spijswetten uit het christendom zijn verdwenen,
    • dat in de vierde eeuw rabbijnen discussieerden over de vraag bij welke slager een jood z’n vlees mocht halen.

    Een schisma voltrok zich in de joodse wereld over de wijze waarop mensen zich aan de Wet van Mozes moesten houden, maar de discussies konden lang duren.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #4QMMT #AbbaBenJosephBarHama #Achab #BabylonischeTalmoed #EersteBriefAanDeKorintiërs #EnigeWerkenDerWet #ethnicMarker #Josafat #Mishna #NieuweTestament #Paulus #PliniusDeJongere #slager #spijswetten #vlees #WetVanMozes
  3. Wanneer is Paulus geboren?

    Een middeleeuwse afbeelding van de hebdomaden

    Twee weken geleden blogde ik over de theorie van Jerome Murphy-O’Connor en Fik Meijer dat de apostel Paulus niet afkomstig was uit Tarsos, zoals aangegeven in de Handelingen van de Apostelen, maar uit Gischala in Galilea. Dat baseren ze op een laat-vierde-eeuwse bron,  Hieronymus. De Nederlandse oudheidkundige Paul Leunissen stuurde me een artikel waarin hij uitlegde waarom dit niet plausibel was. De opmerking van Hieronymus biedt echter meer informatie dan alleen over een (niet) mogelijke geboorteplaats.

    Ze zeggen dat de ouders van de apostel Paulus afkomstig waren uit Gischala, een landstreek in Judea, en dat zij, toen de hele provincie (tota provincia) door de Romeinen verwoest werd en de Joden verspreid werden over de wereld, werden overgebracht naar Tarsos, een stad in Cilicië, en dat de jonge Paulus de omstandigheden van zijn ouders is gevolgd.noot Hieronymus, Commentaar op Philemon 23-24.

    Verwoeste provincie

    Als we zouden kunnen weten wanneer “de hele provincie door de Romeinen verwoest werd en de Joden verspreid werden over de wereld”, hadden we een aanwijzing voor de geboortedatum van Paulus. Het probleem is dat de geboden informatie in de huidige vorm onmogelijk waar kan zijn en dat we hulphypothesen moeten inroepen voordat we überhaupt met dit fragmentje aan de gang kunnen.

    Gischala lag namelijk niet in Judea maar in Galilea, waar achtereenvolgens Herodes de Grote (tot 5/4 v.Chr.), Herodes Antipas (tot 39 na Chr.) en Herodes Agrippa I (tot 44 na Chr.) regeerden. Dit was géén Romeinse provincie. De enige mogelijke hulphypothese is dat Hieronymus zich bezondigt aan zowel een topografische fout als een anachronisme, en dat werpt een zeker licht op de kwaliteit van de rest van zijn informatie. De eerste keer dat Romeinse troepen hun eigen provincie verwoestten, was tijdens de Joodse Opstand.

    Aannemend – aannemend dus, een hulphypothese inroepend – dat Hieronymus bedoelt dat de Romeinen Galilea onder de voet hebben gelopen vóór het een provincie was, komen verschillende momenten in aanmerking:

    Meijer kiest voor 4 v.Chr. en plaatst Paulus’ geboorte iets eerder. Leunissen merkt op dat daarvoor geen enkel positief argument valt aan te dragen. Zelf heeft Leunissen een ander argument om Paulus’ geboortejaar vast te stellen. Paulus noemt dat zelf.

    Een negentiende-eeuwse afbeelding van de hebdomaden

    Hebdomaden

    Even terug. In de voorindustriële wereld kende men het idee dat een mensenleven bestond uit een aantal fasen van elk zeven jaar. Ik ken het idee onder de naam hebdomadenleer (“zeventallenleer”) en u kent allemaal het plaatje van de “trap des ouderdoms” wel dat ik hierboven plaatste; het bestaat in allerlei varianten. Het denkbeeld van fasen van elk zeven jaar, is al in de vroege zesde eeuw v.Chr. te vinden bij Solonnoot Fragment 27 (ed. West) = 23 Gentili-Prato. en – zo lees ik bij Leunissen – was ook in de hellenistisch Joodse wereld bekend, bijvoorbeeld bij Filon van Alexandrië.

    Gegeven de algemene bekendheid mogen we dit gebruiken bij de analyse van het Nieuwe Testament. De evangelist Matteüs gebruikt bijvoorbeeld de eerste van die leeftijden, paidion (“kleuter”), in het verhaal over de wijzen uit het oosten; ik blogde er al eens over dat het daar genoemde kind een stuk ouder was dan de baby die Lukas’ herders zien – maximaal zeven jaar oud. Leeftijdsaanduidingen doen ertoe.

    Paulus’ leeftijden

    Voor ons relevant zijn andere termen. Om te beginnen neanias, “jonge man”. Dit is iemand tussen de eenentwintig en achtentwintig jaar. Met dit woord wordt Paulus, die toen nog Saul heette, aangeduid als hij aanwezig is bij de steniging van Stefanus, die plaatsvond in het midden van de jaren dertig.noot Handelingen 7.58.

    Een tweede woord is presbytès, wat slaat op iemand tussen de negenenveertig en zesenvijftig. Paulus gebruikt dit woord zelf in zijn Brief aan Filemon,noot Filemon 9. die hij heeft geschreven terwijl hij gevangen zat. Dat kan in de tweede helft van de jaren vijftig in Caesarea zijn geweest of eventueel in Rome, rond 60.

    Paulus’ hebdomaden (klik=groot)

    Met dateringen “in het midden van de jaren dertig”, “tweede helft van de jaren vijftig” en “rond 60” neem ik wijdere marges dan Leunissen, die bijvoorbeeld de executie van Stefanus plaatst in precies 36. Dat maakt verder niet uit: hier is een tabel zoals ook Leunissen construeert. De linkse kolom geeft jaren na Chr. aan, met in groen de jaren waarin Stefanus’ terechtstelling en de gevangenschap zijn te plaatsen; de andere kolommen geven Paulus’ ouderdom aan, gebaseerd op diverse beginjaren, met in geel steeds de jaren waarin Paulus neanias en presbytès zou zijn geweest.

    Leunissen concludeert dat Paulus ergens tussen 5 en 7 na Chr. zal zijn geboren. Ik neem wat wijdere marges en sluit daarom latere geboortejaren niet uit. Er is veel ruimte voor aarzeling en onzekerheid. Ik denk echter dat Leunissen gelijk heeft als hij concludeert dat Paulus een decennium later is geboren dan Meijer op basis van Hieronymus wil aannemen.

    Literatuur

    Paul Leunissen, “Was Paulus afkomstig uit Palestina en even oud als Jezus?”, in: Lampas 58/3 (2025) 263ff.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #BriefAanFilemon #FikMeijer #FilonVanAlexandrië #GamaliëlI #HandelingenVanDeApostelen #hebdomaden #HerodesAgrippaI #HerodesAntipas #HerodesDeGrote #Hieronymus #NieuweTestament #PaulLeunissen #Paulus #PubliusQuinctiliusVarus #PubliusSulpiciusQuirinius #Solon #Stefanus
  4. Bleef Paulus in Rome? (1)

    De sarcofaag die sinds de tweede eeuw (?) wordt aangewezen als graf van Paulus

    Omdat ik op zondag graag blog over het Nieuwe Testament, schrijf ik vandaag weer over de apostel Paulus. Die maakte verschillende reizen, waarvan verslag wordt gedaan in de Handelingen van de Apostelen. In zijn eigen brieven verwijst Paulus ook wel naar die reizen. De Handelingen eindigen met zijn aankomst in de stad Rome, waar hij moest wachten op de behandeling van het hoger beroep in een rechtszaak; dat duurde blijkbaar twee jaar.noot Handelingen 28.30. Omdat bekend is dat Paulus contact heeft gehad met gouverneur Festus en koning Herodes Agrippa II, die we scherp kunnen dateren, mogen we aannemen dat Paulus op z’n laatst in het voorjaar van 61 arriveerde in Rome. In zijn Brief aan de Romeinen vertelt Paulus dat hij van plan is verder te reizen naar Spanje.noot Romeinen 15.23-24. Hij zou in het voorjaar van 63 zijn reis dus hebben kunnen voortzetten.

    Het graf van Paulus

    Heeft hij die reis werkelijk gemaakt? Tja. De christelijke traditie wil dat hij is onthoofd ten tijde van Nero’s vervolging van de christenen in Rome. Paulus’ graf wordt even buiten het historisch centrum aangewezen, in de door keizer Constantijn de Grote gebouwde Sint-Paulus buiten de Muren (ook wel: “buiten de veste”). Daar hebben archeologen in 2002-2003 de ruimte rond het graf onderzocht. In de oudste fase, dus ten tijde van Constantijn, lag het graf in de apsis, maar in 390 lieten de toen regerende keizers Theodosius I, Arcadius en Valentinianus II de kerk compleet herbouwen. De aanleiding was vermoedelijk wateroverlast.

    Er kwam een nieuw, hoger niveau, waar de sarcofaag kwam te staan in een kistvormig marmeren altaar. Aan de korte zijde was het opschrift PAULO te lezen en aan de lange zijde APOSTOLO MART(yri). Rond het midden van de vijfde eeuw verhoogde paus Leo I de vloer opnieuw, liet de sarcofaag waar die was, en bouwde een nieuw, hoger altaar, waarbij de marmerplaten met inscriptie het tafelblad vormden. Een volgende verhoging volgde rond 600, ten tijde van paus Gregorius I de Grote, die een compleet nieuw altaar bouwde boven op het voorafgaande. Dit was een echte tafel, met tussen de poten het tafelblad-met-oudere-inscriptie van paus Leo, en daar onder de sarcofaag.

    Tussen 2003 en 2009 is het botmateriaal in die sarcofaag gedateerd aan de hand van de koolstofmethode en het zou gaan om iemand uit de eerste of tweede eeuw.noot Ik had graag het rapport gezien, maar kan het online niet vinden. Dat is een te wijde foutenmarge om vast te stellen dat het gaat om iemand die in het derde kwart van de eerste eeuw is overleden. Om het erger te maken is er sindsdien een herziening van de kalibratiecurve geweest (“IntCal20”), die én de marge verbreedde én alles iets recenter plaatste. Als je eerst een kans had van 66% op een datering in de tweede helft van de eerste eeuw, is nu na kalibratie de kans 66% op een datering tussen pakweg 75 en 200 na Chr. Het gebeente zou nog steeds dat kunnen zijn van Paulus, maar dat is inmiddels wel een stuk minder waarschijnlijk dan in 2009. Om eerlijk te zijn: niet waarschijnlijk.

    De huidige uitleg in de kerk noemt wel de kans op datering volgens de oorspronkelijke kalibratie, maar niet de huidige. Dat is misleidend, maar soit: het gaat bij heiligenverering niet om wetenschap. Het archeologisch onderzoek biedt echter geen aanwijzing dat Paulus na zijn gevangenschap in Rome is gebleven.

    [Wordt vervolgd. Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #ConstantijnDeGrote #GregoriusIDeGrote #kalibratie #koolstofdatering #martelaarschap #Nero #NieuweTestament #Paulus #PausLeoI #Rome #SintPaulusBuitenDeMuren
  5. De geboorteplaats van Paulus

    Tarsos

    Wie ooit Jeruzalem heeft bezocht, kent pater Jerome Murphy-O’Connor, de auteur van de enthousiasmerende archeologische reisgids waarmee duizenden bezoekers hun bezoek aan de stad diepgang gaven. Wat je ook denkt van de archeologie in Israël, met Father Jerry was het in elk geval nooit saai. Dat geldt ook voor zijn hypothese dat de apostel Paulus niet afkomstig zou zijn uit de stad Tarsos in Cilicië maar uit Gischala in Galilea.

    Hieronymus’ alternatief

    Dat idee is op het eerste gezicht wat vreemd. In zijn eigen brieven noemt Paulus zijn vaderstad weliswaar niet, maar de auteur van de Handelingen van de Apostelen, “Lukas”, vermeldt Tarsos herhaaldelijk. Lukas’ Paulus identificeert zichzelf bijvoorbeeld als “Ik ben een Jood uit Tarsos in Cilicië, burger van een niet onbelangrijke stad.”noot Handelingen 21.39; NBV21. Vgl. Handelingen 9.11 en 22.3. Nu wijkt het beeld van Paulus in de Handelingen weleens af van dat in Paulus’ eigen brieven, dus enige twijfel is gerechtvaardigd – zoals bij alle antieke teksten. Dat legitimeert dat Murphy-O’Connor serieus omzag naar een opmerking in Hieronymus’ laatantieke commentaar op Paulus’ Brief aan Filemon. Hier is de vertaling van Paul Leunissen, die me een tijdje geleden een artikel toestuurde dat hij aan de kwestie had gewijd.

    Ze zeggen dat de ouders (parentes) van de apostel Paulus afkomstig waren uit Gischala, een landstreek in Judea, en dat zij, toen de hele provincie door de Romeinen verwoest werd en de Joden verspreid werden over de wereld, werden overgebracht naar Tarsos, een stad in Cilicië, en dat de jonge Paulus de omstandigheden van zijn ouders is gevolgd.noot Hieronymus, Commentaar op Philemon 23-24.

    Gischala is geen landstreek maar een stad, maar wellicht heeft Hieronymus deze traditie, die hij typeert als fabula, “vertelsel”, gehoord in het Aramees, waarin, zoals in meer antieke talen, het onderscheid niet bestaat en het woord mdynh beide betekenissen heeft.noot Dit is ook het woord dat de samenstellers van de Peshitta gebruikten bij hun vertaling van de Handelingen. Hieronymus, die wist dat in Handelingen iets anders stond, lijkt de traditie intrigerend genoeg te hebben gevonden om haar niet te willen onderdrukken. De informatie kwam dan ook uit een goede bron: vrijwel zeker de geleerde christelijke auteur Origenes. Dat maakt het vertelsel niet per se betrouwbaar, maar betekent wel dat je er even serieus naar kijkt. Zoals Hieronymus deed, zoals Murphy-O’Connor deed, en zoals Fik Meijer deed.

    Een hypothese

    De laatste achtte het goed mogelijk dat Paulus’ door soldaten gevangengenomen ouders via Akko en de slavenmarkt van Antiochië belandden in het huishouden van een Romeins burger in Tarsos, die hen zou hebben vrijgelaten en Paulus’ vader zou hebben voorzien van Romeins burgerrecht, dat deze aan zijn zoon zou hebben doorgegeven. Leunissen typeert dit als hypothesenaccumulatie.

    Zelf vraag ik me af of het mogelijk is, aangezien de jurist Gaius expliciet schrijft dat een krijgsgevangene na vrijlating nooit Romeins burgerrecht verwierf.noot Gaius, Handboek Romeins Recht 1.15. Dat ten tijde van keizer Tiberius voor vrijgelaten slaven het zogeheten Juniaanse burgerrecht werd ingevoerd, toont dat ook in Paulus’ tijd het Romeinse burgerrecht niet was weggelegd voor vrijgelatenen.

    Hieronymus’ betrouwbaarheid

    De hamvraag is natuurlijk niet hoe een in Gischala geboren Paulus in Tarsos belandde, maar de daaraan voorafgaande vraag hoe betrouwbaar de informatie van Hieronymus is. Of beter: die van zijn bron Origenes. Het is misschien relevant dat Tarsos in Origenes’ tijd de reputatie had een door respectloze hedonisten bewoonde, voor wijsbegeerte ongeschikte stad te zijn,noot Filostratos, Leven van Apollonios van Tyana 1.7. en dat Origenes informatie overwoog die de apostel verwijderde van zo’n poel des verderfs.

    Leunissen attendeert erop dat de context waarin de christelijke auteur de fabula aanhaalt, eigenlijk wat vreemd is. Het komt erop neer dat Paulus in de Brief aan Filemon “medegevangenen” vermeldt en dat Hieronymus daar meer in wil lezen dan dat de mannen in dezelfde gevangenis zitten. Het “mede” zou betekenen dat ze ook een Palestijnse herkomst deelden. Het was, met andere woorden, niet Hieronymus’ allerhelderste moment.

    Ook wijst Leunissen op enkele passages waaruit duidelijk blijkt dat Hieronymus Tarsos kende als Paulus’ geboorteplaats. Dit is een belangrijk punt: je kunt een antieke auteur nooit selectief lezen, je moet minimaal overwegen of hij niet ergens anders afwijkende informatie biedt. Murphy-O’Connor meent dat Hieronymus geen reden had de fabula te verzinnen, en dat is waar, maar zoals Leunissen observeert: evengoed had Lukas geen reden om Tarsos te verzinnen. Tot slot wijst Leunissen erop dat Paulus’ goed gedocumenteerde nadruk op zijn Joodse identiteitnoot 2 Korintiërs 11.22, Filippenzen 3.5. vooral betekenisvol is als daaraan werd getwijfeld – omdat hij niet uit het land van Israël kwam maar uit de Cilicische hoofdstad Tarsos.

    Ouders en voorouders

    Is er nog iets te redden van de theorie van Murphy-O’Connor? O jawel. Het woord parentes betekent niet alleen “ouders”, maar ook voorouders. Misschien kende Origenes een Aramese anekdote dat Paulus’ familie, voor ze naar Tarsos verhuisde, verbleef in Gischala. Voor wat het waard is: Leunissen attendeert erop dat dit precies is wat Fotios I, de negende-eeuwse patriarch van Constantinopel, beweerde: Gischala als stad van herkomst, Tarsos als geboorteplaats. De geleerde patriarch kan dat natuurlijk hebben verzonnen omdat hij de Handelingen en Hieronymus’ Filemon-commentaar wilde harmoniseren. In elk geval: Paulus was een Jood, geboren in Tarsos in Cilicië, en burger van een niet onbelangrijke stad.

    Literatuur

    Paul Leunissen, “Was Paulus afkomstig uit Palestina en even oud als Jezus?”, in: Lampas 58/3 (2025) 263ff.

    #BriefAanFilemon #Cilicië #FikMeijer #FotiosI #GaiusJurist #Gischala #HandelingenVanDeApostelen #JeromeMurphyOConnor #Lukas #NieuweTestament #Origenes #PaulLeunissen #Paulus #Peshitta #Tarsos
  6. Petrus in Rome (2)

    Petrus krijgt van Christus de sleutels (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

    In het vorige blogje heb ik het literaire bewijs voor Petrus’ aanwezigheid in Rome uiteengezet. Het was ambigu. In dit blogje behandel ik het archeologische bewijs.

    In 1950 kondigde de paus aan dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in het geheim onder de Sint-Pietersbasiliek opgravingen waren verricht en dat een graf was gevonden dat wellicht van Petrus was geweest. Er waren bij dat graf ook botten gevonden, maar die waren op dat moment slechts oppervlakkig onderzocht. Dat de paus erover zweeg, was verstandig, want ze bleken afkomstig van twee mannen, een vrouw, een varken en een paard.

    Een rode muur

    Dit was echter niet het einde van het verhaal. Achter het graf hadden de opgravers een roodkleurige muur met een nis en een klein altaartje gevonden. Dit kon niet anders zijn dan het door Eusebios van Caesarea op gezag van Gaius genoemde tropaion. Op en rond die muur waren graffiti aangebracht die Petrus vermeldden. De opgravers haalden Margherita Guarducci erbij, een specialiste die al eerder de Wet van Gortyn had uitgegeven. Aan de hand van de graffiti concludeerde zij dat hier toch ergens het graf van Petrus moest zijn. Toen ze een van de arbeiders vroeg of er weleens botten bij die muur waren gevonden, antwoordde die van wel. Elke avond, als de opgravers naar huis gingen, was een Vaticaanse functionaris langs gekomen om de menselijke resten weg te nemen, aangezien die nou eenmaal netjes dienden te worden herbegraven.

    Guarducci wist deze botten te vinden en die bleken te behoren bij een man van ongeveer zestig. Het is denkbaar dat dit de resten zijn van iemand die ooit in het graf heeft gelegen, dat zeker ouder was dan die rode-muur-met-monumentje, aangezien het er onder ligt. De botten kunnen, zoals Guarducci opperde, op zeker moment zijn overgebracht vanuit het graf naar de nis in de muur; de aarde die tussen de botten is gevonden, correspondeert met die onder het oorspronkelijke graf. Dat is te dateren aan de hand van enkele naburige graven, die dezelfde oriëntatie hebben; in een daarvan is een olielampje en een dakpan gevonden uit de tijd van keizer Vespasianus (r.69-79).

    Kortom: de vondsten zijn consistent met de traditie. Dat het gaat om begravingen en niet om crematies, is niet beslissend voor het christelijke karakter, maar spreekt het ook niet tegen.

    We hebben alles bij elkaar:

    • Enkele simpele graven uit de tweede helft van de eerste eeuw, waaronder “het” graf, maar dat was zonder relevante menselijke resten;
    • Een daar overheen gebouwde rode muur met een monumentje en een nis, waarin botten zijn gevonden; deze muur lijkt te dateren uit het midden van de tweede eeuw, toen op de Vaticaanse heuvel nieuwe, meer monumentale graven kwamen;
    • Een derde-eeuwse steunmuur, die bewijst dat er toen mensen waren die nog zorg hadden voor deze plek;
    • De vierde-eeuwse basiliek van keizer Constantijn de Grote, gebouwd op een vrijwel onmogelijke helling, zodat kosten noch moeiten zijn gespaard om het gebouw precies op deze plek te plaatsen.

    De complicaties

    We weten dus met zekerheid dat de plaats ten tijde van Constantijn de Grote werd beschouwd als graf van Petrus. Wat mij betreft mag je terugrekenen naar het midden van de tweede eeuw, maar of die rode muur met nis (het tropaion) is opgericht op het echte graf van Petrus, en of de botten uit die nis echt van hem waren, dat is niet uit te maken. Er is immers geen manier om “Petrusheid” te meten. Als we nou wat DNA hadden van de leider van de vroege kerk, was dat anders.

    Een wezenlijker probleem is echter dat de opgraving gecompromitteerd is. Ze vond plaats in het geheim en de menselijke resten werden zonder afdoende wetenschappelijke documentatie verwijderd. Heel humaan natuurlijk: je gunt de doden een zo onverstoord mogelijke rust. Maar wetenschappelijk is dit rampzalig.

    Twee graven van Petrus

    En er is nog een gegeven. Rond het midden van de derde eeuw werd een Romeinse villa aan de Via Appia omgebouwd tot christelijke gebedsplaats. Een later door paus Damasus aangebrachte inscriptie vermeldt dat de apostelen Petrus en Paulus hier hadden verbleven en een andere inscriptie noemt dit het domus Petri, “het huis van Petrus”. De logische interpretatie is dat Petrus in de villa heeft gewoond, maar andere inscripties vermelden dodenmaaltijden (refrigeria). Dat suggereert dat deze plek, onder de huidige San Sebastiano, in de derde eeuw gold al het feitelijke graf van Petrus, en inderdaad vermeldt het vijfde-eeuwse Leven van Sebastianus dat deze heilige is begraven “bij de resten van Petrus en Paulus”.

    Al in de Late Oudheid is geprobeerd de twee tradities te harmoniseren: Petrus zou maar tijdelijk begraven zijn geweest aan de Via Appia. Ik zal die antieke speculaties verder negeren. Het punt is namelijk dat er in de derde eeuw blijkbaar nog een tweede plek was die gold als Petrus’ graf. (Dat kan hebben samengehangen met een kerkelijke ruzie, waarbij een Novatianus het gezag van paus Cornelius in twijfel trok.) Feit is: die tweede traditie kan alleen zijn ontstaan als in de derde eeuw het graf op de helling van de Vaticaanse heuvel niet al vanouds & onomstotelijk gold als de plek waar Petrus was begraven.

    Samenvattend: dat Petrus is geëxecuteerd is heel aannemelijk, dat dit is gebeurd in Rome is mogelijk, dat het ten tijde van Nero gebeurde valt te overwegen, en dat zijn graf onder de Sint-Pietersbasiliek ligt is denkbaar. Maar zekerheid zullen we er nooit meer over krijgen.

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Paestum

    december 16, 2023
    Circus Maximus (3)

    juli 5, 2023
    Brokerless kingdom

    januari 30, 2022 Deel dit: #Antiochië #ConstantijnDeGrote #Damasus #EusebiosVanCaesarea #graffiti #HandelingenVanPetrus #MargheritaGuarducci #NieuweTestament #Petrus #Rome #SintPietersbasiliek #ViaAppia
  7. Petrus in Rome (1)

    Petrus (Agoramuseum, Athene)

    Ik merkte vorige week terloops op dat we feitelijk niet weten wat er is geworden van Petrus na zijn verblijf in Antiochië. Ik kreeg de terechte opmerking dat allerlei antieke bronnen vertellen dat Petrus was in Rome, waar ook zijn graf wordt aangewezen in (of beter: onder) de Sint-Pietersbasiliek. Dit is interessante materie, en dit blogje groeide als vanzelf.

    De bronnen

    De informatie over Petrus’ optreden na de kruisiging komt erop neer dat hij als een van de eersten verkondigde dat Jezus was opgestaannoot 1 Korintiërs 15.5; Lukas 24.34; Johannes 21.1-14. en dat hij een rol speelde in de jonge kerknoot Galaten 1.18; Galaten 2.7-9. of daar zelfs leiding aan gaf. noot Handelingen 1.15-12.18. Ik verklap geen geloofsgeheim als ik vertel dat Petrus in Antiochië ruzie kreeg met Paulus.noot Galaten 2.11-14. De rotskerk die in Antiochië wordt toegeschreven aan Petrus, is als gebouw jonger, en de toeschrijving zelf is nog veel jonger.

    Tot en met Antiochië kunnen we de levensweg van Petrus dus volgen en is er geen probleem. Een stuk minder zeker is een verblijf in Korinthenoot 1 Korintiërs 1.12, 3.22.; sterker is het bewijs voor een marteldood. Dat wil zeggen: een passage uit het Evangelie van Johannesnoot Johannes 21.18-19. behelst een voorspelling dat Petrus zal sterven ter ere van God, en ik geloof niet dat deze woorden ooit anders zijn gelezen dan als aanwijzing voor een executie. Dat de passage zou verwijzen naar een kruisiging, lijkt er overigens niet te staan. Ook andere bronnen suggereren de marteldood, zoals de Eerste Brief van Clemens,noot 1 Clemens 5.4. die dateert uit de vroege tweede eeuw.

    Ik noem ook nog de Handelingen van Petrus, daterend uit de late tweede eeuw: bij mijn weten de eerste vermelding van Petrus’ kruisiging.noot Handelingen van Petrus 37. De auteur beweert dat de man ondersteboven is gekruisigd, wat niet inconsistent is met wat we weten over het Romeinse beulswerk.noot Seneca, Troostbrief aan Marcia 20. De auteur van de Petrushandelingen legt de stervende ook nog een toespraak in de mond waarin hij beweert dat sinds de opstanding van Christus de hele kosmische ordening is omgekeerd.

    Petrus’ opvolgers

    Die toespraak is literair sterk, maar of het werkelijk is gebeurd zoals de auteur van de Handelingen van Petrus een ruime eeuw na de gebeurtenissen noteerde, valt niet uit te maken. Het kan zijn dat hij toegang had tot betrouwbare informatie die de gelovigen mondeling hebben doorgegeven, maar ook het omgekeerde is denkbaar. (Een ruime eeuw na de dood van Cyrus de Grote werden daarover al drie verschillende verhalen verteld, en dan hebben we het over een wereldberoemde koning.)

    Naarmate de tijd vordert, worden de bronnen specifieker. De christelijke auteur Tertullianus vermeldt rond 200 als eerste dat Petrus ten tijde van keizer Nero was gekruisigd. Een ruime eeuw later weet Eusebios van Caesarea te melden dat het graf is op de Vaticaanse heuvel, wat hij baseert op een oudere bron, een zekere Gaius, die leefde aan het begin van de derde eeuw. Op diens gezag vertelt Eusebios dat er een tropaion (grafmonument voor een martelaar) is op de Vaticaanse heuvel.noot Eusebius, Kerkgeschiedenis 2.25.6-7.

    De interpretatierichting is dus duidelijk: een (sterke) aanwijzing dat Petrus de marteldood stierf, groeit uit tot de claim dat dit gebeurde in Rome, wordt een executie door middel van kruisiging, wordt toegevoegd aan de vervolging door Nero en tot slot uitgebreid met een graf op de Vaticaanse heuvel.

    Wat maakt het uit?

    Maar wat doet het er eigenlijk toe, of Petrus in Rome was, of hij daar is gedood, of dit door kruisiging gebeurde? Wat is de inzet? Ondanks het grote aantal publicaties over dit onderwerp is het simpele antwoord dat dit gaat om de schaduw van een ezel.

    Althans: tegenwoordig. De pausen hebben in de loop der eeuwen nogal wat werk gemaakt van het feit dat zij het hoofd van de kerk zouden zijn, en beriepen zich daarbij op het feit dat ze als bisschop van Rome de erfgenamen waren van Petrus. Voor het gezag van de paus deed het er dus wél toe of Petrus in Rome lag begraven; ik noemde dat al eens. Het waren vaak protestantse geleerden die eraan herinnerden dat er geen eerste-eeuws bewijs is voor Petrus’ verblijf in Rome en het waren vaak katholieke geleerden die erop wezen dat absence of evidence is no evidence of absence en attendeerden op het toch vrij oude tweede-eeuwse bewijs.

    Beide groepen hadden een punt. En tegenwoordig doet het er allemaal zo veel niet meer toe. Maar dat was dus ooit anders, en dat brengt ons bij de claim uit 1950 dat in de Sint-Pieterbasiliek een graf was ontdekt dat mogelijk van Petrus was. De claim zelf was voorzichtig geformuleerd, maar de nuances vielen al snel weg.

    [Wordt dus weldra vervolgd]

    #Antiochië #bisschop #EersteBriefVanClemens #HandelingenVanPetrus #interpretatierichting #NieuweTestament #paus #Petrus #Rome #SintPietersbasiliek #Tertullianus
  8. Het verloren schaap

    Goede herder (Musée archéologique de Sousse)

    Het is zondag, dus ik blog over het Nieuwe Testament: zo’n fijne bron voor het leven van gewone mensen in de Romeinse wereld. Vandaag het verloren schaap, dat een rol speelt in Jezus’ prediking.

    Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft? En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders en gaat hij naar huis. Daar roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: “Deel in mijn vreugde, want ik heb het schaap gevonden dat verdwaald was.” Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben.”noot Lukas 15.4-7.

    Vraag: wat is de overeenkomst tussen de hemelse en de aardse vreugde? In de hemel heerst God, zoveel is duidelijk, en als de analogie zuiver is, dan zou degene die z’n schaap kwijt is, naar God moeten verwijzen. Maar het is een rijke man, want hij bezit honderd schapen. En hier speelt het “image of limited good”: het denkbeeld dat er op aarde van alles maar een beperkte hoeveelheid is en dat als iemand een groter deel heeft, de anderen automatisch minder hebben. (Economische groei was in de Oudheid geen bekend concept.) De schaapseigenaar is in dit wereldbeeld geen goed mens.

    Dat is geen vergezochte interpretatie – we zitten in het Lukasevangelie, waar de arme Lazarus naar de hemel gaat en er geen herkansing is voor de rijke man. De rijken hebben hun beloning al gehad, de laatsten zullen de eersten zijn en de eersten de laatsten. De schaapseigenaar staat aan de verkeerde kant. Het is ook een sukkel, die een schaap kwijtraakt. Daar zal het publiek van Jezus om hebben moeten lachen.

    De parabel is wellicht niet bedoeld geweest als analogie, maar als de Joodse redenatiefiguur die bekendstaat als Kal Vahomer. Het is wat wij a fortiori noemen: als zelfs slecht mensen een verloren schaap gaan zoeken, hoeveel te meer doet God het dan met verloren mensen. Ik weet niet waar de uitdrukking “goede herder” vandaan komt, maar ik vermoed dat dat niet de strekking is van deze parabel.

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Voorislamitisch Iran (5): Parthen en Romeinen

    augustus 10, 2011
    Een antieke hemelsfeer

    november 7, 2025
    Hoe kennen we de Romeinen? (2)

    mei 4, 2015 Deel dit: #EvangelieVanLukas #imageOfLimitedGood #KalVahomer #NieuweTestament #schaap
  9. Maria en Marta en genderrollen

    Twee zussen uit Palmyra (Altes Museum, Berlijn)

    Over het lezen van antieke teksten zei een wijze classicus me ooit dat je niet alleen moet kijken naar wat er staat, maar vooral naar wat er niet staat. Ik heb het nooit beter geformuleerd gehoord. Het slaat niet alleen op onderdrukte perspectieven, maar ook op impliciet aanwezige kennis van de cultuur die de schrijver deelt met zijn doelgroep. Hieronder is een voorbeeld, en omdat het Pinksterzondag is haal ik dat uit het Nieuwe Testament, meer precies uit het verhaal van Maria en Marta uit het Lukas-evangelie.

    1. Toen ze verder trokken ging hij een dorp in, waar een vrouw die Marta heette hem gastvrij in haar huis ontving.
    2. Haar zus, Maria, ging aan de voeten van de heer zitten en luisterde naar zijn woorden. Maar Marta werd helemaal in beslag genomen door de zorg voor haar gasten.
    3. Ze ging naar Jezus toe en zei: “Heer, kan het u niet schelen dat mijn zus mij al het werk alleen laat doen? Zeg tegen haar dat ze mij moet helpen.”noot Lukas38-40; NBV21, met een aanpassing.

    We weten iets meer over de zussen Maria en Marta. De auteur van het Johannes-evangelie vertelt dat ze een broer hadden, Lazarus. Als we deze informatie mogen gebruiken bij de interpretatie van het Lukas-evangelie, wordt vers 38 vreemd: het gezelschap rond Jezus wordt niet ontvangen door de heer des huizes, maar door zijn zus. Misschien is de verklaring dat Lazarus dood was, maar hoe dat ook zij: Marta neemt hier een mannelijke rol aan. Mijn punt is: dit herken je alleen als je niet kijkt naar wat er staat, maar kijkt naar wat er niet staat. Je moet de gehele antieke cultuur kennen.

    De door Lukas beschreven situatie was zó vreemd, dat mensen al heel vroeg begonnen te twijfelen aan de tekst van het evangelie. Minimaal één vroege kopiist (en in zijn spoor al zijn navolgers) heeft vers 38 aangepast door “in haar huis” te schrappen, zodat het is alsof Marta het reisgezelschap verwelkomt in het dorp. Dat veronderstelt geen omkering van de gender-rollen: gewoon een vrouw op het dorpsplein die zwaait naar aankomende reizigers.

    In vers 39 is de situatie genormaliseerd: Marta draagt zorg voor de gasten. Dat kwam destijds neer op het wassen van de voeten – al kon je dat overlaten aan een bediende – en het aanbieden van drinken en eten. Maar nu is het haar zus die de verhoudingen omkeert: ze zet zich neer aan de voeten van een leraar en gaat zijn onderwijs volgen. Je herkent het roldoorbrekende alleen als je weet wat er niet staat.

    Dat Maria zich als leerling presenteerde, was niet verboden, maar het was niet wat van een vrouw werd verwacht. (Van de twee Emmaüsgangers vernemen we wél de naam van de man, maar niet die van zijn reisgenote, terwijl het toch allebei leerlingen waren.) En uiteraard was Maria’s gedrag vrij tactloos tegenover haar zus.

    Nog een onuitgesproken stuk informatie: deze vrouwen waren vermogend. Anders zouden ze geen reisgezelschap hebben kunnen ontvangen. U moet zich Maria en Marta voorstellen met rinkelende zilveren en gouden sieraden. Dit waren geen bescheiden vrouwen in eenvoudige kleren: dat is Hollywood-kitsch. Marta stond echt niet zelf in de keuken en diende het eten heus niet zelf op. Daar had ze personeel voor.

    Terug naar de omgekeerde gender-rollen. Van een vrouw werd verwacht dat ze leiding gaf aan de huishouding en iedereen, Jood of Romeins of anders, zou destijds Marta’s klacht hebben begrepen. Ik laat in het midden of het methodisch handig is informatie uit het Johannesevangelie te gebruiken bij de interpretatie van Lukas; daarover valt een boom op te zetten. Maar hoe dan ook intrigeert dit verhaal.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Messias (2)

    november 29, 2020
    Uit Nazaret?! (3)

    augustus 28, 2014
    Velleius Paterculus (3)

    maart 3, 2016 Deel dit: #EvangelieVanLukas #gender #Lazarus #NieuweTestament #vrouwengeschiedenis
  10. Veertig dagen vóór Hemelvaart

    Armeense afbeelding van de hemelvaart (Noravank)

    Als de techniek een beetje werkt, gaat dit blogje op donderdagmorgen automatisch online. Ik heb dit stukje wat langer geleden voorbereid omdat ik momenteel in Spanje ben, ter voorbereiding van een boek dat ik aan het maken ben over de laatste jaren van Julius Caesar. Zoals ik al eens schreef, kende ik de regio rond Lleida nog niet, en daarom ben ik nu dus daar. Althans, als alles volgens plan is verlopen, maar de treinen en bussen functioneren hier doorgaans goed.

    Hemelvaart

    Ter zake: het is Hemelvaartsdag. Dat is een wat ongemakkelijk christelijk feest. Immers, als het graf leeg was en Christus was opgestaan, en als Christus goddelijk was, waarom was hij er dan niet meer? Het logische antwoord is dan: omdat hij ten hemel is gevaren. Het problematische is dat slechts één auteur deze gebeurtenis vermeldt, namelijk de auteur van de Handelingen van de Apostelen, het vervolg op het Evangelie van Lukas. En één bron is geen bron.

    Nog complexer is het dat de auteur zichzelf tegenspreekt, want in zijn evangelie schrijft Lukas nog dat Jezus in de hemel is opgenomen op de dag van zijn opstanding.noot Lukas 24.51. Dan vallen Pasen en Hemelvaart dus op dezelfde dag, terwijl het in Handelingen een paar weken later was.

    Met de autheniticiteiscriteria waarmee historici proberen in antieke bronnen feit en fictie te scheiden, valt dit in de categorie non liquet: het kan waar zijn, het kan niet waar zijn. De gevolgtrekking is dus dat we nog eens moeten nadenken over die methode. (Daar zijn overigens alle goede onderzoekers het over eens: als de methode immers niet innoveert, stagneert een vakgebied.) De historiciteit van de gebeurtenis laat ik dus maar wat ze is, maar ik pik er een detail uit.

    Veertig dagen

    Handelingen begint wat verdedigend: Lukas – zo zullen we de auteur maar noemen – pareert kritiek dat Jezus niet echt uit de dood zou zijn opgestaan. Vermoedelijk kregen de eerste christenen nogal wat smalende opmerkingen te horen, maar Lukas bemoedigt ze.

    Dat hij leefde heeft hij hun [de apostelen] na zijn lijden en dood herhaaldelijk bewezen door gedurende veertig dagen in hun midden te verschijnen en met hen over het koninkrijk van God te spreken.noot Handelingen 1.3; NBV21.

    De passage heeft echter een tweede doel: Jezus heeft de apostelen, d.w.z. de gezanten die het evangelie moesten verspreiden, instructies gegeven. Anders geformuleerd, ze zijn deskundig en de gelovige mag erop vertrouwen dat de eerste christelijke leiders goed waren geïnformeerd.

    En natuurlijk duurde dat veertig dagen. Daarvoor hebben we een interessante parallel in de joodse apocalyptische tekst die bekendstaat als 4 Ezra (in de Engelse literatuur 2 Esdras).

    4 Ezra

    Geschreven na de verwoesting van Jeruzalem, is 4 Ezra ongeveer even oud als Handelingen en de Openbaring van Johannes, eveneens apocalyptiek. De auteur, die doet alsof hij de profeet Ezra is, beschrijft enkele visioenen, die erop neerkomen dat mensen niet moeten proberen te begrijpen waarom God heeft toegestaan dat de Babyloniërs (lees: Romeinen) het volk van Israël knechten, maar dat redding nabij is. De messias zal verschijnen en daarna zal de Wet van Mozes worden hersteld. Dat is een klus voor Ezra, die snel vijf klerken verzamelt en als een razende begint te dicteren.

    Ze zaten veertig dagen lang. Overdag schreven ze, en ’s nachts aten ze brood. Wat mij betreft: ik sprak overdag, en ook ’s nachts hield ik mijn mond niet. In veertig dagen schreven ze 204 boeken. Toen veertig dagen voorbij waren, zei de Allerhoogste: “Het eerste dat u hebt laten schrijven, maak dat openbaar, zodat zowel de waardigen als de onwaardigen het lezen. Bewaar echter de laatste zeventig boeken, want die mag u alleen overhandigen aan de wijzen onder het volk. Daarin bevindt zich namelijk de bron van inzicht, de bron van wijsheid en de stroom van kennis.”noot 4 Ezra 14.42-47.

    Veertig dagen om de kennis over te dragen: dat was het dus. De kring die 4 Ezra las, kon geloven dat de eigen leiders toegang hadden tot nog niet gepubliceerde delen van de Wet, en dus wisten wat ze deden. Iets dergelijks geeft de auteur van Handelingen mee aan zijn lezers. Hier ontstond de “apostolische successie”, die ik afgelopen zondag noemde.

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Glanum: kleinood in de Alpilles

    september 19, 2025
    De voornaamste Dode-Zee-rollen

    december 17, 2023
    De dood van de messias (2)

    maart 29, 2018 Deel dit: #4Ezra #apocalyptiek #apostolischeSuccessie #authenticiteitscriteria #EvangelieVanLukas #HandelingenVanDeApostelen #Hemelvaart #Hemelvaartsdag #NieuweTestament #WetVanMozes
  11. Het lege graf

    Het lege graf (Rabbula-codex)

    Er zijn onderwerpen waarover historici weinig te zeggen hebben, zoals Pasen. De historicus kan alleen constateren dat het dubbele idee van Christus’ verrijzenis en diens lege graf heel oud moet zijn. Daar blijft het echter bij. Een lichamelijke wederopstanding is niet alleen in strijd met de natuurwetten maar ook zonder parallel. Zo’n gebeurtenis ligt buiten het bereik van wat een historicus weten kan. Er desondanks uitspraken over doen is net zoiets als zoeken naar de Alpenpas van Hannibal: je kunt het niet weten en moet gewoon aanvaarden dat er grenzen zijn aan je kennis.

    Vier visies

    Wat een historicus óók kan doen, is verschillen constateren in de berichten over het lege graf. Hier is het verslag volgens Matteüs.

    Na de sabbat, bij het ochtendgloren van de eerste dag van de week, kwam Maria van Magdala met de andere Maria [de moeder van Jakobus] naar het graf kijken. Plotseling begon de aarde hevig te beven, want een engel van de heer daalde af uit de hemel, liep naar het graf, rolde de steen weg en ging erop zitten. Hij lichtte als een bliksem en zijn kleding was wit als sneeuw. De bewakers beefden van angst en vielen als dood neer.noot Matteüs 28.1-4; NBV21.

    Het is interessant te zien wat de evangelist Marcus heeft te melden.

    Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om hem te balsemen. Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf. Ze zeiden tegen elkaar: “Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?” Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold; het was een heel grote steen. Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten. Ze schrokken vreselijk.noot Marcus 16.1-5; NBV21.

    Er zijn allerlei verschillen. Om met het triviale te beginnen: er zijn bij Marcus drie en bij Matteüs twee dames; bij Marcus gaan ze eerst balsem kopen, bij Matteüs gaan ze rechtstreeks naar het graf. Bij Marcus treffen ze de steen weggerold aan, terwijl Matteüs een aardbeving vermeldt en een engel de steen laat wegrollen. Een ander verschil is dat Marcus’ in het wit geklede jongeman – die we maar gelijk zullen stellen aan Matteüs’ engel – de vrouwen de stuipen op het lijf jaagt, terwijl hij volgens Matteüs de soldaten doodsangsten aanjoeg.

    Misschien is het ook zinvol er op dit punt ook op te wijzen dat een graf met een rolsteen niet past bij wat onder de Grafbasiliek is aangetroffen: koch-graven en een arcosolium-graf. Ik schreef daar al eerder over.

    De evangelist Lukas blijft in de buurt van Marcus maar verdubbelt het aantal mannen in witte gewaden.

    Maar op de eerste dag van de week gingen ze [de vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea] bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. Bij het graf aangekomen zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de heer Jezus niet. Ze wisten zich geen raad. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. Ze werden door schrik bevangen en bogen het hoofd.noot Lukas 24.1-5; NBV21.

    Weer een andere visie vinden we bij de vierde evangelist, Johannes. Hij is beknopter.

    Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria van Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen voor het graf was weggehaald.noot Johannes 20.1-2; NBV21.

    Even verderop vermeldt ook Johannes twee in wit gehulde mannen.

    Verschillen en overeenkomsten

    Onaardig geformuleerd spreken de vier auteurs elkaar tegen. De steen kan niet én al weggerold zijn vóór de vrouwen aankwamen én weggerold worden als ze er al zijn; ook kan de ene engel of de ene in het wit gehulde jongeman niet dezelfde zijn als twee mannen met witte kleren. De tegenspraken werden al in de Oudheid geconstateerd en iemand heeft aan het Marcus-evangelie een langer einde toegevoegd, dat het meer in lijn bracht met Matteüs.

    Positiever geformuleerd selecteren de evangelisten informatie. Ze stemmen overeen op het punt dat het graf leeg was en dat er iemand was die uitleg gaf, en ze stemmen overeen dat Maria van Magdala behoorde bij de eerste getuigen.

    De historicus kan zulke verschillen constateren. De simpelste verklaring is dat Marcus, als eerste evangelist, een verslag schreef dat door Lukas en Johannes is naverteld door er een extra in het wit geklede man aan toe te voegen, terwijl Matteüs er een aardbeving bij deed. Waarom Marcus spreekt van een leeg graf – en bij implicatie van een wederopstanding – is een andere vraag. Omdat een verrijzenis uit de dood in strijd is met de natuurwetten, kan de historicus er niets mee. Dit is het punt waar geschiedwetenschap stopt.

    [Meer over deze materie in De Volkskrant. Een overzicht van de zondagse reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Het Romeinse Rijk van Fik Meijer (2)

    februari 21, 2016
    De prioriteit van Marcus

    december 4, 2022
    Limes-koekjes

    maart 12, 2016 Deel dit: #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanLukas #EvangelieVanMarcus #EvangelieVanMatteüs #hemel #MariaVanMagdala #NieuweTestament #Pasen
  12. De Tempelreiniging

    Tyrische sjekel (Nationaal Museum, Beiroet)

    Zoals u wellicht weet, heeft Jezus van Nazaret op zeker moment de geldwisselaars weggeranseld van het terrein rond de tempel in Jeruzalem. De gebeurtenis staat bekend als de Tempelreiniging. Hier is het verhaal volgens Marcus.

    Jezus ging de tempel binnen en begon iedereen die daar iets kocht of verkocht weg te jagen; hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver, en hij liet niet toe dat iemand voorwerpen over het tempelplein droeg. Hij hield de omstanders voor: “Staat er niet geschreven: ‘Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn’? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!”

    Toen de hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden wat er gebeurd was, zochten ze naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen.noot Marcus 11.15-18; NBV21.

    Matteüs en Lukas vertellen ruwweg hetzelfde, de evangelist Johannes biedt andere informatie:

    Op het tempelplein trof Jezus de handelaars in runderen, schapen en duiven aan, en de geldwisselaars die daar altijd zaten. Hij maakte een zweep van touw en joeg ze allemaal de tempel uit, met hun schapen en runderen. Hij smeet het geld van de wisselaars op de grond, gooide hun tafels omver en riep tegen de duivenverkopers: “Weg ermee! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!”noot Johannes 2.14-16; NBV21.

    Het belangrijkste verschil is dat Johannes weglaat wat bij Marcus de pointe is: dat dit voorval de reden was voor Jezus’ arrestatie, enkele dagen later. Johannes plaatst de anekdote helemaal vooraan in zijn evangelie, zo ver mogelijk van Jezus’ kruisdood af. Misschien is dat omdat Johannes het gênant vindt, misschien is dat omdat hij de nadruk wil leggen op de diepere, heilshistorische betekenis van de kruisdood en daarbij die menselijke oorzakelijkheid niet nodig heeft. Maar die menselijke oorzakelijkheid ontkent hij dus niet – hij verbergt haar slechts.

    Een bankier (mozaïek uit Thabraca; Bardo-museum, Tunis)

    Wat deden die lui nou verkeerd?

    Tot zover de twee teksten. Nu waarom ik dit blogje schrijf. Wat deden die geldwisselaars en duivenverkopers nou toch verkeerd? Dat is een simpele vraag, maar nu ik erover ben gaan nadenken, begrijp ik er niets meer van.

    Ik heb er weleens op gewezen dat in een wereld waarin patronage een belangrijke rol speelt, de boeren het liefst rechtstreeks contact met hun bestuurders willen (in jargon: brokerless kingdom). In zo’n wereld wordt een tempel die geld vraagt voor een duif, en die betaling vraagt met speciale munten, eerder ervaren als een obstakel voor het contact met God dan als een plek om bij hem te zijn.

    Het probleem met deze verklaring is natuurlijk dat de tekst feitelijk geen aanwijzing biedt. Ik redeneer hiermee vanuit een algemeen beeld van de toenmalige wereld. Dat kan juist zijn – dat denk ik ook eigenlijk wel – maar het blijft een hypothese, gebaseerd op enerzijds vergelijking met andere boerensamenlevingen en anderzijds een handvol passages die bewijzen dat mensen klaagden dat de duiven onbetaalbaar waren. Maar “te dure duiven” is niet wat Marcus en Johannes vermelden. Ze vermelden helemaal niets.

    Andere verklaringen

    Is het probleem misschien dat je op een heilige plek niet met zoiets vulgairs als munten, die metalen stukken gestold wantrouwen, bezig moet zijn? Het kan. Mensen kunnen niet én God én de Mammon dienen. Maar waarom horen we dan niets over soortgelijke scrupules uit andere tempels?

    En nog een probleem: waarom moesten bezoekers hun munten wisselen tegen Tyrische sjekels? Het hele Romeinse Rijk waren tal van munten in omloop, maar een munt die was geslagen in de ene stad, woog evenveel als een munt in een andere stad. Een Tyrische sjekel correspondeerde ruwweg met vier drachmen of vier denariën. Er waren weliswaar marginale verschillen, maar ik heb niet de indruk dat die voldoende belangrijk waren. Los daarvan: als die verschilletjes werkelijk een probleem vormden, dan deden de geldwisselaars in Jeruzalem gewoon nuttig werk.

    Misschien een afbeelding? Er stond een adelaar aan de ene zijde, een dier dat we ook wel afgebeeld zien in synagogen, en het portret van de vorst sierde de andere zijde van de Tyrische sjekel. Ik heb weleens gelezen dat zo’n portret een schending was van het beeldverbod uit de Tien Geboden, maar als de tempelautoriteiten betaling met Tyrische sjekels eisten, was dat blijkbaar geen probleem.

    Kortom, ik snap eigenlijk steeds minder van dit verhaal. Leuk.

    [Een overzicht van  deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De mythe van Mithras

    december 6, 2023
    Romeinse portretten

    mei 4, 2016
    Het Gehenna

    april 6, 2025 Deel dit: #adelaar #brokerlessKingdom #duif #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanMarcus #Mammon #NieuweTestament #patronage #tempel #Tempelreiniging
  13. De hoofddoek (2)

    Hellenistische dame met hoofddoek (RIjksmuseum van Oudheden, Leiden)

    Ik gaf gisteren aan dat het hoofddoekje in het oude Nabije Oosten en in de Mediterrane wereld gold als het privilege van een getrouwde vrouw. Negatief geformuleerd: het onbedekte haar van slavinnen, prostituees en ongetrouwde meisjes was een aanwijzing dat ze seksueel beschikbaar waren – uiteraard na toestemming van de eigenaar, na betaling of na huwelijkssluiting. Ik attendeerde er ook op dat vrouwenportretten een andere werkelijkheid documenteren: vrouwen waarvan we zeker weten dat ze getrouwd waren, worden doorgaans met onbedekt haar afgebeeld. Ik ben er vrij zeker van dat niemand de Romeinse keizerin beschouwde als seksueel beschikbaar.

    Dat er in elk geval in de Romeinse keizertijd diverse normen bestonden, blijkt wel uit de teksten die het joodse leven documenteren. De traditionele norm, dat een getrouwde vrouw een hoofddoek mocht dragen, wordt verondersteld in de rond 200 na Chr. samengestelde Mishna. Deze eerste grote optekening van rabbijnse opvattingen legt het vertrouwde verband tussen het dragen van een hoofddoek en het huwelijk: een man mocht zijn echtgenote verstoten als ze met onbedekt haar over straat ging, en hoefde dan de bruidsschat niet terug te betalen.noot Mishna, Ketuboth 7.6.

    Eeuwen later, ten tijde van het Kalifaat, documenteert de Babylonische Talmoed een rabbijnse discussie over de vraag of een vrouw die een mand op haar hoofd droeg, haar haar voldoende had bedekt, en tevens de vraag of dit ook binnenshuis gold. Zoals te doen gebruikelijk staan de diverse meningen naast elkaar en is er geen eenduidig antwoord, maar het interessante is dat de rabbijnen als vanzelfsprekend de norm aannemen dat een getrouwde vrouw een hoofddoek draagt. (Ik zeg er volledigheidshalve bij dat de rabbijnen niet vroegen om een vrouwelijke mening.)

    Hellenistische dame met hoofddoek (Louvre, Parijs)

    Een andere joodse stem is die van de apostel Paulus die, toen hij de Eerste Brief aan de Korintiërs schreef, nog niet kon weten dat latere generaties hem tot het christendom zouden rekenen. Nadat hij heeft verteld dat een man het beste blootshoofds kan gaan, schrijft de leerling van rabbijn Gamaliël:

    Een vrouw maakt haar hoofd te schande wanneer ze met onbedekt hoofd bidt of profeteert, want dat is even schandelijk als met een kaalgeschoren hoofd. Een vrouw die haar hoofd niet bedekt, kan zich net zo goed laten kaalknippen of kaalscheren.noot 1 Korintiërs 11.5-6.

    Toch is er een verschil met de opvattingen uit joods Babylonië. Waar de rabbijnen de norm konden veronderstellen toen ze de details bespraken, adviseert Paulus de mensen om zich aan de norm te houden. Anders gezegd: het was in Korinthe niet langer vanzelfsprekend. Het advies staat bovendien niet op zichzelf. De christelijke auteur Tertullianus wijdde, ruwweg op het moment dat elders de Mishna werd samengesteld, dus rond 200 na Chr., een compleet traktaat aan de hoofddoek voor maagden – met andere woorden, aan niet-getrouwde vrouwen.

    Hij erkent daarbij dat hij redeneert vanuit de christelijke waarheid en dat hij zich niet beroepen kan op de traditie, die dus anders was. Van een auteur die zich ook afvroeg wat Jeruzalem met Athene van doen had – met andere woorden: een auteur die de gangbare Mediterrane beschaving afwees – hadden we geen ander standpunt verwacht. Tertullianus bleef dan ook een minderheid en het latere canonieke recht bepaalde slechts dat mensen zich in een kerkgebouw netjes moesten kleden, waarbij men het advies van Paulus overnam: mannen blootshoofds, vrouwen liever met bedekt haar.

    [Wordt vervolgd; een overzicht van passages uit het Nieuwe Testament is hier.]

    In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    II Parthica, Romes strategische reserve

    juli 9, 2025
    Simon de Magiër

    maart 10, 2024
    Moord op de Nijl

    februari 16, 2020 Deel dit: #canoniekRecht #EersteBriefAanDeKorintiërs #hoofddoek #huwelijk #KalifaatVanDamascus #Mishna #NieuweTestament #Paulus #prostituees #rabbijnseLiteratuur #Tertullianus #traditie #vrouwenportretten #vrouwenrechten
  14. Bijbelse en Griekse insecten

    Zelfportret van de Meester van Frankfurt en zijn vrouw, detail (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen)

    Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd: ik blog vandaag dus eens over iets kleins, namelijk insecten. Nu zitten er op het eerste gezicht niet bijster veel vliegen, muggen en vlooien in het Nieuwe Testament, waarover ik op zondag graag blog, maar er zijn er wel een paar verstopt. Als Jezus een bezetene heeft genezen, vragen mensen zich bijvoorbeeld af of hij een door God gezonden verlosser kan zijn, en werpen anderen tegen dat hij alleen demonen kon uitdrijven “dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen”.noot Marcus 3.22.

    Hier gebeurt weer eens een hoop tegelijk. Eeuwen eerder was er vrijwel zeker een Kanaänitische godheid die Baäl-Zebul heette, wat de auteur van het Deuteronomistische Geschiedwerk, die niets wilde weten van andere goden dan zijn eigen godheid, “verbeterde”: hij duidde deze godheid aan als Baäl-Zebub, ofwel de “heer der vliegen”.noot 2 Koningen 1.2. De nieuwtestamentische weergave blijft dus iets dichter bij het Kanaänitische origineel, maar heeft een even negatieve associatie. In de latere, christelijke traditie zou Beëlzebul de naam van de duivel zelf zijn, wat niet helemaal hetzelfde is als de vorst der demonen.

    De grens tussen vliegen en muggen en vlooien is in oude teksten niet altijd even duidelijk, dus ik vervolg met ander vliegend ongedierte. Een van de tien plagen van Egypte bestond uit vliegen of muggennoot Exodus 8.12. en de auteur van Prediker weet dat een beetje dwaasheid de beste wijsheid ranzig maakt, “zoals één dode vlieg een kostbare zalf bederft”.noot Prediker 10.1.

    De Joden waren niet de enigen met een hekel aan insecten. De Griekse fabeldichter Aisopos voelde er ook weinig sympathie voor. Nu zijn de fabels van Aisopos wat verdacht: er is nogal wat op zijn naam overgeleverd dat niet hijzelf heeft bedacht en classici hebben weinig illusies over de authenticiteit van het corpus. Maar als zo’n vertelsel is overgeleverd door Aristoteles, hebben we in elk geval te maken met een Griekse anekdote die behoorlijk oud is.

    Aisopos, die voor de volksvergadering van Samos een alleenheerser verdedigde die ter dood veroordeeld was, vertelde dit verhaal:
    “Een vos die een rivier overstak, werd meegevoerd door de stroming en kwam terecht in een hol in de rotsen. Omdat hij er niet uit kon komen, leed hij lange tijd onder een zwerm muggen die zich aan hem vastklampte. Een egel die daar ook rondzwierf, zag de vos en kreeg medelijden. Hij vroeg of hij de muggen mocht verwijderen. De vos wees het aanbod echter af. Toen de egel vroeg waarom, antwoordde hij: ‘Deze muggen zitten inmiddels vol met mijn bloed en zuigen niet veel meer. Als je ze weghaalt, komen er andere met een frisse eetlust die al mijn bloed zullen opdrinken.’
    “En zo,” rondde Aisopos af, “zal mijn cliënt jullie geen kwaad meer doen. Hij is al rijk. Maar als jullie hem ter dood brengen, zullen er anderen komen die niet rijk zijn, en hun verduisteringen zullen jullie schatkist volledig leegmaken.” noot Aristoteles, Rhetorika 1393b-1394a.

    De overlast van de muggen wordt door Aisopos niet uitgelegd maar simpelweg verondersteld, en Aristoteles spreekt het niet tegen. Ook Grieken hadden dus een hekel aan muggen. Kortom, als u behoort tot degenen die de Oudheid om een of andere reden normatief vinden, dan heeft u dus zowel klassieke als bijbelse toestemming om een vlieg of een mug dood te meppen. Maar u kunt natuurlijk ook wat minder bloeddorstig zijn, zoals de dame op het plaatje hierboven, die er vrede lijkt te hebben met wat anderen ongedierte noemen.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Deel dit: #Aisopos #Aristoteles #Beëlzebul #DeuteronomistischGeschiedwerk #duivel #egel #insect #mug #NieuweTestament #vlieg #vos
  15. De tweede broodvermenigvuldiging

    De Damascuspoort in Gerasa, een van de steden in de Dekapolis

    Een nieuwe zondag, een nieuw blogje over het Nieuwe Testament, en ik ga verder waar ik onlangs was gebleven. Toen behandelde ik de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging: het verhaal van de vijf broden en de twee vissen. Ik wees er toen op dat het Marcusevangelie nóg zo’n verhaal bevat. Het is vrijwel identiek.

    Toen er op een keer weer een grote menigte bijeen was, en ze niets meer te eten hadden, riep hij de leerlingen bij zich en zei tegen hen: “Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en hebben niets te eten. Als ik hen met een lege maag naar huis stuur, raken ze onderweg uitgeput; sommigen zijn immers van ver gekomen.”noot Marcus 8.1-3; NBV21.

    De mensen zijn ver van huis, Jezus heeft medelijden omdat ze onvoldoende te eten hebben: dit komt precies overeen met het vorige verhaal. En zo gaat het verder: broden nemen, broden zegenen, broden breken, broden uitdelen, open commensaliteit, vissen verdelen, manden vol overblijvend eten, duizenden aanwezigen. De verschillen zijn maar klein.

    Zijn leerlingen antwoordden: “Maar hoe zou iemand hen hier, in deze verlatenheid, van genoeg brood kunnen voorzien?”
    Hij vroeg hun: “Hoeveel broden hebben jullie?”
    “Zeven,” antwoordden ze. Hij zei tegen de mensen dat ze op de grond moesten gaan zitten; hij nam de zeven broden, sprak het dankgebed uit, brak de broden en gaf ze aan de leerlingen om ze aan de mensen uit te delen, en dat deden ze. Ze hadden ook een paar kleine vissen bij zich; hij sprak er het zegengebed over uit en zei dat ze ook de vissen moesten uitdelen. De mensen aten tot ze verzadigd waren; de leerlingen haalden op wat er van het eten overschoot: zeven manden vol. Er waren ongeveer vierduizend mensen. Toen stuurde hij hen weg. noot Marcus 8.4-9.

    De vraag die meteen opkomt is waarom Marcus het verhaal herhaalt. Akkoord, de evangelist was goedgelovig in de zin dat zijn relaas bol staat van de wonderlijke gebeurtenissen, en zijn topografisch inzicht is gering. Anders had hij wel geweten dat het onmogelijk is in de Dekapolis een verlaten plek te vinden. Maar Marcus is een handige auteur. De ironie van zijn evangelie, waarin al Jezus’ tegenstanders hem aanduiden als “zoon van God” en zijn leerlingen het almaar niet begrijpen, is maar één voorbeeld van een auteur die heel goed wist wat hij aan het doen was. De herhaling kan dus alleen maar opzet zijn.

    Het voornaamste verschil is de locatie. Na de eerste broodvermenigvuldiging is Jezus op reis gegaan: eerst naar Tyrus, vervolgens via Sidon naar het Meer van Galilea. Dit is een kolossale omweg over het Libanongebergte, door de Bekaa en langs de berg Hermon. De weg liep dwars door het land van de Herodiaanse prins Filippos: een Jood die heerste over niet-Joden. Van het Meer van Galilea trok Jezus naar de Dekapolis, een stedelijk gebied waar opnieuw heel weinig Joden leefden. Anders gezegd: de eerste broodvermenigvuldiging vond plaats onder de Joden, de tweede onder de heidenen.

    Door het zo te presenteren, neemt Marcus stelling in de discussie onder de eerste christenen: wat was de status van de niet-Joden? Behoorden zij tot het Verbondsvolk of niet? De herhaling van het verhaal, onhandig geplaatst in een verstedelijkt gebied waar je onmogelijk “in verlatenheid” kunt zijn, was geen prutswerk. Marcus maakt vrij duidelijk waar hij staat: Jezus had ook voor niet-Joden gesproken, ook zij waren welkom.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal. In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier.

    Zelfde tijdvak


    Nogmaals de Zijderoute

    juni 24, 2022
    Géza Vermes over vroegchristelijke teksten

    april 15, 2021
    Nogmaals: hoe zag Jezus eruit?

    september 15, 2020 Deel dit: #broodvermenigvuldiging #Dekapolis #FilipposHerodiaan #NieuweTestament #openCommensaliteit #Verbond #Verbondstheologie
  16. Vijf broden, twee vissen

    Brood en vis (Catacomben, Rome)

    Een van de bekendste verhalen uit het Nieuwe Testament, waarover ik op zondagen nogal eens blog, is dat over de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging. Het zijn overigens twee verhalen over twee gebeurtenissen, beide te vinden bij Marcus: het eerste verhaal speelt zich af in de omgeving van het Meer van Galilea, en het tweede in de Dekapolis.noot Marcus 8.1-10. Daarover een andere keer meer, vandaag het verhaal in Galilea.

    Dat begint ermee dat Jezus en enkele volgelingen naar een afgelegen plek varen, waar ze echter geen rust vinden, maar worden opgewacht door een grote menigte. Jezus “voelde medelijden met hen,” schrijft Marcus, “want ze waren als schapen zonder herder” – een echo van Jezus’ missie om de verloren schapen van Israël terug te halen.

    Hij onderwees hen langdurig. Toen er al veel tijd was verstreken, kwamen zijn leerlingen naar hem toe en zeiden: “Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. Stuur hen weg, dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om eten voor zichzelf te kopen.”
    Maar hij zei: “Geven jullie hun maar te eten!”
    Ze vroegen hem: “Moeten wij dan voor tweehonderd denarii brood gaan kopen om hun te eten te geven?”noot Marcus 6.34b-37; NBV21.

    Van tweehonderd denarii, zilverstukken, kon iemand een jaar leven. Het bedrag correspondeert met 3200 as, bronstukken, en omdat een brood twee as kostte, hebben we het dus over 1600 broden. Dat past aardig bij het gegeven dat er ongeveer 5000 mensen aanwezig waren.

    Toen zei hij: “Hoeveel broden hebben jullie bij je? Ga eens kijken.”
    Ze gingen kijken en zeiden: “Vijf, en twee vissen.”
    Hij zei tegen hen dat ze de mensen opdracht moesten geven om in groepen in het groene gras te gaan zitten. Ze gingen zitten in groepen van honderd en groepen van vijftig. Hij nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit, brak de broden en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte uit te delen; ook de twee vissen verdeelde hij onder allen die er waren. Iedereen at en werd verzadigd. Ze haalden de overgebleven stukken brood op, waar wel twaalf manden mee konden worden gevuld, en ook wat er over was van de vissen. Vijfduizend mensen hadden van de broden gegeten.noot Marcus 6.38-44.

    De miraculeuze maaltijd

    Het motief van de gastheer die begint eten uit te delen, ook al heeft hij weinig, waarbij de voedselvoorraad miraculeus groot blijkt te zijn, is van alle tijden en culturen, al zal de auteur van het Marcus-evangelie vooral hebben gedacht aan een soortgelijk incident met de profeet Elisa.noot 2 Koningen 4.42-44. Hij zal ook hebben gedacht aan Jezus’ woorden van het Laatste Avondmaal:

    Hij nam een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood, deelde het uit.noot Marcus 14.22.

    Het brood nemen, het brood zegenen, het brood breken, het brood uitdelen: het is vanzelfsprekend een vrij logische volgorde, maar de herhaling van exact dezelfde werkwoorden suggereert dat er meer aan de hand is. Er is bovendien een parallel bij de broodmaaltijd in de Dekapolis. De hypothese dat deze vier werkwoorden ook een rol speelden in de gebeden van de vroege christelijke gemeenschap, is niet toetsbaar maar ook niet heel erg krankzinnig, al was het maar omdat de scène tevens is afgebeeld in de catacomben.

    Open commensaliteit

    Daar komt bij dat gemeenschappelijke maaltijden belangrijk waren voor de eerste gelovigen. De sociaalwetenschappelijke term is “open commensaliteit”, dat wil zeggen dat je je maaltijd deelt met alle aanwezigen, zonder aanzien des persoons of zonder verwachting van een tegenprestatie. Het is de concrete utopie van iedere voorkapitalistische plattelandssamenleving. Het heil is superconcreet, hier en nu, zichtbaar, aan tafel, voor alle aanwezigen bereikbaar.

    Maar er is meer. Een van de joodse Eindtijdvoorstellingen was die van de maaltijd, voorgezeten door een messias. Dit is gedocumenteerd bij de profeet Jesajanoot Jesaja 25.6. en in verschillende Dode-Zee-rollen, zoals de Gemeenschapsregel.noot 1QSa Gemeenschapsregel ii,18-22. Ik zal in het midden laten wat er feitelijk is gebeurd daar op die afgelegen plek aan het Meer van Galilea, maar men herinnerde zich blijkbaar een grote maaltijd, ooit tijdens de regering van keizer Tiberius, die een voorafschaduwing was van de Eindtijd.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal. In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier.

    Zelfde tijdvak


    Armoede in Judea

    juli 21, 2024
    Seneca (3): De negatieve emoties te lijf

    november 12, 2023
    I Germanica

    november 15, 2023 Deel dit: #broodvermenigvuldiging #Dekapolis #denarius #Eindtijd #Elisa #EvangelieVanMarcus #LaatsteAvondmaal #MeerVanGalilea #messias #NieuweTestament #Oorlogsrol #openCommensaliteit #wonderverhaal
  17. Zoon van de Allerhoogste

    4Q246

    Het is bijna kerstmis, dus het leek me aardig om in mijn reeks over het Nieuwe Testament een tekst te behandelen die daar iets mee te maken heeft: de Annunciatie ofwel de aankondiging van Jezus’ geboorte. Gods boodschapper Gabriël heeft zich in Nazaret aangediend bij Maria, en vóór u verder leest, moet u even bedenken dat Gabriël geen engel was in onze zin van het woord. Het Griekse woord ἄγγελος betekende destijds boodschapper, gezant, heraut. In het boek Daniël wordt Gabriël expliciet beschreven als mens.noot Daniël 8.15. De vleugels die wij erbij voorstellen, zijn pas later gekomen.

    Maria schrikt dus nogal schrikt als een vreemde kerel haar huis binnenloopt. Gabriël antwoordt:

    “Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en ‘Zoon van de Allerhoogste’ worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.”noot Lukas 1.30-33; NBV21.

    Je moet maar niet te lang nadenken over deze scène, want erg geloofwaardig is het niet. Ik richt me dus op de uitdrukking “zoon van de allerhoogste”.

    Die kennen we namelijk uit de joodse literatuur van die tijd: namelijk uit de nogal beschadigde Aramese tekst die bekendstaat als 4Q246, die meestal wordt gedateerd in de tweede helft van de eerste eeuw v.Chr. Daarin is sprake van een heerser die na een tijd vol beproevingen over de wereld zal heersen. Er is daarna iemand die “de grote” genoemd zal worden, “de zoon van god” en “zoon van de allerhoogste”. Hun koninkrijk – het meervoud “hun” is onverklaard – zal zijn als de vonken van een vuur. Een volgende sectie van deze tekst behelst dat het “volk van God” iedereen na dit geweld zal laten uitrusten. Daarna lezen we dat zijn (wiens?) koninkrijk eeuwig zal bestaan, dat hij het oordeel zal uitspreken over de aarde, dat vrede zal heersen, dat het geweld zal verdwijnen, dat alle gewesten hem eer zullen bewijzen, dat de grote god zijn kracht zal zijn, dat hij voor God zal strijden, en dat zijn heerschappij eeuwig zal zijn.

    Die heerser is te identificeren als het bovennatuurlijke wezen dat volgens Daniël het Laatste Oordeel zal uitspreken: de Mensenzoon. Het “volk van God”, de nadruk op het eeuwige koninkrijk en de eerbewijzen uit alle gewesten zijn allemaal terug te vinden in Daniël 7. Het moge daarom duidelijk zijn dat de tweede sectie verwijst naar de Eindtijd. En dan is degene die “de zoon van god” en “de zoon van de allerhoogste” genoemd zal worden, dus de Mensenzoon.

    Kortom: feitelijk schrijft de evangelist Lukas dat de baby die nog geboren moet worden, ooit het Laatste Oordeel zal uitspreken, gezeten op de troon die aan het einde der tijden (volgens Daniël) naast God zal worden opgesteld en die (volgens Lukas) de troon van David heet. Anders gezegd: de taal waarmee Lukas’ Gabriël zich tot Maria richt, is door-en-door joods.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

    Zelfde tijdvak


    Judea en zijn buren: politiek

    september 15, 2024
    Een hoorn der redding

    december 23, 2020
    De vogel Feniks

    april 24, 2023 Deel dit: #Annunciatie #Daniël7 #EvangelieVanLukas #Gabriël #Maria #Mensenzoon #NieuweTestament
  18. Jezus en de centurio

    Een centurio (British Museum, Londen)

    Het Nieuwe Testament zit boordevol doorkijkjes naar het dagelijks leven in de Romeinse tijd. Zo vertelt Lukas het verhaal van de centurio, ofwel de “honderdman”, zoals het woord in het Nederlands weleens is vertaald. Dat suggereert dat het de commandant was van een eenheid van honderd legionairs, maar dat is in de lange Romeinse legergeschiedenis nooit het geval geweest. Het verhaal speelt in Jezus’ woonplaats Kafarnaüm en het eerste zinnetje is al intrigerend.

    Een centurio die daar woonde had een slaaf die ernstig ziek was en op sterven lag; de centurio was erg op deze slaaf gesteld.noot Lukas 7.2; NBV21.

    De vraag die onmiddellijk opkomt: wat doet een Romeinse officier in het rijk van Herodes Antipas? Er zijn volgens mij maar drie mogelijkheden. Eén, de goede man is met pensioen en heeft een leuk huis gekocht met uitzicht op het meer. Twee, deze centurio dient als liaison tussen het hof van keizer Tiberius en het hof van Antipas. Drie, Lukas heeft zijn informatie, die in een andere vorm ook bekend was aan de evangelist Johannes,noot Johannes 4.46-54. niet heel handig bewerkt.

    Een ander detail dat opvalt is dat de relatie tussen de centurio en de slaaf hartelijk is. Dat is een nuttige contrapunt bij het doorgaans negatieve beeld dat we hebben van de antieke slavernij. Een slaaf die een goede meester had, mocht rekenen op een oprechte vriendschap. Ik stel me voor dat de centurio tijdens de Saturnalia, medio december, kookte voor zijn bediende, zoals de gewoonte was.

    Toen de centurio over Jezus hoorde, zond hij enkele oudsten van de Joden naar hem toe om hem te vragen bij hem te komen en zijn slaaf van de dood te redden. Toen ze bij Jezus waren gekomen, smeekten ze hem dringend mee te gaan. Ze zeiden: “De man die u dit verzoekt, is het waard dat u hem deze gunst bewijst. Want hij is ons volk goedgezind en heeft voor ons de synagoge laten bouwen.”noot Lukas 7.3-5.

    Een Romeins officier had doorgaans geen behoefte aan tussenpersonen. Hij belichaamde het gezag en kon zich overal aandienen zonder zijn komst zelfs maar aan te kondigen. Alleen als hij zich tot de goden richtte, kon hij een priester om advies vragen. Dat de door Lukas beschreven centurio zich niet waardig acht zich rechtstreeks tot Jezus te richten, maar bevriende Joden inschakelt om een goed woordje voor hem te doen, suggereert een opvallend groot respect. Een respect dat natuurlijk ook blijkt uit de synagoge die de man heeft laten bouwen.

    Dat is geen unicum: er waren volop Romeinse soldaten die sympathiseerden met lokale religieuze gebruiken. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus vertelt ergens dat tijdens een burgeroorlog soldaten van een Syrisch legioen na een nachtelijk gevecht de opkomende zon begroetten, zoals ze zich in Syrië hadden aangeleerd. Hij vertelt het omdat hun tegenstanders de kreet uitlegden als teken dat versterkingen arriveerden, maar tussen neus en lippen door heeft Tacitus erkend dat de in Syrië gestationeerde soldaten een plaatselijke cultus hadden overgenomen. We hebben ook inscripties die dit documenteren voor de joodse religie, inclusief patronage voor een synagoge.

    Jezus ging samen met hen op weg. Hij was al niet ver meer van het huis verwijderd, toen de centurio enkele vrienden naar hem toe stuurde met de mededeling: “Heer, spaar u de moeite, want ik ben het niet waard dat u onder mijn dak komt. Daarom ook achtte ik mij niet waardig om zelf naar u toe te gaan. Spreek slechts een enkel woord en mijn knecht zal genezen. Ook ik ben iemand die onder andermans gezag staat en zelf weer soldaten onder zich heeft, en als ik tegen een soldaat zeg: ‘Ga!’, dan gaat hij, en tegen een andere: ‘Kom!’, dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: ‘Doe dit!’, dan doet hij het.”

    Toen Jezus dit hoorde, verbaasde hij zich over hem; hij keerde zich om naar de menigte die hem volgde en zei: “Ik zeg jullie: zelfs in Israël heb ik niet zo’n groot geloof gevonden!”

    Toen de vrienden van de centurio terugkeerden naar zijn huis, troffen ze daar de slaaf in goede gezondheid aan.noot Lukas 7.6-10.

    Hier maakt Lukas’ centurio duidelijk wat de lezer vermoedelijk al had begrepen: de officier benaderde Jezus vanuit een gevoel dat deze zijn meerdere was.

    Nog een laatste opmerking: deze anekdote toont de vriendelijke relatie die tussen Joden en Romeinen kon bestaan. Zo’n anekdote kon in de aanloop van de Joodse Oorlog, die uitbrak rond 66, niet meer worden bedacht. Vanaf pakweg 41, toen keizer Caligula had geëist dat zijn standbeeld in de Tempel in Jeruzalem zou worden opgericht, stonden de verhoudingen tussen de Romeinse overheid en de Joden op scherp. Het is niet onaannemelijk dat de anekdote over de centurio, die zulke vriendelijke verhoudingen veronderstelt, dateert uit het oudste stratum van de historische traditie. Ook het omgekeerde is natuurlijk denkbaar: dat Lukas, die in de Handelingen van de Apostelen beschreef hoe het Joodse verbondsvolk werd uitgebreid met andere volken, het verhaal heeft bedacht.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

    Zelfde tijdvak


    De gelijkenis van de slechte pachters

    april 2, 2023
    De meertaligheid der Romeinen

    mei 29, 2014
    De Dode-Zee-rollen: een perfect boek

    juli 31, 2013 Deel dit:

    #centurio #EvangelieVanLukas #HerodesAntipas #JoodseOorlog #Kafarnaüm #NieuweTestament #slavernij #synagoge

  19. Feit en betekenis

    Kleio, beschermgodin van de geschiedvorsing (Archeologisch Museum, Cherchell)

    Het leuke van een blog is dat je af en toe eens hardop kunt denken. Bijvoorbeeld over de betekenis van feiten. Of wat feiten eigenlijk zijn.

    Feiten

    Een feit, zo leerde ik ooit, is iets dat het geval is. Maar we kunnen feiten nooit genoeg kennen. Het is bijvoorbeeld een feit dat ik op het moment dat ik dit schrijf een lichte pijn heb in mijn rechterknie, maar u kunt dat niet navoelen. Zo is het ook in het algemeen. Er is een wereld met minimaal vier dimensies, die we slechts kennen in zoverre ze overeenkomt met de drie dimensies waarin onze geest onze zintuiglijke indrukken ordent. Er is een verschil tussen het Ding an sich en het Ding für mich. Werkelijk objectieve kennis bestaat daarom niet.

    Dat wil echter niet zeggen dat alles subjectief is. Er bestaat een middenweg, die we intersubjectiviteit noemen. Mensen in Taiwan, Argentinië en Finland kunnen het erover eens zijn dat water, als de luchtdruk 1013 hectopascal bedraagt, kookt bij een temperatuur van 373 kelvin. Zolang je dezelfde criteria en maatstaven gebruikt, kun je het over een hoop zaken eens zijn, ook over historische feiten: Sokrates dronk de gifbeker, Karel de Grote werd keizer, Linnaeus schreef Systema Naturae en de Geallieerden verloren de slag bij Arnhem. We kunnen het erover eens zijn dat deze zaken zijn gebeurd.

    Historische betekenis

    De discussie ontstaat pas als we er betekenis aan geven. Daarom zijn speculaties over de ungeschehene Geschichte zo belangrijk. Wat zou er zijn gebeurd als Caesar de aanslag op 15 maart 44 v.Chr. had overleefd, als de Kruisridders Antiochië niet hadden ingenomen, als president Kennedy niet was vermoord? De betekenis van de intersubjectief vastgestelde feiten blijkt pas als we kunnen bedenken wat eveneens had kunnen gebeuren en niet is gebeurd.

    Het probleem is natuurlijk dat dit speculaties zijn. Deskundigen en minder deskundigen hebben in de loop van de tijd een hoop flauwekul uitgeslagen. Denk maar aan de malloterij over de betekenis van de Perzische Oorlogen. Van de andere kant: er zijn ook wél slimme dingen te zeggen. Als je het hebt over de invloed van het christendom, moet die invloed in West-Europa dezelfde zijn als in de wereld van de oosterse kerken, en als je die verschillen over het hoofd ziet, zijn je speculaties ongefundeerd. De historicus is door zijn wetenschappelijke opleiding getraind om drogredeneringen te herkennen. Daarom is adequate universitaire vorming relevant: ze voorkomt gratuite speculaties over de historische betekenis van de feiten.

    De diepere betekenis

    De historische betekenis is echter niet de enige. Ik schrijf op zondag vaak over het Nieuwe Testament, waarbij ik niet méér doe dan vaststellen wat de feiten zouden kunnen zijn geweest. We kunnen bijvoorbeeld intersubjectief vaststellen dat Jezus een tijdgenoot was van Johannes de Doper, dat zijn halachische opvattingen door-en-door joods waren, dat hij door kruisiging is doodgemarteld en dat de “hoge christologie” ouder is dan de apostel Paulus. En we mogen speculeren over wat er zou zijn gebeurd als er geen Paulus was geweest om de hoge christologie uit te leggen aan niet-Joden.

    Tot zo ver gaat het werk van de historicus. Die stelt vast wat er is gebeurd en gedacht. Daar blijft het bij.

    De antieke opvattingen overnemen, bijvoorbeeld door te zeggen dat Jezus Christus de zoon van god is geweest en dat zijn kruisdood de redding is geweest van de mensheid, dat is een ander paar mouwen. Dan geven we een diepere betekenis aan de feiten dan de alleen historische; dan begeven we ons op het terrein van het geloof. Dat is ook interessant, en vermoedelijk is het nadenken over de grote vragen diepzinniger dan het welbeschouwd platvloerse vaststellen van de feiten.

    Maar geloof is iets anders dan geschiedenis. De feiten kunnen op twee manieren betekenis hebben: historisch en heilshistorisch. En als ik u verzoeken mag: laten we de discussie op deze blog beperken tot de geschiedenis. Dat is leuk genoeg. We hoeven het verleden hier niet relevant te maken. Dat is nergens voor nodig.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Domitianus (38): De blozende keizer

    februari 22, 2022
    De roeping van Matteüs

    mei 30, 2021
    Jezus, Petrus, Domitianus en een vis

    december 26, 2021 Deel dit:

    #feit #intersubjectiviteit #nieuweTestament #objectiviteit

  20. Judas Iskariot

    De dood van Judas Iskariot (Koninklijke Bibliotheek, Den Haag)

    Mijn goede vriend Richard attendeerde me onlangs op een kort filmpje waarin een franciscaner monnik het revolutionaire karakter van het christendom beter samenvatte dan ik ooit eerder hoorde. Kijk, zei de man, niets is makkelijker dan te houden van Jezus. Die geneest mensen, doet wonderen en lijdt in jouw plaats. Iedereen zou sympathie voelen voor zo’n weldoener. Een goede christen, zo zei de monnik, voelt echter eveneens sympathie voor Judas. Ik heb nooit een oudhistoricus zó scherp horen uitleggen hoe vernieuwend het christendom is geweest.

    Wat weten we echter over Judas, behalve dat zijn naam inmiddels synoniem is voor verraad? U raadt het al: we weten niet veel. Eigenlijk maar twee dingen. Eén: Judas behoorde tot Jezus’ inner circle, de Twaalf: de mannen dus die, na de grote kosmische ommekeer die Jezus en zijn volgelingen verwachtten, leiding zouden moeten geven aan het herstelde Israël. Twee: Judas leverde Jezus uit aan de autoriteiten in Jeruzalem. Aan die twee stukjes informatie kunnen we toevoegen dat de auteurs van het Nieuwe Testament al onzeker waren over Judas’ beweegredenen.

    Iskariot

    Daarover zo meteen meer. Eerst de naam. Niemand weet wat Iskariot betekent. Eén theorie kunnen we meteen terzijde schuiven: dat het een Aramese verbastering zou zijn van het Latijnse sicarii, “dolkmannen”. Dit is taalkundig onmogelijk. Nog onzinniger is de vervolghypothese dat Judas, behorende tot de stroming der sicariërs, een zeloot zou zijn geweest. De zeloten duiken in de geschiedenis pas op ten tijde van de belegering van Jeruzalem.

    Iets minder implausibel zijn verwijzingen naar de Aramese woorden šqr, “liegen”, en skr, “uitleveren”, maar het veronderstelt dat we te maken hebben met een later gegeven bijnaam, waarvan de evangelisten niet meer wisten wat die betekende, zodat ze er een persoonsnaam van maakten. Erg waarschijnlijk is het niet, want de evangelist Johannes vertelt dat ook Judas’ vader, die Simon heette, werd aangeduid als Iskariot.noot O.a. Johannes 13.2.  De vader zou dus eveneens een slechte reputatie hebben gehad.

    De minst slechte papieren heeft de verklaring dat Judas afkomstig was uit het dorpje Keriot, dat we kennen uit de IJzertijd.noot Jozua 15.25. Het is bij deze hypothese wel verondersteld dat dit dorpje na de zevende eeuw v.Chr. nog altijd bestond, en dat het al die tijd dezelfde naam heeft behouden.

    Uitlevering

    Wat bewoog Judas? Zoals gezegd wisten de evangelisten het al niet meer. De eerste van het viertal, Marcus, geeft althans geen verklaring.

    Toen ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om Jezus aan hen uit te leveren.noot Marcus 14.10; NBV21.

    Nu denkt u misschien: Judas vroeg toch om betaling, er waren toch dertig zilverstukken mee gemoeid? Maar geldzucht speelde geen rol bij Judas’ besluit naar de tempelautoriteiten te gaan. Het staat er simpelweg niet. Even later is er wel sprake van geld:

    Toen de hogepriesters dit hoorden, waren ze opgetogen en beloofden ze hem geld te zullen geven.noot Marcus 14.11.

    Beleefd als ze waren beloonden de hogepriesters Judas, maar geldelijk gewin was, althans in het Marcusevangelie, niet diens motief. De evangelist Lukas introduceert wél een motief: Satan had zich van Judas meester gemaakt.noot Lukas 22.3. De evangelist Matteüs introduceert eveneens een motief, en wel door de financiën niet het gevolg van Judas’ aanbod te laten zijn maar een voorwaarde:

    Daarop ging een van de Twaalf, namelijk Judas Iskariot, naar de hogepriesters en zei: “Wat krijg ik van u als ik hem aan u uitlever?” Ze betaalden hem dertig zilverstukken.noot Matteüs 26.14-15.

    Dit is een latere aanpassing van de oorspronkelijke informatie en de historicus mag het in principe negeren. In geschiedwetenschappelijk jargon: ten opzichte van Marcus is Matteüs elimineerbaar.

    Desondanks is niet ondenkbaar dat Matteüs het bij het rechte einde heeft, want de evangelist Johannes insinueert iets soortgelijks. Hij vertelt namelijk dat Judas de beheerder was van de gemeenschappelijke kas van Jezus’ volgelingen en dat hij daaruit stal.noot Johannes 12.6. Twee bronnen zijn meer dan één, maar het kan natuurlijk zijn dat de eerste christenen zich al afvroegen wat Judas’ motivatie was, en dat er consensus groeide dat, aangezien geldzucht de wortel was van alle kwaad,noot 1 Timoteüs 6.10. financiële motieven wel een rol zouden hebben gespeeld.

    Dood

    Merk overigens op dat Judas alleen wordt gepresenteerd als informant – hij wordt nergens gepresenteerd als iemand die aanstuurt op een executie. De interpretatie die u misschien kent uit Jesus Christ Superstar, dat Judas wilde verhinderen dat de zaken uit de hand liepen, is niet onmogelijk. Maar we weten het feitelijk niet. Niettemin: de aanname dat Judas slechts als informant optrad, verklaart waarom Matteüs schrijft dat Judas zelfmoord pleegde nadat hij Jezus met een kus had geïdentificeerd en niet slechts de arrestatie maar ook de executie mogelijk had gemaakt. De woorden van Matteüs suggereren dat dit laatste niet de opzet was.

    Toen Judas … zag dat Jezus ter dood veroordeeld was, kreeg hij berouw. Hij bracht de dertig zilverstukken naar de hogepriesters en oudsten terug en zei: “Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren.”

    Maar zij zeiden: “Wat gaat ons dat aan? Zie dat zelf maar op te lossen!”

    Toen smeet hij de zilverstukken de tempel in, vluchtte weg en verhing zich.noot Matteüs 27.3-5.

    De auteur van de Handelingen van de apostelen meent echter dat Judas van de beloning voor zijn schanddaad een stuk grond kocht,

    maar bij een val werd zijn buik opengereten, zodat zijn ingewanden naar buiten kwamen.noot Handelingen 1.18.

    Ik weet dat middeleeuwse kunstenaars, zoals te zien in het plaatje hierboven, de stervende Judas afbeeldden met ingewanden die uit z’n buik springen door de schok waarmee de ongelukkige zich verhing. Zo kun je alles wel combineren. De historicus constateert de tegenspraak en accepteert dat hij het weer eens niet weten kan. De gelovige weet daarnaast dat hij niet alleen van Jezus maar ook van Judas moet houden, maar over die ethiek heeft de historicus, althans professioneel, geen oordeel.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    De arrestatie van Jezus

    juni 4, 2023
    Een Evangelie van de vrouw van Jezus?

    september 19, 2012
    Wat is een Romein? (1)

    januari 13, 2018 Deel dit:

    #deTwaalf #eliminatie #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanLukas #EvangelieVanMarcus #EvangelieVanMatteüs #HandelingenVanDeApostelen #JesusChristSuperstar #JudasIskariot #NieuweTestament #Satan #sicariërs #zelfmoord

  21. De jongeling van Naïn

    Jezus en de jongeling van Naïn (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

    Ik heb het punt tot vervelens toe gemaakt – op deze blog, in boeken, in lezingen en Joost mag weten waar niet meer – en ik maak het nog eens: tekstuitleg zonder kennis van de archeologie is net zo zinloos als archeologie zonder begrip van de oude teksten. En om het punt ten overvloede te illustreren, is hier, op de dag van Allerzielen, het verhaal van de jongeling van Naïn:

    Jezus ging naar een stad die Naïn heet, en zijn leerlingen en een grote menigte gingen met hem mee. Toen hij de poort van de stad naderde, werd er net een dode naar buiten gedragen, de enige zoon van een vrouw die ook al weduwe was. Een groot aantal mensen vergezelde haar. Toen de heer haar zag, kreeg hij medelijden met haar en zei: “Weeklaag niet meer.”
    Hij kwam dichterbij, raakte de lijkbaar aan – de dragers bleven stilstaan – en zei: “Jongeman, ik zeg je: sta op!”
    De dode richtte zich op en begon te spreken, en Jezus gaf hem terug aan zijn moeder. Allen werden vervuld van ontzag en loofden God met de woorden: “Een groot profeet is onder ons opgestaan,” en: “God heeft zich over zijn volk ontfermd!”
    Het nieuws over hem verspreidde zich in heel Judea en in de wijde omtrek.noot Lukas 7.11-17; NBV21.

    Is dit een waar gebeurd verhaal? Om zoiets vast te stellen, gebruiken oudheidkundigen een stuk of wat criteria, zoals het criterium van de gêne: informatie die geen goed licht werpt op de over te brengen boodschap was blijkbaar te algemeen bekend om te worden onderdrukt. Ook is er het criterium van de meervoudige attestatie: iets dat in meerdere bronnen staat, is plausibeler dan als het maar in één bron staat. Dit verhaal is maar één keer gedocumenteerd, alleen bij de evangelist Lukas, dus het heeft de schijn tegen. Gênant is het ook al niet, en ook aan de andere criteria voldoet het niet. Als we de tekst als tekst bekeken, zouden we concluderen dat we niet kunnen vaststellen dat dit verhaal echt is gebeurd.

    Sterker nog, het opwekken van de dode zonen van weduwen is een literair motief. De profeet Elia wekte bijvoorbeeld het kind op van een dame uit Sarefat, een pottenbakkersdorpje halverwege Tyrus en Sidon.noot 1 Koningen 17.22. Elia’s opvolger Elisa deed hetzelfde voor een weduwe in Sunem.noot 2 Koningen 4.32-37. Voor de lezer die nog niet in de gaten mocht hebben dat Lukas zijn portret van Jezus modelleert op de grote profeten, maakt de evangelist het in de conclusie expliciet: “Een groot profeet is onder ons opgestaan.”

    Kortom, een literaire compositie zonder veel historische betrouwbaarheid. Maar er is een detail dat een ander licht werpt op de zaak: de dode wordt bij de stadspoort naar buiten gedragen. Je leest er haast overheen, want het is gewoon logisch dat de doden buiten de bebouwde kom werden begraven. Het Romeins Recht schreef dat zelfs voor. Maar het leuke is: archeologen hebben die stadspoort opgegraven, ik meen ergens begin jaren tachtig. Het was zelfs een opvallend massief verdedigingswerk.

    En nu is het leuke: stadsmuren waren in Herodiaans en Romeins Judea niet gebruikelijk. Echt grote steden, zoals Jeruzalem, hadden ze natuurlijk wel. Maar Naïn was een vlek op de landkaart. Het is ook geen detail dat Lukas, die een halve eeuw en een Joodse Opstand na de gebeurtenissen schreef, en vermoedelijk schreef in een stad als Antiochië of Efese, kan hebben geweten. (Probeer als hedendaagse Amsterdammer of Antwerpenaar eens te weten of Sint-Andries een stadspoort heeft.)

    Kortom, dankzij de archeologie herkennen we een authentiek detail in Lukas’ verhaal. Dat wil niet zeggen dat dit echt is gebeurd. Zoiets valt niet te weten. Het wil alleen zeggen dat Lukas oudere informatie benutte. We mogen aannemen dat het verhaal al tijdens Jezus’ leven de ronde deed, en dat is, gegeven het weinige dat we over de oude wereld weten kunnen, eigenlijk al heel erg veel.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Velleius Paterculus (7)

    maart 7, 2016
    Het Romeinse Rijk van Fik Meijer (4)

    februari 22, 2016
    Wie schreef de Brief van Jakobus?

    oktober 26, 2025 Deel dit:

    #Allerzielen #criteriumVanDeGêne #Elia #Elisa #EvangelieVanLukas #historischeJezus #Judea #meervoudigeAttestatie #Naïn #NieuweTestament #stadspoort

  22. Wie schreef de Brief van Jakobus?

    Jakobus (met brief)

    Ik ben in zoverre een gezegend mens dat ik, als ik voor deze dagelijkse blogjes advies nodig heb, kan terugvallen op een stuk of wat mensen. Er is een speciale dank-je-wel-pagina, die ik bij dezen eens onder uw aandacht breng. Ik vraag de daar genoemde mensen regelmatig advies. Vorige week blogde ik bijvoorbeeld over Jakobus de Rechtvaardige, de broer van Jezus, en dus was het onvermijdelijk dat ik moest ingaan op de vraag of Jakobus ook de auteur was van de aan hem toegeschreven Brief van Jakobus. Dat is een onderwerp waarover ik goede raad wil hebben.

    Het onderwerp op zich is typisch zo’n kwestie die wetenschappers meer bezighoudt dan gelovigen. Als God de Bijbel senkrecht von oben heeft afgegeven, is het eigenlijk niet zo belangrijk of dat via de broer van Jezus, een naamgenoot of iemand anders is gegaan. Voor de gelovige zijn andere zaken belangrijker.

    Aannames, aannames

    Het is ook zo’n onderwerp waarbij de discussie is gebaseerd op moeilijk bewijsbare aannames. Zo is er de aanname dat een timmermanszoon uit Galilea nooit zo goed Grieks zou kunnen als de auteur van de Jakobusbrief. Ik zou echter niet weten waarom mensen op het platteland, antiek of modern, minder taalvaardig zouden zijn dan anderen. (En trouwens, Jakobus woonde een groot deel van zijn leven in Jeruzalem.) Bedenk bovendien dat op een timmermanswerkplaats behoorlijk wat geld rondging, zodat het prima denkbaar is dat een Jakobus een behoorlijke scholing kreeg. Begrijp me niet verkeerd: dat ik niet overtuigd ben van de geldigheid van het taal-argument, wil niet zeggen dat ik denk dat de Brief van Jakobus wél door de broer van Jezus is geschreven. Ik weet het gewoon niet.

    Maar goed. Ik kan dan wel benadrukken dat het slechts een aanname is dat men op het platteland slecht Grieks beheerste, maar dat is net zo goed een aanname. En ik ben geen taalkundige. Tijd om een van de zojuist aangekondigde kenners te vragen: de Gert Knepper die ook wel eens op deze blog schrijft. Hij noemde een reeks argumenten voor een andere auteur dan Jakobus de Rechtvaardige.

    Auteurschap

    Om te beginnen veronderstelt de brief een soort christendom dat pas na de dood van Jakobus (zoals gezegd: in 62 na Chr.) is ontstaan. Zo is er sprake van “oudsten” en “leraren”, en zij gaan pas later een rol spelen in de nog jonge kerk. Een ander argument is dat je van een Jakobus, van wie we meestal aannemen (!) dat hij zijn broer bleef zien als grondlegger van een eigen stroming bij de uitleg van de Wet van Mozes, andere thema’s zouden hebben verwacht: denk aan de sabbat, de reinheidswetten, de besnijdenis, het belang van de Tempel.

    Je zou ook verwachten dat een Jakobus zich zou laten voorstaan op het feit dat hij een broer van Jezus was, maar daar blijkt niet zo veel van. Terwijl dat voor Jakobus de Rechtvaardige toch zijn bron van autoriteit was. Nog zoiets: de auteur benadrukt dat niet het geloof alléén mensen redt, maar dat het geloof moet blijken uit goede daden. Dat is een reactie op Paulus, wat opnieuw een wat latere datering suggereert. De auteur van de Brief van Jakobus lijkt ook de Eerste Brief van Petrus te kennen – opnieuw een aanwijzing dat de tekst wat jonger is.

    En dan is er nog het simpele gegeven dat men de vraag wie de Brief van Jakobus heeft geschreven, al in de Oudheid stelde. Het stond dus ook destijds niet in steen gehouwen welke Jakobus de auteur was van deze brief. Kortom: hoewel menig argument is gebaseerd op moeilijk bewijsbare aannames, pleit er nogal wat tegen Jakobus de Rechtvaardige als de schrijver van deze brief. Het was een naamgenoot.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Charax, een stad van Alexander de Grote

    oktober 20, 2021
    De Bergrede (8): het zout der aarde

    september 26, 2021
    Het ongrijpbare antieke christendom (1)

    augustus 9, 2018 Deel dit:

    #BriefVanJakobus #GertKnepper #JakobusDeRechtvaardige #NieuweTestament

  23. Jakobus de Rechtvaardige

    De dood van Jakobus de Rechtvaardige (San Marco, Venetië)

    Het leiderschap van de sicariërs, een stroming binnen het jodendom, was in handen van de afstammelingen van Judas de Galileeër; als leiders van de farizeeën komen we de familie van Gamaliël tegen; je zou van de op Jezus van Nazaret teruggaande stroming dus eveneens verwachten dat zijn verwanten er grote invloed hadden. En zo is het inderdaad. Het Nieuwe Testament noemt Jezus’ broer Jakobus als een leider van de vroege christelijke gemeenschap . Mogelijk oefende ook een broer Judas gezag uit. Op gezag van de tweede-eeuwse auteur Hegesippos weten we dat ook Judas’ kleinzonen nog een rol speelden. Ik blogde daar al eens over en ik laat het nu rusten.

    Ik wil het hebben over Jakobus, die in de vroegchristelijke literatuur bijnamen heeft als “broer van de Heer” en “de Rechtvaardige”. Hij wordt ook wel “de Mindere” genoemd, misschien om hem te onderscheiden van de Jakobus die een van de Twaalf was (en die wordt vereerd in Santiago de Compostela). In elk geval: Jezus had een broer die Jakobus heet en die in het Marcus-citaat waarover ik vorige week blogde, in één adem wordt genoemd met Joses, Judas, Simon en een onbepaald aantal zussen.noot Marcus 6.3.

    Deze Jakobus zou dus een leider zijn geweest van de vroege kerk, en meer in het bijzonder: in Jeruzalem. Dat is opmerkelijk, want de familie kwam uit Galilea. De verklaring zou kunnen zijn dat men op de naderende Jongste Dag in de heilige stad wilde zijn, maar dat is hypothetiscj. De apostel Paulus ontmoette Jakobus daar enkele keren. In de Brief aan de Galaten vertelt Paulus dat hij drie jaar na zijn bekering Petrus ging opzoeken en toen ook de apostel Jakobus, de broer van de Heer, ontmoette.noot Galaten 1.17. “Apostel” betekent hier niet “een van de Twaalf”, maar verwijst naar één van de velen die door Jezus waren uitgezonden om zijn leer ook elders te verkondigen. Logisch dus dat Paulus toevoegt dat hij geen van hen was tegengekomen in Jeruzalem.

    Paulus noemt in dezelfde Galatenbrief Jakobus met Petrus en Johannes “de drie zuilen van de kerk”.noot Galaten 2.9. Met hen zou hij later zijn overeengekomen dat zij de leer van Jezus zouden verkondigen aan de Joden en dat Paulus en Barnabas het zouden doen bij andere volken. Dit wordt in iets andere termen bevestigd door de Handelingen van de Apostelen, waar we lezen over een vergadering van de vroege christenen, die tot dezelfde beslissing komt.noot Handelingen 15.

    Dat Jakobus zeer hoog in aanzien stond bij de eerste gelovigen, blijkt ook uit het zogeheten Evangelie van de Hebreeën, waarin de opgestane Christus als eerste verschijnt aan zijn broer. Deze tekst is weliswaar vrij jong, maar documenteert de blijvende herinnering aan het leiderschap van Jakobus.

    Rechtvaardiging

    De Handelingen en de brieven van Paulus hebben vooral betrekking op de prediking onder de andere volken, maar we beschikken over een Brief van Jakobus die lijkt weer te geven wat Jezus’ broer dacht over precies datgene waar Paulus iets nieuws introduceerde, namelijk de rechtvaardiging door het geloof in Christus. Volgens de auteur is dat onvoldoende – echt geloof blijkt uit goede werken. Daar laat ik het verder even bij, want ik heb het er al eens over gehad.

    Ik leg in dat eerdere blogje trouwens ook uit dat een van de argumenten tegen authenticiteit veronderstelt dat iemand uit Galilea niet zulk goed Grieks zou kennen. Wat een onbewezen aanname is en bovendien een tikkeltje hovaardig – alsof wij de oude taal beter zouden kennen dan de mensen uit de Oudheid. Taalkundigen kunnen héél veel, en dat schrijf ik zonder ironie, maar ik zou zelf toch niet zo stellig zijn. In elk geval: er is dus discussie over de authenticiteit van de Brief van Jakobus, en volgende week kom ik daar nog eens op terug.

    Dood

    De Joodse geschiedschrijvers Flavius Josephus vertelt over de dood van Jakobus in het jaar 62. Josephus zijnde Josephus gaat het verhaal natuurlijk vooral over de officiële leiders van de Joodse gemeenschap, en dus over de relatie tussen gouverneur en hogepriester. De gouverneur, Lucceius Albinus, kreeg een conflict met  hogepriester Ananos II.

    Deze Ananos meende handig te kunnen profiteren van de situatie dat [de oude gouverneur Porcius] Festus dood was en [de nieuwe gouverneur] Albinus nog onderweg was. Hij riep een vergadering van rechters bijeen en liet daar de broer van de Jezus die Christus genoemd wordt — de man heette Jakobus — alsmede enkele anderen voorleiden. Hij beschuldigde hen ervan dat ze de Wet hadden overtreden en leverde hen uit om gestenigd te worden. De groepering echter van degenen van wie iedereen in de stad vond dat ze zich precies aan de Wet hielden en die op grond daarvan zeer goed aangeschreven stonden [de farizeeën], nam de zaak hoog op. Ze stuurden in het geheim een vertegenwoordiging naar de koning [Herodes Agrippa II] om er bij hem op aan te dringen Ananos te gelasten zich voortaan van dergelijke acties te onthouden. Het was namelijk niet de eerste keer dat hij over de schreef was gegaan. … Voor koning Agrippa vormde de zaak aanleiding Ananos als hogepriester te ontslaan – hij is drie maanden in functie geweest.noot Josephus, Joodse Oudheden 20.200-203; vert. Wes/Meijer.

    Een latere auteur, Clemens van Alexandrië, meende dat Jakobus van de tempelmuur af was gegooid, en daarna was gedood. Dit hoeft niet per se in strijd te zijn met wat Josephus schrijft, omdat de beulen bij een steniging willen dat het slachtoffer stil blijft liggen: de ongelukkige wordt dus ingegraven of men breekt hem de benen – door hem van een tempelmuur te werpen. Ik denk overigens dat we de latere bronnen beter allemaal kunnen negeren, al heb ik, zoals u al merkte, een zwak voor Hegesippos.

    Terug naar de anekdote van Josephus. Die is waanzinnig interessant. Om te beginnen vertelt ze iets over de problemen in het dagelijks bestuur van een provincie, waarin lokale gezagdragers niet altijd deden wat Rome wou. De anekdote identificeert verder de enige sadducee die we kennen, namelijk Ananos, die tijdens de Joodse Opstand leiding zou geven aan de provisorische regering in Jeruzalem. Het is verder opvallend dat Josephus, die een hekel had aan de farizeeën, weigert hen te noemen. En tot slot: de passage bewijst dat Jakobus gold als jood en dat andere joden verontwaardigd waren over de wijze waarop hij was aangepakt. In het jaar 62 was er nog geen sprake van dat de wegen van joden en christenen uiteen zouden gaan.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Plinius de Jongere: liefde op het derde gezicht

    juli 26, 2011
    De Bergrede (19): De Tweesprong

    maart 20, 2022
    Het ongrijpbare antieke christendom (intermezzo)

    september 2, 2018 Deel dit:

    #AnanosII #Barnabas #BriefAanDeGalaten #BriefVanJakobus #ClemensVanAlexandrië #EvangelieVanDeHebreeën #farizeeën #FlaviusJosephus #HandelingenVanDeApostelen #Hegesippos #HerodesAgrippaII #JakobusDeRechtvaardige #Jeruzalem #LucceiusAlbinus #NieuweTestament #Paulus #Petrus #PorciusFestus #steniging

  24. Jezus in de Tempel

    Schriftgeleerden in debat met een jonge Jezus (Acheologisch museum, Córdoba)

    Een nieuwe zondag, een nieuw blogje over het Nieuwe Testament, en vandaag gaat het over een bekend verhaal. Hier is het.noot Lukas 2.41-51; NBV21.

    Jezus’ ouders gingen jaarlijks voor het pesachfeest naar Jeruzalem. Toen hij twaalf jaar was, maakten ze weer hun gebruikelijke pelgrimstocht. Na afloop van het feest vertrokken ze naar huis, maar Jezus bleef in Jeruzalem achter zonder dat zijn ouders het wisten.

    Dat vinden wij wat raar, want ouders hebben meestal een zesde zintuig waarmee ze precies weten waar Junior zich bevindt. De evangelist Lukas anticipeert op vragen door het uit te leggen:

    In de veronderstelling dat hij zich bij het reisgezelschap bevond, reisden ze een hele dag voordat ze hem overal onder hun verwanten en bekenden begonnen te zoeken.

    Dit is interessante informatie. Hoewel we weten dat alle volken in de oude wereld pelgrimsfeesten hadden, weten we eigenlijk niet zo heel veel over de gang van zaken. Maar hier lezen we dus dat Joden met grote groepen op reis waren en dat het niet vreemd was als een kind meeliep met de familieleden, ja dat dit zó normaal was dat ouders niet eens controleerden of hun eigen zoon of dochter wel aanwezig was. Tijdens zo’n tocht lette iedereen een beetje op elkaar.

    Toen ze hem niet vonden, keerden ze terug naar Jeruzalem om hem daar te zoeken.

    Ambiguïteiten

    Ik geef het u te doen: een kind vinden in een stad waar tienduizenden mensen wonen. Het duurde dus even.

    Na drie dagen vonden ze hem in de tempel, waar hij tussen de leraren zat, terwijl hij naar hen luisterde en hun vragen stelde. Allen die hem hoorden stonden versteld van zijn inzicht en zijn antwoorden. Toen zijn ouders hem zagen, waren ze ontzet, en zijn moeder zei tegen hem: “Kind, wat heb je ons aangedaan? Je vader en ik hebben met angst in het hart naar je gezocht.”
    Maar hij zei tegen hen: “Waarom hebt u naar me gezocht? Wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?”
    Maar ze begrepen niet wat hij tegen hen zei.

    Observatie één: volgens Lukas was Jozef dus nog in leven toen Jezus twaalf was, dus zeg maar in het voorjaar van het jaar 8 of misschien 9. Dat maakt het des te vreemder dat Jezus wordt aangeduid als zoon van Maria en niet, zoals je zou hebben verwacht in een patriarchale samenleving, als zoon van Jozef.noot Marcus 6.3.

    Observatie twee: ambiguïteiten als “je vader heeft je gezocht want we moeten naar huis” en “ik moet in het huis van mijn vader zijn” komen wel vaker voor in de antieke literatuur. In feite vallen alle verhalen over verkeerd begrepen orakels in deze categorie. En ook in dit verhaal begrijpen de mensen, in dit geval Jezus’ ouders, niet wat wordt gezegd. De eerste christenen hadden een abonnement op ambiguïteit, bijvoorbeeld door in een rechtszaak te verklaren dat ze op de rechter vertrouwden.

    Hij reisde met hen terug naar Nazaret en was hun gehoorzaam. Zijn moeder bewaarde alles wat er met hem gebeurd was in haar hart.

    Dit is een lief detail, en het is niet zo heel ver gezocht dat Maria een informant is geweest van de evangelist. Het wordt dan ook al eeuwen beweerd, maar er is natuurlijk weinig werkelijk bewijs.

    Karakterkwesties

    Een laatste punt nog. In de antieke literatuur hebben we allerlei anekdotes over de bijzondere jeugd van deze of gene. De jonge Alexander stelde goede vragen aan Perzische gezanten en temde een paard; de baby Herakles wurgde al een paar slangen; Theseus reinigde de istmus van Korinthe van een batterij rovers; Cyrus gedroeg zich als kind al als koning; de kleine Caligula stond enthousiast te kijken naar de martelingen en executies van terdoodveroordeelden en ook Nero gaf al vroeg blijk van zijn wrede karakter.

    Karakter: in de Oudheid was men ervan overtuigd dat dat een leven lang hetzelfde bleef. Hieruit volgde dat als iemand later erg intelligent zou zijn, of een krachtpatser, of opvallend wreed, hij dat ook als kind al moest zijn geweest. Een twaalfjarige Jezus die intelligent discussieerde met de leraren, paste goed bij de man die hij later zou zijn.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Latijnse, heidense literatuur

    mei 1, 2021
    1 Henoch voor beginners

    oktober 9, 2022
    Een Arabisch eerstelingenoffer

    april 4, 2018 Deel dit:

    #EvangelieVanLukas #Jeruzalem #JezusVanNazaret #Jozef #Lukas #Maria #NieuweTestament #tempel

  25. De onbekende god

    Altaar voor een onbekende god (Antiquarium van het Palatijn, Rome)

    We zullen vermoedelijk nooit weten wie Gaius Sestius Calvinius was, behalve dat hij in Rome het bovenstaande altaar oprichtte. Het is gevonden op de plek die bekendstaat als Velabrum, dat wil zeggen de doorgang tussen Palatijn en Capitool die het Forum Romanum verbond met het Forum Boarium, de veemarkt. De tekst, die bekendstaat als EDCS-17200112, is eenvoudig:

    Sei deo sei deivae sac(rum)
    C(aius) Sextius C(ai) f(ilius) Calvinus pr(aetor)
    de senatinoot Je zou senatus hebben verwacht. sententia
    restituit

    Dat wil zoiets zeggen als

    Aan hetzij een god, hetzij een godin
    Door Gaius’ zoon praetor Gaius Sestius Calvinius
    Op last van de Senaat
    Heeft hij dit vernieuwd.

    Er waren destijds vele goden, en het kon goed verkeerd gaan als je er een vergat. Gelukkig gaven de goden hun wensen door middel van voortekens te kennen, en dan waren er priesters die de zogeheten Sibillijnse Boeken raadpleegden. Die vertelden dan welke godheid wenste te worden toegevoegd aan het pantheon. Maar soms werd het voorteken niet begrepen en dan waren de rampen niet te overzien. Zo liet in 387 v.Chr. een onbekende godheid weten dat hij verering wenste door expliciet te spreken, maar de Senaat sloeg geen acht op de mysterieuze sprekende stem, en binnen de kortste keren leed het leger aan het riviertje Allia een nederlaag tegen de Galliërs, die vervolgens de stad bezetten en het Capitool belegerden. Kortom, je kon beter een altaar hebben waar je offerde aan goden die je ongewild was vergeten.

    Zo’n altaar hebben we dus ook hierboven. Het dateert vermoedelijk uit de eerste helft van de eerste eeuw v.Chr. Het werkwoord “heeft dit vernieuwd” bewijst dat dit soort altaren zorgvuldig werd gecontroleerd en op gezette tijden aangepast aan de eisen van de tijd. (Er is overigens een theorie dat de formulering “aan hetzij een god, hetzij een godin” diende om de naam van de beschermgoden van Rome niet te hoeven noteren, zodat vijanden die niet konden ontdekken, maar ik geloof die theorie niet omdat die namen algemeen bekend waren.)

    Zo’n altaar was natuurlijk ideaal voor religieuze vernieuwers. De Handelingen van de apostelen vertellen dat de apostel Paulus verwees naar zo’n monumentje toen hij in Athene een nieuwe tak van jodendom kwam uitleggen:

    “Atheners, ik heb gezien hoe buitengewoon godsdienstig u in ieder opzicht bent. Want toen ik in de stad rondliep en alles wat u vereert nauwlettend in ogenschouw nam, ontdekte ik ook een altaar met het opschrift: ‘Aan de onbekende god’. Wat u vereert zonder het te kennen, dat kom ik u verkondigen.”noot Handelingen 17.22b-23; NBV21.

    En daarmee rond ik mijn zondagse blogje over het Nieuwe Testament af.

    [Dit was het 505e voorwerp in mijn reeks museumstukken. Een overzicht van de reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Dikke gladiatoren (3): Discussie

    april 10, 2024
    Wat is een grens? (2)

    september 17, 2018
    Joodse literatuur (3): hellenisme

    januari 8, 2023 Deel dit:

    #Athene #HandelingenVanDeApostelen #inscriptie #NieuweTestament #onbekendeGod #Paulus #priesterschap #Rome #SibillijnseBoeken #voortekens

  26. Storm op zee

    Papyrus 𝔓45

    Een van de allerbekendste verhalen uit het Nieuwe Testament, het onderwerp waarover ik op zondag graag blog, is dat over de storm op zee. Of beter: het Meer van Galilea, een plas zoet water van 166 vierkante kilometer, zo groot als de gemeente Amsterdam. Hier is de versie van de evangelist Marcus.

    Toen het avond was geworden, zei hij tegen hen: “Laten we het meer oversteken.” Ze lieten de menigte achter en namen hem mee in de boot waarin hij al zat, en voeren samen met de andere boten het meer op.noot Marcus 4.35-36; NBV21.

    Dit is meteen interessant. In de eerste vier hoofdstukken van het Marcusevangelie hebben we alleen gelezen over Johannes de Doper en over Jezus’ prediking in Galilea. Jezus verlaat Galilea nu en zal aankomen bij Gadara, en daarmee is hij weg uit het land van Israël. Hij verlaat als het ware zijn vaderland. Het zal geen enkele antieke luisteraar hebben verbaasd dat er een storm opstak: een gangbaar literair motief. Neem Herodotos: als de Perzische koning Kambyses een leger stuurt naar de vreemde wereld der Libiërs, verdwijnt het in een storm; als zijn opvolger Darius een vloot stuurt naar de wereld van de Grieken, zinkt die in een storm; en als Xerxes een brug bouwt van Azië naar Europa, wordt ook die verwoest.

    Dat het een literair motief is, wil overigens niet meteen zeggen dat het verhaal onwaar is. Op het door bergen omgeven Meer van Galilea kan het behoorlijk spoken.

    Er stak een hevige storm op en de golven beukten tegen de boot, zodat die vol water kwam te staan. Maar hij lag achter in de boot op een kussen te slapen. Ze maakten hem wakker en riepen: “Meester, kan het u niet schelen dat we vergaan?”
    Toen hij wakker geworden was, sprak hij de wind bestraffend toe en zei tegen het water: “Zwijg! Wees stil!”
    De wind ging liggen en het water kwam helemaal tot rust.noot Marcus 4.37-39.

    Parallellen

    Een logisch verhaal, althans in de Oudheid. Mensen met gezag hadden het vermogen wonderlijke dingen tot stand te brengen. Hier is een parallel:

    Toen hij Egypte naderde, brak er plotseling een storm uit. Het was onmogelijk te zien waar ze zich bevonden en daarom zochten de opvarenden hun toevlucht bij het standbeeld van Afrodite en smeekten haar om hen te redden. De godin, die de mensen van Naukratis goed gezind was, zorgde er plotseling voor dat alles rondom haar werd bedekt met groene, verse mirte, waardoor het schip, hoewel de opvarenden wanhopig zochten naar veiligheid, gevuld werd met een aangename geur. En toen ineens scheen de zon en konden ze hun ankerplaats zien.noot Athenaios, Geleerden aan tafel 15.576a-b.

    Hier doet een enkel gebed tot Afrodite wonderen. Diodoros van Sicilië weet dat Orfeus, door de goddelijke Tweelingen aan te roepen, een storm tot bedaren wist te brengen.noot Diodoros van Sicilië, Wereldgeschiedenis 4.43.1-2. Apuleius meldt dat een gebed tot Isis voldoende is, en er zijn volop inscripties van zeevarenden die goden bedanken voor hun redding.

    Het interessante in Marcus’ verhaal is dat de opvarenden in het bootje zich richten tot Jezus. Die is, in dit type verhaal, dus de reddende god. En dat wringt een beetje met de theologie van het Marcusevangelie, waarin Jezus niet à la Johannesevangelie een god is, maar diens lijdende zoon. Om die reden wordt wel aangenomen dat het verhaal over het stillen van de storm ouder is dan het Marcusevangelie. Wat niet bewijst dat het historisch waar is, maar wel suggereert dat de “hoge christologie” oud is. Dat maakt dit een belangrijk evangelieverhaal.

    Papyrus 45

    Tot slot: wat is die papyrussnipper hierboven? Dat is een stukje van 𝔓45, ofwel Papyrus 45, ofwel P. Chester Beatty I, ofwel de eerste papyrus uit de collectie van de Amerikaanse verzamelaar Alfred Chester Beatty, ofwel de vijfenveertigste in een verzameling vroeg gedateerde papyri. Dit keer: rond het jaar 250, dus vóór het christendom een toegestane religie werd. Het is niet veel tekst, maar het gaat zeker om het hierboven vertelde verhaal en de snipper bewijst dat er rond 250 al manuscripten waren met de standaardtekst van dit deel van het Nieuwe Testament. Ik zeg er overigens wel bij dat de datering paleografisch en dus wat losjes is. Niettemin: een belangrijk fragment over een belangrijk evangelieverhaal.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Tacitus’ Germanen (6)

    maart 16, 2015
    Nesaïsche paarden

    november 28, 2024
    Apollonios van Tyana (3)

    oktober 30, 2013 Deel dit:

    #ChesterBeattyPapyri #christologie #EvangelieVanMarcus #HerodotosVanHalikarnassos #MeerVanGalilea #NieuweTestament #storm

  27. Apollos

    Een Egyptenaar (Staatliches Museum Ägyptischer Kunst, München)

    Ik stipte gisteren aan dat het een raadsel is hoe het christendom in Egypte is aangekomen. Een van de allergrootste kenners van de materie, Adolf von Harnack, typeerde ons vrijwel volledige gebrek aan informatie als de ergste lacune in onze kennis van het vroege christendom. De kwestie is belangrijk omdat Egypte in de tweede eeuw een ware fabriek van nieuwe ideeën was. Grappig genoeg weten we wél dat er al heel vroeg volgelingen van Jezus leefden in Alexandrië: we kennen er een bij naam, hij heette Apollos en dat is een naam die vooral in Egypte is gedocumenteerd.

    Apollos van Alexandrië

    De auteur van de Handelingen van de apostelen vertelt:

    Intussen arriveerde er in Efese een uit Alexandrië afkomstige Jood, die Apollos heette. Hij was een ontwikkeld man, die goed onderlegd was in de Schriften. Hij had [in zijn vaderland] onderricht gekregen in de Weg van de Heer en verkondigde geestdriftig de leer over Jezus, die hij zorgvuldig uiteenzette, ook al was hij alleen bekend met de doop zoals Johannes die had verricht. In de synagoge begon hij nu vrijmoedig het woord te voeren.noot Handelingen 18.24-26a; NBV21.

    We kennen deze Apollos ook uit de door Paulus geschreven Eerste Brief aan de Korintiërs en weten daarom dat Apollos rond 50 aankwam in Efese. Dus hier ontmoeten we een Egyptische Jood die niet alleen de relevante literatuur kende, maar ook het zelfvertrouwen had om op pad te gaan om in de synagogen van Klein-Azië onderricht te gaan geven.

    Waar hij zijn kennis had opgedaan, is onduidelijk; de in het citaat hierboven tussen […] geplaatste woorden “in zijn vaderland” staan niet in alle handschriften. Maar we hebben hier wel een christen uit Alexandrië, heel erg vroeg. Overigens waren er op dat moment ook al christenen in Antiochië, dus zó vreemd is het nou ook weer niet.

    Handelingen

    We lezen in de Handelingen verder dat Paulus’ Efesische leerlingen bedenkingen hadden bij Apollos’ verkondiging, en hem terzijde namen om hem bij te praten.noot Handelingen 18.26b. Vervolgens reisde Apollos door naar Korinthe, waar hij opnieuw kennis maakte met een door Paulus gestichte gemeente.

    Hij slaagde erin de Joden in het openbaar in het ongelijk te stellen door op grond van de Schriften aan te tonen dat Jezus de messias is.noot Handelingen 18.28.

    Terwijl Apollos dus in Korinthe was, arriveerde Paulus in Efese, waar hij Apollos’ leerlingen opnieuw doopte, omdat die van Apollos de doop hadden ontvangen zoals Johannes die had toegediend. Dat was vooral een manier om ritueel rein aan een nieuw leven te beginnen, en ze hadden niet meegekregen dat ze (althans volgens Paulus) ook nog moesten geloven in de Heilige Geest en in Jezus. Je zou dit laatste de Paulinische verschuiving kunnen noemen: het gaat hem niet om het geloof van Jezus, maar om het geloof in Jezus.

    1 Korintiërs

    Uit het bovenstaande valt af te leiden dat Apollos mensen doopte en geloofde dat Jezus de messias was, maar dat hij met Paulus van mening verschilde over de vraag wat dit laatste betekende. De auteur van Handelingen noemt verder geen conflicten of ruzies. Dat die er wel waren, blijkt uit Paulus’ eigen woorden.

    Door Chloë’s huisgenoten is mij verteld dat er verdeeldheid onder u heerst. Ik bedoel dat de een zegt: “Ik ben van Paulus,” een ander: “Ik van Apollos,” een derde: “Ik van Kefas,” en een vierde: “Ik van Christus.” Is Christus dan verdeeld? Is Paulus soms voor u gekruisigd? Of is het in de naam van Paulus dat u bent gedoopt?noot 1 Korintiërs 1.11-13.

    Even verderop bakent Paulus zijn eigen positie af:

    De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God. Er staat namelijk geschreven: “Ik zal de wijsheid van de wijzen vernietigen, het verstand van de verstandigen zal ik tenietdoen.”noot 1 Korintiërs 1.18-19, met citaat uit Jesaja 29.14.

    In de vertaling valt een woordspeling weg: het werkwoord “vernietigen” (apollynai in de Septuaginta) lijkt als twee druppels op de naam Apollos. Paulus lijkt geërgerd te zijn. Dat blijkt ook uit de metaforen die hij even verderop gebruikt, waarin hij zich presenteert als belangrijker dan Apollos.

    Ik heb geplant, Apollos heeft water gegeven…noot 1 Korintiërs 3.6.

    Ik heb als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, en anderen bouwen daarop voort…noot 1 Korintiërs 3.10.

    Paulus zijnde Paulus vallen deze verwijten eigenlijk wel mee. Over Petrus oordeelt hij veel giftiger.noot “Zijn gedrag was verwerpelijk”: Galaten 2.12. Paulus lijkt niet te hebben willen toestaan dat een meningsverschil de eenheid verstoorde. Zo keek ook de auteur van de Brief aan Titus er tegenaan, die aan de geadresseerde vraagt om Apollos te voorzien van reisbenodigdheden.noot Titus 3.13. Apollos was en bleef dus aanvaard in de Paulinische gemeenschappen, maar er is wel iets aan de hand.

    Egyptisch christendom?

    Wat was het verschilpunt? Handelingen noemt de doop, de Heilige Geest en het geloof in Jezus, maar 1 Korintiërs noemt die zaken niet. Ik speculeer dat het ging om “de boodschap over het kruis” die een dwaasheid was “voor wie verloren gaan” en die “de kracht van God” was voor degenen die op de Jongste Dag zouden worden gered. Dit is vertrouwd Paulus-materiaal: volgens hem verzoende de kruisdood de zondige mensheid met God.noot Romeinen 5.6-11; Galaten 1.4, 3.13.

    Het is goed mogelijk dat Apollos, die immers niet Paulus was, hier anders over dacht. Misschien was in zijn visie Jezus wel een wijsheidsleraar, ongeveer zoals ook Josephus hem typeert, en is Paulus’ opmerking dat “de wijsheid van de wijzen zal worden vernietigd” meer dan een woordspeling. Paulus plaatst dan de wereldse wijsheid van Apollos tegenover zijn eigen, paradoxale dwaasheid. Ik noem dit punt omdat in het latere Egyptische christendom de door Jezus gepredikte wijsheid/inzicht/kennis centraal staat. Dat wordt weleens aangeduid als gnostisch en in navolging van latere orthodoxe auteurs als Eusebios gelden de gnostici als valse christenen. Zo hebben ze dat zelf niet gezien.

    Enfin. Ik was aan het speculeren over een niet-Paulinische joodse christen. Er is echter geen bewijs, zelfs geen aanwijzing, dat Apollos een proto-gnosticus was. Het laatste woord moet echt dat zijn van Von Harnack: hoe het christendom in Egypte is gekomen, is de ergste lacune in onze kennis van de geschiedenis van het nieuwe geloof. Maar we weten dus wél dat het er al is geweest vóór 50.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Mijn boek over de geschiedenis van Libanon is verschenen; de opbrengst gaat via Cordaid naar het geteisterde land.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De Bataafse Opstand (7)

    mei 6, 2016
    De Joodse Opstand (2)

    juli 24, 2019
    VIII Augusta op de Balkan

    juli 6, 2024 Deel dit:

    #AdolfVonHarnack #Alexandrië #Apollos #BriefAanTitus #EersteBriefAanDeKorintiërs #Efese #HandelingenVanDeApostelen #JohannesDeDoper #Korinthe #NieuweTestament #Paulus

  28. De barmhartige samaritaan

    Barmhartige samaritaan (Rossano-codex)

    Dat je zorg draagt voor mensen die in de problemen zijn geraakt, is elementair fatsoen. En omdat dat fatsoen weleens ontbreekt, hebben we een en ander tevens vastgelegd in wetten en verdragen. Zo simpel is het. Je hebt geen antieke tekst nodig om medemenselijkheid te begrijpen. Desondanks komt, sinds de Nederlandse Tweede Kamer besloot hulp aan illegaal in ons land verblijvende mensen strafbaar te stellen, de parabel van de barmhartige samaritaannoot Ik spel natuurlijk samaritaan, want de samaritanen waren (en zijn) een antieke geloofsgemeenschap en de namen van religieuze groepen spellen we in onderkast. De burger wordt geacht de wet te kennen, dus u schudt moeiteloos Spellingsbesluit 1995, artikel 16.7, onder S uit uw mouw, en u schrijft ook jood, christen en moslim. tot vervelens toe langs.

    Ik houd er niet van de antieke literatuur te leggen in het procrustesbed der actualiteit. De Oudheid is in zichzelf voldoende interessant. Maar nu de barmhartige samaritaan ineens overal wordt geciteerd, bied ik toch wat losse aantekeningen, die ik baseer op het onvolprezen The Jewish Annotated New Testament, waarover ik al eerder schreef. (Er is een uitgebreide Nederlandse vertaling, maar die heb ik even niet bij de hand.)

    Medemenselijkheid

    De evangelist Lukas leidt het verhaal in met twee aan Jezus gestelde vragen. De eerste luidt wat iemand moet doen om het eeuwig leven te verwerven. Het antwoord is simpel:

    Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.noot Lukas 10.27; NBV21.

    Dit is een combinatie van Deuteronium 6.5 en Leviticus 19.18b en is een standaardantwoord. We vinden het eveneens in Lukas’ bron Marcus; de argumentatie is gebaseerd op een farizese redenatiefiguur die bekendstaat als Gezerah Shavah; we kennen deze conclusie ook uit de rabbijnse literatuur; de Romeinse auteur Plinius de Oudere zag het eveneens zo. Kortom, tot hier is er niets bijzonders aan de hand.

    Maar de wetgeleerde wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: “Wie is mijn naaste?”

    Toen vertelde Jezus hem het volgende: “Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten. Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij met een boog om hem heen. Er kwam ook een leviet langs, maar bij het zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen.”noot Lukas 10.29-32.

    Je hoort regelmatig dat deze mensen geen EHBO verleenden omdat ze hun rituele reinheid moesten bewaren: het waren immers mensen die werkten in de tempel, en rituele reinheid was belangrijk. Dan raak je geen stervende aan. Alleen: het staat er simpelweg niet.

    Op en neer naar Jeruzalem

    Nu staan er wel meer dingen niet in het Nieuwe Testament. Je kunt zeggen dat onuitgesproken kon blijven wat elke toehoorder begreep. Maar het Grieks bevat een duidelijke tegenaanwijzing. In die taal, afkomstig uit een land met nogal wat bergen en dalen, loop je zelden zomaar van A naar B, maar je klimt of daalt van A naar B. En in de parabel is echt sprake van afdalen, κατέβαινεν. Het werk in de tempel zit erop en de rituele reinheid doet er dus niet langer toe.

    Waar komt dat idee van de rituele reinheid vandaan? Ik vermoed dat het samenhangt met het christelijke vooroordeel dat joden geen genadige god hadden, maar een god die hen dwong “punten te scoren” om een plaats te verwerven in de wereld die nog zou komen. Daarom, zo wilde het vooroordeel, hadden de joden eindeloos veel regeltjes. En dus een obsessie met rituele reinheid. Die veronderstelde obsessie hebben christelijke lezers in dit verhaal gelezen.

    Aäron, Levi, Israël

    De reden waarom de priester en de leviet de ongelukkige negeren, vernemen we dus niet, en is voor het verhaal ook niet belangrijk. Het priesterschap was erfelijk en een joodse priester stamde af van Mozes’ broer Aäron. Het levietschap was eveneens erfelijk: de levieten stamden af van Levi, een van de twaalf zonen van de aartsvader Jakob. De rest van de bevolking (de afstammelingen van de andere zonen van Jakob dus) staat bekend onder de verzamelnaam Israël. Na Aäron en Levi zou Israël moeten komen: de toehoorder verwachtte dat de derde passant een gewone jood zou zijn die deed wat gods grondpersoneel naliet. De schok in de parabel is dat degene die de zaken netjes afhandelt, niet de verwachte gewone jood is, maar iemand die geen deel uitmaakt van het verbondsvolk.

    Wie zich werkelijk wil verdiepen in de materie, moet ook nog even kijken naar 2 Kronieken 28.15, maar ik ga snel verder naar het einde van de vertelling. Jezus vervolgt:

    “Een samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde. De volgende morgen gaf hij twee denarie aan de eigenaar en zei: ‘Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden.’ Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?”

    De wetgeleerde zei: “De man die medelijden met hem heeft getoond.”

    Toen zei Jezus tegen hem: “Doet u dan voortaan net zo.”noot Lukas 10.33-37.

    Het antwoord van de wetgeleerde is ronduit grappig: “de man die medelijden heeft getoond”. De wetgeleerde kan het woord “samaritaan” niet eens over z’n lippen krijgen.

    Mijn boek over Libanon is verschenen. De opbrengst is geoormerkt voor Cordaid Libanon.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De Didache

    juli 17, 2014
    Nogmaals de Zijderoute

    juni 24, 2022
    Het antieke Jemen

    februari 22, 2025 Deel dit:

    #barmhartigeSamaritaan #EvangelieVanLukas #GezerahShavah #Jeruzalem #leviet #NieuweTestament #priesterschap #ritueleReinheid #samaritaanseGeloofsgemeenschap

  29. Mattias, een van de Twaalf

    Romeinse bijl (Noord-Brabants Museum, Den Bosch)

    Historici zijn simpele mensen. Ze willen alleen maar weten hoe iets in het verleden is geweest. Zo simpel. Dat doen ze niet omdat ze het verleden inspirerend vinden of omdat ze aandrang voelen deze of gene praktijk verontwaardigd te veroordelen. Het is voor historici voldoende om gebeurtenissen, meningen of maatschappijstructuren te kennen. Gesubsidieerde historici spreken weleens over de relevantie van het verleden, maar daarvan hoeven wij ons niks aan te trekken. Het is immers voldoende dat verleden gewoon interessant is.

    Wij hoeven slechts te constateren dat er in het tweede kwart van de eerste eeuw na Chr. binnen het jodendom een groep ontstond die “christenen” werd genoemd. Anderen mogen daarvan zeggen dat het christendom, van de vele wegen die naar de hemel leiden, een vrij directe is, of juist beweren dat de mensheid beter niet christelijk was geweest. Dat mag allemaal, maar de historicus heeft daarover, althans professioneel, geen mening. Die zet de feiten op een rij. Niet meer. Niet minder. De historicus is een simpel mens.

    De apostelen en de Twaalf

    Het is vandaag Pinksteren. Daarover heb ik al eens geblogd en ik laat het nu rusten. Interessanter vind ik vandaag het verhaal dat in de Handelingen van de Apostelen voorafgaat aan het Pinksterverhaal: de keuze van een nieuw lid van de Twaalf. Judas Iskariot was immers dood, er dus werd een vervanger gezocht.

    Ze stelden twee mannen voor: Josef Barsabbas, die de bijnaam Justus had, en Mattias. … Ze lieten hen loten en het lot viel op Mattias. Hij werd aan de elf apostelen toegevoegd.noot Handelingen 1.23, 26.

    Eerst een kleine kanttekening: rond Jezus bestonden diverse groepen, zoals de leerlingen, de (tweeën)zeventig apostelen en de Twaalf. Om hem moverende redenen stelt de auteur van het Evangelie van Lukas en de Handelingen van de Apostelen die Twaalf gelijk aan de apostelen. Ik heb geen idee waar die gelijkstelling vandaan komt, maar het is een relevant punt, want het betekent dat toen Lukas schreef, ergens rond 80 na Chr., het onderscheid tussen deze groepen niet meer duidelijk was.

    Maar goed. De laatste zin zou dus ook kunnen luiden dat Mattias “aan de Elf werd toegevoegd”. En mijn simpele vraag is: is dat werkelijk gebeurd?

    Argumenten

    Zekerheid is er niet. Maar er zijn wel argumenten. Eén daarvan veronderstelt het zogeheten “criterium van de discontinuïteit” en de redenering is als volgt. Als in de jonge kerk de Twaalf een rol zouden hebben gespeeld, was het op dat moment belangrijk te vernemen hoe de Elf waren aangevuld. Maar de Twaalf spelen in het vroege christendom geen rol.

    • De Handelingen gaan over mensen als Petrus (wel een van de Twaalf), over de diakens zoals Stefanos en Filippos, en over Barnabas en Paulus, die zich in zijn eigen brieven apostel noemt maar nooit bij de Twaalf heeft gehoord.
    • De nieuwtestamentische brieven en vroegchristelijke auteurs noemen de Twaalf ook al niet bijster vaak.
    • Uit Lukas’ begripsverwarring blijkt dat hij ook niet meer precies wist wat de Twaalf waren.

    De Twaalf kunnen, zo luidt de redenering, dus niet zijn verzonnen om een praktijk uit de vroege kerk te voorzien van een antecedent. Er is een discontinuïteit tussen de aanwezigheid van de Twaalf ten tijde van Jezus’ leven en de afwezigheid in de tijd erna.

    Dit is natuurlijk niet het enige argument. Ook het “criterium van de gêne” is relevant. Dat Jezus door een lid van de Twaalf is verraden, is wel wat beschamend. Als de Twaalf zouden zijn verzonnen, zou dit niet zijn bedacht.

    We hebben zo bezien twee aanwijzingen dat er een groep heeft bestaan die de Twaalf heet. En als die er is geweest, maar als die geen rol meer speelde toen Lukas eenmaal aan het schrijven was, dan zal de anekdote over de aanvulling van de Elf ook wel niet zijn verzonnen.

    Complexiteit

    Daar is ook een meer positieve aanwijzing voor: de complexiteit. Als Lukas alleen maar hoefde verzinnen dat de Elf een extra lid aantrokken, zou je iets hebben verwacht als “Mattias blonk uit in vroomheid en werd daarom gecoöpteerd”. De auteur heeft geen reden om het verhaal complexer te maken. Dat dit wel is gebeurd, suggereert dat de kandidatuur van Josef Barsabbas algemeen bekend was. Dat duidt minimaal op een heel oude traditie.

    Wat we bij deze simpele vraag steeds zien, is dat we aannames doen over de vroege kerk en aan de hand daarvan redeneren of de Twaalf en de benoeming van Mattias eind eerst eeuw kunnen zijn verzonnen. Persoonlijk denk ik dat de aannames correct zijn en dat we dus kunnen concluderen dat ook het bestaan van de Twaalf en Mattias’ benoeming wel historische feiten zijn. Maar u merkt ook: hoe simpel de vraag ook is, er is aanzienlijke ruimte voor twijfel.

    Meer valt er niet van te maken. Dat Mattias met een bijl zou zijn onthoofd, is middeleeuwse legendevorming. Romeinse bijlen waren daarvoor bovendien niet geschikt, daarvoor waren ze veel te klein, zoals het plaatje bovenaan dit blogje toont. Mattias is, net als Josef Barsabbas, een naam, niet méér.

    Mijn boek over Libanon verschijnt donderdag 12 juni, maar u kunt het al bestellen. De opbrengst is geoormerkt voor Cordaid Libanon. U bent welkom bij de presentatie.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Domitianus (19): Domitia Longina

    januari 13, 2022
    Gesprekken van alledag

    mei 29, 2022
    Taxila

    oktober 17, 2013 Deel dit:

    #criteriumVanDeDiscontinuïteit #criteriumVanDeGêne #deTwaalf #EvangelieVanLukas #HandelingenVanDeApostelen #Lukas #Mattias #NieuweTestament

  30. De sleutels van de hemel

    Bij de bron van de Jordaan

    Er was bizar veel aandacht voor het overlijden van paus Franciscus. Acht pagina’s in de Volkskrant. En alles wat werd geschreven, was voorspelbaar. Gespeculeer over nieuwe kandidaten. Een necrologie. Uitleg, veel uitleg, van Vaticaanse gebruiken en tradities. Het is immers makkelijke kopij: mannen in jurken met rare gewoontes, die de komende weken beleid gaan maken, vol goede bedoelingen en vol politieke manoeuvres. Het zijn net mensen, zelfs al bestaat het decor uit de grootste verzameling kunst ter wereld.

    “Jij bent Petrus”

    Aan al die bladvulling voeg ik in mijn reeks over het Nieuwe Testament nog eens een stukje toe over de scène waarin Jezus in Caesarea Filippi, bij de bronnen van de rivier de Jordaan, zijn leerlingen vraagt of ze weten wie hij is.

    “U bent de messias, de zoon van de levende God,” antwoordde Simon Petrus.
    Daarop zei Jezus tegen hem: “Gelukkig ben je, Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel. En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen. Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.”noot Matteüs 16.16-19; NBV21.

    De opmerking over de sleutels en het verbinden in de hemel, ontbreekt in de parallelpassages in het evangelie van Marcus en het evangelie van Lukas.noot Marcus 8.29-30; Lukas 9.18-21. Dit is dus een zinnetje dat Matteüs invoegde. Waarop hij dat baseert, valt niet te weten.

    Pauselijke claims

    Wat we wel weten is dat de toevoeging een enorme lading kreeg toen het christendom een eigen organisatie begon te krijgen met aan het hoofd enkele patriarchen. De patriarch van het Westen – de paus, zeggen wij – claimde dat hij (via de bisschoppen die aan hem vooraf waren gegaan) stond op de schouders van Petrus, en dat hij daarom de sleutels van het koninkrijk bezat. Vandaar dat Matteüs’ woorden prominent zijn afgebeeld in de Sint-Pieter en dat het Vaticaanse wapen bestaat uit twee sleutels.

    Het is maar de vraag of deze interpretatie klopt. Om te beginnen is niet zeker of Petrus in Rome is geweest. In de Handelingen van de apostelen zit hij in Antiochië in de gevangenis en wordt hij door een wonder bevrijd. Daarmee verdwijnt Petrus uit de geschiedenis. Verder is niet duidelijk wat bedoeld is met de door Jezus gestichte kerk; het Griekse woord ekklesia betekent zoiets als “vergadering”. Als we niet wisten dat er een wereldreligie ontstond, zouden we redeneren dat Petrus hier opdracht kreeg leiding te geven aan Jezus’ volgelingen.

    Wat is een rots?

    En dan is er nog de vraag wat bedoeld is met die rots. Je zou uit Matteüs’ tekst kunnen afleiden dat Simon al eerder Petros, “rots”, werd genoemd en dat Jezus een woordgrapje maakt en hem of zijn antwoord promoveert tot fundament van een toekomstig geloof. Je zou ook kunnen zeggen dat Simon de naam Petrus (kefa in het Aramees) van Jezus krijgt, waarbij je dan de hulphypothese moet accepteren dat de evangelisten die bijnaam ook gebruiken vóór die gebeurtenissen.

    En tot slot: we staan hier aan de bronnen van de Jordaan. Dat is de rivier waar Jozua twaalf rotsen liet plaatsen als getuigen van de Joodse intocht in het Beloofde Land.noot Jozua 4.3. De oosterse kerken, die vanzelfsprekend niets te maken hebben met de claim van de patriarch van het Westen, geven de scène een andere uitleg. Petrus zal getuige zijn van gebeurtenissen die vergelijkbaar zijn met de intocht, namelijk het messiaanse herstel van Israël.

    Kortom, het is allemaal zo eenduidig niet als de Vaticaan-watchers het u de komende dagen zullen presenteren.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Het graf van Marcus Mallius

    januari 23, 2020
    De Limes Tripolitanus: ontstaan

    juli 31, 2011
    VI Ferrata, het Gestaalde Legioen (2)

    augustus 8, 2023 Deel dit:

    #EvangelieVanLukas #EvangelieVanMarcus #EvangelieVanMatteüs #FranciscusPaus_ #katholicisme #NieuweTestament #paus #Petrus #sleutel

  31. Muggenziften

    Een zeef om te muggenziften

    Het antieke jodendom kende diverse stromingen, waarvan we er sommige bij naam kennen. De sadduceeën, de essenen, de farizeeën, de sicariërs en de christenen zijn bekend uit de geschriften van Flavius Josephus; het Nieuwe Testament voegt de mysterieuze Herodianen toe; we kennen verder de sekte van de Dode Zee-rollen; en kort voor de verwoesting van de Tempel duiken de zeloten op. Over de farizeeën en de sekte van de Dode Zee-rollen weten we voldoende om te weten dat het ging om meer dan één groep. Van de christenen en sicariërs is bekend dat ze ook niet-Joodse leden hadden.

    Zoals dat gaat: de aanhangers van deze groepen respecteerden elkaar en scholden elkaar uit. Zolang de Tempel er was, was er iets dat hen verbond. Maar in 70 gaf Titus opdracht die te verwoesten (het was geen toeval, zoals Josephus insinueert). Met de Fiscus Judaicus zette de Romeinse overheid vervolgens druk op de joodse gemeenschappen, en het jodendom raakte gepolariseerd tussen twee stromingen.

    Enerzijds waren er de farizeeën en met hen verwante groepen, die het leiderschap erkenden van de rabbijnen; anderzijds waren er de christenen. Er zijn (mijns inziens: voldoende sterke) aanwijzingen dat het leiderschap aanvankelijk was in handen van Jezus’ familie. Erg belangrijk is het niet – het gaat erom dat de late farizeeën ofwel vroeg-rabbijnse joden zich afzetten tegen de christenen en dat de christenen zich afzetten tegen de farizese, vroeg-rabbijnse joden.

    Deze polarisatie vormt de context waarin Matteüs de redevoering tegen de farizeeën samenstelde. Het gebruikte materiaal is ouder, maar de intern-joodse polemiek van de oorspronkelijke woorden is, doordat van de vele stromingen er maar twee waren overgebleven, veranderd in een christelijk-joodse polemiek. Wat ooit bedoeld was geweest als het soort verwijt aan een andere joodse stroming, het soort verwijt waarvan er destijds dertien in een dozijn gingen, was nu een verwijt aan het leiderschap van alle niet-christelijke joden. Anders gezegd, leiders die niet hadden gezien dat Jezus de messias was geweest en te verblind waren om de christelijke leiders erkennen.

    Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, jullie geven tienden van munt, dille en komijn, maar veronachtzamen wat in de wet zwaarder weegt: recht, barmhartigheid en trouw, terwijl men het een zou moeten doen zonder het andere te laten. Blinde leiders zijn jullie, die uit hun drank de muggen ziften, maar een kameel wegslikken.noot Matteus 23.23-24; NBV21.

    Het laatste beeld spreekt tot de verbeelding. Je ziet zo iemand z’n drank zeven om te verhinderen dat er een mug in zit die hij zou kunnen opdrinken. Ik vraag me echter af welk verbod hieraan ten grondslag ligt. Het is niet iets dat ik meteen herken uit de joodse spijswetten.

    De farizese canon van de geïnspireerde literatuur komt overeen met wat wij kennen als de joodse Bijbel; ik weet niet welke regel voorschrijft dat je je drank moet filteren. Leviticus 11.44 komt in de beurt (“verontreinig je keel niet met dieren die op de grond rondkruipen”), en de uitleg maakt duidelijk dat daar allerlei soorten dieren mee zijn bedoeld, maar eigenlijk kruipen muggen niet zoveel over de grond. Het door Matteüs geciteerde verwijt is dus dat men bij het vervullen van een gebod verder gaat dan noodzakelijk. Eigenlijk verwijst ons woord muggenziften dus niet naar iemand die zich druk maakt over trivialiteiten, maar naar iemand die roomser is dan de paus.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u doneren, maar ook een van mijn boeken kopen (en lezen). Mijn boek over Libanon verschijnt in april, maar u kunt het al bestellen. Er is ook een HomeAcademy-cursus, waarvan de opbrengst naar Cordaid Libanon gaat. En u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #EvangelieVanMatteüs #farizeeën #FlaviusJosephus #Leviticus #mug #muggenziften #NieuweTestament #spijswetten

  32. Het Gehenna

    Het Laatste Oordeel (Catacombe van Domitilla, Rome)

    Die foto van de Duivelsbrug van afgelopen vrijdag, die maakte ik vorige week, toen ik in Breda moest zijn om een lezing te verzorgen over joodse eindtijdverwachtingen. Dat bleek een nogal complex thema, want in de Eindtijd velt de Mensenzoon het Laatste Oordeel. En dan herleven de doden, want het kan niet zo zijn dat martelaren hun beloning niet krijgen en slechte mensen onbestraft blijven. Daniël:

    Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd.noot Daniël 12.2; NBV21.

    Gehenna

    Anders gezegd: beloningen en straffen. En zo moest ik me in mijn Bredase lezing ook bezighouden met de hel, die in het Nieuwe Testament wordt aangeduid als Gehenna. De evangelist Marcus weet meer:

    Als je hand je ten val brengt, hak hem dan af: je kunt beter verminkt het leven [d.w.z., het Paradijs] binnengaan dan in het bezit van twee handen naar de Gehenna gaan, naar het onblusbare vuur. Als je voet je ten val brengt, hak hem dan af: je kunt beter kreupel het leven binnengaan dan in het bezit van twee voeten in de Gehenna geworpen worden. En als je oog je ten val brengt, ruk het dan uit: je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de Gehenna geworpen worden, waar de wormen blijven knagen en het vuur niet dooft.noot Marcus 9.43-47; NBV21.

    Dat het Gehenna een plaats is waar je na je dood pas terechtkomt, blijkt uit een passage bij Lukas, waarin Jezus zijn vrienden voorhoudt

    niet bang [te zijn] voor degenen die wel je lichaam kunnen doden, maar daarna niets meer tegen je kunnen uitrichten. Ik zal jullie zeggen voor wie je bang moet zijn. Wees bang voor Hem die de macht heeft om iemand niet alleen te doden maar daarna ook in de Gehenna te werpen.noot Lukas 12.4-5; NBV21.

    Ook Matteüs noemt het Gehenna enkele keren, net als de auteur van de Brief van Jakobus, maar ze voegen weinig toe aan wat we uit Marcus en Lukas leren: na zijn dood wachten de zondaar knagende wormen en een onblusbaar vuur dat niet dooft.

    Hinnomdal

    En dat is nog niet zo’n gek beeld, want Gehenna is de Griekse weergave van het Hebreeuwse ge-hinnom, “Hinnomdal”, waar je dagelijks vuur en wormen kon zien. Het was namelijk de vuilnisbelt bezuiden Jeruzalem, waar afval werd verbrand. Ook de lichamen van gestenigde misdadigers werden er gedumpt als prooi voor honden, vogels en wormen.

    Maar er is meer. Vanaf de vierde eeuw v.Chr. associeerden de Joodse auteurs het Hinnomdal met de plek waar koning Achaz (r.736-725) zijn zoon had geofferd aan de god Baäl.

    Achaz deed niet wat goed is in de ogen van de Heer … en ging zelfs zo ver dat hij godenbeelden maakte voor de Baäls. Ook ontstak hij offers in het Hinnomdal en verbrandde hij zijn zonen als offer.noot 2 Kronieken 28.2-3; NBV21.

    Dit citaat uit 2 Kronieken is een bewerking van een passage uit 2 Koningen, dat het dal van Hinnom niet vermeldt. Het is echter vrij plausibel dat de door de chroniqueur toegevoegde locatie correct is, in het licht van een passage uit Jeremia. (Een tofet is de begraafplaats voor geofferde kinderen – meer hier.)

    De dag zal komen dat er niet meer gesproken wordt over Tofet of het Hinnomdal, maar over het Moorddal. Men zal de doden in Tofet begraven tot er geen plaats meer is.noot Jeremia 7.32; NBV21.

    Kortom, de beelden die de auteurs van het Nieuwe Testament gebruiken voor het Gehenna, zijn ontleend aan de vuren en het ongedierte dat iedereen kende van Jeruzalems vuilnisbelt, en verwijzen ook naar de meest afschuwelijke offers die we ons kunnen voorstellen.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    PS: Prebunking

    Voor ik u achterlaat, nog even dit. Binnenkort is het Pasen, dus u krijgt de komende tijd de nodige flauwekul over u uitgestort. Dat is een oudheidkundige traditie die bekendstaat als de paashoax. In de aanloop naar Pasen verlangen journalisten die niets echt willen uitzoeken namelijk naar makkelijke kopij over het christendom, zodat oudheidkundigen die niet echt iets hebben te melden, hun persberichten de deur uitdoen, zodat academische bestuurders die de wetenschap niet echt begrijpen, tevreden zijn met de publiciteit, die uw inzicht dus niet echt wil verhelderen. Overzicht van paashoaxes: hier.

    Ook op komst: op 21 april 753 v.Chr. is Rome gesticht, toch? Nee. Daar.

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u een van mijn boeken kopen (en lezen), zoals Goden en halfgoden. Of ga mee op reis naar Tunesië! Of kom een cursus doen. Of doneer. U kunt deze blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #Achaz #Baäl #Eindtijd #EvangelieVanLukas #EvangelieVanMarcus #Gehenna #hel #Jeruzalem #NieuweTestament #paashoax #tofet

  33. De Bijbelkennis van de duivel

    Een nieuwe zondag, een nieuw blogje over het Nieuwe Testament. En ik keer terug naar een onderwerp waarover ik al eens eerder schreef, namelijk Lukas’ verhaal over de pogingen van de duivel om Jezus te verleiden. Hier is dat verhaal in de NBV21-vertaling.

    De duivel zei tegen hem: “Als u de Zoon van God bent, beveel die steen dan in een brood te veranderen.”
    Maar Jezus antwoordde: “Er staat geschreven: ‘De mens leeft niet van brood alleen.’”

    Jezus antwoordt met een beroep op de Wet van Mozes, en dat is natuurlijk keurig volgens het boekje. U zult dit citaat echter vergeefs zoeken in uw bijbel, want de evangelist citeert hier een vers uit Deuteronomium in de Griekse vertaling die bekendstaat als Septuaginta.noot Lukas 4.3-4; Deuteronomium 8.3. De vertaling van dit vers is eigenlijk meer een parafrase.

    Toen bracht de duivel hem naar een hooggelegen plaats en liet hem in één ogenblik alle koninkrijken van de wereld zien. De duivel zei tegen hem: “Ik geef u de macht over dat alles en ook de roem die ermee gepaard gaat, want ik kan daarover beschikken en ik geef het aan wie ik wil; als u in aanbidding voor mij neervalt, zal dat allemaal van u zijn.”
    Maar Jezus antwoordde: “Er staat geschreven: ‘Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem.’”noot Lukas 4.5-8; Deuteronomium 6.13

    Opnieuw een citaat uit (de Griekse vertaling van) Deuteronomium. Terzijde: er wordt hier impliciet commentaar gegeven op de keizer in Rome.

    In elk geval verloopt de discussie tot hier zoals je zou verwachten. Op vragen volgen, bij wijze van antwoord, schriftverzen. Maar inmiddels begrijpt de duivel Jezus’ gesprekstechniek en hij besluit die te volgen. Minimaal kun je zeggen dat de tegenstrever in zijn poging Jezus te overtuigen, blijk geeft van enige empathische vermogens. Hij ondersteunt zijn vraag dus met een citaat uit de Bijbel.

    De duivel bracht Jezus naar Jeruzalem, zette hem op het hoogste punt van de tempel en zei tegen hem: “Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: ‘Zijn engelen zal Hij opdracht geven om over u te waken.’ En ook: ‘Op hun handen zullen zij u dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen.’”
    Maar Jezus antwoordde: “Er is gezegd: ‘Stel de Heer, uw God, niet op de proef.’”
    Toen de duivel Jezus aan al deze beproevingen had onderworpen, ging hij voor een tijd bij hem vandaan.noot Lukas 4.9-13; Psalm 91.11-12; Deuteronomium 6.13.

    Deze derde uitwisseling ontbreekt in de paralleltekst, bij Matteüs. Ik weet niet of die auteur iets uit de gedeelde bron (“Q”) van Lukas en Matteüs heeft weggelaten of dat Lukas iets heeft toegevoegd, maar erg belangrijk is die kwestie niet. Het Joodse Commentaar op het Nieuwe Testament attendeert in een voetnoot op de ironie van de passage: deze psalm, Psalm 91, wordt in de Dode-Zee-rollen en rabbijnse literatuur geciteerd als bezwering tegen uitgerekend de duivel. Die mag dan beschikken over enige empathische vermogens, zijn kennis van de joodse religieuze literatuur laat te wensen over.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u een van mijn boeken kopen (en lezen), zoals Goden en halfgoden. Of ga mee op reis naar Tunesië! Of kom een cursus doen. Of doneer. U kunt deze blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #beproeving #Deuteronomium #duivel #EvangelieVanLukas #NieuweTestament #Septuaginta

  34. Lysanias van Abila

    Een inscriptie die een Lysanias verneldt – maar welke?

    Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, schrijf ik op zondag vaak over de joods-Romeinse wereld van het Nieuwe Testament. Inmiddels zijn we beland in een kleine “sub-serie” over mensen die ook bekend zijn uit andere bronnen dan de Bijbel, en vandaag moet dat maar eens een Syriër zijn: Lysanias. Niet het bekendste personage. Hij heeft precies één vermelding:

    In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus Judea bestuurde, en Herodes tetrarch was over Galilea, zijn broer Filippos over het gebied van Iturea en Trachonitis, en Lysanias over Abilene, en toen Ananos en Kajafas hogepriester waren, richtte God zich in de woestijn tot Johannes, de zoon van Zacharias.noot Lukas 3.1-2; NBV21.

    Tweemaal Lysanias

    De evangelist Lukas doet zijn best het optreden van Johannes de Doper exact te dateren en geef en passant een schets van de Joodse wereld: Kajafas hogepriester, Ananos als de machtige patriarch van Kajafas’ familie, in het zuiden de Romeinse provincie Judea, en verder de herodiaanse vorsten Herodes Antipas en Filippos in de wat noorderlijker gebieden. En Lysanias was dus tetrarch in Abilene, dat wil zeggen in een stukje van het Antilibanon-gebergte aan weerszijden van de weg van de Bekaavallei naar Damascus. De titel van tetrarch werd gegeven aan heersers die regeerden over een gedeelte van een ouder, groter rijk. Later zou de tetrarchie van Abilene worden toegewezen aan Herodes Agrippa I.

    En dit, beste lezers, is alles wat we over Lysanias weten. Hij was tetrarch van Abilene in het vijftiende regeringsjaar van Tiberius, zo rond 28 na Chr. We kunnen verder nog wat speculeren: een ruime halve eeuw eerder, rond 40 v.Chr., was een andere Lysanias hier aan de macht. Dat kan zijn opa of een oudoom zijn geweest.

    Inscriptie

    En dan is er nog de hierboven afgebeelde inscriptie. Die is in 1912 bestudeerd door de Franse archeoloog Raphaël Savignac en bleek letterlijk dezelfde tekst te bevatten als een eerder ontdekte inscriptie, die echter op dat moment al verloren was.

    Voor het welzijn van Heren Augusti en hun gehele huis heeft Nymfaios, zoon van Abimmes, vrijgelatene van de tetrach Lysanias, de weg laten aanleggen, de tempel laten bouwen en de gehele beplanting verzorgd, op eigen kosten, voor heerser Kronos en zijn vaderland, uit vroomheid.noot Revue biblique 1912, 536; vertaling Gert Knepper.

    Kronos is de Griekse naam van de oud-oosterse god El. Het vervelende is nu dat (voor zover ik weet) niemand de herontdekte inscriptie ooit nog heeft gezien; we hebben dus alleen deze afbeelding uit 1912. Savignac meende dat de inscriptie alleen kon slaan op “onze” Lysanias, omdat Abilene later was toegewezen aan Herodes Agrippa. De verwijzing naar de heren Augusti, meervoud, suggereert echter een veel latere datering, toen er meer dan één keizer was. Het is helemaal niet uitgesloten dat Nymfaios de vrijgelatene is geweest van een nog latere, derde Lysanias.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u een van mijn boeken kopen (en lezen), zoals Goden en halfgoden. Of ga mee op reis naar Tunesië! Of kom een cursus doen. Of doneer. U kunt deze blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #AnanosI #Antilibanon #El #EvangelieVanLukas #FilipposHerodiaan_ #HerodesAgrippaI #HerodesAntipas #inscriptie #JohannesDeDoper #Kajafas #Kronos #LysaniasVanAbila #NieuweTestament #PontiusPilatus #RaphaëlSavignac #Syrië

  35. Een nieuwe zondag, een nieuw blogje over het #NieuweTestament. Op naam van Paulus zijn zeven authentieke en zes bediscussieerde brieven overgeleverd. Waarop baseren wetenschappers hun oordeel?

    mainzerbeobachter.com/2025/02/

  36. Echte en onechte brieven van Paulus

    Paulus (Rome, Santa Prassede)

    Een nieuwe zondag, een nieuw stukje over de wereld van het Nieuwe Testament. En we gaan het eens hebben over auteurschap. Meer in het bijzonder: wie schreef de dertien brieven van de apostel Paulus? Daar is nogal wat om te doen, namelijk. Voor degenen die de Bijbel als het woord van God nemen, is dit een non-probleem: ongeacht wie de pen in de hand had, zijn alle teksten uit het Nieuwe Testament door God geopenbaard, zodat elke tekst normatief is, wie ze ook schreef.

    Desondanks is er al sinds mensenheugenis discussie over. De Alexandrijnse geleerde Origenes, die schreef in de eerste helft van de derde eeuw, betwijfelde al of Paulus de Brief aan de Hebreeën had geschreven. En Origenes was een scherpzinnig geleerde, die wist van de tekst- en bronkritische hoeden en randen. Sindsdien zijn er allerlei argumenten naar voren gebracht. Ik zal de uitkomst alvast verklappen: niemand trekt de authenticiteit in twijfel van Romeinen, 1 Korintiërs, 2 Korintiërs, Galaten, Filippenzen, 1 Thessalonicenzen en Filemon. Over de rest is discussie.

    Waarom discussie?

    Eén van de redenen om te debatteren is dat antieke brieven met een levensbeschouwelijke inslag sowieso verdacht zijn. Classici voeren een vrolijke discussie over de brieven van de Atheense filosoof Plato en voeren geen discussie over de brieven van Apollonios van Tyana (allemaal vals). De Grieks-Romeinse auteur Ploutarchos citeert in zijn Leven van Alexander uit een fictieve correspondentie tussen Alexander en Aristoteles.noot Ik noem dit omdat het bewijs dat Alexander de leerling is geweest van Aristoteles minder sterk is dan wel wordt aangenomen. Dat geleerden vraagtekens plaatsen bij het auteurschap van Paulus, is dus heel normaal: het genre schreeuwt erom.

    De aanleiding tot de vraag zit soms ook in de brief. Hebreeën vermeldt geen afzender en heeft sowieso een beetje de vorm van een essay. De authenticiteitsvraag dringt zich dan vanzelf op.

    De complicaties

    Het probleem is nu: we hebben eigenlijk wat weinig context. We hebben een algemeen verhaal over Paulus’ reizen, de Handelingen van de apostelen, maar dat is meer een roman dan een biografie. En hoewel het te ver zou gaan de tekst als historisch volslagen onbetrouwbaar neer te zetten, zijn er toch wel heel gekke discrepanties tussen de Paulus van de Handelingen en de Paulus van de authentieke brieven.

    Volgens de brieven-Paulus konden niet-Joden toetreden tot het Verbond zonder dat er eisen werden gesteld, terwijl de Handelingen-Paulus akkoord gaat met de Noachitische geboden. In de brieven noemt Paulus zich te pas en te onpas “apostel”, Handelingen duidt hem één keer zo aan.noot Handelingen 14.4. Ook de biografie van de twee Paulussen is anders. Samenvattend: de auteur van de Handelingen schetst geen reële Paulus maar een ideale christen. Of beter: de auteur herkende allerlei spanningen tussen de diverse soorten christenen en paste zijn Paulus zó aan dat consensus mogelijk was. Dat is een duidelijk doel, maar maakt het lastig om de authenticiteit van de brieven te toetsen aan de hand van Handelingen.

    Criteria

    Theologie dan? Er zijn tussen de authentieke en bediscussieerde teksten overeenkomsten en verschillen. Er liggen nu twee problemen. Het eerste is: niet-authenticiteit is altijd makkelijker te beredeneren. Het is vrij simpel verschillen te benoemen die overtuigend ogen, terwijl het aanwijzen van overeenkomsten neerkomt op het opsommen van platitudes. Dat Paulus en iemand die deed alsof ’ie Paulus was, allebei geloofden in één god en aan Christus een speciale plek toewijzen: dat is allemaal zo logisch dat het niet overtuigt.

    Het tweede probleem is dat denkende mensen van mening veranderen. Zoiets geldt zeker voor Paulus, die begon als farizee en zich ontwikkelde tot christen. We weten dus dat deze man niet over alles altijd hetzelfde dacht.

    Nog iets: voor wie schreef iemand? Een Paulus die zich richtte tot mensen die hem al kenden zou hun andere dingen vertellen dan aan mensen die hem niet kenden. Elke auteur past zijn vorm aan zijn doelgroep aan: de Max Havelaar die zich richt tot de hoofden van Lebak hanteert islamitisch jargon, de Max Havelaar van “Over de verhouding der europesche ambtenaren tot de Regenten op Java” niet. Verschillen in vorm en stijl zijn dus te verwachten.

    Woordkeuze is ook weleens genoemd. De auteur van de omstreden Brief aan de Efesiërs hanteert woorden die overeenkomen met de Eerste brief van Clemens, die een halve eeuw na Paulus geschreven moet zijn. Van diezelfde brief aan de Efesiërs is weleens opgemerkt dat ze een kerk-in-wording veronderstelt, die er in Paulus’ eigen tijd zeker nog niet was.

    Tot slot: stylometrie? Helaas zijn de brieven wat kort, maar er is wel onderzoek gedaan. Logischerwijs nemen onderzoekers de zeven authentieke teksten als norm en vergelijken de andere teksten daarmee. Dan lijken de omstreden Efeziërs en Kolossenzen authentieker te zijn dan de twee brieven aan Timotheüs.

    Ik komt tot een soort conclusie. Toen ik me voornam dit eens uit te zoeken, meende ik te weten dat zeven brieven echt waren en de rest omstreden. Dat is nog steeds mijn conclusie, want de consensus van de wetenschappers is zwaarwegend. Maar nu ik me er wat in verdiep, begrijp ik wel beter waarom geleerden verdeeld zijn over de andere brieven: het is heel lastig om authenticiteit en gebrek aan authenticiteit aan te tonen.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier. En een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect van de oudheidkunde vindt u daar.]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u een van mijn boeken kopen (en lezen), zoals Goden en halfgoden. Of ga mee op reis naar Tunesië! Of kom een cursus doen. Of doneer. U kunt deze blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #AlexanderDeGrote #ApolloniosVanTyana #Aristoteles #authenticiteitscriteria #BriefAanDeEfesiërs #BriefAanDeFilippenzen #BriefAanDeGalaten #BriefAanDeHebreeën #BriefAanDeKolossenzen #BriefAanDeRomeinen #BriefAanFilemon #briefliteratuur #EersteBriefAanDeKorintiërs #EersteBriefAanDeThessalonicenzen #EersteBriefAanTimotheüs #EersteBriefVanClemens #HandelingenVanDeApostelen #MaxHavelaar #NieuweTestament #Paulus #Plato #Ploutarchos #stylometrie #TweedeBriefAanDeKorintiërs #TweedeBriefAanTimotheüs

  37. “De Egyptenaar”

    De Olijfberg

    Een paar maanden geleden noemde ik in dit zondagse reeksje over nieuwtestamentische personen die we ook van buiten de Bijbel kennen de man die in de Handelingen van de apostelen wordt aangeduid als “de Egyptenaar”. Ik citeerde de passage al eens eerder:

    Vlak voordat Paulus de kazerne binnengebracht zou worden, zei hij tegen de tribuun: “Mag ik u iets vragen?” De tribuun [Claudius Lysias] antwoordde: “Spreekt u Grieks? Bent u dan niet die Egyptenaar die onlangs in opstand kwam en met vierduizend oproerkraaiers de woestijn in getrokken is?” Paulus zei: “Ik ben een Jood uit Tarsos in Cilicië, burger van een niet onbelangrijke stad.”noot Handelingen 21.37-39; NBV21.

    Die Egyptenaar, die kennen we, al kennen we zijn naam niet. Maar de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus vertelt erover. Tweemaal zelfs. Het gaat om de rebellen die Josephus de schuld geeft van de vernietiging van de Tempel in 70 na Chr.: gewelddadig, anti-Romeins verzet was wezensvreemd aan het Joodse volk, en als dit rapaille in toom was gehouden, had het dagelijks offer gewoon voortgang kunnen vinden. Hoewel Josephus het begin van de verzetstraditie te vroeg plaatst, vermeldt hij in de kwart eeuw vóór de Joodse Opstand inderdaad enkele opstandelingen. Zoals de Egyptenaar, die we rond 58 moeten plaatsen. Josephus schrijft in De Joodse Oorlog:

    Een nog ernstiger slag werd de Joden toegebracht door de valse profeet uit Egypte. Bij aankomst in het land verzamelde deze man, een charlatan die zich voordeed als profeet, dertigduizend goedgelovige lieden. Langs grote omwegen voerde hij hen van de woestijn naar de zogeheten Olijfberg. Hij had het vaste voornemen van hieruit een doortocht naar Jeruzalem te forceren, het Romeinse garnizoen te overmeesteren en zichzelf te installeren als tyran van het volk. Zijn gewapende volgelingen beschouwde hij als een geschikte lijfwacht. Maar [gouverneur Antonius] Felix verhinderde dat er van zijn plannen iets trekken. De hele bevolking schaarde zich achter hem. Het resultaat van de botsing was dat de Egyptenaar met slechts een handjevol mannen wist te ontkomen, maar dat het overgrote deel van zijn aanhang gedood of gevangen genomen werd; de rest van zijn volgelingen werd uiteengeslagen. Ieder probeerde stilletjes zijn eigen huis te bereiken.noot Josephus, Joodse Oorlog 2.261-263; vert. Wes/Meijer.

    In de Joodse Oudheden komt Josephus erop terug. Maar de accenten liggen anders: het aantal volgelingen lijkt meer in lijn met de vierduizend die de auteur van de Handelingen noemt. Ook vermeldt Josephus de tweede keer niet dat de profeet dreigde geweld te gebruiken om de toegang tot Jeruzalem te forceren.

    De Egyptenaar zei dat hij hun vanaf de Olijfberg wilde laten zien hoe op zijn bevel de muren van Jeruzalem zouden instorten, en hij kondigde aan dat hij hen vervolgens dwars door de puinhopen heen de stad zou binnenleiden. Toen Felix dat vernam, gaf hij zijn soldaten bevel de wapens op te nemen. Hij rukte met een groot aantal ruiters en voetsoldaten op uit Jeruzalem en stortte zich op de volgelingen van de Egyptenaar. Vierhonderd van hen bracht hij om het leven, tweehonderd nam hij gevangen. De Egyptenaar zelf wist uit het strijdgewoel te ontsnappen en verdween spoorloos.noot Josephus, Joodse Oudheden 20.169-171; vert. Wes/Meijer.

    De tweede keer is Josephus duidelijker over de aard van de Egyptische profeet: die modelleerde zijn optreden op Jozua, die ooit de muren van Jericho had laten instorten. Maar er is meer. Dit was duidelijk een messiaanse bewering, al onderdrukt Josephus die informatie. De eerste weggever is dat hij erkent dat de man wilde heersen als tyran, alleenheerser. Hij zal zichzelf wel Koning Messias hebben genoemd. De tweede aanwijzing is de vermelding van de Olijfberg, de plek waar God op de Dag des Oordeels zou staan om de strijd tegen de vijanden van Israël te voeren.noot Zacharia 14.4.

    Dat de tribuun die Paulus arresteerde, meende dat hij de Egyptenaar had gearresteerd, is eigenlijk wel logisch: Paulus werd ervan beschuldigd dat hij “overal en aan iedereen een leer verkondigt die tegen ons volk gericht is en tegen de wet en de tempel.”noot Handelingen 21.28. Die dreigende aankondiging was een punt van overeenkomst, en het zou teveel gevraagd zijn geweest van een Romeinse officier om het verschil te begrijpen tussen een Egyptenaar die zijn optreden modelleerde op Jozua en een farizee die zei de profeet te zijn van Jezus. Wij zijn het niet meteen, maar het zijn twee weergaven van dezelfde Aramese naam Yešua.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u een van mijn boeken kopen (en lezen), zoals Goden en halfgoden. Of kom een cursus doen. Of doneer. U kunt deze blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #ClaudiusLysias #FlaviusJosephus #HandelingenVanDeApostelen #Jozua #MarcusAntoniusFelix #messianisme #messias #NieuweTestament #Olijfberg #Paulus #Tarsos

  38. Nikolaos

    Portret van een Romein, tweede kwart eerste eeuw (Archeologische collectie, Mérida)

    Ik heb in mijn zondagse reeks over het Nieuwe Testament wel vaker geblogd over de Twaalf, de door Jezus aangewezen leiders van het te herstellen Israël. Na de dood van Judas Iskariot zijn de Elf nog een keer op sterkte gebracht, zo lezen we in de Handelingen van de apostelen, maar vervolgens verdwijnen ze, althans als groep, uit de geschiedenis. Het initiatief komt bij een andere groep, die we doorgaans aanduiden als de diakens, al gebruikt de Bijbel die aanduiding niet. De aanleiding:

    Toen het aantal leerlingen toenam, ontstond er op een gegeven moment ontevredenheid bij de Griekstaligen, die de Hebreeuwssprekendennoot “Hebreeuws” is hier de Nederlandse weergave van het Griekse woord voor de taal die wij “Aramees” noemen. verweten dat de weduwen uit hun groep bij de dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld.noot Handelingen 6.1; NBV21.

    Nikolaos

    De Twaalf besluiten hierop zeven mannen aan te wijzen die zich bezighouden met de praktische zaken. Hoewel het woord dus niet valt, ontstaat hier feitelijk het diaconaat van de latere christelijke kerken: het beheer van de gemeenschappelijke middelen, zoals voor armenzorg. Een van de zeven diakens heet Nikolaos.

    Ze kozen Stefanus, een diepgelovig man, die vervuld was van de heilige Geest, en verder ook Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaos, een proseliet uit Antiochië.noot Handelingen 6.5; NBV21; een proseliet is een bekeerling.

    Marcus Vankan attendeert er in zijn mooie boek over Sint-Nikolaas op dat deze diaken, verantwoordelijk voor uitdelingen, weleens van invloed kan zijn geweest op het idee dat Sinterklaas geschenken uitdeelt. Een legende als die over de drie meisjes die een bruidsschat toegeworpen krijgen, past inderdaad heel mooi bij wat een diaken zoal deed/doet.

    Nikolaïeten

    Terug naar de Nikolaos uit de Handelingen. Of beter: verder naar de Openbaring van Johannes, die begint met enkele korte brieven aan christelijke gemeenten in Klein-Azië. De christenen in Pergamon krijgen een verwijt te horen:

    Sommigen houden op dezelfde manier vast aan de leer van de nikolaïeten.noot Openbaring 2.15; NBV21.

    Uit de context valt af te leiden dat dit van doen heeft met het eten van offervlees. Sommige christenen redeneerden dat dit verboden was, omdat joden vanouds weigerden andermans offervlees te eten; andere christenen redeneerden dat als het vlees was geofferd aan valse goden, je het veilig kon opeten. Die goden bestonden immers toch niet, dus wat zou het? De Nikolaïeten stelden zich blijkbaar op dit standpunt, dat de auteurs van het Nieuwe Testament beschouwden als onorthodox.

    Latere christelijke auteurs, zoals Eirenaios van Lyon (ca. 140-202), meenden dat deze ketterij was begonnen met de Nikolaos die we kennen uit Handelingen. Het is niet ondenkbaar dat Eirenaios, die afkomstig was uit Klein-Azië, iets heeft vernomen dat verder nergens is opgeschreven. Het is ook denkbaar dat het idee is gebaseerd op niets meer dan een naamsovereenkomst, zoals de Grieken ook zeker meenden te weten dat de Meden afstamden van Medeia en de Romeinen wisten dat Remus Reims had gesticht. Behoudens de vondst van nikolaïsche teksten zullen we het antwoord nooit weten.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Ik organiseer in het voorjaar van 2025 een reis naar de vernieuwde musea van Beieren. Door mee te gaan helpt u deze blog gratis te houden. Maar u kunt natuurlijk ook een van mijn boeken kopen (en lezen), een cursus doen, of doneren. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #diaken #EirenaiosVanLyon #HandelingenVanDeApostelen #MarcusVankan #NieuweTestament #nikolaïeten #NikolaosDiaken_ #offervlees #OpenbaringVanJohannes #SintNikolaas #Sinterklaas

  39. Nog één keer: de wijzen uit het oosten

    4QTestimonia, met teksten over de messias (Jordan Museum, Amman)

    Ik heb al redelijk wat keren geblogd over Matteüs’ verhaal van de wijzen uit het oosten die naar Betlehem kwamen. Ik doe het vandaag nog één keer en dan houd ik ermee op, althans voor 2025.

    Magiërs

    Het gebruikte Griekse woord is magos, en ik vertelde dertien jaar geleden al eens dat dat verwees naar religieuze specialisten uit Perzië. Probleem één: dat zijn geen sterrenwichelaars, hoewel we daar bij Matteüs wel mee te maken hebben. In het Grieks heten sterrenwichelaars soms mathematikoi, vaak chaldaioi en zo nu en dan astrologoi. Geen magoi. Speculaties dat de Perzische magoi aan sterrenwichelarij waren gaan doen toen de Perzen Babylonië hadden onderworpen, zoals geopperd door Mary Boyce, zijn vooral bedacht om dit probleem op te lossen.

    Toch is de woordkeuze van Matteüs niet onlogisch. Magoi waren namelijk wel aanwezig als een machthebber ergens arriveerde. Ze zeiden dan gebeden, vaak staand bij een vuuraltaar waarop ze geurstoffen verbrandden. Aangezien Matteüs Jezus presenteert als koning, is hun aanwezigheid in zijn evangelie logisch. Maar hij presenteert ze dus niet in de eerste plaats als sterrenkundigen.

    De ster

    Dan is er die ster. Dat is, om zo te zeggen, het logo van de firma messias. Sinds de vroege eerste eeuw v.Chr. – eigenlijk zolang als het messianisme bestaat – dacht men dat het vers uit Numeri 24.17:

    Een ster komt op uit Jakob,
    een scepter uit Israël.
    Hij verbrijzelt Moab de slapen,
    de kinderen van Set slaat hij neer.

    verwees naar de messias. Dat Matteüs hier echt naar verwijst, blijkt uit de precieze formulering: de magiërs zeggen tegen koning Herodes “Wij hebben zijn ster zien opkomen”.noot De Statenvertaling “ster in het Oosten” gaat op dit punt de mist in. Met deze verwijzing maakt Matteüs duidelijk wat Jezus’ plaats is in de heilsgeschiedenis.

    Citaten en allusies

    Verder weeft hij nogal wat verzen uit de joodse religieuze literatuur door zijn betoog. Afgezien van het Numeri-citaat citeert hij letterlijk Micha 5.1, Hosea 11.1, Jeremia 31.15 (“Er klinkt een stem in Rama”) en Exodus 4.19, en alludeert hij aan Jesaja 60.6 en Exodus 1.16. Matteüs’ slotopmerking dat Jezus kwam te wonen in Nazaret om een profetie in vervulling te laten dat hij nazoreeër genoemd zal worden, verwijst naar een onbekend geschrift dat niet in de Bijbel is opgenomen. Het gaat om een woordspel: een nazoreeër is iemand uit Nazaret, is iemand die een gelofte heeft ingelost en verwijst naar netzer, “loot”, wat een ander messiaans motief is: zie Jesaja 11.1.

    Ik som dit op omdat de aller-, allereerste vraag die we bij een tekstanalyse moeten stellen, die is naar het genre. Je kunt een roman niet lezen alsof het non-fictie is, een gedicht vergt een andere leeshouding dan proza, en toneel lees je hardop. In dit geval is de dichtstbijzijnde parallel de Dode Zee-rol die bekendstaat als 4QTestimonia, een bloemlezing uit de joodse literatuur die betrekking heeft op de messias. Matteüs heeft zulke citaten genomen en er een verhaal van geschapen.

    Het verhaal is dus – ik vertel opnieuw wat ik al eens herhaalde – een literair spel. Het literaire vlechtwerk levert een gek verhaal op, met bijvoorbeeld een hoogst onlogische vlucht naar Egypte, die er vooral is om een Hosea-passage in vervulling te laten gaan. Het heeft dus niet zoveel zin te zoeken naar de ster van Betlehem, want dat is net zoiets als vragen wat die stem uit Rama heeft gezegd.

    Niet alles is fictie

    Dat Matteüs’ verslag van de geboorte van Jezus is geschreven op de wijze waarop joodse religieuze teksten destijds in elkaar zaten, wil overigens niet zeggen dat alles fictie is. Door wat citaten uit liedjes van Taylor Swift te combineren, kun je een feitelijk accuraat verslag schrijven van de ochtend in januari waarop je de kerstverlichting hebt opgeruimd. Zoals ik al eens schreef, kan de historicus een antieke tekst nooit zomaar helemaal letterlijk nemen maar is het ook verkeerd aan te nemen dat alles literaire fictie is.

    Wat ik hierboven vertel, heb ik in diverse stukjes allemaal al weleens uitgelegd. Ik maakte deze samenvatting op verzoek van de onlangs overleden journalist Paul Damen, die hierover nog eens een stuk wilde schrijven en informatie bij me kwam vragen. Maar toen ik het op een druilerige zondagmorgen samenvatte, viel me iets op.

    Heidense wijzen

    De joodse religieuze literatuur verwijst weleens naar de magiërs, zoals in Daniël 2.2 en in Filon van Alexandriës Leven van Mozes 1.264. De magiërs zijn strijk en zet dwazen, die het eigenlijk niet snappen. Het zijn geen wijzen uit het oosten, maar onwijzen. De Griekse auteur Herodotos denkt er precies zo over. De Joodse precedenten van Matteüs zijn, als ik het goed zie, wel negatief, maar nog vér van de latere typering van magiërs als bedriegers.

    In eerste instantie dacht ik dat Matteüs wilde zeggen dat de dwazen het licht zagen opkomen dat koning Herodes tot elke prijs wil doven. Dat zou, dacht ik, dezelfde omkering zijn die we bij Lukas aantreffen: herders, die spreekwoordelijke outcasts van de antieke samenleving, zijn daar de eersten die op de hoogte zijn van goed nieuws. Veel christelijker kon het niet, leek me, als de laatsten de eersten waren.

    Gert Knepper, die weleens op deze blog schrijft en die ik altijd om advies kan vragen, had een betere uitleg van het curieuze gegeven dat Matteüs magoi presenteert die er in de joodse religieuze literatuur slecht vanaf komen. Hij attendeert erop dat de magiërs het niet snappen doordat hun wijsheid tekortschiet in vergelijking met de inzichten die de joodse religie biedt. In het Matteüs-evangelie concluderen ze op grond van hun beperkte wijsheid dat er een Joodse koning is geboren.

    Zo’n presentatie – het zijn heidenen maar wel goede heidenen – past prima, zowel aan het einde van de eerste eeuw v.Chr. als in de eerste eeuw na Chr. In het eerste geval past het omdat het jodendom een steeds bredere definitie hanteerde van het Verbondsvolk (vgl. het blogje van 24 november); in het tweede geval omdat het christendom eind eerste eeuw na Chr. steeds meer heidense aanhangers kreeg.

    Kortom, er is aan de Kerstverhalen nog een hoop te ontdekken, maar voor 2025 vind ik het wel mooi geweest.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Ik organiseer in het voorjaar van 2025 een reis naar de vernieuwde musea van Beieren. Door mee te gaan helpt u deze blog gratis te houden. Maar u kunt natuurlijk ook een van mijn boeken kopen (en lezen), een cursus doen, of doneren. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #4QTestimonia #Daniël #EvangelieVanLukas #EvangelieVanMatteüs #Exodus #FilonVanAlexandrië #HerodesDeGrote #HoseaProfeet_ #Jeremia #Jesaja #magiërs #MaryBoyce #messias #Micha #NieuweTestament #PaulDamen #SterVanBetlehem #TaylorSwift

  40. Berenike

    Inscriptie van Berenike en Agrippa II uit Beiroet (klik=groot)

    De Joodse prinses Berenike maakt in het Nieuwe Testament één keer haar opwachting en dat leidt tot zegge en schrijve drie vermeldingen. Dat is niet veel, maar we vangen desondanks een glimp op van een van de meest fenomenale vrouwen uit Romeinse geschiedenis. Ze was de dochter van de Joodse koning Herodes Agrippa I (r.37-44) en de zus van koning Herodes Agrippa II (r.43-100). Hier zijn de drie vermeldingen.

    Paulus

    Koning Agrippa en Berenike kwamen naar Caesarea om bij Festus hun opwachting te maken. Tijdens hun verblijf, dat verscheidene dagen duurde, sprak Festus met de koning over de rechtszaak tegen Paulus.noot Handelingen 25.13-14; NBV21.

    Die rechtszaak was al oud. Paulus was voorgeleid bij de vorige gouverneur, Felix, die de zaak had aangehouden en overgedragen aan zijn opvolger. Ik blogde er al eens over. Festus wilde de kwestie nu oplossen met de hoogste Joodse gezagdragers.

    De volgende dag verschenen Agrippa en Berenike in vol ornaat. Samen met de legeraanvoerders en de voornaamste inwoners van de stad betraden ze de ontvangstzaal, waarna Paulus op bevel van Festus werd voorgeleid.noot Handelingen 25.23; NBV21.

    We lezen hoe Festus uitlegt dat hij niet weet wat hij met de zaak aan moet en we lezen Paulus’ verdedigingsrede. Daarna stond koning Agrippa op,

    evenals de procurator en Berenike en de anderen die de zitting hadden bijgewoond. Ze trokken zich terug en overlegden met elkaar.noot Handelingen 26.30-31a; NBV21.

    Paulus wordt hierna feitelijk vrijgesproken, maar dat is waarom ik hierover blog. Het oordeel wordt dus gevormd door een Romeinse gouverneur, een Joodse koning, wat andere aanwezigen en Berenike. Het stond een gouverneur vrij van iedereen advies te vragen, maar dat er een vrouw bij aanwezig is, illustreert dat Berenike iemand was om rekening mee te houden. En dat was niet voor niets.

    Driemaal getrouwd

    Als je vader koning was en als je broer koning zou worden, wachtte je een prinsessenhuwelijk. En inderdaad: Berenike, dertien jaar oud, trouwde in 41 na Chr. met het hoofd van de Joodse gemeenschap in Alexandrië, Marcus Julius Alexander (een neef van de filosoof Filon van Alexandrië).noot Josephus, Joodse Oudheden 19.276-277.

    Na de dood van haar echtgenoot trouwde Berenike voor de tweede keer, nu met een oom, koning Herodes van Chalkis, die heerste over de Bekaavallei. Ze lijkt een rol te hebben gespeeld bij de promotie van Tiberius Julius Alexander, de broer van haar eerste echtgenoot, tot gouverneur van Judea. Van Herodes had ze twee zonen, over wie we verder weinig weten.noot Josephus, Joodse Oudheden 19.277, 20.104.

    Na Herodes’ dood in 48 droeg keizer Claudius diens koninkrijk over aan Agrippa. Berenike, koningin van Chalkis en op twintigjarige leeftijd tweemaal weduwe, verhuisde nu naar het hof van haar broer. Haar rang als koningin zal een deel van de verklaring zijn voor haar invloed.

    Wat ook een rol gespeeld zal hebben, was de zichtbare genegenheid tussen haar en haar broer. Bovenstaande inscriptie uit Beiroet, EDCS-15300229, noemt de twee in één adem. (Om precies te zijn: ze noemt koningin Berenike vóór koning Agrippa.) De Babylonische Talmoed bewaart een onschuldige herinnering aan een discussie die de twee voerden over de kwaliteiten van geiten- en schaapsvlees.noot Babylonische Talmoed, Pesahim 57a. Er gingen echter ook geruchten over een incestueuze relatie; de Romeinse dichter Juvenalis verwijst ernaar.noot Juvenalis, Satiren 6.155-158.

    Een derde huwelijk volgde – volgens de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus om de geruchten te bezweren.noot Josephus, Joodse Oudheden 20.145-146. Haar echtgenoot was koning Polemon van Cilicië, maar dit huwelijk eindigde al snel in een echtscheiding. Omdat ze terugkeerde naar het hof van Agrippa II kregen de geruchten weer een nieuw leven. Wat de lezers van de Handelingen van die geruchten hebben gedacht, zullen we wel nooit weten, maar ze zullen hebben geweten dat de twee onafscheidelijk waren. Vandaar dat de auteur van de Handelingen bekend kan veronderstellen wie Berenike was.

    Titus

    In 66, zes jaar na de besprekingen over Paulus, brak de Joodse Opstand uit. Agrippa was de loyale bondgenoot van de Romeinse generaal Vespasianus. In deze tijd ontmoette Berenike Vespasianus’ zoon Titus, met wie ze een relatie begon. Hoewel de Romeinen niet onbekend waren met de situatie in het Nabije Oosten, was een lokale adviseur natuurlijk welkom: Berenikes rol zal niet zo groot zijn geweest als die van een Barsine of een Doña Marina, maar ze moet haar geliefde zo nu en dan suggesties hebben gedaan.

    Na de vernietiging van de Tempel in 70 ging ze met Titus mee naar Rome. De Romein schijnt een huwelijk overwogen te hebben, maar toen hij in 79 zelf keizer werd, stuurde hij haar naar huis. Invitus invitam, schrijft Suetonius, “tegen zijn zin, tegen haar zin”.noot Suetonius, Titus 7.2.

    Ze zal zijn teruggekeerd naar het hof van haar broer, maar haar verdere lot is onbekend, al zal ze invloed op Agrippa hebben gehouden. We zien echter ook een andere werkelijkheid: een vrouw kon alleen formidabel worden dankzij haar vader, haar broer en haar echtgenoot. Uiteindelijk was de Romeinse wereld een mannenwereld.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Ik organiseer in het voorjaar van 2025 een reis naar de vernieuwde musea van Beieren. Door mee te gaan helpt u deze blog gratis te houden. Maar u kunt natuurlijk ook een van mijn boeken kopen (en lezen), een cursus doen, of doneren. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #BabylonischeTalmoed #Berenike #CaesareaMaritima #Claudius #FilonVanAlexandrië #FlaviusJosephus #HandelingenVanDeApostelen #HerodesAgrippaI #HerodesAgrippaII #HerodesVanChalkis #MarcusAntoniusFelix #MarcusJuliusAlexander #NieuweTestament #Paulus #PolemonVanCilicië #PorciusFestus #Suetonius #TiberiusJuliusAlexander #Titus #Vespasianus

  41. Geweld bij Paulus

    Een gewelddadige scène (Archeologisch Museum, Korinthe)

    De wekelijkse stukjes over het Nieuwe Testament schrijf ik meestal op vrijdag of zaterdag. Vaak heb ik er wat boeken bij, regelmatig laat ik het nog even door iemand lezen. De afgelopen week had ik echter iets te veel dingen tegelijk aan mijn hoofd. Vandaag dus geen blogje met een kop en een staart, maar een vraag.

    Geweld bij Paulus

    Het gaat om een beroemde passage uit Paulus’ Tweede Brief aan de Korintiërs, waarin de apostel opsomt hoe hij omwille van zijn missie heeft geleden.

    Ik heb harder gezwoegd, heb vaker gevangengezeten, heb veel meer lijfstraffen ondergaan, ben vaker in doodsgevaar geweest. Door de Joden ben ik vijfmaal met veertig min één zweepslagen gestraft, ik ben driemaal met stokslagen gestraft en ik ben eenmaal met stenen bekogeld.noot 2 Korintiërs 11.24-25; NBV21.

    In het Romeinse Rijk bracht de beul lijfstraffen in het openbaar toe. De overheid toonde op die manier haar macht. Paulus alludeert in de Eerste Brief aan de Korintiërs aan zo’n schouwspel. Weliswaar staat er “alsof”, maar de bovenstaande lijfstraffen waren zeker niet alsof.

    Maar volgens mij heeft God ons, apostelen, de laagste plaats toegewezen, alsof we ter dood veroordeeld zijn. We zijn voor heel de wereld, zowel voor engelen als mensen, een schouwspel geworden.noot 1 Korintiërs 4.9; NBV21.

    Ik probeer te begrijpen hoe degenen die deze brief lazen of beluisterden, deze woorden hebben ervaren. Ze kenden de wrede straffen in de arena, waar misdadigers de meest afschuwelijke straffen ondergingen. Ze kenden ook de gewelddadige afbeeldingen waar men in de oude wereld zo verzot op was: de wandschilderingen, de standbeelden, de olielampjes. Een meester kon zijn slaaf mishandelen. Op het toneel waren verkrachtingen en executies bloedige ernst.

    Wij kunnen ons geen voorstelling maken van zo’n wereld – en dat is maar goed ook. Ik probeer me desondanks voor te stellen hoe de Korintiërs reageerden op Paulus’ claim dat hij omwille van het Koninkrijk had gediend als gewelddadig schouwspel. Het lukt me niet. Dit was een van die vele passages uit een antieke tekst die me doet beseffen hoezeer we door ein garstiger, breiter Graben van de Oudheid zijn gescheiden.

    ***

    Nu ik het toch heb over die garstiger, breiter Graben: om die reden heeft het weinig zin een antieke tekst te lezen zonder commentaar. Afgelopen week is het Nieuwe Testament met Joodse toelichtingen verschenen, een van oorsprong Brits project waarover ik al eens schreef, maar nu verbeterd met ook Duits commentaar, en dat alles dan weer in onze eigen, mooie taal. Ik denk, zonder valse overdrijving, dat dit de belangrijkste oudheidkundige publicatie in ons taalgebied is in tien jaar.

    [De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

    Ik organiseer in het voorjaar van 2025 een reis naar de Provence en een reis naar de vernieuwde musea van Beieren. Door mee te gaan helpt u deze blog gratis te houden. Maar u kunt natuurlijk ook een van mijn boeken kopen (en lezen), een cursus doen, of doneren. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #geweld #Korinthe #NieuweTestament #Paulus #TweedeBriefAanDeKorintiërs

  42. Een van de joodse religieuze leiders die we zowel uit het #NieuweTestament las uit de joodse literatuur kennen, is Gamaliël. Die wist ook iets over hagedissen.

    mainzerbeobachter.com/2024/10/

  43. [15:05] Complete Bijbel nu in 756 talen beschikbaar; 7,3 miljard mensen hebben toegang tot een deel van de Bijbel in hun moedertaal

    De complete Bijbel, Oude en Nieuwe Testament, is inmiddels in 756 talen beschikbaar. Daarmee zijn er in het achterliggende jaar twintig volledige Bijbelvertalingen bijgekomen.

    frieschdagblad.nl/geloven/Comp

    #Oude #NieuweTestament #756 #twintig #Bijbelvertalingen

  44. Op zondag blog ik op de #MainzerBeobachter vaak over het #NieuweTestament. Eerder vandaag schreef ik over de complexe politieke landkaart van Judea en omgeving; het andere blogje is ook de veelkleurige culturele landkaart.

    mainzerbeobachter.com/2024/09/

  45. Op zondag blog ik op de #MainzerBeobachter altijd over het #NieuweTestament. Vandaag eerst maar eens een stukje over de complexe politieke landkaart van Judea en omgeving. Later vandaag de al even veelkleurige culturele landkaart.

    mainzerbeobachter.com/2024/09/

  46. Op zondag blog ik op de #MainzerBeobachter meestal over de joods-christelijke wereld waarin het #NieuweTestament is ontstaan. Vandaag: de hogepriester Kajafas.

    mainzerbeobachter.com/2024/08/

  47. Het is zondag en op de #MainzerBeobachter is een stukje over het #NieuweTestament. Het gaat over de ondergang van de wereld. De opvattingen van de auteur van de Tweede Brief van Petrus staan dicht bij die van de hellenistische stoïcijnen.

    mainzerbeobachter.com/2024/06/

  48. Op zondag is op de #MainzerBeobachter steeds een stukje over het #NieuweTestament. Vandaag: de beschrijving van de eerste christenen in de Handelingen v/d Apostelen als een antieke #utopie.

    mainzerbeobachter.com/2024/05/

  49. Op zondag blog ik over joodse en heidense parallellen voor het #NieuweTestament, en vandaag gaat het over de godwording in 2 Petrus. Die zal de lezers en toehoorders niet heel erg hebben verbaasd.

    mainzerbeobachter.com/2024/02/

  50. Het is zondag en ik blog weer eens over een passage uit het #NieuweTestament. Over brandmerken, over zegelringen en wat dies meer zij.

    mainzerbeobachter.com/2024/01/

  51. Judas Iskariot

    Dertig Tyrische sjekels (Bibelhaus, Frankfurt)

    Ik denk dat er, met de mogelijke uitzondering van Maria Magdalena, geen nieuwtestamentische bijrolspeler is die meer de aandacht heeft getrokken dan Judas Iskariot. Een deel van de verklaring is natuurlijk dat zo weinig over hem bekend is. Je kunt er van alles bij verzinnen.  En dat is in de afgelopen eeuwen dan ook gedaan. We weten echter weinig met voldoende zekerheid. Hij behoorde tot Jezus’ inner circle, De Twaalf. De evangelist Johannes weet dat Judas de gemeenschappelijke kas beheerde (12.6 en 13.29). Verder weten we dat Judas Jezus uitleverde aan de autoriteiten en dat hij kort na Jezus’ marteldood ook zelf dood was.

    Iskariot

    En o ja, zijn bijnaam was Iskariot. Maar we weten niet wat het betekent. Eén verklaring is in elk geval weinig plausibel: dat het zou zijn afgeleid van sicarius, “dolkdrager”. Er zijn namelijk maar heel weinig Latijnse leenwoorden in het Aramees en Hebreeuws. Je moet dan ook nog verklaren waarom de twee eerste letters zijn verwisseld. Zoiets komt wel voor maar is ongebruikelijk.

    Ik hecht iets meer waarde aan de theorie dat Iskariot komt van een Semitische vorm als sgr, verwijzend naar iemand die een ander uitlevert: “Judas de Uitleveraar” dus. Voordeel van deze theorie is dat we er geen Latijn bij hoeven halen maar blijven in de sfeer van het Aramees. Ook hier is echter wat filologisch goochelwerk nodig.

    Optie drie: het gaat om een plaatsaanduiding. Hij kwam uit het dorpje Keriot-Chesron dat wordt genoemd in Jozua 15.25. Het is niet onmogelijk maar het is onzeker of dit dorpje nog bestond. Er waren zeven eeuwen verstreken sinds de compositie van Jozua, eeuwen waarin de topografie veranderde door de Babylonische Ballingschap. Waar Chesron is gebleven, is weer een andere vraag.

    Misschien het aantrekkelijkst is dat de naam is afgeleid van škr, wat Iskariot zoiets zou laten betekenen als “man van de leugen”. Het past goed bij de wijze waarop Joden elkaar destijds uitscholden. Ook in de Dode-Zee-rollen is sprake van een “man van de leugen” ofwel “leugenspuier”. Dit is dus aantrekkelijk, plausibel zelfs, maar bewezen is het echter allerminst.

    Uitlevering

    Waarom Judas zijn meester aangaf bij de tempelautoriteiten, we weten het niet.  Het Evangelie van Marcus kent geen motief. Pas als Judas het aanbod heeft gedaan, komen de beruchte dertig zilverlingen ter sprake (14.10-11). Matteüs draait de volgorde om als Judas zijn meester als bij opbod verkoopt (26.15). Hebzucht is een eigenschap die ook Johannes in Judas’ schoenen schuift. Lukas ziet het anders: zijn Judas is door de duivel bezeten (22.3).

    Ik attendeer erop dat Judas zijn meester uitleverde. Hij was behulpzaam bij een arrestatie die de autoriteiten met het oog op de openbare orde noodzakelijk achtten. Uit niets valt op te maken dat Judas wilde dat Jezus zou worden gedood.

    Dan nog even de prijs: dertig zilverstukken. Het Griekse woord is ἀργύρια, wat vrijwel zeker slaat op de Tyrische sjekels die in de Tempel gangbaar waren. Die hadden een waarde van vier drachme, wat de totale prijs dus brengt op 120 drachmen. Dat is ongeveer viermaal het maandloon van een soldaat of een geschoolde arbeider. Een fors bedrag, maar de tempelautoriteiten zullen het een kleine prijs hebben gevonden om te beletten dat Jezus zijn programma zou uitvoeren: een revolutionaire opstand waarin de laatsten de eersten zouden zijn.

    Dood

    Matteüs schrijft dat Judas, toen Jezus niet alleen was gearresteerd maar ook werd geëxecuteerd …

    … zag dat Jezus ter dood veroordeeld was, kreeg hij berouw. Hij bracht de dertig zilverstukken naar de hogepriesters en oudsten terug en zei: “Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren.” Maar zij zeiden: “Wat gaat ons dat aan? Zie dat zelf maar op te lossen!” Toen smeet hij de zilverstukken de tempel in, vluchtte weg en verhing zich. (27.3-5)

    De Handelingen van de Apostelen vertellen iets anders.

    Bij een val werd zijn buik opengereten, zodat zijn ingewanden naar buiten kwamen. (1.8)

    Het kan niet allebei waar zijn, maar in de middeleeuwse iconografie werden de twee tradities gecombineerd. Dat levert vrij gruwelijke plaatjes op van gehangenen wier darmen uit de buik barsten. Historische waarde hebben die vanzelfsprekend niet.

    Speculaties

    We zijn met die plaatjes beland in het rijk van de speculatie, waarop ik aan het begin van dit blogje al attendeerde. We hoeven het er niet lang over te hebben, maar ik noem er twee.

    • Dat Judas Jezus zou hebben aangegeven omdat de situatie uit de hand liep (zoals gesuggereerd in Jesus Christ Superstar) is natuurlijk vriendelijk: het is een aardiger motief dan geldzucht. Maar het bronnenmateriaal geeft geen aanleiding tot deze speculatie.
    • Dat Judas Jezus geheel niet zou hebben verraden, zoals ooit met veel fanfare naar buiten gebracht door het zogeheten Jesus Seminar, betekent eveneens dat je terzijde schuift wat in de bronnen staat.

    Het enige wat we weten is dat de bronnen zeggen dat Judas Jezus uitleverde en dat jongere bronnen hebzucht noemen als motief. Dat is alles. Meer willen weten is, zoals de Fransen zeggen, hannibalisme.

    [Wordt vervolgd. Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De Cypriotische stad Salamis

    juli 9, 2024
    De opstand van Tacfarinas (3)

    augustus 5, 2025
    Machaerus

    juni 13, 2020 Deel dit: #apostel #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanLukas #EvangelieVanMarcus #EvangelieVanMatteüs #HandelingenVanDeApostelen #hogepriesterschap #JesusChristSuperstar #JesusSeminar #JezusVanNazaret #JudasIskariot #NieuweTestament #zilverstuk
Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.