home.social

#publius-vergilius-maro — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #publius-vergilius-maro, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Wat heet mooi? Overig

    De Gouden Hoed van Berlijn (Neues Museum, Berlijn)

    Een tijdje geleden vroeg ik u te noemen wat u mooi vond uit de Oudheid en omdat de respons nogal overweldigend was, heb ik uw antwoorden verdeeld over mooie teksten, mooie antieke architectuur, mooie antieke sculptuur. Vandaag neem ik u mee langs alles wat nog niet genoemd is, zoals muurschilderingen en aardewerk. Opnieuw zitten er verrassende keuzes bij. En dat is maar goed ook, want dat is natuurlijk de opzet van de reeks: dat we elkaar dingen tonen waarvan we nog niet wisten dat ze bestonden en/of mooi waren.

    Prehistorie

    Eerst maar even twee voorwerpen uit de Europese Bronstijd. Genoemd werden de Hemelschijf van Nebra, te zien in het Landesmuseum für Vorgeschichte in Halle, en de Gouden Hoed van Berlijn, die is te zien in het Neues Museum.

    Egypte en het Nabije Oosten

    Uit het antieke Egypte en Nabije Oosten kwamen allerlei prachtige voorbeelden, zoals het astronomische plafond in het graf van Senenmut bij Deir el-Bahri, de schilderingen uit het graf van Nebamun in het British Museum in Londen en de banketscène met de musiciennes in het in een eerder blogje al genoemde Graf van Nacht bij Thebe. De voorwerpen uit het graf van Toetanchamon bleven niet onvermeld; sterker nog, ze werden vier keer genoemd, met eenmaal een speciale vermelding van de kunstig versierde vazen.

    Detail van de Leeuwenjacht van Aššurbanipal (British Museum, Londen)

    Iets jonger, maar nog altijd daterend uit de Bronstijd, zijn de Megiddo Ivories, en uit de IJzertijd stammen de leeuwenjacht van Aššurbanipal (“die paarden!”) en de geglazuurde tegels met Perzische soldaten uit het paleis van Darius in Sousa, die tegenwoordig zijn te zien in het Louvre in Parijs.

    Griekenland

    Van de Griekse kunst, werd in de eerste plaats een wandschildering van twee boksers uit Santorini genoemd, nu in het Nationaal Museum in Athene, en in het verlengde daarvan de wandschilderingen uit Mykene, zoals La Parisiènne, in hetzelfde museum. Allebei pure schoonheid.

    Mykene, de Parisienne (Nationaal Museum, Athene)

    U noemde “de oudste afbeelding van het paard van Troje” en ik neem aan dat daarmee de Mykonos-pithos is bedoeld, en een “afbeelding van het verhaal van de Cycloop versus Odysseus”. Ik had niet verwacht dat de Krater van Vix in het Musée du Pays Châtillonnais in Châtillon-sur-Seine tweemaal zou worden genoemd, maar het is natuurlijk een geweldig indrukwekkend én mooi voorwerp.

    Iemand noemde “de duiker van Paestum”, iemand anders noemde “Paestum, wat een verassing! (Duiker)”, weer iemand anders noemde “la Tomba del Tuffatore” en er was ook iemand die de ‘Tombe van de Duiker’ in Paestum noemde:

    Eén van de zeer zeldzame voorbeelden van Griekse schilderkunst, opgegraven in de Griekse kolonie Poseidonia/Paestum in Zuid-Italië. Als er een stoel in de zaal van het bescheiden museum van Paestum had gestaan was ik er, toen ik deze grafkist voor het eerst zag (zo rond 1980) spontaan vanaf gevallen. De perfectie benaderd, en vol mysterie: wat is -bijvoorbeeld- de betekenis van die duikende jongeman?

    Grafschildering, Paestum

    Ook genoemd: een bronzen spiegelhouder met spiegel, terracotta-leeuwenkoppen (waterspuwers) en een marmeren ruiter in het museum van Locri (ten zuidoosten van het middeleeuwse stadje Gerace). En als klap op de Griekse vuurpijl: het originele Antikythera-mechanisme in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene.

    Rome

    In een eerder blogje noemde ik al dat u de Romeinse portretschilderkunst zo vaak had genoemd. Veel ervan komen uit de steden die zijn verwoest toen in 79 na Chr. de Vesuvius uitbarstte. U noemde meer dan eens het portret van een dame met pen (de zogeheten “Sapfo”) en ook het portret van Terentius Neo werd genoemd, dat een paar jaar geleden was te zien in het Drents Museum in Assen. Verder de muurschilderingen in de Villa Imperiale.

    Een muurschildering uit Pompeii

    De schoonheid van de mummieportretten, waaraan het Allard Pierson-museum onlangs een mooie expositie wijdde, was eveneens aan u besteed: u noemde het portret van een oude dame, Aline, in het Neues Museum in Berlijn; een oude man in het Altes Museum in dezelfde stad; een jong meisje in het Staatliches Museum Ägyptischer Kunst in München; en een man met baard in het Allard Pierson-museum.

    Nog iets jonger is een beroemde tondo van de keizerlijke familie van Septimius Severus in het Altes Museum in Berlijn: “Het gaat me hier vooral om de keizer zelf: de dunne lijntjes die z’n baard/haar weergeven, de bruinige huidtint, een knappe man.”

    En dan was er de wanddecoratie. U noemde twee schilderingen uit het Metropolitan Museum in New York: Perseus en Andromeda met het zeemonster en ook Polyfemos en Galateia. Degene die dit tweetal noemde vond dat de woorden “mysterieuze, magische sfeer” te vaak zijn gebruikt, maar wilde ze bewaren voor deze fresco’s uit de villa van Boscotrecase. In hetzelfde genre: de tuinkamer van de villa van Livia in de/het Palazzo Massimo alle Terme in Rome.

    U noemde mozaïeken, zoals het Nijlmozaïek in het archeologisch museum van Palestrina, de mozaïeken uit Zeugma in het museum in Gazi Antep, het Bacchusmozaïek in Sétif, en de “indrukwekkend trefzekere en mooie mozaïeken in vakantieland Tunesië” en dan met name “het mozaïek van Vergilius in het Bardo Museum van Tunis”. Iemand noemde de opus sectile uit de basilica van Junius Bassus op de Esquilijn” in de Capitolijnse Musea: “het impressioneert mij nog telkens ik het zie”.

    Mozaïek uit de basilica van Junius Bassus

    Late Oudheid

    En daarmee zijn we aangekomen bij de Late Oudheid. U noemde “de mozaïeken van Piazza Armerina”, en de “mozaïeken van de Villa del Casale in Piazza Armerina” en ook de “mozaïeken Villa Romana del Casale – Sicilië”.

    Daar bleef het niet bij, want u noemde ook “de mozaïeken in de San Vitale, Ravenna”, de “mozaïeken Ravenna” en de “de mozaïeken in de Tombe van Galla Placidia”. Verder noemde u het “mozaïek Justinianus & Theodora (in Ravenna), en ook “de mozaïeken in Ravenna, in het bijzonder die in het ‘mausoleum’ van Galla Placidia en in de San Vitale (wanden én vloer): omdat ze van een uitzonderlijke schoonheid zijn”. Verder noemde u de “mozaïeken Ravenna (en dan realiseer je je ook hoeveel indrukwekkender de Hagia Sofia moet zijn geweest toen die alle mozaïeken nog had)”.

    Mausoleum van Galla Placidia, Ravenna

    Iemand noemde het laatantieke glaswerk, en tot slot noemde iemand

    Codices ofwel geïllustreerde manuscripten. M’n meest favoriete kunstvorm uit de Middeleeuwen begon al vóór die tijd. Doorgaans prima thuis te bestuderen. Zoals de Codex Purpureus Rossanensis uit de zesde eeuw na Chr. of de Weense Genesis.

    Hors concours

    Er waren wat zaken die in geen enkele categorie pasten, zoals de “platbodems van het Zwammerdamtype”, “de evolutie van de Romeinse helm, sarissa en de Macedonische falanx”, het ondateerbare Uffington White Horse en Romeinse bakstenen of dakpannen met de afdruk van een kattenpoot.

    Hellenistische oorbel (Archeologisch Museum, Varna)

    Sommige door u genoemde voorwerpen kon ik niet helemaal plaatsen. Antieke sieraden bijvoorbeeld: “het met rode edelsteentjes versierde sieraad in het Altes Museum in Berlijn” en de “gouden sfinx-oorhangers in het Metropolitan Museum of Art in New York”.

    Enigszins buiten het bereik van de reeks is de tempelstad Bagan in Myanmar, en uit de negentiende eeuw het Hermannsdenkmal en de neo-zoroastrische monumenten in Yazd, zoals de tempel en de dakhme (“toren van stilte”).

    Maquette van Rome (KMKG, Brussel)

    Tot slot: u verraste me door ook museale situaties te noemen, zoals het onvolprezen “geconserveerde Romeinse schip in Castellum Hoge Woerd”, de museale inrichting van de Varusschlacht bij Kalkriese, de expositie rond de Man van Glauberg het mueum Keltenwelt, de presentatie van de opgraving in Squillace, de maquette van Rome in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel, de opgraving en het museum van Bibracte, de tentoonstelling over Keizerin Wu in het Princessehof in Leeuwarden en de tweemaal “sprookjesachtig” genoemde presentatie van de Hemelschijf van Nebra in Assen. En o ja, “de Palatijn is mooier nu dan toen er paleizen stonden”.

    #AntikytheraMechanisme #GoudenHoedVanBerlijn #HemelschijfVanNebra #Hermannsdenkmal #JuniusBassus #kraterVanVix #leeuwenjachtVanAššurbanipal #Megiddo #Nijlmozaïek #Paestum #Palestrina #PiazzaArmerina #PubliusVergiliusMaro #Sétif #schoonheid #SeptimiusSeverus #Sousa #TerentiusNeo #Toetanchamon #wandschildering #Yazd #Zeugma
  2. Wat heet mooi? De teksten

    Een dichteres uit Pompeii, soms geïdentificeerd als Sapfo.

    Wat heb ik me op de hals gehaald, dacht ik, toen ik de ruim 230 mooie voorwerpen en tekstennoot Een tekst is natuurlijk ook een voorwerp, meer precies een werktuig, en nog preciezer een container (voor informatie). zag waarmee u reageerde op mijn oproep anderen met schoonheid te verrijken en te bevoordelen. U leverde teveel schoonheid voor één blogje, en sometimes there’s so much beauty in the world, I feel like I can’t take it. Ik begin met een lijst van mooie teksten, en heb op 10 september een blogje over architectuur, en wat daarna komt weet ik nu nog niet.

    Observatie vooraf: je zou hebben verwacht dat als mensen houden van een bepaalde cultuur en bijvoorbeeld sculptuur noemen, ze ook wel architectuur zouden noemen en teksten. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Soms kan ik verklaren waarom mensen die een bepaalde esthetiek waarderen die wel in de ene kunstcategorie kunnen benoemen maar niet in een andere. Keltische voorwerpen liggen in allerlei musea maar Keltische architectuur is feitelijk niet overgeleverd. Even vaak kan ik het verschil niet verklaren.

    Maar goed. Jalla, mes enfants, let’s go.

    Nabije Oosten

    Ik begin meteen met een verrassing: ik had niet verwacht dat het Indische Theyyam-ritueel zou worden genoemd, dat oeroude wortels schijnt te hebben. Een volgend oeroud item is de Hurritische hymne voor de godin Nikkal, de oudste wat langere melodie die is overgeleverd. De Nederlandse oudheidkundige Theo Krispijn heeft het muziekstuk weleens gespeeld. Ook genoemd: het Bijbelboek Prediker.

    Grieks

    Het kon niet missen dat van de Griekse teksten de poëzie van Homeros als eerste werd genoemd (“niet voor niets al ruim 2½ millennium een hit”). U noemde de Ilias, het verhaal over de wrok van Achilleus, drie keer, en ook de Odyssee, over de uitgestelde wraak van Odysseus, noemde u driemaal. De vroegste Griekse poëzie leverde ook het leerdicht op van Parmenides, waarin hij redeneert dat aangezien het zijnde is en het niet-zijnde niet is, verandering niet kan bestaan, een redenering waarmee hij feitelijk de hele westerse filosofie ontketende.

    Van het Atheense toneel werd Aischylos’ Smekelingen genoemd “vanwege het vooruitlopen op de twee verloren delen van de trilogie”. Uit het oeuvre van Sofokles selecteerde u de Oidipous en de Antigone. Euripides bleef onvermeld, al is hij natuurlijk wel het lijdend voorwerp van het toneelstuk van Aristofanes, De kikkers. “Ik heb meermaals luidop gelachen toen ik dit voor het eerst in vertaling las.”

    Verder de claim dat

    wie het priemgetallenbewijs van Eukleides niet noemt, de ware schoonheid nooit gezien heeft en niet begrijpt hoe anders dan spreektaal taal kan zijn.

    Dat is wel heel stellig, maar ik heb nog nooit iemand ontmoet die niet met plezier terugdacht aan de frappe waarmee de wiskundeleraar in de brugklasnoot Ik begrijp dat het inmiddels geen brugklasstof meer is. We doen onze kinderen zwaar tekort. het bewijs uitlegde. En nu ik toch persoonlijk commentaar geef: ik had Theokritos’ Tweede Idylle (“de tovenares”, over een meisje dat haar geliefde probeert terug te winnen) nooit gelezen en doe mijn voordeel van de goede raad. Het Seikiloslied is eveneens genoemd.

    Verder werden getipt: 1 Korintiërs 13, de lofzang op de liefde van de apostel Paulus en een evergreen bij bruiloften. Wie het noemde, is in gezelschap van de Cambridge-historicus G.E.M. de Ste Croix, die dit zelfs het allermooiste noemde dat hij ooit in het Grieks had gelezen. Nu we bij de Griekse literatuur van de keizertijd zijn, kan Lukas’ versie van het kerstverhaal niet ontbreken, die prachtige omkering van de keizerlijke propaganda.

    Uit de tweede eeuw na Chr.: Ploutarchos’ biografie van Julius Caesar, de poëzie van Julia Balbilla op de Memnonkolossen in Thebe en de Persoonlijke Notities van keizer Marcus Aurelius. De o zo menselijke correspondentie uit Oxyrhynchos is het jongste voorbeeld dat u noemde, en ik concludeer dat u niet houdt van de Griekse kerkvaders. (Van de Latijnse en Aramese vaderen ook niet, trouwens.)

    Latijn

    Iemand noemde het Latijn als taal en gaf enkele beklijvende voorbeelden uit de poëzie van Quintus Horatius Flaccus en Publius Vergilius Maro. Waarmee meteen de allerklassiekste klassieke Latijnse poëzie is vermeld. Lichtvoetiger is Publius Ovidius Naso’s beroemde Metamorfosen, dat driemaal werd genoemd, inclusief een mooie vertaling.

    Verder noemde u de toespraken van Cicero, zoals de eerste redevoering tegen Catilina, “omdat hij al in de eerste zinnen zijn tegenstander omver blaast en hem verder geen kans meer geeft”. Van Gaius Valerius Catullus noemde u de gedichten 5, 64 (de haarlok van Berenike), 85 en 101 (“omdat we onze tranen niet konden bedwingen”). Uit dezelfde generatie: het oeuvre van Marcus Terentius Varro en de Gallische Oorlog van Julius Caesar (“omdat ik als kind de vertaling stukgelezen heb” en “een meesterwerk in manipulatie”).

    Uit de tijd van keizer Augustus: “Titus Livius’ beschrijving van de opkomst van Rome vond ik indrukwekkend en uitermate boeiend geschreven”. Ik had niet verwacht dat iemand de interessante landbouwgeschriften van Lucius Junius Moderatus Columella zou noemen als iets dat ook mooi was, of de al even interessante graffiti uit Pompeii. Verrassend. Leuk!

    Uit de tweede eeuw noemde u de Historiën van Publius Cornelius Tacitus, met name de passage over de moord op keizer Galba, en Tacitus’ Annalen. Het jongste dat u noemde was de correspondentie uit Vindolanda. Ik had verwacht dat iemand wel Ausonius’ gedicht over de Moezel zou noemen of het christelijke Latijn. Ik voeg daarom het Te Deum toe. Let niet op de kitscherige kerkklokken die men rond 400 niet kende.noot Neutralere versies laten zich niet integreren in dit blogje.

    Tot zover voor vandaag. Veel plezier hiermee!

    #Aischylos #Aristofanes #Ausonius #Eukleides #GaiusValeriusCatullus #Homeros #Horatius #JuliaBalbilla #LuciusJuniusModeratusColumella #Lukas #MarcusAurelius #MarcusTerentiusVarro #Memnonkolossen #Oxyrhynchos #Parmenides #Ploutarchos #Prediker #PubliusCorneliusTacitus #PubliusOvidiusNaso #PubliusVergiliusMaro #schoonheid #Seikilos #Sofokles #TheoKrispijn #Theokritos #TitusLivius #Vindolanda
  3. Het Verre Westen

    De wereld voorbij de sterren (volgens Camille Flammarion)

    Je moet teksten nooit al te letterlijk nemen, want al snel lijkt het dan alsof er onzin staat. Hier zijn vier regels uit Vergilius’ Aeneis, het gedicht dat, in de vorm van een verhaal over de zwerftocht van de Trojanen naar Italië, de lof zingt van keizer Augustus.

    [Augustus] super et Garamantas et Indos
    proferet imperium. Iacet extra sidera tellus,
    extra anni solisque vias, ubi caelifer Atlas
    axem umero torquet stellis ardentibus aptum.noot Vergilius, Aeneis 6.797-797.

    Tot voorbij de Garamanten en Indiërs zal Augustus
    het imperium uitbreiden. Er ligt land buiten de sterren,
    buiten de banen van jaar en zon, waar hemeldrager Atlas
    op zijn schouder de as draait waaraan de fonkelsterren zijn bevestigd.

    De eerste volzin is duidelijk: keizer Augustus zal de invloedssfeer (imperium) van de Romeinen uitbreiden tot voorbij de Garamanten in de Sahara en Indië. Van “voorbij de Garamanten” valt met enige goede wil nog wel chocola te maken: de Romeinen hadden namelijk contact met de Nok- en Sao-culturen van Subsaharaal Afrika, en dat Augustus die aan zijn gezag onderwierp, was geen ondenkbare gedachte. Uiteraard was het praktisch moeilijk uitvoerbaar. “Voorbij Indië” was echter noch uitvoerbaar, noch denkbaar: daar strekte zich, althans op Vergilius’ landkaart, eigenlijk alleen maar Oceaan uit. De bedoeling van deze passage, vreemd als ze is, is echter duidelijk: de Romeinse macht zou worden uitgebreid naar het zuiden en oosten.

    De dichter voorziet ook westelijke expansie: de reus Atlas, die het hemelgewelf torste, werd geacht te leven in het verre westen, volgens een passage uit dezelfde Aeneis in de buurt van de ondergaande zon.noot Vergilius, Aeneis 4.480-486. De dichterlijke taal is op dit punt helemaal bizar: Augustus zal Romes invloed zelfs verspreiden tot het land “buiten de sterren”, tot voorbij de baan die de zon elke dag aflegt om de aarde en zelfs voorbij de baan die de sterren in de loop van een jaar afleggen om diezelfde aarde.

    Vanuit ons heliocentrische wereldbeeld is dit absurd, vanuit Vergilius’ geocentrische wereldbeeld eveneens. Het is een beetje Platoons: in zijn Faidros schetst Plato een universum met een gat in het dak, waar de goden soms even naar buiten gaan, dus naar een wereld “voorbij de sterren”, waar ze de ideeën aanschouwen – zie de gravure van Camille Flammarion hierboven. Dat is de wereld van het transcendentale. Misschien bedoelde Vergilius dat, maar het lijkt me aannemelijker dat het een hyperbool is, zij het een nog hyperbolischer hyperbool dan “voorbij Indië”.

    Overigens was keizer Augustus, toen Vergilius deze regels tussen 29 en 19 v.Chr. schreef, inderdaad actief in het westen: in 26 en 25 onderwierp hij Asturië in Noord-Spanje, met nog wat kleinere campagnes in de volgende jaren. Daarmee rondde Augustus de twee eeuwen durende verovering van Iberië af en bracht hij de grenzen van het imperium naar de Atlantische Oceaan. Voor de auteur van de Aeneis, waarin de westwaartse migratie van de Trojanen naar Italië centraal staat, was de verder westwaartse beweging richting Oceaan alleen maar logisch, en als je eenmaal stond aan de oevers van de wereldzee, kon je alleen maar fantaseren over expansie voorbij het westen, van de aardschijf af, over de grenzen van het universum.

    #Aeneïs #Atlas #CamilleFlammarion #Plato #poëzie #PubliusVergiliusMaro
  4. Wie was Julius Caesar? (2)

    Gem met portret van Julius Caesar (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

    [Tweede deel van de evaluatie aan het einde van mijn reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” Het eerste deel was hier.]

    Persoonlijkheidscultus

    Ik noemde in het vorige blogje het Forum van Caesar. Dat is te lezen als een monument voor de autocratie, maar dat is niet het hele verhaal. Het was althans niet uniek. Machtige tijdgenoten richtten wel vaker zulke monumenten voor zichzelf op, zoals het theater dat Pompeius bouwde. Dat Julius Caesar de godin Venus adopteerde als stammoeder, was in zijn kringen ook de gewoonste zaak van de wereld. Ruim anderhalve eeuw eerder had Scipio Africanus al beweerd een lijntje te hebben met de goden.

    Het is ook opvallend dat het vooral de senatoren zijn geweest die Julius Caesar het ene eerbewijs na het andere toekenden. Ploutarchos constateert dat de eerste daarvan, voorgesteld door Cicero, nog wel een zekere betekenis hadden, maar dat het doorsloeg.noot Ploutarchos, Caesar 57. Vaak denken we dat de Romeinen heel krijgszuchtig waren, zoals de Grieken artistiek zouden zijn geweest, de Perzen wreed, en de Feniciërs eeuwige koopvaarders. Die clichés zijn handig voor een eerste kennismaking, maar als je voor de Romeinen een cliché zoekt dat een karaktertrek benoemt die echt correct is, dan zou ik zeggen dat ze de ergste hielenlikkers uit de wereldgeschiedenis zijn geweest. De dictator heeft een paar eerbewijzen afgeslagen en je bent geneigd te denken dat de stroopsmeerderij zelfs Caesar te gortig werd.

    Het koningschap

    Wat veel over hem zegt, is zijn consequente weigering zichzelf te presenteren als koning. Hij kon boos worden als erop werd gezinspeeld, al deed hij het ook wel af met een grapje. Suetonius vermeldt dat toen mensen hem eens aanspraken als koning, rex, zijn laconieke antwoord was dat hij Caesar heette en geen Rex, pretenderend dat mensen de bijnaam van zijn overgrootvader hadden gebruikt.noot Suetonius, Caesar 79.

    Maar hij was aan het einde van zijn leven natuurlijk alleenheerser en toen Suetonius die anekdote opschreef, was “Caesar” als titel heel wat voornamer dan “rex”. Misschien was dat de reden waarom Suetonius de anekdote noteerde: ze kon gelden als voorteken.

    Ook Cicero schoof Caesar in de schoenen dat hij koning wilde zijn: “hij wilde koning zijn en werd het”.noot Cicero, Over de plichten 3.21.83. Ik heb niet de contemporaine kennis van een Cicero, maar vermoed dat deze observatie nou net niet waar is. Caesar heeft gezocht naar een constitutionele vorm van alleenheerschappij en dat werd de permanente dictatuur. Hij hechtte aan een zo normaal mogelijke, of een zo normaal mogelijk ogende, vorm van bestuur. En nogmaals: op de dag dat hij stierf waren alle ambten vervuld en functioneerde het staatsapparaat.

    Maar tegelijkertijd: niemand heeft Caesar ooit gevraagd de Tweede Burgeroorlog te ontketenen. Hij hoefde zijn ego niet te laten prevaleren ten koste van duizenden gesneuvelde soldaten en honderdduizenden burgers met enorme problemen. In de Aeneis hekelt de dichter Vergilius Julius Caesar vanwege het leed dat hij veroorzaakte toen hij over de Alpen trok en de Tweede Burgeroorlog ontketende.noot Vergilius, Aeneis 6.829-830. Dat appelleert aan wat wij intuïtief denken bij een putschist.

    [Wordt vervolgd]

    [Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

    #RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #Cicero #dictator #ForumVanCaesar #GnaeusPompeiusMagnus #JuliusCaesar #koningsideologie #Ploutarchos #PubliusVergiliusMaro #ScipioAfricanus #Suetonius #TweedeBurgeroorlog
  5. Publius Annius Florus

    Portret van een tijdgenoot van Hadrianus (Archeologisch museum, Zadar)

    Al een paar keer heb ik op deze blog de Romeinse schrijver Publius Annius Florus genoemd, die zeker niet verbleef op de toppen der Parnassos, maar waaraan best een blogje te wijden valt. Florus weet namelijk wel hoe hij een verhaal moet vertellen en is bovendien een vertegenwoordig van wat weleens wordt aangeduid als het Zilveren Latijn. Die naam verraadt een oud waardeoordeel, namelijk dat het Latijn van de eerste eeuw v.Chr. het allerbeste was geweest. Toen stond er voor redenaars echt iets op het spel, en dat maakte het Latijn van auteurs als Cicero zo briljant. Daarna was de retorica in verval geraakt, en zouden geschiedschrijvers hielenlikkers zijn geweest. Nog steeds aardig Latijn, luidde het vooroordeel, maar geen Cicero.

    Het vooroordeel is allang weerlegd. Ook een feestrede kan immers een literair hoogtepunt zijn. Los daarvan: geen taalkundige zal zeggen dat het taalgebruik van de ene eeuw beter is dan het andere. Desondanks blijven de zilveren schrijvers (zeker in het onderwijs) wat onderbelicht, hoewel het project van Plinius de Oudere, die feitelijk de wetenschap op de Grieken veroverde, een enorme ambitie verraadt, hoewel een Tacitus echt wel iets te melden heeft, en hoewel je nog altijd kunt lachen om dichters als Juvenalis en Martialis.

    En toch. Zelfs als we het zilver opwaarderen, behoort Florus niet tot de top. Hij lijkt tussen pakweg 70 en pakweg 140 geleefd te hebben en publiceerde tijdens het bewind van keizer Hadrianus (r.117-138) een geschiedkundig overzichtswerkje en nog wat andere teksten. Het is overgeleverd onder verschillende namen: Florus, Annius Florus, Publius Annius Florus en Lucius Anneus Florus. Classici zijn het er echter over eens dat het gaat om dezelfde schrijver.

    Biografie

    In de Late Oudheid noteerde Virgilius van Toulouse wat biografische informatie over Florus. Die zou ten tijde van keizer Domitianus uit Africa naar Rome zijn gekomen om deel te nemen aan een poëziewedstrijd. Hoewel zijn voordracht kon rekenen op grote publieke bijval, won hij niet de eerste prijs. Zijn naam was echter gevestigd en hij werd een gevierd sofist: een concertredenaar die het publiek vermaakte met mooie, geïmproviseerde redevoeringen.

    Na een rondreis door de Griekse wereld keerde hij terug naar Rome en reisde hij verder naar Gallië, wat suggereert dat hij geen patroon had kunnen vinden in de hoofdsta. Uiteindelijk vestigde hij zich in Tarragona, waar hij een school stichtte. Hij hield van de stad, schreef hij, waar de mensen eerlijk waren en het klimaat aangenaam. Hier schreef hij een dialoog over de vraag of de beroemde Vergilius moest worden beschouwd als een redenaar of als een dichter. Deze tekst is overgeleverd op zijn eigen naam, Publius Annius Florus.

    Enkele jaren later, toen de Spaanse keizer Trajanus aan de macht was gekomen, keerde hij terug naar Rome, waar iedereen zijn gedichten bleek te kennen. Hier verbleef Florus nog steeds toen Hadrianus in 117 aan de macht kwam. Hij raakte bevriend met deze eveneens Spaanse keizer en het is interessant dat een familie genaamd Annius Verus in deze tijd een belangrijke rol speelde in het keizerlijk bestuur. Waren dat verwanten van Florus?

    Zijn vriendschap met de vorst wordt geïllustreerd door een (beschadigd overgeleverd) puntdicht, waarin hij zich bewonderend uitliet over Hadrianus’ reislust, die hem voerde naar de onaangename landen aan de rand van de aarde:

    Ik wil echt geen Caesar zijn,
    lopen door Britannië,
    schuilen bij <…>
    kou in Skythië doorstaan.

    Waarop Hadrianus antwoordde:

    Ik wil echt geen Florus zijn,
    lopen door de rosse buurt,
    schuilen bij de voedselbank,
    muggen vet van bloed doorstaan.noot Historia Augusta, Hadrianus 16; vert. John Nagelkerken.

    Overigens krijgen we hier een doorkijkje naar Hadrianus zelf, want dit gedichtje is overgeleverd in de Historia Augusta, die via de biografieëncollectie van Marius Maximus (vroege derde eeuw) teruggaat op Hadrianus’ autobiografie. Blijkbaar was Hadrianus heel erg ingenomen met de door hem geschreven parodie.

    Epitome

    Terug naar Florus zelf. Hij is vooral bekend om de Epitome van de Geschiedenis van Titus Livius. Die is slechts twee boekrollen lang, gericht op krijgsgeschiedenis en eenzijdig pro-Romeins. Florus benut de aristotelische metafoor van groei, bloei en verval: de heerschappij van de koningen was Romes zuigelingentijd, de verovering van Italië was Romes jeugd, en als mediterrane macht was Rome volwassen. De onvermijdelijke conclusie dat Rome, nu het een keizerrijk was, feitelijk in verval was geraakt, is onvermijdelijk. Florus spreekt van de inertia Caesarum, en je hoeft geen Latijn te studeren om dat te vertalen. Het roept de vraag op wie de tekst hebben gelezen, want dit was geen compliment aan Hadrianus, die afzag van expansie.

    Dit pessimisme is interessant, maar er is nog een reden om Florus, zelfs al vertelt hij eigenlijk alleen maar na wat Livius vóór hem had geschreven, niet te negeren: hij gaat verder waar Livius ophoudt. Diens geschiedwerk eindigde rond het jaar 9 v.Chr., maar Florus’ Epitome vertelt ook over latere campagnes. We weten niet zeker welke bronnen hij daarvoor heeft gebruikt, maar een daarvan moet een vóór 41 gepubliceerde geschiedenis van de Germaanse Oorlogen zijn geweest. Hij vertelt namelijk dat een van de drie tijdens de Slag in het Teutoburgerwoud verloren veldtekens nog steeds niet was teruggevonden, terwijl die standaard in 41 was heroverd bij de Chauken. De vergissing bewijst overigens dat Florus zelf niet veel wist over het verleden, want anders zou hij wel hebben geweten dat het veldteken weer in Romeinse handen was.

    De Epitome is dus geen historiografisch hoogtepunt, maar desondanks een nuttige tekst, die ons enerzijds een idee geeft van de verloren delen van Livius’ Geschiedenis van Rome sinds de Stichting van de Stad en ons anderzijds informeert over enkele gebeurtenissen uit de eerste eeuw na Chr. En Florus vertelt vlot. Daarom is de Epitome tot in de negentiende eeuw gebruikt als schoolboek, wat welbeschouwd een eerbetoon is aan Florus’ vertelkwaliteiten.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Het Romeinse Rijk van Fik Meijer (3)

    februari 22, 2016
    Wat is een grens? (1)

    september 17, 2018
    Romeins Recht (2): Keizertijd

    oktober 5, 2023 Deel dit:

    #antiekeGeschiedschrijving #Domitianus #Hadrianus #HistoriaAugusta #MariusMaximus #PubliusAnniusFlorus #PubliusVergiliusMaro #Trajanus #VirgiliusVanToulouse

  6. Romeinse vondsten uit de Waal

    Caesar met vondsten uit de Waal

    Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden bezit meer voorwerpen dan het kan exposeren. Tegelijk zijn er regionale musea die weleens iets anders willen tonen dan het gebruikelijke materiaal. Daarom is er een leuke en mijns inziens belangrijke reeks exposities Onder Ons, waarbij lokale musea het Leidse materiaal gebruiken. Ik heb al geblogd over de Vorst van Oss in Museum Jan Cunen in Oss, over de Etrusken in museum Wierdenland in Ezinge en over het laatantieke grafveld van Rhenen in het plaatselijke Stadsmuseum.

    De Etrusken in Ezinge niet te na gesproken is het belang dit: een historische bestelling begint plaatselijk; een kind ziet iets dat lokaal en herkenbaar is, maar ook anders; het ontwikkelt zo belangstelling voor het verleden. Door de voorwerpen te exposeren waar ze het meest aanzetten tot reflectie, gebruiken musea hun culturele waarde het best. De Vorst van Oss in Oss dus, en het laatantieke grafveld van Rhenen in Rhenen.

    Caesar aan de Waal

    En dus is momenteel ook de Nijmeegse Caesarbuste thuis in Nijmegen, in het mooie museum De Bastei. Onze kaalkop maakt deel uit van de Onder-ons-expositie “Romeinse Waalschatten”. Tussen alle moois in Leiden mist niemand het ding, terwijl het hier menig kind zal fascineren. Als ik Nijmegenaar was, vroeg ik het portret in permanente bruikleen.

    Hoewel ik dus blij ben dat Caesar is waar ’ie het meest inspireert, voel ik me ongemakkelijk bij de tentoonstelling. En dan bedoel ik niet dat elke student je inmiddels kan uitleggen waardoor titels met het woord “schat” erin zo schadelijk waren. Mijn ergernis betreft het negeren van de sleuteldoelgroep.

    De tweehoornige riviergod Rijn; reliëf uit Bonn

    Rhenus bicornis

    De sleuteldoelgroep bestaat uit mensen die je museale signaal kunnen versterken. Zij kunnen zeggen “die expositie over Bodi in Bonn, die is werkelijk informatief, daar moet je heen”. Gaat het om de Romeinse Oudheid, dan bestaat ze grosso modo uit twee overlappende groepen: mensen met een archeologische belangstelling en mensen die gymnasium deden. En helaas is het zo dat je je als lid van de eerste groep te kijk zet als incompetent in de ogen van de tweede groep wanneer je fouten maakt in de taal van de Romeinen.

    En het museum gaat volgens mij de mist in als het de Rhenus Bicornis erbij haalt, de “tweehoornige Rijn”, waarover ik al eens blogde. Het poëtische beeld is ontleend aan Italiaanse Romeinen als Vergilius en Ovidius.noot Vergilius, Aeneis 8.727; Ovidius, Tristia 4.2.40; vgl. EDCS-17700496. Geen Bataafse Romein zou de Rijn of de Rijngod echter systematisch aanduiden als “de tweehoornige Rijn”. Dat gebeurt op de tentoonstelling wel. Vergelijk het met een ander door Vergilius bedacht poëtisch beeld: zou er een Romein zijn geweest die de provincie Africa voortdurend aanduidde als Africa terra triumphis dives (“triomfrijk Africa”)? Of zou iemand de rivier de Tiber steeds Tiber Pater noemen, “vader Tiber”? Het museum presenteert een bijvoeglijk naamwoord als onlosmakelijk deel van een naam, en elke gymnasiast herkent dat dit raar Latijn is.

    En was het museum nou maar consequent. Lees echter even mee op de website, voor veel mensen de eerste kennismaking en de plek waar ze nog even dingen nazoeken. Meteen een fout.

    Voor het goede begrip: ik zeg niet dat het bovenstaande inhoudelijk belangrijk is – ik heb het over presentatie. De Bastei zet zich voor de halve sleuteldoelgroep neer als ondeskundig. De oplossing zou simpel zijn geweest: vraag een classicus. Die helpt je graag en snel. Ik appte voor dit blogje met een classicus en had antwoord in twee minuten.

    En dan is er nog iets dat me verbaasde. De Romeinen hadden er geen moeite mee Gallische woorden als Rhenus over te nemen, maar de Bataven hechtten aan hun Germaanse achtergrond. Kijk maar naar hun namen, die door de Romeinen werden weergegeven als Chariovalda, Imerix, Servofredus en Civilis: Legerleider, Krijgsheer, Gewapendebeschermer en Strijder. Toen de Bataven zich hadden gevestigd in de Betuwe, bleven ze “hun” rivier aanduiden met de Germaanse naam: Waal.noot Het is onduidelijk of *Wahal- “meanderend” of “voortstromend” betekent, maar het is zeker Germaans. Ik vermoed dat een antieke Nijmegenaar die de Bastei zou bezoeken, Vergilius’ tweehoornige Rijn er met de haren bijgesleept zou hebben gevonden.

    Amforen

    Sleuteldoelgroep

    Ik was niet de enige bezoeker die meer informatie wilde hebben. Als het museum bijvoorbeeld uitlegt dat er handel was op de Waal en daarom vijf puntgaaf bewaarde amforen neerzet, kan het toch méér vertellen dan “Amfoor | 19 voor tot 450 n.Chr.” en “de vorm vertelt ons iets over de inhoud en soms ook over de herkomst”. Hoe moeilijk is het om met de drie woorden “Olijfolieamfoor uit Andalusië” de wereld van interregionale handel te evoceren?

    Zo is er meer, waar de Bastei de sleuteldoelgroep onvoldoende bedient. En dat keert zich tegen het museum, want een sleuteldoelgroep kan ook het signaal “dit was slecht” versterken. Omdat ik dat niet wil, zal ik niet meer voorbeelden geven; daarvoor is Romeins Nijmegen, waar ik ooit bestuurswerk deed, me te dierbaar. Maar er zijn dus problemen.

    Oplossingen

    De eerste oorzaak is dat de Nederlandse archeologie, net als andere geesteswetenschappen, een intellectuele opdoffer heeft gehad door de studieduurbekorting van de jaren tachtig. En omdat de Nederlandse archeologen daardoor onvoldoende weten, zijn ze ervan overtuigd dat er niets méér is dat ze moeten weten – bijvoorbeeld dat je anderen om advies kunt vragen.

    Het tweede probleem is specifiek Nijmeegs: de gemeente heeft te veel verleden en te weinig geld. De kennis van zaken schiet regelmatig tekort, men is wat in zichzelf gekeerd en er gebeuren daar aan de Waal vaker rare dingen. Dat heeft zich ook hier gewroken.

    Is er een oplossing? Idealiter verwijdert het museum alle verwijzingen naar de tweehoornige Rijn, want die stoot de halve sleuteldoelgroep af. Ik vrees echter dat het voor die aanpassing te laat is. Maar overvraag ik als ik verzoek om uitgebreidere uitleg op de bordjes?

    En o ja: hou die Caesarbuste alsjeblieft waar hij hoort, in Nijmegen aan de Waal.

    [De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u een van mijn boeken kopen (en lezen), zoals Goden en halfgoden. Of ga mee op reis naar Tunesië! Of kom een cursus doen. Of doneer. U kunt deze blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #DeBastei #GermaanseTalen #Nijmegen #PubliusOvidiusNaso #PubliusVergiliusMaro #Rijn #sleuteldoelgroep #Waal

Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.