home.social

#emiraat-van-cordoba — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #emiraat-van-cordoba, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Faits divers (59) archeologie

    De onlangs door het Allard Pierson Museum teruggegeven Centuripe pyxis, kort voor de teruggave

    Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer vooral archeologische onderwerpen.

    Internationale contacten

    U kent mijn ergernis: archeologen die zich niet willen verdiepen in wat tekstwetenschappers doen, en classici en oudhistorici die niet begrijpen dat archeologie méér is dan een hulpwetenschap. Ik herinner me uit mijn studietijd oudhistorici die vol leedvermaak lachten toen bleek dat alle op het Zweedse eiland Gotland gevonden Romeinse scherven, die zouden bewijzen dat er handel was met Italië, behoorden tot één enkele amfoor. Gotland was slechts een uitbijter, een geïsoleerd geval, verwaarloosbaar, zoals ze ook de archeologie beschouwden als bijvak.

    Ik moest daaraan terugdenken toen ik dit artikel las over de handel in koper en lood tussen Sardinië en Scandinavië. Die begon al in de Bronstijd, was vrij grootschalig en langdurig. Het bewijs bestaat natuurlijk uit de chemische analyse van het metaal: ertsen zijn nooit helemaal zuiver en bevatten allerlei andere bestanddelen, die de herkomst verraden. De isotoopverhouding biedt een andere aanwijzing. De pointe van de nieuwe inzichten is natuurlijk niet de metaalhandel, hoe interessant ook, maar dat ideeën zich van de Zuid-Europese naar de Noord-Europese wereld verspreidden, en andersom.

    En om de pijnlijke anekdote over het dedain van oudhistorici voor hun collaga’s af te ronden: nog steeds zijn er historici die onvoldoende weten van archeologie, zoals andersom ook voorkomt, maar de openlijke minachting behoort inmiddels tot het verleden.

    Ezinge

    Ezinge is vanaf ongeveer 500 jaar voor Christus continu bewoond … ongeveer even oud als de stad Rome.

    Oef. In Heerlen beweren archeologen dat ze een Romeinse soldaat hebben opgegraven (niet dus) en Nijmegenaren beweren dat Noviomagus rond 100 na Chr. stadsrechten heeft gekregen (niet dus): we zijn inmiddels dus gewend aan archeoblabla. De vergelijking van Ezinge met Rome overtreft echter elk redelijk pessimisme.

    Hoe oud is Rome? De oudste aanwijzingen voor sedentaire bewoning dateren uit de zeventiende tot vijftiende eeuw v.Chr. Hartje Bronstijd. De plaats van die nederzetting is onbekend. Wél bekend is dat er rond 1000 v.Chr. diverse boerennederzettingen waren met een grafveld op het latere Forum Romanum. Als je Ezinge “ongeveer even oud” noemt als Rome, zeg je feitelijk dat chronologisch onderzoek, toch een kernpunt van de archeologische wetenschap, resultaten oplevert die je mag negeren. Je zegt tevens dat typeringen van archeologische culturen (Bronstijd, IJzertijd) irrelevant zijn. Dan beschadig je de archeologie.

    Het erge is: Ezinge is belangrijk omdat het Ezinge is. Wierden en terpen zijn niet pas interessant door vondsten geforceerd in verband te brengen met de klassieke Oudheid. Je zou toch een staart krijgen van het minderwaardigheidscomplex van de Nederlandse archeologen.

    Roofkunst

    Het Allard Piersonmuseum in Amsterdam is al een tijdje bezig om de voorwerpen te onderzoeken die zijn verworven door eerdere directeuren, zoals de Jaap Hemelrijk over wiens dwarse opvattingen ik al eens schreef. Het museum heeft nogal wat illegale oudheden aangekocht, terwijl de directeuren wisten dat die afkomstig waren van een misdrijf. Dat is dus medeplichtigheid bij heling.

    Het museum dwingt inmiddels zichzelf pronkstukken terug te geven, dus in Nederland zijn wij ze kwijt. Het is echter beter schoon schip te maken dan een illegaal esthetisch genot na te jagen.

    Romeins glas

    Een leuk berichtje over hoe analisten in het laboratorium de receptuur van Romeins glas hebben bestudeerd en de lichteffecten van de Lycurgusbeker hebben weten te doorgronden. (Het Allard Piersonmuseum deed soortgelijk onderzoek.)

    Chris Wickham

    De Britse historicus Chris Wickham is eerder deze maand overleden. Hij is een van degenen die ervoor zorgde dat de Late Oudheid, traditioneel een niemandsland tussen de hoogtijdagen van het Romeinse Rijk en de Karolingen, de aandacht kreeg die deze periode verdient. Het is immers de tijd waarin de contouren van Europa zichtbaar werden. Ik ga geen necrologie schrijven, u leest dit oude blogje nog maar eens.

    Spaans DNA

    En om nog even in de Late Oudheid te blijven: er is DNA-onderzoek dat toont dat de bevolking van Spanje in de loop van de eerste eeuwen van onze jaartelling niet ingrijpend van samenstelling is veranderd. De Visigoten die in de vijfde eeuw de macht in handen kregen en in de zesde eeuw het Rijk van Toledo opbouwden, vormden geen grotere migratie dan de migraties in eerdere eeuwen. Dat de “grote volksverhuizingen” niet zo groot waren, althans in westelijk Europa, wisten we natuurlijk al een eeuw, want er zijn geen archeologische aanwijzingen, maar elk stukje extra bewijs helpt om dit politiek geladen vooroordeel weg te werken.

    Het zou overigens leuk zijn als we ook iets vernamen over de samenstelling van de Iberische bevolking in de Middeleeuwen, omdat demografische veranderingen een factor zijn in de discussie over de vraag of in het Emiraat van Córdoba de bewoners zich aanpasten aan de islam of dat de islam zich aanpaste aan de bewoners. Het antwoord op die vraag heeft alles te maken met het Spaanse zelfbeeld. De geesteswetenschappen gáán ergens over.

    #AllardPiersonmuseum #ChrisWickham #DNAOnderzoek #emiraatVanCórdoba #Ezinge #FaitsDivers #glas #IllegaleOudheden #koper #LateOudheid #lood #RijkVanToledo #Sardinië #Visigoten
  2. De Fatimiden

    Fatimidisch reliëf (Monastir)

    Als ik het goed heb geteld, heb ik op deze blog al drieëntwintig keer verwezen naar de Fatimiden, zonder dat ik werkelijk heb uitgelegd wat dat voor Arabische dynastie was. Daar moet toch eens verandering in komen, dus bij dezen – en we beginnen in de zevende eeuw, bij de uitvaart van de profeet Mohammed in 632 na Chr. Het was niet helemaal duidelijk wie hem moest opvolgen, en daarom speelde vanaf dit moment in de islamitische wereld de kwestie van het leiderschap. Na ongeveer zestig jaar ontstond daarover wat duidelijkheid: de meeste moslims aanvaardden het gezag van de kalief van Damascus (later Bagdad) en worden soennieten genoemd, terwijl een (vermoedelijk vrij grote) minderheid liever een afstammeling van Mohammed als leider zag. Die groep heette de sji’a en hun leider wordt aangeduid als de imam.

    De sji’a depolitiseerde. Deels was ze met geweld onderdrukt, bijvoorbeeld in de slag bij Kerbala (680), deels was ze zelf verdeeld over de diverse familietakken. De frictie tussen enerzijds de als legitiem ervaren claim op het leiderschap en anderzijds de praktijk, werd opgelost door het idee dat aan het einde der tijden een vermist geraakte imam zou terugkeren.

    Ivoorsnijwerk uit Cairo (Louvre, Parijs)

    Ontstaan van het Fatimidische kalifaat

    Begin tiende eeuw was het zo ver. In het westen van het Kalifaat van Bagdad, in wat nu Tunesië en Algerije is, was de macht in handen van de Aghlabiden, die de kalief in naam erkenden en verder hun eigen gang gingen. Helemaal in het westen, in wat nu Kabylië heet, leefden sji’itische Berbers die binnen het half-onafhankelijke Aghlabidische emiraat ook nogal onafhankelijk waren. Profiterend van een Aghlabidische troonswisselingcrisis, wisten de Berbers vanaf 902 hun positie te versterken. In 904 namen ze Sétif; Aghlabidische tegenaanvallen werden afgeslagen; in 909 viel Kairouan.

    De Berbers namen het bestuursapparaat van de Aghlabiden over en in het volgende jaar riep hun leider zich uit tot kalief. Eigenlijk heel opmerkelijk, want het kalifaat gold als bij uitstek soennitisch, en deze Berbers waren sji’ieten. Hun leider beweerde via Imam Ali en Fatima af te stammen van Mohammed, presenteerde zich als de uit verborgenheid teruggekeerde imam, liet zich Mahdi noemen en kondigde meteen aan dat mensen zich vergisten als ze dachten dat met de verschijning van de verborgen imam ook de Eindtijd aanbrak. Het was, al met al, een revolutie: een sji’itische kalief, een teruggekeerde imam zonder Eindtijd, sji’ieten met macht en een familie die afstamming van de Profeet claimde.

    Ingang van de Fatimidische moskee te Mahdia

    Zo ontstond het Fatimidische Kalifaat, dat al snel een nieuwe hoofdstad bouwde: ontevreden met Kairouan kozen ze voor een stad aan de kust, waarvandaan men naar het oosten wilde uitvaren, richting Egypte en Syrië, en daar voorbij naar Bagdad, om de hele islamitische wereld te verenigen onder één kalief die tevens imam was. De nieuwe hoofdstad heette naar haar stichter Mahdia.

    Expansie

    Ik ga hier niet alle conflicten beschrijven, maar noem wel dat de claim op het kalifaat als een schok door de islamitische wereld ging. Er was altijd maar één kalief geweest, de soennitische heerser in Bagdad. Nu er een tweede kalief was, konden de leiders van het Emiraat van Córdoba niet achterblijven: Abd al-Rahman III van Córdoba riep zich in 929 uit tot de derde kalief, en bouwde Madinat al-Zahra om ook in architectonisch opzicht niet achter te blijven bij Bagdad en Mahdia (en Constantinopel en andere hoofdsteden). Het kalifaat van Córdoba en het Fatimidische kalifaat van Mahdia vochten in de tiende eeuw met wisselende krijgskansen een Stellvertreterkrieg uit in Marokko.

    Fatimidisch kristal (Louvre, Parijs)

    Tegelijkertijd rondden de Fatimiden de Arabische verovering van Sicilië af, om daarna hun eigenlijke doelen weer centraal te stellen: de verovering van Egypte en Syrië, om daarvandaan op te rukken naar Bagdad. Eerdere pogingen waren mislukt, maar in 969 konden de Fatimiden hun residentie verplaatsen naar een nieuwe hoofdstad: Cairo, wat zoiets betekent als “overwinningsstad”. De Al-Azhar-moskee dateert uit deze jaren.

    Met Egypte viel ook het westen van het Arabische Schiereiland in Fatimidische handen, inclusief de heilige steden Mekka en Medina. De verovering van de Levant verliep minder voorspoedig: weliswaar wisten de Fatimidische legers al in 970 Damascus te nemen, maar ze werden teruggeslagen en uiteindelijk was alleen het huidige Palestina Fatimidisch, inclusief de heilige stad Jeruzalem. Hiermee kwam de expansie ten einde. Met de Byzantijnen, die in deze periode hun macht in Syrië uitbreidden, kwam men overeen dat de Nahr al-Kabir (de noordgrens van het huidige Libanon) de grens tussen beide invloedssferen zou vormen.

    Fatimidische munt (Residenzschloss, Dresden)

    Elfde en twaalfde eeuw

    Rond het jaar 1000 strekte het Fatimidische Rijk zich uit van Algerije tot Jordanië. Aan het hoofd stond de kalief Al-Hakim over wie ik het al eerder heb gehad – een van de meest fascinerende personages uit de Arabische geschiedenis. Inmiddels begon de geschiedenis zich te herhalen. Zoals de Fatimiden hun macht hadden kunnen uitbreiden vanuit de westelijke periferie, waar de kalief van Bagdad alleen indirect gezag uitoefende, zo breidden nu in de westelijke periferie de Ziriden hun macht uit. Officieel namens de Fatimidische kalief heersten zij over grote delen van de Maghreb, en in de elfde eeuw werden ze feitelijk onafhankelijk.

    De afspraak met de Byzantijnen over de afbakening van de wederzijdse invloedssferen garandeerde een eeuw lang een regelmatig onderbroken rust, maar dat veranderde tegen het einde van de elfde eeuw. Een in Anatolië en Syrië opererend huurlingenleger in dienst van keizer Alexios I Komnenos verbrak zijn eed van trouw, stak de Nahr al-Kabir over en rukte op naar Jeruzalem. Het Fatimidische garnizoen wist de aanvallen enige tijd af te slaan, maar de vijanden wisten de stad stormenderhand te veroveren en versloegen even later een Fatimidisch ontzettingsleger. Dat was 1099 en u had al begrepen dat dit huurlingenleger bekendstaat als de Eerste Kruistocht.

    Een Fatimidische bokaal uit de Kerkschat van Oignies (Musée des arts anciens, Namen)

    In de loop van de twaalfde eeuw raakte de dynastie steeds verder verzwakt, deels door interne fricties, deels vanwege het verlies aan prestige. Zwakke kaliefen kregen nogal eens te maken met machtige adviseurs, die zeker niet altijd sji’itisch of zelfs maar islamitisch waren. Uiteindelijk nam een van die adviseurs, de soenniet Saladin, in 1171 de macht over. Met die gebeurtenis raakten Syrië en Egypte voor het eerst in lange tijd in één hand verenigd en raakte het lot van de Kruisvaarders bezegeld. Het betekende ook dat de sji’a voorgoed de kleinere was van de twee hoofdstromingen in de islam.

    #AbdAlRahmanIIIVanCórdoba #Aghlabiden #AlHakim #AlexiosIKomnenos #Berbers #Cairo #EersteKruistocht #emiraatVanCórdoba #Fatimiden #FatimidischeKalifaat #imamAli #Jeruzalem #KalifaatVanBagdad #KalifaatVanCórdoba #KalifaatVanDamascus #Kerbala #MadinatAlZahra #mahdi #Mahdia #NahrAlKabir #Saladin #sjiieten #soennieten #Ziriden
  3. Madinat al-Zahra

    Huis van Jaffar, Madinat al-Zahra.

    Een tijdje geleden kondigde ik een stukje aan over Madinat al-Zahra, de paleisstad die Abd al-Rahman III van Córdoba stichtte nadat hij zich in 929 had uitgeroepen tot kalief. Al bijna twee eeuwen was die titel voorbehouden aan de Abbasidische heerser in Bagdad, en hoewel de Umayyadische heersers van het Emiraat van Córdoba behoorlijk wat eigendunk hadden, hadden ze er nooit moeite mee gehad de kalief te erkennen als de ene heerser der gelovigen. Dat was echter veranderd toen een andere dynastie, de Egyptische Fatimiden, het kalifaat eveneens had opgeëist. Nu er meer dan één kalief was, kon Abd al-Rahman niet achterblijven: ook hij moest de hoogste titel hebben. En dus kon zijn hoofdstad niet minder zijn dan Bagdad of Cairo.

    Residentie

    Abd al-Rahman stichtte de nieuwe residentie van het nieuwe Kalifaat van Córdoba in 936 en deze werd vier jaar later in gebruik genomen. De naam Madinat al-Zahra, wat misschien “de stralende stad” betekent, is weer zeven jaar later gedocumenteerd op munten, dus in 947. De stad werd na minder dan een eeuw verlaten en zelfs gesloopt: enkele zuilen zijn terecht gekomen in de Alcazar van Sevilla. Het materiaal dat archeologen hebben gevonden, is dus vrij scherp te dateren. De situatie doet wat denken aan Samarra, dat van 836 tot 892 Bagdad verving als kalifale residentie.

    De terrassen

    De nieuwe stad, een kilometer of tien ten westen van Córdoba, was geplaatst op een berghelling, zodat er diverse terrassen konden worden aangelegd, met het Dar al-Mulk (“huis des konings”) bovenaan en dan via de regeringsgebouwen naar de residentiële wijken. De hiërarchie spreekt voor zich.

    Archeologen hebben ongeveer een achtste opgegraven, maar de rest is ruwweg bekend van luchtfoto’s, LIDAR en bodemradar. Het blijkt dat er lege delen waren, die misschien dienden als dierentuin, militair kamp, park of botanische tuin. De woonhuizen zijn bekend, maar vooralsnog niet opgegraven, want ze zullen wel hebben geleken op die uit Córdoba: alle vertrekken gelijkvloers rond een patio met een vijvertje. Feitelijk is dat al eeuwenlang het standaardhuis in de Mediterrane wereld.

    Een versierd kistje uit Madinat al-Zahra (Louvre, Parijs)

    Madinat al-Zahra had natuurlijk water nodig, dus waren er cisternes om de regen op te vangen. Dat was echter onvoldoende, en dus lapten Abd al-Rahmans bouwmeesters het Romeinse aquaduct naar Córdoba op.

    Voorname huizen

    Op het middelste niveau, waar de regeringsgebouwen waren en de hoogste functionarissen leefden, zijn diverse huizen opgegraven, zoals dat van Jaffar, die van 961 tot 971 diende als vizier van Abd al-Rahmans zoon en opvolger Al-Hakam II. (Dit is de Jaffar die wordt genoemd in de gebedsnis van de moskee in Córdoba.) De bewoners van dit deel van de stad kwamen uit enkele voorname families, die al in de achtste eeuw vanuit het oosten naar El-Andalus waren gekomen. Verder woonden de slaven van de kalief hier. Die waren niet zelden afkomstig uit oostelijk Europa.

    Kapiteel

    Er was natuurlijk een garnizoen om de kalief te bewaken. Op het gevonden aardewerk zijn afbeeldingen te zien van diverse soldaten: voetvolk en ruiterij, uitgerust met zwaarden, bogen, schilden en maliënkolders. Sporen, paardenbitten, zwaardschedes, speer- en pijlpunten bewijzen dat de afbeeldingen de werkelijkheid correct weergeven.

    Poort van het paleis

    Innovatie

    De poorten zijn interessant omdat er boven de eigenlijke doorgang een tweede, blinde boog was, die weer was voorzien van exuberante reliëfs. Zulke constructies waren op dat moment alleen nog bekend uit de moskee van Córdoba en vormden een lokale innovatie. Abd al-Rahman III beperkte de toepassing ervan niet tot zijn oude en zijn nieuwe residentie. In Tortosa, Alcegiras en Almería stichtte hij vlootbases, en hij bouwde ook allerlei kustforten, waar hij huurlingen uit de Maghreb stationeerde. De poorten die hij had laten bouwen in Madinat al-Zahra, zijn ook in deze nieuwe vestingen te vinden.

    Aardewerk

    Centraal in de nieuwe stad, op de rand van de regeringsgebouwen en de benedenstad, lag de audiëntiezaal, waar de kalief in zorgvuldig geregisseerde plechtigheden zijn gasten uit binnen- en buitenland ontving. Ik was hier vorige maand graag wezen kijken, maar deze ruimte, omgeven door mooie tuinen, was tijdelijk afgesloten wegens heftige regen. Ik heb dus een heel goede reden om nog eens terug te gaan.

    Een zonnewijzer

    Bezoek

    Tweemaal per dag rijdt een bus vanaf de Mercado Victoria in Córdoba naar het museum van Madinat al-Zahra. Daarvandaan rijdt een shuttle naar de opgraving. Wij namen in alle vroegte een taxi vanuit de stad, waardoor we zeker twee uur lang het museum en de opgraving voor onszelf hadden. Daarna begon het drukker te worden, maar het bleef prettig.

    #Abbasiden #AbdAlRahmanIIIVanCórdoba #AlHakamIIVanCórdoba #Bagdad #Cairo #Córdoba #emiraatVanCórdoba #KalifaatVanCórdoba #MadinatAlZahra #moskeeVanCórdoba #Samarra #Umayyaden
  4. Ziryab

    Monumentje voor Ziryab, Córdoba

    Toen ik eens keek naar een documentaire over het Apolloproject viel me op dat de geleerden die ervoor zorgden dat de mensheid de maan bereikte, meest mannen overigens, allemaal witte overhemden droegen. Toen ben ook ik witte overhemden gaan dragen. Wat ik maar zeggen wil: je hebt smaakmakers en smaakvolgers. En dat was vroeger ook zo. Neem Abu al-Hasan ‘Ali ibn Nafi (789-857), bijgenaamd Ziryab, wat een zangvogel is.

    Ziryab speelde de oud (een luit zonder fretten) aan het hof van de Abbasidische kalief Harun ar-Rashid. Op zeker moment – wellicht nadat het Kalifaat van Bagdad in 806 te maken kreeg met een opstand die overging in een conflict tussen Haruns opvolgers – reisde Ziryab af naar het westen. Via het hof van de Aghlabidische emir van Kairouan (in Tunesië) bereikte hij in 822 Córdoba, waar hij in dienst trad van emir Abd ar-Rahman II (r.822-852). Daar gold hij niet alleen als de grootmeester op de oud, maar ook als arbiter elegantiae: hij zette de toon op velerlei gebied.

    Muzikale vernieuwing

    Om te beginnen de muziek: hij introduceerde in het westen een nieuw model plectrum én de oud met een extra paar snaren. De vier gangbare paren kregen elk een andere kleur, die de vier lichaamssappen moesten symboliseren, waarbij het vijfde snarenpaar stond voor de ziel. Het was niet voor het eerst en het zou niet voor het laatst zijn dat iemand muziek presenteerde als iets dat groter was dan melodisch en ritmisch geluid.

    Maar het ging verder. Ziryab richtte een muziekschool op, een van de eerste in het Emiraat van Córdoba, waar hij zijn leerlingen de laatste (Abbasidische) nieuwigheden bijbracht op het gebied van de muziek. Hij kwam immers uit Bagdad en was via Kairouan gekomen naar Córdoba. Hij nam niet alleen mannelijke, maar ook vrouwelijke leerlingen aan. Daar zat overigens geen feministische agenda achter: vrouwenstemmen waren populair, dus je kon maar het beste zorgen voor goed onderricht.

    Cultureel advies

    En omdat een musicus er toch een beetje netjes uit moest zien, gaf Ziryab ook advies voor elegante kleding: in de winter anders dan in de zomer, en een onderscheid tussen dagelijks tenue en avondkleding. Hij suggereerde combinaties van heldere kleuren en om er zeker van te zijn dat die de lichaamsgeur niet opnamen, introduceerde hij ook de deodorant. De tandpasta ook, trouwens, en shampoo. Niet langer wasten aristocraten het haar met rozenwater, maar ze benutten zout water vol geurstoffen. Ik begrijp dat dit inderdaad beter is.

    Ziryab suggereerde dat de oude kapsels, waarbij de scheiding middenin lag en het haar in twee vlechten over de slapen afhing, werden vervangen door een pony met op het achterhoofd een matje – zoals hij in Bagdad had gezien.

    Al deze adviezen hadden overigens een parallel in het culturele programma van de oude Grieken en Romeinen. Wie in het openbaar optrad, moest ervoor zorgen dat hij zich geloofwaardig presenteerde. En dus moest zo iemand er verzorgd uitzien.

    Een oud-speler

    Ziryab wist veel over de laatste ontwikkelingen in de Arabische poëzie, over geschiedenis, over wetenschap. En over haute cuisine. Hij adviseerde om niet alle gerechten in één keer op tafel te plaatsen, maar in gangen, zodat je voor elk gerecht de tijd kon nemen: eerst een lichte soep, dan een hoofdgerecht, tot slot een zoet toetje. Een en ander diende gegeten te worden van aardewerk, niet van zilveren of gouden borden, en kon worden geserveerd op een tafelkleed – nog iets nieuws. Tot de nieuwe gerechten behoorden de asperge, maar ook combinaties van ingrediënten die in West-Europa nog nooit waren beproefd. (Dit was belangrijker dan je zou denken, want men meende dat gezondheid samenhing met de balans tussen de vier lichaamssappen.)

    Ik zou haast het schaak- en het polospel nog vergeten: een invloed uit het verre Perzië. Maar eigenlijk draait het niet om die eindeloze lijst culturele veranderingen. Wat feitelijk gebeurde, was de groei van een hofcultuur, die door Ziryabs leerlingen werd verspreid over de Maghreb en de rest van het Iberische Schiereiland. En vanuit Asturië gingen deze innovaties naar de rest van West-Europa.

    Kwam het allemaal door één man? Zeker niet. Wat vermoedelijk speelde was dat de bewoners van het Emiraat van Córdoba gebruiken en gewoontes overnamen uit het Abbasidische kalifaat van Bagdad, en Ziryab zal een van de velen zijn geweest die de mensen in het westen vertelden over wat gangbaar was in het oosten.

    De ulama

    Dát het gebeurde, staat vast. We weten bijvoorbeeld dat aan de aristocratische hoven wijn voortaan werd geschonken in bekers van glas of kristal, die de oude bekers van zilver en goud vervingen: het archeologisch bewijs is duidelijk. Iets minder duidelijk is welke wijn de mensen dronken: de Koran verbiedt druivenwijn, maar zegt niets over dadelwijn, die dus was toegestaan. Later waren er schriftgeleerden die ook dadelwijn niet acceptabel vonden. De interpretatierichting van de tekst is naar grotere strengheid.

    En daarmee kom ik op een ander aspect van de invloed die het Abbasiedenkalifaat uitoefende op de westelijke landen: er kwamen ook schriftgeleerden, ulama. De druk op christenen in het Emiraat van Córdoba nam toe, want er kwamen meer en striktere regels voor de “volken van het boek” (dhimmis). Processies en klokgebeier werden aan banden gelegd en er kwamen beperkingen: christenen mochten bepaalde wapens niet meer dragen en konden niet elk rijdier meer benutten – regels die toonden dat ze tweederangsburgers waren. Vervolgens werden de nieuwe regels niet toegepast, maar de sfeer was aan het veranderen: het Emiraat werd in de loop van de negende eeuw hoofser, zelfverzekerder, islamitischer en minder tolerant.

    #Abbasiden #AbdAlRahmanIIVanCórdoba #Aghlabiden #dhimmi #emiraatVanCórdoba #hofcultuur #interpretatierichting #Kairouan #KalifaatVanBagdad #lichaamssappen #muziek #schaken #ulama #wijn #Ziryab
  5. Toerist in Córdoba

    Puerta de Sevilla

    Ik liet u in de vorige aflevering van dit narcistische winterfeuilleton gistermiddag achter op het station in Málaga, in de hoop dat we fors vertraagd om half drie zouden vertrekken naar Córdoba. Dat gebeurde inderdaad, maar na 500 meter stopte de trein, en na twee uur stilstand reed hij terug naar het station. Dat was niet naar de zin van de eveneens aanwezige Feyenoordsupporters. “Kankerland”, herhaalde een zo’n fan luidkeels, en zo klonk er meer. Niet handig, als de politie op scherp staat voor een risicowedstrijd. Toen we de trein verlieten, moesten we onze legitimatie tonen en haalde de politie supporters uit de mensenmassa. Toen een andere trein ons later naar Córdoba reed, ontbrak in onze coupé de Feyenoordaanhang.

    Een snelle wandeling

    We hadden, achteraf bezien, vijf uur langer kunnen doorbrengen in Málaga, maar goed: we zijn aangekomen in Córdoba, ooit de hoofdstad van het gelijknamige emiraat. Mijn vriendin was er al eens met haar zus geweest en ook voor mij is de stad niet nieuw – zie dit blogje.

    Casa Árabe

    We hadden de middag willen besteden aan de wereldberoemde moskee, maar omdat het al avond was, beperkten we ons tot een snelle wandeling langs een aantal kleine sites die nog open waren of geen sluitingstijd hadden, zoals de minaret van San Juan en de Kalifale Baden, die interessant bleken te zijn. Het Casa Árabe is feitelijk een cultureel centrum in een heel oud huis, maar je kon je voorstellen dat een Ibn Rushd op die plek heeft gepiekerd over de betekenis van het woord “tragedie” in het oeuvre van Aristoteles. De Puerta de Sevilla is oeroud en stamt vermoedelijk uit de Umayyadische tijd en er bleek een standbeeld te staan van de dichter Ibn Hazm, de auteur van De ring van de duif. Bij de supermarkt waar we nog snel wat te eten scoorden was een monumentje voor de musicus Ziryab, over wie later meer.

    Huis van Jaffar, Madinat al-Zahra.

    Madinat Al-Zahra

    Vandaag namen we een taxi naar de ruïnes van Madinat Al-Zahra, het paleis dat kalief Abd al-Rahman III (r.912-961) voor zichzelf liet bouwen. Ik wil daar later nog eens een wat langer stuk aan wijden, maar noem nu alleen dat het gaat om een complete stad, waarvan ongeveer een achtste is opgegraven, dat er allerlei restauraties zijn gedaan, dat je er echt wel een dagdeel voor moet uittrekken en dat wij er de enigen waren. “Het is net alsof we in Algerije zijn,” constateerde mijn vriendin en ze had gelijk, want ook daar kun je ongestoord genieten van het werelderfgoed.

    Er is een museum met goede uitleg, dat ook vergelijkingen maakte met gelijktijdige kalifale hoofdsteden, zoals Fatimidisch Cairo en Abbasidisch Bagdad en Samarra. Het is allemaal piekfijn gedaan. Als u uit dit blogje één ding onthouden wil, moet het zijn dat een bezoek aan Madinat al-Zahra een volstrekte must is.

    Torre de la Calahorra

    Córdoba

    Een taxi bracht ons terug naar Córdoba, waar we wandelden langs de Guadalquivir, die dankzij de recente regens behoorlijk breed is. Tegenover de stad staat aan het einde van de Romeinse brug de Torre de la Calahorra, waar een klein museum is. Het presenteert El-Andalus als een samenleving waarin culturen elkaar verrijkten, met mooie maquettes en leuke diorama’s. Het was een fijn bezoek, en het was fijn een vleugje utopia te ervaren, maar laten we eerlijk zijn: het idee van vreedzame convivencia was ooit een zinvolle correctie op een onhoudbaar geschiedbeeld, waarin christendom en islam als eeuwige tegenstanders tegenover elkaar stonden, maar inmiddels zijn we een ruime halve eeuw verder. Een samenleving waarin sommige groepen onvolledige rechten hebben, is het aardse paradijs niet, en dat mag je als museum gewoon benoemen.

    De Baños Árabes de Santa Maria hebben we niet kunnen vinden. Ik vermoed dat het iets is in de kelder van een restaurant.

    De moskee van Córdoba

    Uiteraard bezochten we de wereldberoemde moskee, in de achtste eeuw gebouwd door Abd al-Rahman I, die wilde tonen dat het Emiraat van Córdoba voor niemand onder hoefde doen. Sindsdien is het gebedshuis door drie islamitische heersers uitgebreid en door een christelijke heerser verbouwd. Ik was blij er weer te zijn. Een paar maanden geleden was er brand in dit gebouw en ik was daar net zo door ontdaan als door de brand in de Notre-Dame. Dat is wat werelderfgoed is: een plek waar je je emotioneel bij betrokken voelt. Nu liepen we door een gebouw waar bouwvakkers actief waren, en het ziet er naar uit dat de schade snel weer ongedaan zal zijn gemaakt.

    Morgen: Sevilla.

    PS

    Ik noemde Algerije. Ik organiseer een reis en geloof me: die is de hoge prijs dubbel en dwars waard.

    #AbdAlRahmanIVanCórdoba #AbdAlRahmanIIIVanCórdoba #Córdoba #convivencia #emiraatVanCórdoba #Feyenoord #IbnHazm #MadinatAlZahra #werelderfgoed #Ziryab
  6. Toerist in Toledo

    Aankomst in Toledo

    Toledo, gelegen in het centrum van het Iberische Schiereiland, was in de Late Oudheid de hoofdstad van het Rijk van Toledo. Hier resideerden koningen die stamden uit een dynastie die ook wel Visigotisch wordt genoemd, wat nogal misleidend is omdat die naam een Germaans karakter suggereert dat deze vorsten totaal niet hadden. Ze waren in alle opzichten Romeins en de wetsoptekening van koning Recceswinth, het Liber Iudiciorum uit 654, is na het Byzantijnse Corpus Iuris de meest ambitieuze rechtscodificatie uit de Late Oudheid. Het Rijk van Toledo was simpelweg de post-Romeinse staat par excellence.

    De stad bezit het bij mijn weten enige Visigotische museum ter wereld, en dat was één reden om er naartoe te gaan. Maar er was meer. De naam “Toledo” heeft een bijna magische klank, net zoals Venetië, Constantinopel, Damascus, Isfahan of Samarkand. In die plekken is ooit geschiedenis gemaakt en de echo’s klinken nog steeds door. Toledo als plaats van talloze laatantieke synodes, die vooruitwijzen naar de middeleeuwse standenvergaderingen. Toledo als centrale stad in de middelste grensmark van het Emiraat van Córdoba. De inname van Toledo in 1085 als keerpunt in de geschiedenis van het Iberische Schiereiland. Toledo als vertaalschool. Toledo als voornaamste bisdom in Spanje. En verder: Toledo als artistiek centrum, als plaats waar drie godsdiensten elkaar al dan niet harmonieus ontmoetten, en als locatie van beroemde romans (i.c., Het vijfde zegel van Simon Vestdijk).

    Inscriptie van koning Reccared voor de Synodes van Toledo (Kathedraal van Toledo)

    De stad stond al jaren op mijn verlanglijstje en ik kan alleen zeggen: Toledo overtrof alle verwachtingen. Ik zal dit narcistische winterfeuilleton niet voorzien van een uitputtende beschrijving van alles wat er is te zien, al was het maar omdat we er maar één dag konden zijn. Ik beperk me tot het Visigotisch Museum en twee moskeeën.

    Visigotisch Museum

    Eerst het Visigotisch Museum, dat voluit Museo de los Concilios y la Cultura Visigoda heet en is gebouwd in de dertiende-eeuwse kerk van San Román. Die is zelf ook een bezoek waard, want het is een prachtig voorbeeld van de mudejar-stijl, d.w.z. christelijke kunst met invloeden uit het Arabische zuiden. Geen romaanse rondbogen of gotische spitsbogen dus, zoals je in de dertiende eeuw misschien zou verwachten, maar hoefijzerbogen, en inscripties in Arabische letters.

    Jezus geneest een blinde (El Salvador-kerk, Toledo)

    De collectie op zich is niet heel groot en bestaat vooral uit architectuurfragmenten, al zijn er ook munten te zien en inscripties, replica’s van votiefkronen, gebruiksvoorwerpen en een afgietsel van een zesde-eeuwse pijler die is te zien in de kerk van El Salvador. Die is opmerkelijk, omdat die kerk teruggaat op de Grote Moskee van Toledo, waar de christelijke reliëfs op deze pijler blijkbaar nooit aanstoot hebben gegeven.

    Het fijne zit vooral in het feit dát dit museum er is, want de zesde en zevende eeuw zijn een beetje een vergeten periode, terwijl het koningschap van Toledo een hoge symboolwaarde heeft gehad: de laatmiddeleeuwse christelijke koningen bewezen meer dan eens lippendienst aan een geïdealiseerd herstel van het door de Arabieren onderworpen koninkrijk, en die claim is blijven bestaan na de Late Middeleeuwen. In Madrid staan op de Plaza de Oriente tegenover het koninklijk paleis twintig achttiende-eeuwse standbeelden van heersers, die een verband suggereren tussen de bewoners van het paleis en de Visigotische koningen.

    Votiefkroon (Visigotisch Museum)

    Het museum in Toledo deelt deze visie op een continuïteit van het Rijk van Toledo via de christelijke rijkjes naar het moderne Spanje niet. Het toont het Rijk van Toledo als de laatantieke staat die het was, met laat-Romeinse trekken en vroeg-middeleeuwse trekken. Met een geestelijkheid en met een vorst. Er is weinig aandacht voor het leger: ook vooroordelen over het gewelddadige karakter van de zesde en zevende eeuw worden niet bevestigd. Ook worden geen pogingen gedaan de Visigotische heersers te presenteren als Germanen – de naam “Visigoten” is te ingeburgerd om nog te veranderen, maar is ook wat misleidend. In elk geval: het museum is de moeite van een bezoek meer dan waard.

    Moskeeën

    We bezochten ook twee voormalige moskeeën. Een daarvan is vernoemd naar een kerk die er later is ingericht en staat bekend als de Mezquita del Cristo de la Luz. Het is een beeldschoon monumentje, gebouwd in 999 na Chr., op een steenworp van een eveneens Arabische stadspoort, de Bab el-Mardum. De versieringen zijn gemaakt van baksteen, zodat deze moskee weliswaar heel sober is (want wat is nou eenvoudiger dan baksteen?) maar ook heel expressief gedecoreerd. Ik houd hiervan, zoals ik ook houd van de Amsterdamse School. Toen de moskee in gebruik was genomen als kerk, zijn fresco’s aangebracht die ook heel mooi zijn.

    Mezquita del Cristo de la Luz

    Even hoger op de heuvel ligt de Mezquita de Tornerías. Die is helemaal bijzonder. Je loopt vanaf de straat een huis binnen, en de vertrekken op de begane grond zijn al vrij monumentaal, met allerlei natuurstenen bogen. De functie is niet helemaal duidelijk. Daaronder ligt een cisterne. Deze twee niveaus waren in de Visigotische en Arabische tijd in gebruik. Er onder zijn wat resten uit de IJzertijd, en de moskee is gebouwd op de tweede verdieping. Het is prachtig ontsloten.

    Deze moskee werd gebruikt door een gezelschap dat bekendstaat als de Broederschap van Yami’ al-Wadi’a, wat weleens wordt vertaald als “bewaring”. Een document uit de vroege vijftiende eeuw bewijst niet alleen dat er toen nog moslims in Toledo woonden, maar dat de leden van de Broederschap ook nog Arabisch spraken, huwelijken inzegenden volgens islamitisch recht, aalmoezen verzorgden, uitvaarten regelden en twee winkels verhuurden. De huuropbrengst werd gebruikt voor het onderhoud van de moskee.

    El Greco, De begrafenis van de graaf van Orgaz

    Tot slot

    Ik kwam in Toledo ogen tekort. We betraden de stad over de Puente de Alcántara, we passeerden de Puerte del Sol, we bekeken de kathedraal (waar je eigenlijk een hele dag voor moet uittrekken), we bezochten het Sefardisch Museum ofwel de Sinagoga del Tránsito alsmede de even verderop gelegen Sinagoga de Santa María La Blanca. In de kerk van Santo Tomé hebben we verbluft gekeken naar El Greco’s schilderij van “De begrafenis van de graaf van Orgaz”, wiens graf daar trouwens ook werkelijk is.

    Toledo heeft veel, veel meer te bieden, maar wij hadden slechts één dag. Geen bezoek dus aan het klooster van San Juan de los Reyes, aan het Alcazar of aan het El Greco-museum. We hadden er langer moeten blijven. Drie dagen minimaal. Maar we hebben de dingen gezien die we echt het meest wilden zien, en het is beter ergens te kort te zijn geweest dan er überhaupt niet te zijn geweest.

    Morgen: Valencia.

    #ElGreco #emiraatVanCórdoba #LiberIudiciorum #mudejarStijl #Reccared #Recceswinth #RijkVanToledo #SimonVestdijk #SynodesVanToledo #Toledo #Visigoten
  7. De verledens van Spanje (3)

    Romeins en Arabisch Spanje bij elkaar in Málaga

    Wat ik met de twee voorgaande blogjes (een, twee) heb willen vertellen, is dat het beeld van het verleden van Spanje verandert doordat de wind uit een andere politieke en culturele hoek is gaan waaien, wat een beetje de dagelijkse omgang is met het verleden, terwijl er tegelijk ook echte wetenschappelijke ontwikkelingen zijn: nieuwe technieken, nieuwe vragen, nieuwe data, nieuwe onzekerheden, nieuwe hypothesen. Die leiden overigens en gelukkig niet meteen tot nieuwe conclusies.

    Je mag voor de toekomst verwachten dat onderzoekers, nu er allerlei nieuwe bioarcheologische technieken zijn, zullen gaan kijken naar de routes waarlangs herders hun kuddes verweidden. Mij zou het niet verbazen als vee over grotere afstanden blijkt te zijn verplaatst dan we zouden verwachten aan de hand van de bekende cañadas, want dat is in elk geval elders in Europa bewezen: denk aan de Romeinse herders die van Schotland naar Zuid-Engeland kwamen. Dat documenteert dan ook weer de verspreiding van ideeën. De DNA-revolutie is vooral een hermeneutische revolutie, net wat u zegt.

    Twee losse constateringen

    Ik heb nog twee losse constateringen. Ten eerste: met mijn opmerking over het verweiden van kuddes verplaatste ik de aandacht van het kustgebied en Andalusië naar de Spaanse Hoogvlakte. Zoals ik in het eerste stukje al aangaf, zijn er de afgelopen halve eeuw veel data bij gekomen dankzij ruilverkaveling langs de Guadalquivir en vastgoedprojecten aan de kust. De balans is al met al nogal oneven, nogal selectief.

    En dat is wel een beetje de makke van de archeologie: ze is wel heel erg gebaseerd op data – of dat nu vondsten zijn, surveys of de patronen die dankzij GIS-systemen zichtbaar worden. Archeologen zijn “hands on”, concreet. Maar de analyse van het verleden veronderstelt ook denken over data die je niet hebt. Daar zijn oudhistorici dan weer goed in. En hier speelt het beruchte probleem dat archeologen de voorkeur geven aan de correspondentietheorie van de waarheid en historici meer neigen naar de coherentietheorie. In Nederland bemoeilijkt dat samenwerking. Ik vrees dat dat in Spanje niet anders zal zijn.

    Ten tweede: weinig clichés over het verleden zijn onzinniger dan de zelfs niet langer als oxymoron te presenteren claim dat het niet voorbij zou zijn. Het verleden is hartstikke voorbij en betekent helemaal niets, tot wij er betekenis aan geven. De ontstaansgeschiedenis die ik in het eerste blogje noemde is één mogelijkheid om dat te doen, het doorgronden van maatschappijtypen en wijzen van verandering, zoals beschreven in het tweede blogje, is een ander. Maar er zijn meer manieren om betekenis toe te kennen, zoals het reconstrueren van ideeën uit het verleden, die reconstructies contrasteren met je eigen opvattingen, en zo opsporen waarom zij dachten zoals zij dachten en waarom jij denkt zoals jij denkt. Dat contrast leidt tot zelfinzicht.

    Tot slot

    Tot zover enkele min of meer officiële rechtvaardigingen voor een liefde voor het verleden. Persoonlijk vind ik ontstaansgeschiedenis niet interessant, omdat ze continuïteiten veronderstelt die doorgaans onbewijsbaar zijn. Over contrasterende opvattingen heb ik het in deze drie blogjes niet gehad, dus die laat ik rusten. Het doorgronden van antieke maatschappijtypen is echter belangrijk: inzicht in (de ontwikkeling van) samenlevingen is een voorname reden om historici archeologen en classici oudheidkundig onderzoek te laten doen.

    Maar voor u en mij, ongesubsidieerde liefhebbers, geldt dat minder. Voor ons kunnen Oudheid en Middeleeuwen gewoon leuk zijn. Iets om van te genieten. En dat is wat ik binnenkort zal gaan doen: ik ga twee weken op vakantie en ik hoef u na deze drie blogjes niet meer te vertellen naar welk land.

    #cañada #coherentietheorieVanDeWaarheid #correspondentietheorieVanDeWaarheid #DNARevolutie #emiraatVanCórdoba #RijkVanToledo #socialeWetenschappen
  8. De verledens van Spanje (2)

    Een Dressel-20-amfoor (Archeologisch Museum, Córdoba)

    Het is niet voor niets dat we wetenschappers en erfgoedspecialisten faciliteiten bieden. We krijgen daar als samenleving immers iets voor terug. Dat kan bijvoorbeeld ontstaansgeschiedenis zijn, zoals ik in het vorige blogje illustreerde aan de hand van de visies op het Spaanse verleden: eerst was er een frame waarin de maatschappelijke, linguïstische, religieuze en nationale eenheid centraal stond, de afgelopen halve eeuw groeide een beeld dat meer ruimte liet aan variatie. Volgden oudheidkundigen en mediëvisten aanvankelijk een door nationalistische historici bepaalde visie, ook na 1975 volgden ze andermans agenda. Weliswaar een sympathiekere agenda, maar toch: de wetenschap handelde niet autonoom.

    De sociale wetenschappen

    Er zijn ook betere manieren om betekenis toe te kennen aan het verleden, ook al is dat voorbij en betekenisloos, en ook al is het door de schaarste van de ambigue archeologische en tekstuele data slecht kenbaar. Eén van die betere manieren is vertellen hoe de samenleving zich ontwikkelde.

    Deze benadering, die tenminste uit de wetenschap zélf voortkomt, was in de jaren zeventig opnieuw populair. Wereldgeschiedenis en globalisering waren destijds in de mode, en er was discussie ontstaan over het bestaande sociaalwetenschappelijk instrumentarium. Geschiedschrijvers onderscheiden al sinds de Middeleeuwen bepaalde maatschappijtypen (zoals nomadisch, agrarisch, feodaal, kapitalistisch) en hoewel die wel degelijk nuttig zijn, bleek het zinvol nuanceringen aan te brengen, nu bleek dat er wereldwijd allerlei varianten bestaan. Voor Spanje was relevant:

    • Hoe hadden de antieke en middeleeuwse samenlevingen zich ontwikkeld?
    • Welke typeringen waren het meest verhelderend? (anders gezegd: hoe interpreteren we de schaarse en ambigue data?)
    • Hoe voltrokken de overgangen zich?

    Wanneer we verleden samenlevingen goed begrijpen, krijgen we vat op grotere ontwikkelingen en zijn we beter voorbereid op de toekomst. Zoals gezegd: het is niet voor niets dat we als samenleving faciliteiten bieden aan archeologen, geschiedkundigen, classici, erfgoedspecialisten en wat dies meer zij. Oudheidkunde en mediëvistiek zijn wetenschappen, meer precies sociale wetenschappen. En als zodanig zijn ze belangrijk.

    Baetica en El-Andalus

    De bestudering van het antieke en middeleeuwse aardewerk is te beschouwen als een autonome ontwikkeling binnen de wetenschap. Ik ben althans niet op de hoogte van politici die vroegen om een verspreidingskaart van Romeinse Dressel-20-amforen of Arabisch loza dorada-keramiek.

    Die Romeinse amforen zijn gebruikt om te bewijzen dat in de vroege keizertijd in Andalusië, dat destijds Baetica heette, op een waarlijk industriële schaal olijfolie is geproduceerd en geëxporteerd. De pottenbakkerijen waar de kruiken zijn vervaardigd, zijn geïdentificeerd en omdat elke Dressel-20-amfoor een paar stempels had, kunnen we van elke amfoor vaststellen waar de pottenbakker werkte. Beginnend aan de Beneden-Guadalquivir breidde het productiegebied zich steeds verder stroomopwaarts uit.

    Wat dit ook van samenleving was, dit was geen simpele agrarische wereld. De vraag of we de productie en handel moeten typeren als kapitalistisch, vormt het onderwerp van een bekende discussie. Het antwoord biedt een model om de samenleving als geheel te doorgronden, en dat is belangrijk. Ik weet het antwoord niet, maar in elk geval is deze vraag voor het eerst mogelijk geworden dankzij het aardewerk.

    Iets dergelijks geldt voor loza dorada, een dubbelgebakken aardewerk met een mooie metaalglans. Dit is uitgevonden in het Midden-Oosten en verspreidde zich naar het westen, waar de steden aan de Spaanse oostkust belangrijke productiecentra werden. Deze verspreiding documenteert contact tussen het centrum en de periferie van de Arabische wereld, en maakt vragen mogelijk over de mate van arabisering. Was die wel zo oppervlakkig als de historici aanvankelijk hadden aangenomen?

    Maatschappelijke verandering

    Die vraag keert terug als we kijken naar de islam. In mijn vorige blogje wees ik erop dat lange tijd gedacht is geweest dat de islam in El-Andalus een eigen karakter had gehad. Dat is een truïsme, aangezien religies zich sowieso aanpassen aan hun omgeving. Tegelijk kun je onderzoeken op welke wijze de islam zich aanpaste aan het Iberische Schiereiland, en dan is het wel zo fijn dat de afgelopen halve eeuw steeds meer Arabische bronnen zijn ontsloten. Dit gebeurde vrij aselectief, dus we hebben werkelijk de beschikking over meer data.

    Uit de twee boeken die ik onlangs las, Muslim Spain Reconsidered van Richard Hitchcock en Kingdoms of Faith van Brian Catlos, leerde ik dat de moslims aanvankelijk behoorden tot de rechtsscholen van Abu Hanifa en Malik ibn Anas, en dat die laatste stroming steeds belangrijker werd. Een deel van de verklaring is dat de Abbasidische kalief in Bagdad Hanafiet was, en dat de Umayyadische emir van Córdoba een eigen koers wilde varen. Dat duidt opnieuw op grondig contact. Het toont ook dat de Arabische invloed niet zo oppervlakkig was als eerder aangenomen, en dat het overdreven was geweest te claimen dat de Spaanse islam wezenlijk anders was dan die in de kerngebieden.

    Politiek in El-Andalus

    En dat roept weer vragen op over het karakter van de middeleeuwse samenleving. Zo is wel geopperd dat de Arabische invloed zó groot was dat Andalusië van een overwegend stedelijke samenleving veranderde in een Arabische stamsamenleving. Als dit waar is, is hier een vrij zeldzaam type maatschappijverandering gedocumenteerd. Het betekent ook dat Arabisch Spanje heel, heel anders was dan het feodale noorden, en dat de macht van de centrale overheid gering was. De archeologie van de waterwerken is op dit punt belangrijk. Ze bewijst dat als El-Andalus al een stamsamenleving was, ze in elk geval geen nomadische stammen kende. De bevolking was sedentair.

    Een andere mogelijkheid is dat zuidelijk en noordelijk Iberië allebei een feodaal karakter hadden, geërfd uit het Rijk van Toledo. Uiteraard veronderstelt dit dat ook het Rijk van Toledo zo’n feodaal karakter had, en het impliceert bovendien dat de Arabische veroveraars zich aanpasten aan degenen die ze in 711 onderwierpen. Ook hier helpt de archeologie. Je kunt immers kijken naar degenen die de kastelen bouwden: waren dat, zoals in bijvoorbeeld Italië, de lokale heren, of was dat de centrale overheid? En op welk moment?

    Nu we beschikken over GIS-systemen, blijkt dat de kastelen van de vijfde tot en met achtste eeuw vooral door plaatselijke heren zijn gebouwd, maar dat dit later veranderde. Er was toen sprake van een wisselwerking tussen de vorst en de boeren: de kastelen beheersten de plekken waar vanouds agrarische productie plaatsvond. Zo is dus gedocumenteerd dat de eerste emirs moesten samenwerken met feodale heren maar dat ze, toen ze hun macht hadden geconsolideerd, iets schiepen dat leek op een centrale staat.

    Zo blijkt dus dat het Emiraat van Córdoba in culturele zin zeker behoorde tot de grotere Arabische wereld, en dat het vorstelijk gezag in El-Andalus groter was dan in de feodale staatjes in het noorden. Misschien is voor dit laatste aspect Normandisch Sicilië de meest nabije parallel.

    [Wordt vervolgd]

    #AbuHanifa #Dressel20Amfoor #emiraatVanCórdoba #feodaleSamenleving #GISSystemen #hanafisme #MalikIbnAnas #malikisme #RijkVanToledo #socialeWetenschappen
  9. De verledens van Spanje (1)

    Het beeld van Leovigild, vóór het koninklijk paleis in Madrid, claimt de laatantieke vorst als voorloper van de koningen van Spanje.

    Archeologische vondsten zeggen eigenlijk maar weinig. Ze moeten worden geïnterpreteerd: die scherven vormden ooit een kruik, die kruik bevatte olijfolie, de klei van die kruik komt uit de vallei van de Guadalquivir, en omdat ze is opgegraven in Rome duidt die kruik op handel. Maar ook zo’n geïnterpreteerde vondst is niet waarom wij, als samenleving, de mogelijkheid garanderen dat wetenschappers hun intellect, tijd en energie besteden aan archeologie. Wat kan het ons immers schelen dat Rome negentien eeuwen geleden Spaanse olijfolie importeerde? Wat hebben wij, om met Halbe Zijlstra te spreken, aan opgegraven potten en pannen, geïnterpreteerd of niet?

    Die vraag kunnen we ook stellen bij historische gebeurtenissen. U en ik worden niet gelukkiger of wijzer als we weten dat in de late eerste eeuw na Chr. de Romeinse gemeentewetten in Spanje volgens een standaardmodel zijn geharmoniseerd. Er is méér nodig om zulke gegevens betekenis te geven. De resultaten van archeologisch en historisch onderzoek, en ook dat van het onderzoek van classici, krijgen pas zin als ze in een groter kader zijn geplaatst.

    Ontstaansgeschiedenis

    Eén zo’n kader, populair in de negentiende eeuw maar niet per se onzinnig, is dat van de ontstaansgeschiedenis. In deze visie wordt het verhaal over het verleden zó verteld dat het vooruit lijkt te wijzen naar het heden, dat het zodoende tegelijk legitimeert. Voor Spanje was dat lange tijd een verhaal over een eenheid die was geschapen in de Oudheid, toen de Romeinen één romaanse taal oplegden en het stedelijk landschap schiepen, en toen het Rijk van Toledo het gehele Iberische Schiereiland beheerste. Laatstgenoemde eenheidsstaat was christelijk geweest, en de herinnering hieraan was altijd aanwezig gebleven.

    De Arabische invloed op Spanje was in deze visie slechts oppervlakkig geweest; niet alleen was de Spaanse islam wezenlijk anders dan die in de kerngebieden, maar in het Emiraat van Córdoba zouden ook altijd vitale christelijke minderheden hebben bestaan. Tegelijk zouden het noordelijke koninkrijk Asturië en zijn opvolgerstaten altijd het Rijk van Toledo hebben willen herstellen. De eenwording van de christelijke koninkrijken Castilië en Aragón en de onderwerping van het islamitische Granada (1492) waren daarom eigenlijk onvermijdelijk geweest. Het waren simpelweg uitingen van de Spaanse nationale identiteit. Tot de meest uitgesproken verdedigers van deze visie behoorde Claudio Sánchez-Albornoz, die van 1962 tot 1971 premier was van de Spaanse republikeinse regering in ballingschap.

    Een geschiedbeeld als dit beschrijft hoe de eigen groep is ontstaan. Zolang de continuïteit sociaalwetenschappelijk en overtuigend is bewezen, is daar niets mis mee, maar er is ook een nadeel: er is geen ruimte voor wat afwijkt. In dit voorbeeld is er nauwelijks ruimte voor de groepen Basken en Catalanen die zichzelf niet beschouwen als Spanjaarden. Het beschreven geschiedbeeld laat ook weinig ruimte aan joden, moslims en niet-katholieke christenen.noot Vergelijk Nederland: “wij” waren lange tijd Germaans, Nederlandssprekend en protestants. Minister-president Drees meende nog dat een katholiek eigenlijk geen secretaris-generaal van een departement kon zijn.

    Aanpassing

    Alle geschiedbeelden veranderen. Daarbij spelen allerlei factoren een rol, waaronder nogal wat factoren die eigenlijk geen rol mogen spelen, zoals politieke wenselijkheid of selectief verworven extra data. Zo ook in Spanje. Het geschetste beeld was nationalistisch en katholiek, en hoewel het niet per se rechts was, was het wel de dood van Franco die ruimte schiep voor andere visies, waardoor het idee van “één Spanje” werd genuanceerd. Het perspectief verschoof naar convivencia, middeleeuws Spanje als verzameling samen levende culturen. Het is te lezen als een erkenning van de Baskische en Catalaanse identiteit. Deze omslag had dus iets te maken met de veranderde politieke windrichting, en dat gold eveneens voor de gegroeide aandacht voor El-Andalus.

    De jaren tachtig zagen ook een uitbreiding van het archeologische databestand. Niet alleen was er ruilverkaveling in Andalusië, maar ook veranderden projectontwikkelaars de Spaanse costa’s in een vastgoedparadijs, waardoor er eindeloos veel vondsten kwamen uit het gebied langs de Guadalquivir en uit de kustregio. Zo kwam er aandacht voor de vroege verstedelijking van Spanje, vóór de komst van de Romeinen. Die is een feit, maar bedenk: heuvelforten en stedelijke nederzettingen zijn makkelijker te vinden dan herders die hun kuddes verplaatsen over de eeuwenoude cañadas. De toegevoegde data waren dus selectief: ze documenteerden grote nederzettingen, maar niet de rest van de toenmalige wereld, en het ging vooral over Andalusië en de Iberische kuststrook. (Dat is een van de redenen waarom de huidige opgraving van Turuñuelo, die ik al eens aanstipte, vlakbij de Portugese grens, zo belangrijk is.)

    Anders gezegd: de perspectiefwisseling die rond 1975 inzette, is politiek of cultureel bepaald en inhoudelijk niet zo best onderbouwd.noot Dit is natuurlijk wat in Nederland is gebeurd toen de Germanen werden ingeruild voor de Romeinse limes: vaderlands verleden maakte plaats voor pan-Europees verleden, en het gegroeide Romeinse databestand was tot stand gekomen doordat Romeinse forten opvallender zijn dan Germaanse zwervende erven. In het jargon van de wetenschapsleer: de context of discovery is alleszins begrijpelijk, maar er zijn vraagtekens te plaatsen bij de justification of discovery. (U mag “perspectiefwisseling” lezen in plaats van discovery.)

    [Wordt vervolgd]

    #Asturië #cañada #ClaudioSánchezAlbornoz #contextOfDiscovery #convivencia #emiraatVanCórdoba #FranciscoFranco #Granada #justificationOfDiscovery #RijkVanToledo #Turuñuelo
Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.