home.social

#emiraat-van-cordoba — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #emiraat-van-cordoba, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Faits divers (59) archeologie

    De onlangs door het Allard Pierson Museum teruggegeven Centuripe pyxis, kort voor de teruggave

    Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer vooral archeologische onderwerpen.

    Internationale contacten

    U kent mijn ergernis: archeologen die zich niet willen verdiepen in wat tekstwetenschappers doen, en classici en oudhistorici die niet begrijpen dat archeologie méér is dan een hulpwetenschap. Ik herinner me uit mijn studietijd oudhistorici die vol leedvermaak lachten toen bleek dat alle op het Zweedse eiland Gotland gevonden Romeinse scherven, die zouden bewijzen dat er handel was met Italië, behoorden tot één enkele amfoor. Gotland was slechts een uitbijter, een geïsoleerd geval, verwaarloosbaar, zoals ze ook de archeologie beschouwden als bijvak.

    Ik moest daaraan terugdenken toen ik dit artikel las over de handel in koper en lood tussen Sardinië en Scandinavië. Die begon al in de Bronstijd, was vrij grootschalig en langdurig. Het bewijs bestaat natuurlijk uit de chemische analyse van het metaal: ertsen zijn nooit helemaal zuiver en bevatten allerlei andere bestanddelen, die de herkomst verraden. De isotoopverhouding biedt een andere aanwijzing. De pointe van de nieuwe inzichten is natuurlijk niet de metaalhandel, hoe interessant ook, maar dat ideeën zich van de Zuid-Europese naar de Noord-Europese wereld verspreidden, en andersom.

    En om de pijnlijke anekdote over het dedain van oudhistorici voor hun collaga’s af te ronden: nog steeds zijn er historici die onvoldoende weten van archeologie, zoals andersom ook voorkomt, maar de openlijke minachting behoort inmiddels tot het verleden.

    Ezinge

    Ezinge is vanaf ongeveer 500 jaar voor Christus continu bewoond … ongeveer even oud als de stad Rome.

    Oef. In Heerlen beweren archeologen dat ze een Romeinse soldaat hebben opgegraven (niet dus) en Nijmegenaren beweren dat Noviomagus rond 100 na Chr. stadsrechten heeft gekregen (niet dus): we zijn inmiddels dus gewend aan archeoblabla. De vergelijking van Ezinge met Rome overtreft echter elk redelijk pessimisme.

    Hoe oud is Rome? De oudste aanwijzingen voor sedentaire bewoning dateren uit de zeventiende tot vijftiende eeuw v.Chr. Hartje Bronstijd. De plaats van die nederzetting is onbekend. Wél bekend is dat er rond 1000 v.Chr. diverse boerennederzettingen waren met een grafveld op het latere Forum Romanum. Als je Ezinge “ongeveer even oud” noemt als Rome, zeg je feitelijk dat chronologisch onderzoek, toch een kernpunt van de archeologische wetenschap, resultaten oplevert die je mag negeren. Je zegt tevens dat typeringen van archeologische culturen (Bronstijd, IJzertijd) irrelevant zijn. Dan beschadig je de archeologie.

    Het erge is: Ezinge is belangrijk omdat het Ezinge is. Wierden en terpen zijn niet pas interessant door vondsten geforceerd in verband te brengen met de klassieke Oudheid. Je zou toch een staart krijgen van het minderwaardigheidscomplex van de Nederlandse archeologen.

    Roofkunst

    Het Allard Piersonmuseum in Amsterdam is al een tijdje bezig om de voorwerpen te onderzoeken die zijn verworven door eerdere directeuren, zoals de Jaap Hemelrijk over wiens dwarse opvattingen ik al eens schreef. Het museum heeft nogal wat illegale oudheden aangekocht, terwijl de directeuren wisten dat die afkomstig waren van een misdrijf. Dat is dus medeplichtigheid bij heling.

    Het museum dwingt inmiddels zichzelf pronkstukken terug te geven, dus in Nederland zijn wij ze kwijt. Het is echter beter schoon schip te maken dan een illegaal esthetisch genot na te jagen.

    Romeins glas

    Een leuk berichtje over hoe analisten in het laboratorium de receptuur van Romeins glas hebben bestudeerd en de lichteffecten van de Lycurgusbeker hebben weten te doorgronden. (Het Allard Piersonmuseum deed soortgelijk onderzoek.)

    Chris Wickham

    De Britse historicus Chris Wickham is eerder deze maand overleden. Hij is een van degenen die ervoor zorgde dat de Late Oudheid, traditioneel een niemandsland tussen de hoogtijdagen van het Romeinse Rijk en de Karolingen, de aandacht kreeg die deze periode verdient. Het is immers de tijd waarin de contouren van Europa zichtbaar werden. Ik ga geen necrologie schrijven, u leest dit oude blogje nog maar eens.

    Spaans DNA

    En om nog even in de Late Oudheid te blijven: er is DNA-onderzoek dat toont dat de bevolking van Spanje in de loop van de eerste eeuwen van onze jaartelling niet ingrijpend van samenstelling is veranderd. De Visigoten die in de vijfde eeuw de macht in handen kregen en in de zesde eeuw het Rijk van Toledo opbouwden, vormden geen grotere migratie dan de migraties in eerdere eeuwen. Dat de “grote volksverhuizingen” niet zo groot waren, althans in westelijk Europa, wisten we natuurlijk al een eeuw, want er zijn geen archeologische aanwijzingen, maar elk stukje extra bewijs helpt om dit politiek geladen vooroordeel weg te werken.

    Het zou overigens leuk zijn als we ook iets vernamen over de samenstelling van de Iberische bevolking in de Middeleeuwen, omdat demografische veranderingen een factor zijn in de discussie over de vraag of in het Emiraat van Córdoba de bewoners zich aanpasten aan de islam of dat de islam zich aanpaste aan de bewoners. Het antwoord op die vraag heeft alles te maken met het Spaanse zelfbeeld. De geesteswetenschappen gáán ergens over.

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Deel dit: #AllardPiersonmuseum #ChrisWickham #DNAOnderzoek #emiraatVanCórdoba #Ezinge #FaitsDivers #glas #IllegaleOudheden #koper #LateOudheid #lood #RijkVanToledo #Sardinië #Visigoten
  2. De Fatimiden

    Fatimidisch reliëf (Monastir)

    Als ik het goed heb geteld, heb ik op deze blog al drieëntwintig keer verwezen naar de Fatimiden, zonder dat ik werkelijk heb uitgelegd wat dat voor Arabische dynastie was. Daar moet toch eens verandering in komen, dus bij dezen – en we beginnen in de zevende eeuw, bij de uitvaart van de profeet Mohammed in 632 na Chr. Het was niet helemaal duidelijk wie hem moest opvolgen, en daarom speelde vanaf dit moment in de islamitische wereld de kwestie van het leiderschap. Na ongeveer zestig jaar ontstond daarover wat duidelijkheid: de meeste moslims aanvaardden het gezag van de kalief van Damascus (later Bagdad) en worden soennieten genoemd, terwijl een (vermoedelijk vrij grote) minderheid liever een afstammeling van Mohammed als leider zag. Die groep heette de sji’a en hun leider wordt aangeduid als de imam.

    De sji’a depolitiseerde. Deels was ze met geweld onderdrukt, bijvoorbeeld in de slag bij Kerbala (680), deels was ze zelf verdeeld over de diverse familietakken. De frictie tussen enerzijds de als legitiem ervaren claim op het leiderschap en anderzijds de praktijk, werd opgelost door het idee dat aan het einde der tijden een vermist geraakte imam zou terugkeren.

    Ivoorsnijwerk uit Cairo (Louvre, Parijs)

    Ontstaan van het Fatimidische kalifaat

    Begin tiende eeuw was het zo ver. In het westen van het Kalifaat van Bagdad, in wat nu Tunesië en Algerije is, was de macht in handen van de Aghlabiden, die de kalief in naam erkenden en verder hun eigen gang gingen. Helemaal in het westen, in wat nu Kabylië heet, leefden sji’itische Berbers die binnen het half-onafhankelijke Aghlabidische emiraat ook nogal onafhankelijk waren. Profiterend van een Aghlabidische troonswisselingcrisis, wisten de Berbers vanaf 902 hun positie te versterken. In 904 namen ze Sétif; Aghlabidische tegenaanvallen werden afgeslagen; in 909 viel Kairouan.

    De Berbers namen het bestuursapparaat van de Aghlabiden over en in het volgende jaar riep hun leider zich uit tot kalief. Eigenlijk heel opmerkelijk, want het kalifaat gold als bij uitstek soennitisch, en deze Berbers waren sji’ieten. Hun leider beweerde via Imam Ali en Fatima af te stammen van Mohammed, presenteerde zich als de uit verborgenheid teruggekeerde imam, liet zich Mahdi noemen en kondigde meteen aan dat mensen zich vergisten als ze dachten dat met de verschijning van de verborgen imam ook de Eindtijd aanbrak. Het was, al met al, een revolutie: een sji’itische kalief, een teruggekeerde imam zonder Eindtijd, sji’ieten met macht en een familie die afstamming van de Profeet claimde.

    Ingang van de Fatimidische moskee te Mahdia

    Zo ontstond het Fatimidische Kalifaat, dat al snel een nieuwe hoofdstad bouwde: ontevreden met Kairouan kozen ze voor een stad aan de kust, waarvandaan men naar het oosten wilde uitvaren, richting Egypte en Syrië, en daar voorbij naar Bagdad, om de hele islamitische wereld te verenigen onder één kalief die tevens imam was. De nieuwe hoofdstad heette naar haar stichter Mahdia.

    Expansie

    Ik ga hier niet alle conflicten beschrijven, maar noem wel dat de claim op het kalifaat als een schok door de islamitische wereld ging. Er was altijd maar één kalief geweest, de soennitische heerser in Bagdad. Nu er een tweede kalief was, konden de leiders van het Emiraat van Córdoba niet achterblijven: Abd al-Rahman III van Córdoba riep zich in 929 uit tot de derde kalief, en bouwde Madinat al-Zahra om ook in architectonisch opzicht niet achter te blijven bij Bagdad en Mahdia (en Constantinopel en andere hoofdsteden). Het kalifaat van Córdoba en het Fatimidische kalifaat van Mahdia vochten in de tiende eeuw met wisselende krijgskansen een Stellvertreterkrieg uit in Marokko.

    Fatimidisch kristal (Louvre, Parijs)

    Tegelijkertijd rondden de Fatimiden de Arabische verovering van Sicilië af, om daarna hun eigenlijke doelen weer centraal te stellen: de verovering van Egypte en Syrië, om daarvandaan op te rukken naar Bagdad. Eerdere pogingen waren mislukt, maar in 969 konden de Fatimiden hun residentie verplaatsen naar een nieuwe hoofdstad: Cairo, wat zoiets betekent als “overwinningsstad”. De Al-Azhar-moskee dateert uit deze jaren.

    Met Egypte viel ook het westen van het Arabische Schiereiland in Fatimidische handen, inclusief de heilige steden Mekka en Medina. De verovering van de Levant verliep minder voorspoedig: weliswaar wisten de Fatimidische legers al in 970 Damascus te nemen, maar ze werden teruggeslagen en uiteindelijk was alleen het huidige Palestina Fatimidisch, inclusief de heilige stad Jeruzalem. Hiermee kwam de expansie ten einde. Met de Byzantijnen, die in deze periode hun macht in Syrië uitbreidden, kwam men overeen dat de Nahr al-Kabir (de noordgrens van het huidige Libanon) de grens tussen beide invloedssferen zou vormen.

    Fatimidische munt (Residenzschloss, Dresden)

    Elfde en twaalfde eeuw

    Rond het jaar 1000 strekte het Fatimidische Rijk zich uit van Algerije tot Jordanië. Aan het hoofd stond de kalief Al-Hakim over wie ik het al eerder heb gehad – een van de meest fascinerende personages uit de Arabische geschiedenis. Inmiddels begon de geschiedenis zich te herhalen. Zoals de Fatimiden hun macht hadden kunnen uitbreiden vanuit de westelijke periferie, waar de kalief van Bagdad alleen indirect gezag uitoefende, zo breidden nu in de westelijke periferie de Ziriden hun macht uit. Officieel namens de Fatimidische kalief heersten zij over grote delen van de Maghreb, en in de elfde eeuw werden ze feitelijk onafhankelijk.

    De afspraak met de Byzantijnen over de afbakening van de wederzijdse invloedssferen garandeerde een eeuw lang een regelmatig onderbroken rust, maar dat veranderde tegen het einde van de elfde eeuw. Een in Anatolië en Syrië opererend huurlingenleger in dienst van keizer Alexios I Komnenos verbrak zijn eed van trouw, stak de Nahr al-Kabir over en rukte op naar Jeruzalem. Het Fatimidische garnizoen wist de aanvallen enige tijd af te slaan, maar de vijanden wisten de stad stormenderhand te veroveren en versloegen even later een Fatimidisch ontzettingsleger. Dat was 1099 en u had al begrepen dat dit huurlingenleger bekendstaat als de Eerste Kruistocht.

    Een Fatimidische bokaal uit de Kerkschat van Oignies (Musée des arts anciens, Namen)

    In de loop van de twaalfde eeuw raakte de dynastie steeds verder verzwakt, deels door interne fricties, deels vanwege het verlies aan prestige. Zwakke kaliefen kregen nogal eens te maken met machtige adviseurs, die zeker niet altijd sji’itisch of zelfs maar islamitisch waren. Uiteindelijk nam een van die adviseurs, de soenniet Saladin, in 1171 de macht over. Met die gebeurtenis raakten Syrië en Egypte voor het eerst in lange tijd in één hand verenigd en raakte het lot van de Kruisvaarders bezegeld. Het betekende ook dat de sji’a voorgoed de kleinere was van de twee hoofdstromingen in de islam.

    #AbdAlRahmanIIIVanCórdoba #Aghlabiden #AlHakim #AlexiosIKomnenos #Berbers #Cairo #EersteKruistocht #emiraatVanCórdoba #Fatimiden #FatimidischeKalifaat #imamAli #Jeruzalem #KalifaatVanBagdad #KalifaatVanCórdoba #KalifaatVanDamascus #Kerbala #MadinatAlZahra #mahdi #Mahdia #NahrAlKabir #Saladin #sjiieten #soennieten #Ziriden
  3. Madinat al-Zahra

    Huis van Jaffar, Madinat al-Zahra.

    Een tijdje geleden kondigde ik een stukje aan over Madinat al-Zahra, de paleisstad die Abd al-Rahman III van Córdoba stichtte nadat hij zich in 929 had uitgeroepen tot kalief. Al bijna twee eeuwen was die titel voorbehouden aan de Abbasidische heerser in Bagdad, en hoewel de Umayyadische heersers van het Emiraat van Córdoba behoorlijk wat eigendunk hadden, hadden ze er nooit moeite mee gehad de kalief te erkennen als de ene heerser der gelovigen. Dat was echter veranderd toen een andere dynastie, de Egyptische Fatimiden, het kalifaat eveneens had opgeëist. Nu er meer dan één kalief was, kon Abd al-Rahman niet achterblijven: ook hij moest de hoogste titel hebben. En dus kon zijn hoofdstad niet minder zijn dan Bagdad of Cairo.

    Residentie

    Abd al-Rahman stichtte de nieuwe residentie van het nieuwe Kalifaat van Córdoba in 936 en deze werd vier jaar later in gebruik genomen. De naam Madinat al-Zahra, wat misschien “de stralende stad” betekent, is weer zeven jaar later gedocumenteerd op munten, dus in 947. De stad werd na minder dan een eeuw verlaten en zelfs gesloopt: enkele zuilen zijn terecht gekomen in de Alcazar van Sevilla. Het materiaal dat archeologen hebben gevonden, is dus vrij scherp te dateren. De situatie doet wat denken aan Samarra, dat van 836 tot 892 Bagdad verving als kalifale residentie.

    De terrassen

    De nieuwe stad, een kilometer of tien ten westen van Córdoba, was geplaatst op een berghelling, zodat er diverse terrassen konden worden aangelegd, met het Dar al-Mulk (“huis des konings”) bovenaan en dan via de regeringsgebouwen naar de residentiële wijken. De hiërarchie spreekt voor zich.

    Archeologen hebben ongeveer een achtste opgegraven, maar de rest is ruwweg bekend van luchtfoto’s, LIDAR en georadar. Het blijkt dat er lege delen waren, die misschien dienden als dierentuin, militair kamp, park of botanische tuin. De woonhuizen zijn bekend, maar vooralsnog niet opgegraven, want ze zullen wel hebben geleken op die uit Córdoba: alle vertrekken gelijkvloers rond een patio met een vijvertje. Feitelijk is dat al eeuwenlang het standaardhuis in de Mediterrane wereld.

    Een versierd kistje uit Madinat al-Zahra (Louvre, Parijs)

    Madinat al-Zahra had natuurlijk water nodig, dus waren er cisternes om de regen op te vangen. Dat was echter onvoldoende, en dus lapten Abd al-Rahmans bouwmeesters het Romeinse aquaduct naar Córdoba op.

    Voorname huizen

    Op het middelste niveau, waar de regeringsgebouwen waren en de hoogste functionarissen leefden, zijn diverse huizen opgegraven, zoals dat van Jaffar, die van 961 tot 971 diende als vizier van Abd al-Rahmans zoon en opvolger Al-Hakam II. (Dit is de Jaffar die wordt genoemd in de gebedsnis van de moskee in Córdoba.) De bewoners van dit deel van de stad kwamen uit enkele voorname families, die al in de achtste eeuw vanuit het oosten naar El-Andalus waren gekomen. Verder woonden de slaven van de kalief hier. Die waren niet zelden afkomstig uit oostelijk Europa.

    Kapiteel

    Er was natuurlijk een garnizoen om de kalief te bewaken. Op het gevonden aardewerk zijn afbeeldingen te zien van diverse soldaten: voetvolk en ruiterij, uitgerust met zwaarden, bogen, schilden en maliënkolders. Sporen, paardenbitten, zwaardschedes, speer- en pijlpunten bewijzen dat de afbeeldingen de werkelijkheid correct weergeven.

    Poort van het paleis

    Innovatie

    De poorten zijn interessant omdat er boven de eigenlijke doorgang een tweede, blinde boog was, die weer was voorzien van exuberante reliëfs. Zulke constructies waren op dat moment alleen nog bekend uit de moskee van Córdoba en vormden een lokale innovatie. Abd al-Rahman III beperkte de toepassing ervan niet tot zijn oude en zijn nieuwe residentie. In Tortosa, Alcegiras en Almería stichtte hij vlootbases, en hij bouwde ook allerlei kustforten, waar hij huurlingen uit de Maghreb stationeerde. De poorten die hij had laten bouwen in Madinat al-Zahra, zijn ook in deze nieuwe vestingen te vinden.

    Aardewerk

    Centraal in de nieuwe stad, op de rand van de regeringsgebouwen en de benedenstad, lag de audiëntiezaal, waar de kalief in zorgvuldig geregisseerde plechtigheden zijn gasten uit binnen- en buitenland ontving. Ik was hier vorige maand graag wezen kijken, maar deze ruimte, omgeven door mooie tuinen, was tijdelijk afgesloten wegens heftige regen. Ik heb dus een heel goede reden om nog eens terug te gaan.

    Een zonnewijzer

    Bezoek

    Tweemaal per dag rijdt een bus vanaf de Mercado Victoria in Córdoba naar het museum van Madinat az-Zahra. Daarvandaan rijdt een shuttle naar de opgraving. Wij namen in alle vroegte een taxi vanuit de stad, waardoor we zeker twee uur lang het museum en de opgraving voor onszelf hadden. Daarna begon het drukker te worden, maar het bleef prettig.

    In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Het gouden Byzantijnse Rijk

    september 20, 2012
    De keizers van het Byzantijnse Rijk

    oktober 27, 2012
    Het Byzantijnse Rijk (2): Bloei

    mei 28, 2023 Deel dit: #Abbasiden #AbdAlRahmanIIIVanCórdoba #AlHakamIIVanCórdoba #Bagdad #Cairo #Córdoba #emiraatVanCórdoba #KalifaatVanCórdoba #MadinatAlZahra #moskeeVanCórdoba #Samarra #Umayyaden
  4. Ziryab

    Monumentje voor Ziryab, Córdoba

    Toen ik eens keek naar een documentaire over het Apolloproject viel me op dat de geleerden die ervoor zorgden dat de mensheid de maan bereikte, meest mannen overigens, allemaal witte overhemden droegen. Toen ben ook ik witte overhemden gaan dragen. Wat ik maar zeggen wil: je hebt smaakmakers en smaakvolgers. En dat was vroeger ook zo. Neem Abu al-Hasan ‘Ali ibn Nafi (789-857), bijgenaamd Ziryab, wat een zangvogel is.

    Ziryab speelde de oud (een luit zonder fretten) aan het hof van de Abbasidische kalief Harun ar-Rashid. Op zeker moment – wellicht nadat het Kalifaat van Bagdad in 806 te maken kreeg met een opstand die overging in een conflict tussen Haruns opvolgers – reisde Ziryab af naar het westen. Via het hof van de Aghlabidische emir van Kairouan (in Tunesië) bereikte hij in 822 Córdoba, waar hij in dienst trad van emir Abd ar-Rahman II (r.822-852). Daar gold hij niet alleen als de grootmeester op de oud, maar ook als arbiter elegantiae: hij zette de toon op velerlei gebied.

    Muzikale vernieuwing

    Om te beginnen de muziek: hij introduceerde in het westen een nieuw model plectrum én de oud met een extra paar snaren. De vier gangbare paren kregen elk een andere kleur, die de vier lichaamssappen moesten symboliseren, waarbij het vijfde snarenpaar stond voor de ziel. Het was niet voor het eerst en het zou niet voor het laatst zijn dat iemand muziek presenteerde als iets dat groter was dan melodisch en ritmisch geluid.

    Maar het ging verder. Ziryab richtte een muziekschool op, een van de eerste in het Emiraat van Córdoba, waar hij zijn leerlingen de laatste (Abbasidische) nieuwigheden bijbracht op het gebied van de muziek. Hij kwam immers uit Bagdad en was via Kairouan gekomen naar Córdoba. Hij nam niet alleen mannelijke, maar ook vrouwelijke leerlingen aan. Daar zat overigens geen feministische agenda achter: vrouwenstemmen waren populair, dus je kon maar het beste zorgen voor goed onderricht.

    Cultureel advies

    En omdat een musicus er toch een beetje netjes uit moest zien, gaf Ziryab ook advies voor elegante kleding: in de winter anders dan in de zomer, en een onderscheid tussen dagelijks tenue en avondkleding. Hij suggereerde combinaties van heldere kleuren en om er zeker van te zijn dat die de lichaamsgeur niet opnamen, introduceerde hij ook de deodorant. De tandpasta ook, trouwens, en shampoo. Niet langer wasten aristocraten het haar met rozenwater, maar ze benutten zout water vol geurstoffen. Ik begrijp dat dit inderdaad beter is.

    Ziryab suggereerde dat de oude kapsels, waarbij de scheiding middenin lag en het haar in twee vlechten over de slapen afhing, werden vervangen door een pony met op het achterhoofd een matje – zoals hij in Bagdad had gezien.

    Al deze adviezen hadden overigens een parallel in het culturele programma van de oude Grieken en Romeinen. Wie in het openbaar optrad, moest ervoor zorgen dat hij zich geloofwaardig presenteerde. En dus moest zo iemand er verzorgd uitzien.

    Een oud-speler

    Ziryab wist veel over de laatste ontwikkelingen in de Arabische poëzie, over geschiedenis, over wetenschap. En over haute cuisine. Hij adviseerde om niet alle gerechten in één keer op tafel te plaatsen, maar in gangen, zodat je voor elk gerecht de tijd kon nemen: eerst een lichte soep, dan een hoofdgerecht, tot slot een zoet toetje. Een en ander diende gegeten te worden van aardewerk, niet van zilveren of gouden borden, en kon worden geserveerd op een tafelkleed – nog iets nieuws. Tot de nieuwe gerechten behoorden de asperge, maar ook combinaties van ingrediënten die in West-Europa nog nooit waren beproefd. (Dit was belangrijker dan je zou denken, want men meende dat gezondheid samenhing met de balans tussen de vier lichaamssappen.)

    Ik zou haast het schaak- en het polospel nog vergeten: een invloed uit het verre Perzië. Maar eigenlijk draait het niet om die eindeloze lijst culturele veranderingen. Wat feitelijk gebeurde, was de groei van een hofcultuur, die door Ziryabs leerlingen werd verspreid over de Maghreb en de rest van het Iberische Schiereiland. En vanuit Asturië gingen deze innovaties naar de rest van West-Europa.

    Kwam het allemaal door één man? Zeker niet. Wat vermoedelijk speelde was dat de bewoners van het Emiraat van Córdoba gebruiken en gewoontes overnamen uit het Abbasidische kalifaat van Bagdad, en Ziryab zal een van de velen zijn geweest die de mensen in het westen vertelden over wat gangbaar was in het oosten.

    De ulama

    Dát het gebeurde, staat vast. We weten bijvoorbeeld dat aan de aristocratische hoven wijn voortaan werd geschonken in bekers van glas of kristal, die de oude bekers van zilver en goud vervingen: het archeologisch bewijs is duidelijk. Iets minder duidelijk is welke wijn de mensen dronken: de Koran verbiedt druivenwijn, maar zegt niets over dadelwijn, die dus was toegestaan. Later waren er schriftgeleerden die ook dadelwijn niet acceptabel vonden. De interpretatierichting van de tekst is naar grotere strengheid.

    En daarmee kom ik op een ander aspect van de invloed die het Abbasiedenkalifaat uitoefende op de westelijke landen: er kwamen ook schriftgeleerden, ulama. De druk op christenen in het Emiraat van Córdoba nam toe, want er kwamen meer en striktere regels voor de “volken van het boek” (dhimmis). Processies en klokgebeier werden aan banden gelegd en er kwamen beperkingen: christenen mochten bepaalde wapens niet meer dragen en konden niet elk rijdier meer benutten – regels die toonden dat ze tweederangsburgers waren. Vervolgens werden de nieuwe regels niet toegepast, maar de sfeer was aan het veranderen: het Emiraat werd in de loop van de negende eeuw hoofser, zelfverzekerder, islamitischer en minder tolerant.

    In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De Karolingische Renaissance: slot

    augustus 22, 2024
    Geliefd boek: River Kings

    november 3, 2023
    Het Roelandslied

    augustus 1, 2015 Deel dit: #Abbasiden #AbdAlRahmanIIVanCórdoba #Aghlabiden #dhimmi #emiraatVanCórdoba #hofcultuur #interpretatierichting #Kairouan #KalifaatVanBagdad #lichaamssappen #muziek #schaken #ulama #wijn #Ziryab
  5. Toerist in Córdoba

    Puerta de Sevilla

    Ik liet u in de vorige aflevering van dit narcistische winterfeuilleton gistermiddag achter op het station in Málaga, in de hoop dat we fors vertraagd om half drie zouden vertrekken naar Córdoba. Dat gebeurde inderdaad, maar na 500 meter stopte de trein, en na twee uur stilstand reed hij terug naar het station. Dat was niet naar de zin van de eveneens aanwezige Feyenoordsupporters. “Kankerland”, herhaalde een zo’n fan luidkeels, en zo klonk er meer. Niet handig, als de politie op scherp staat voor een risicowedstrijd. Toen we de trein verlieten, moesten we onze legitimatie tonen en haalde de politie supporters uit de mensenmassa. Toen een andere trein ons later naar Córdoba reed, ontbrak in onze coupé de Feyenoordaanhang.

    Een snelle wandeling

    We hadden, achteraf bezien, vijf uur langer kunnen doorbrengen in Málaga, maar goed: we zijn aangekomen in Córdoba, ooit de hoofdstad van het gelijknamige emiraat. Mijn vriendin was er al eens met haar zus geweest en ook voor mij is de stad niet nieuw – zie dit blogje.

    Casa Árabe

    We hadden de middag willen besteden aan de wereldberoemde moskee, maar omdat het al avond was, beperkten we ons tot een snelle wandeling langs een aantal kleine sites die nog open waren of geen sluitingstijd hadden, zoals de minaret van San Juan en de Kalifale Baden, die interessant bleken te zijn. Het Casa Árabe is feitelijk een cultureel centrum in een heel oud huis, maar je kon je voorstellen dat een Ibn Rushd op die plek heeft gepiekerd over de betekenis van het woord “tragedie” in het oeuvre van Aristoteles. De Puerta de Sevilla is oeroud en stamt vermoedelijk uit de Umayyadische tijd en er bleek een standbeeld te staan van de dichter Ibn Hazm, de auteur van De ring van de duif. Bij de supermarkt waar we nog snel wat te eten scoorden was een monumentje voor de musicus Ziryab, over wie later meer.

    Huis van Jaffar, Madinat al-Zahra.

    Madinat Al-Zahra

    Vandaag namen we een taxi naar de ruïnes van Madinat Al-Zahra, het paleis dat kalief Abd al-Rahman III (r.912-961) voor zichzelf liet bouwen. Ik wil daar later nog eens een wat langer stuk aan wijden, maar noem nu alleen dat het gaat om een complete stad, waarvan ongeveer een achtste is opgegraven, dat er allerlei restauraties zijn gedaan, dat je er echt wel een dagdeel voor moet uittrekken en dat wij er de enigen waren. “Het is net alsof we in Algerije zijn,” constateerde mijn vriendin en ze had gelijk, want ook daar kun je ongestoord genieten van het werelderfgoed.

    Er is een museum met goede uitleg, dat ook vergelijkingen maakte met gelijktijdige kalifale hoofdsteden, zoals Fatimidisch Cairo en Abbasidisch Bagdad en Samarra. Het is allemaal piekfijn gedaan. Als u uit dit blogje één ding onthouden wil, moet het zijn dat een bezoek aan Madinat al-Zahra een volstrekte must is.

    Torre de la Calahorra

    Córdoba

    Een taxi bracht ons terug naar Córdoba, waar we wandelden langs de Guadalquivir, die dankzij de recente regens behoorlijk breed is. Tegenover de stad staat aan het einde van de Romeinse brug de Torre de la Calahorra, waar een klein museum is. Het presenteert El-Andalus als een samenleving waarin culturen elkaar verrijkten, met mooie maquettes en leuke diorama’s. Het was een fijn bezoek, en het was fijn een vleugje utopia te ervaren, maar laten we eerlijk zijn: het idee van vreedzame convivencia was ooit een zinvolle correctie op een onhoudbaar geschiedbeeld, waarin christendom en islam als eeuwige tegenstanders tegenover elkaar stonden, maar inmiddels zijn we een ruime halve eeuw verder. Een samenleving waarin sommige groepen onvolledige rechten hebben, is het aardse paradijs niet, en dat mag je als museum gewoon benoemen.

    De Baños Árabes de Santa Maria hebben we niet kunnen vinden. Ik vermoed dat het iets is in de kelder van een restaurant.

    De moskee van Córdoba

    Uiteraard bezochten we de wereldberoemde moskee, in de achtste eeuw gebouwd door Abd al-Rahman I, die wilde tonen dat het Emiraat van Córdoba voor niemand onder hoefde doen. Sindsdien is het gebedshuis door drie islamitische heersers uitgebreid en door een christelijke heerser verbouwd. Ik was blij er weer te zijn. Een paar maanden geleden was er brand in dit gebouw en ik was daar net zo door ontdaan als door de brand in de Notre-Dame. Dat is wat werelderfgoed is: een plek waar je je emotioneel bij betrokken voelt. Nu liepen we door een gebouw waar bouwvakkers actief waren, en het ziet er naar uit dat de schade snel weer ongedaan zal zijn gemaakt.

    Morgen: Sevilla.

    PS

    Ik noemde Algerije. Ik organiseer een reis en geloof me: die is de hoge prijs dubbel en dwars waard.

    #AbdAlRahmanIVanCórdoba #AbdAlRahmanIIIVanCórdoba #Córdoba #convivencia #emiraatVanCórdoba #Feyenoord #IbnHazm #MadinatAlZahra #werelderfgoed #Ziryab
  6. Toerist in Toledo

    Aankomst in Toledo

    Toledo, gelegen in het centrum van het Iberische Schiereiland, was in de Late Oudheid de hoofdstad van het Rijk van Toledo. Hier resideerden koningen die stamden uit een dynastie die ook wel Visigotisch wordt genoemd, wat nogal misleidend is omdat die naam een Germaans karakter suggereert dat deze vorsten totaal niet hadden. Ze waren in alle opzichten Romeins en de wetsoptekening van koning Recceswinth, het Liber Iudiciorum uit 654, is na het Byzantijnse Corpus Iuris de meest ambitieuze rechtscodificatie uit de Late Oudheid. Het Rijk van Toledo was simpelweg de post-Romeinse staat par excellence.

    De stad bezit het bij mijn weten enige Visigotische museum ter wereld, en dat was één reden om er naartoe te gaan. Maar er was meer. De naam “Toledo” heeft een bijna magische klank, net zoals Venetië, Constantinopel, Damascus, Isfahan of Samarkand. In die plekken is ooit geschiedenis gemaakt en de echo’s klinken nog steeds door. Toledo als plaats van talloze laatantieke synodes, die vooruitwijzen naar de middeleeuwse standenvergaderingen. Toledo als centrale stad in de middelste grensmark van het Emiraat van Córdoba. De inname van Toledo in 1085 als keerpunt in de geschiedenis van het Iberische Schiereiland. Toledo als vertaalschool. Toledo als voornaamste bisdom in Spanje. En verder: Toledo als artistiek centrum, als plaats waar drie godsdiensten elkaar al dan niet harmonieus ontmoetten, en als locatie van beroemde romans (i.c., Het vijfde zegel van Simon Vestdijk).

    Inscriptie van koning Reccared voor de Synodes van Toledo (Kathedraal van Toledo)

    De stad stond al jaren op mijn verlanglijstje en ik kan alleen zeggen: Toledo overtrof alle verwachtingen. Ik zal dit narcistische winterfeuilleton niet voorzien van een uitputtende beschrijving van alles wat er is te zien, al was het maar omdat we er maar één dag konden zijn. Ik beperk me tot het Visigotisch Museum en twee moskeeën.

    Visigotisch Museum

    Eerst het Visigotisch Museum, dat voluit Museo de los Concilios y la Cultura Visigoda heet en is gebouwd in de dertiende-eeuwse kerk van San Román. Die is zelf ook een bezoek waard, want het is een prachtig voorbeeld van de mudejar-stijl, d.w.z. christelijke kunst met invloeden uit het Arabische zuiden. Geen romaanse rondbogen of gotische spitsbogen dus, zoals je in de dertiende eeuw misschien zou verwachten, maar hoefijzerbogen, en inscripties in Arabische letters.

    Jezus geneest een blinde (El Salvador-kerk, Toledo)

    De collectie op zich is niet heel groot en bestaat vooral uit architectuurfragmenten, al zijn er ook munten te zien en inscripties, replica’s van votiefkronen, gebruiksvoorwerpen en een afgietsel van een zesde-eeuwse pijler die is te zien in de kerk van El Salvador. Die is opmerkelijk, omdat die kerk teruggaat op de Grote Moskee van Toledo, waar de christelijke reliëfs op deze pijler blijkbaar nooit aanstoot hebben gegeven.

    Het fijne zit vooral in het feit dát dit museum er is, want de zesde en zevende eeuw zijn een beetje een vergeten periode, terwijl het koningschap van Toledo een hoge symboolwaarde heeft gehad: de laatmiddeleeuwse christelijke koningen bewezen meer dan eens lippendienst aan een geïdealiseerd herstel van het door de Arabieren onderworpen koninkrijk, en die claim is blijven bestaan na de Late Middeleeuwen. In Madrid staan op de Plaza de Oriente tegenover het koninklijk paleis twintig achttiende-eeuwse standbeelden van heersers, die een verband legt tussen de bewoners van het paleis met de Visigotische koningen.

    Votiefkroon (Visigotisch Museum)

    Het museum in Toledo deelt deze visie op een continuïteit van het Rijk van Toledo via de christelijke rijkjes naar het moderne Spanje niet. Het toont het Rijk van Toledo als de laatantieke staat die het was, met laat-Romeinse trekken en vroeg-middeleeuwse trekken. Met een geestelijkheid en met een vorst. Er is weinig aandacht voor het leger: ook vooroordelen over het gewelddadige karakter van de zesde en zevende eeuw worden niet bevestigd. Ook worden geen pogingen gedaan de Visigotische heersers te presenteren als Germanen – de naam “Visigoten” is te ingeburgerd om nog te veranderen, maar is ook wat misleidend. In elk geval: het museum is de moeite van een bezoek meer dan waard.

    Moskeeën

    We bezochten ook twee voormalige moskeeën. Een daarvan is vernoemd naar een kerk die er later is ingericht en staat bekend als de Mezquita del Cristo de la Luz. Het is een beeldschoon monumentje, gebouwd in 999 na Chr., op een steenworp van een eveneens Arabische stadspoort, de Bab el-Mardum. De versieringen zijn gemaakt van baksteen, zodat deze moskee weliswaar heel sober is (want wat is nou eenvoudiger dan baksteen?) maar ook heel expressief gedecoreerd. Ik houd hiervan, zoals ik ook houd van de Amsterdamse School. Toen de moskee in gebruik was genomen als kerk, zijn fresco’s aangebracht die ook heel mooi zijn.

    Mezquita del Cristo de la Luz

    Even hoger op de heuvel ligt de Mezquita de Tornerías. Die is helemaal bijzonder. Je loopt vanaf de straat een huis binnen, en de vertrekken op de begane grond zijn al vrij monumentaal, met allerlei natuurstenen bogen. De functie is niet helemaal duidelijk. Daaronder ligt een cisterne. Deze twee niveaus waren in de Visigotische en Arabische tijd in gebruik. Er onder zijn wat resten uit de IJzertijd, en de moskee is gebouwd op de tweede verdieping. Het is prachtig ontsloten.

    Deze moskee werd gebruikt door een gezelschap dat bekendstaat als de Broederschap van Yami’ al-Wadi’a, wat weleens wordt vertaald als “bewaring”. Een document uit de vroege vijftiende eeuw bewijst niet alleen dat er toen nog moslims in Toledo woonden, maar dat de leden van de Broederschap ook nog Arabisch spraken, huwelijken inzegenden volgens islamitisch recht, aalmoezen verzorgden, uitvaarten regelden en twee winkels verhuurden. De huuropbrengst werd gebruikt voor het onderhoud van de moskee.

    El Greco, De begrafenis van de graaf van Orgaz

    Tot slot

    Ik kwam in Toledo ogen tekort. We betraden de stad over de Puente de Alcántara, we passeerden de Puerte del Sol, we bekeken de kathedraal (waar je eigenlijk een hele dag voor moet uittrekken), we bezochten het Sefardisch Museum ofwel de Sinagoga del Tránsito alsmede de even verderop gelegen Sinagoga de Santa María La Blanca. In de kerk van Santo Tomé hebben we verbluft gekeken naar El Greco’s schilderij van “De begrafenis van de graaf van Orgaz”, wiens graf daar trouwens ook werkelijk is.

    Toledo heeft veel, veel meer te bieden, maar wij hadden slechts één dag. Geen bezoek dus aan het klooster van San Juan de los Reyes, aan het Alcazar of aan het El Greco-museum. We hadden er langer moeten blijven. Drie dagen minimaal. Maar we hebben de dingen gezien die we echt het meest wilden zien, en het is beter ergens te kort te zijn geweest dan er überhaupt niet te zijn geweest.

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal. In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier.

    Deel dit: #ElGreco #emiraatVanCórdoba #LiberIudiciorum #mudejarStijl #Reccared #Recceswinth #RijkVanToledo #SimonVestdijk #SynodesVanToledo #Toledo #vanitasVanitatum #Visigoten
  7. De verledens van Spanje (3)

    Romeins en Arabisch Spanje bij elkaar in Málaga

    Wat ik met de twee voorgaande blogjes (een, twee) heb willen vertellen, is dat het beeld van het verleden van Spanje verandert doordat de wind uit een andere politieke en culturele hoek is gaan waaien, wat een beetje de dagelijkse omgang is met het verleden, terwijl er tegelijk ook echte wetenschappelijke ontwikkelingen zijn: nieuwe technieken, nieuwe vragen, nieuwe data, nieuwe onzekerheden, nieuwe hypothesen. Die leiden overigens en gelukkig niet meteen tot nieuwe conclusies.

    Je mag voor de toekomst verwachten dat onderzoekers, nu er allerlei nieuwe bioarcheologische technieken zijn, zullen gaan kijken naar de routes waarlangs herders hun kuddes verweidden. Mij zou het niet verbazen als vee over grotere afstanden blijkt te zijn verplaatst dan we zouden verwachten aan de hand van de bekende cañadas, want dat is in elk geval elders in Europa bewezen: denk aan de Romeinse herders die van Schotland naar Zuid-Engeland kwamen. Dat documenteert dan ook weer de verspreiding van ideeën. De DNA-revolutie is vooral een hermeneutische revolutie, net wat u zegt.

    Twee losse constateringen

    Ik heb nog twee losse constateringen. Ten eerste: met mijn opmerking over het verweiden van kuddes verplaatste ik de aandacht van het kustgebied en Andalusië naar de Spaanse Hoogvlakte. Zoals ik in het eerste stukje al aangaf, zijn er de afgelopen halve eeuw veel data bij gekomen dankzij ruilverkaveling langs de Guadalquivir en vastgoedprojecten aan de kust. De balans is al met al nogal oneven, nogal selectief.

    En dat is wel een beetje de makke van de archeologie: ze is wel heel erg gebaseerd op data – of dat nu vondsten zijn, surveys of de patronen die dankzij GIS-systemen zichtbaar worden. Archeologen zijn “hands on”, concreet. Maar de analyse van het verleden veronderstelt ook denken over data die je niet hebt. Daar zijn oudhistorici dan weer goed in. En hier speelt het beruchte probleem dat archeologen de voorkeur geven aan de correspondentietheorie van de waarheid en historici meer neigen naar de coherentietheorie. In Nederland bemoeilijkt dat samenwerking. Ik vrees dat dat in Spanje niet anders zal zijn.

    Ten tweede: weinig clichés over het verleden zijn onzinniger dan de zelfs niet langer als oxymoron te presenteren claim dat het niet voorbij zou zijn. Het verleden is hartstikke voorbij en betekent helemaal niets, tot wij er betekenis aan geven. De ontstaansgeschiedenis die ik in het eerste blogje noemde is één mogelijkheid om dat te doen, het doorgronden van maatschappijtypen en wijzen van verandering, zoals beschreven in het tweede blogje, is een ander. Maar er zijn meer manieren om betekenis toe te kennen, zoals het reconstrueren van ideeën uit het verleden, die reconstructies contrasteren met je eigen opvattingen, en zo opsporen waarom zij dachten zoals zij dachten en waarom jij denkt zoals jij denkt. Dat contrast leidt tot zelfinzicht.

    Tot slot

    Tot zover enkele min of meer officiële rechtvaardigingen voor een liefde voor het verleden. Persoonlijk vind ik ontstaansgeschiedenis niet interessant, omdat ze continuïteiten veronderstelt die doorgaans onbewijsbaar zijn. Over contrasterende opvattingen heb ik het in deze drie blogjes niet gehad, dus die laat ik rusten. Het doorgronden van antieke maatschappijtypen is echter belangrijk: inzicht in (de ontwikkeling van) samenlevingen is een voorname reden om historici archeologen en classici oudheidkundig onderzoek te laten doen.

    Maar voor u en mij, ongesubsidieerde liefhebbers, geldt dat minder. Voor ons kunnen Oudheid en Middeleeuwen gewoon leuk zijn. Iets om van te genieten. En dat is wat ik binnenkort zal gaan doen: ik ga twee weken op vakantie en ik hoef u na deze drie blogjes niet meer te vertellen naar welk land.

    #cañada #coherentietheorieVanDeWaarheid #correspondentietheorieVanDeWaarheid #DNARevolutie #emiraatVanCórdoba #RijkVanToledo #socialeWetenschappen
  8. De verledens van Spanje (2)

    Een Dressel-20-amfoor (Archeologisch Museum, Córdoba)

    Het is niet voor niets dat we wetenschappers en erfgoedspecialisten faciliteiten bieden. We krijgen daar als samenleving immers iets voor terug. Dat kan bijvoorbeeld ontstaansgeschiedenis zijn, zoals ik in het vorige blogje illustreerde aan de hand van de visies op het Spaanse verleden: eerst was er een frame waarin de maatschappelijke, linguïstische, religieuze en nationale eenheid centraal stond, de afgelopen halve eeuw groeide een beeld dat meer ruimte liet aan variatie. Volgden oudheidkundigen en mediëvisten aanvankelijk een door nationalistische historici bepaalde visie, ook na 1975 volgden ze andermans agenda. Weliswaar een sympathiekere agenda, maar toch: de wetenschap handelde niet autonoom.

    De sociale wetenschappen

    Er zijn ook betere manieren om betekenis toe te kennen aan het verleden, ook al is dat voorbij en betekenisloos, en ook al is het door de schaarste van de ambigue archeologische en tekstuele data slecht kenbaar. Eén van die betere manieren is vertellen hoe de samenleving zich ontwikkelde.

    Deze benadering, die tenminste uit de wetenschap zélf voortkomt, was in de jaren zeventig opnieuw populair. Wereldgeschiedenis en globalisering waren destijds in de mode, en er was discussie ontstaan over het bestaande sociaalwetenschappelijk instrumentarium. Geschiedschrijvers onderscheiden al sinds de Middeleeuwen bepaalde maatschappijtypen (zoals nomadisch, agrarisch, feodaal, kapitalistisch) en hoewel die wel degelijk nuttig zijn, bleek het zinvol nuanceringen aan te brengen, nu bleek dat er wereldwijd allerlei varianten bestaan. Voor Spanje was relevant:

    • Hoe hadden de antieke en middeleeuwse samenlevingen zich ontwikkeld?
    • Welke typeringen waren het meest verhelderend? (anders gezegd: hoe interpreteren we de schaarse en ambigue data?)
    • Hoe voltrokken de overgangen zich?

    Wanneer we verleden samenlevingen goed begrijpen, krijgen we vat op grotere ontwikkelingen en zijn we beter voorbereid op de toekomst. Zoals gezegd: het is niet voor niets dat we als samenleving faciliteiten bieden aan archeologen, geschiedkundigen, classici, erfgoedspecialisten en wat dies meer zij. Oudheidkunde en mediëvistiek zijn wetenschappen, meer precies sociale wetenschappen. En als zodanig zijn ze belangrijk.

    Baetica en El-Andalus

    De bestudering van het antieke en middeleeuwse aardewerk is te beschouwen als een autonome ontwikkeling binnen de wetenschap. Ik ben althans niet op de hoogte van politici die vroegen om een verspreidingskaart van Romeinse Dressel-20-amforen of Arabisch loza dorada-keramiek.

    Die Romeinse amforen zijn gebruikt om te bewijzen dat in de vroege keizertijd in Andalusië, dat destijds Baetica heette, op een waarlijk industriële schaal olijfolie is geproduceerd en geëxporteerd. De pottenbakkerijen waar de kruiken zijn vervaardigd, zijn geïdentificeerd en omdat elke Dressel-20-amfoor een paar stempels had, kunnen we van elke amfoor vaststellen waar de pottenbakker werkte. Beginnend aan de Beneden-Guadalquivir breidde het productiegebied zich steeds verder stroomopwaarts uit.

    Wat dit ook van samenleving was, dit was geen simpele agrarische wereld. De vraag of we de productie en handel moeten typeren als kapitalistisch, vormt het onderwerp van een bekende discussie. Het antwoord biedt een model om de samenleving als geheel te doorgronden, en dat is belangrijk. Ik weet het antwoord niet, maar in elk geval is deze vraag voor het eerst mogelijk geworden dankzij het aardewerk.

    Iets dergelijks geldt voor loza dorada, een dubbelgebakken aardewerk met een mooie metaalglans. Dit is uitgevonden in het Midden-Oosten en verspreidde zich naar het westen, waar de steden aan de Spaanse oostkust belangrijke productiecentra werden. Deze verspreiding documenteert contact tussen het centrum en de periferie van de Arabische wereld, en maakt vragen mogelijk over de mate van arabisering. Was die wel zo oppervlakkig als de historici aanvankelijk hadden aangenomen?

    Maatschappelijke verandering

    Die vraag keert terug als we kijken naar de islam. In mijn vorige blogje wees ik erop dat lange tijd gedacht is geweest dat de islam in El-Andalus een eigen karakter had gehad. Dat is een truïsme, aangezien religies zich sowieso aanpassen aan hun omgeving. Tegelijk kun je onderzoeken op welke wijze de islam zich aanpaste aan het Iberische Schiereiland, en dan is het wel zo fijn dat de afgelopen halve eeuw steeds meer Arabische bronnen zijn ontsloten. Dit gebeurde vrij aselectief, dus we hebben werkelijk de beschikking over meer data.

    Uit de twee boeken die ik onlangs las, Muslim Spain Reconsidered van Richard Hitchcock en Kingdoms of Faith van Brian Catlos, leerde ik dat de moslims aanvankelijk behoorden tot de rechtsscholen van Abu Hanifa en Malik ibn Anas, en dat die laatste stroming steeds belangrijker werd. Een deel van de verklaring is dat de Abbasidische kalief in Bagdad Hanafiet was, en dat de Umayyadische emir van Córdoba een eigen koers wilde varen. Dat duidt opnieuw op grondig contact. Het toont ook dat de Arabische invloed niet zo oppervlakkig was als eerder aangenomen, en dat het overdreven was geweest te claimen dat de Spaanse islam wezenlijk anders was dan die in de kerngebieden.

    Politiek in El-Andalus

    En dat roept weer vragen op over het karakter van de middeleeuwse samenleving. Zo is wel geopperd dat de Arabische invloed zó groot was dat Andalusië van een overwegend stedelijke samenleving veranderde in een Arabische stamsamenleving. Als dit waar is, is hier een vrij zeldzaam type maatschappijverandering gedocumenteerd. Het betekent ook dat Arabisch Spanje heel, heel anders was dan het feodale noorden, en dat de macht van de centrale overheid gering was. De archeologie van de waterwerken is op dit punt belangrijk. Ze bewijst dat als El-Andalus al een stamsamenleving was, ze in elk geval geen nomadische stammen kende. De bevolking was sedentair.

    Een andere mogelijkheid is dat zuidelijk en noordelijk Iberië allebei een feodaal karakter hadden, geërfd uit het Rijk van Toledo. Uiteraard veronderstelt dit dat ook het Rijk van Toledo zo’n feodaal karakter had, en het impliceert bovendien dat de Arabische veroveraars zich aanpasten aan degenen die ze in 711 onderwierpen. Ook hier helpt de archeologie. Je kunt immers kijken naar degenen die de kastelen bouwden: waren dat, zoals in bijvoorbeeld Italië, de lokale heren, of was dat de centrale overheid? En op welk moment?

    Nu we beschikken over GIS-systemen, blijkt dat de kastelen van de vijfde tot en met achtste eeuw vooral door plaatselijke heren zijn gebouwd, maar dat dit later veranderde. Er was toen sprake van een wisselwerking tussen de vorst en de boeren: de kastelen beheersten de plekken waar vanouds agrarische productie plaatsvond. Zo is dus gedocumenteerd dat de eerste emirs moesten samenwerken met feodale heren maar dat ze, toen ze hun macht hadden geconsolideerd, iets schiepen dat leek op een centrale staat.

    Zo blijkt dus dat het Emiraat van Córdoba in culturele zin zeker behoorde tot de grotere Arabische wereld, en dat het vorstelijk gezag in El-Andalus groter was dan in de feodale staatjes in het noorden. Misschien is voor dit laatste aspect Normandisch Sicilië de meest nabije parallel.

    [Wordt vervolgd]

    #AbuHanifa #Dressel20Amfoor #emiraatVanCórdoba #feodaleSamenleving #GISSystemen #hanafisme #MalikIbnAnas #malikisme #RijkVanToledo #socialeWetenschappen
  9. De verledens van Spanje (1)

    Het beeld van Leovigild, vóór het koninklijk paleis in Madrid, claimt de laatantieke vorst als voorloper van de koningen van Spanje.

    Archeologische vondsten zeggen eigenlijk maar weinig. Ze moeten worden geïnterpreteerd: die scherven vormden ooit een kruik, die kruik bevatte olijfolie, de klei van die kruik komt uit de vallei van de Guadalquivir, en omdat ze is opgegraven in Rome duidt die kruik op handel. Maar ook zo’n geïnterpreteerde vondst is niet waarom wij, als samenleving, de mogelijkheid garanderen dat wetenschappers hun intellect, tijd en energie besteden aan archeologie. Wat kan het ons immers schelen dat Rome negentien eeuwen geleden Spaanse olijfolie importeerde? Wat hebben wij, om met Halbe Zijlstra te spreken, aan opgegraven potten en pannen, geïnterpreteerd of niet?

    Die vraag kunnen we ook stellen bij historische gebeurtenissen. U en ik worden niet gelukkiger of wijzer als we weten dat in de late eerste eeuw na Chr. de Romeinse gemeentewetten in Spanje volgens een standaardmodel zijn geharmoniseerd. Er is méér nodig om zulke gegevens betekenis te geven. De resultaten van archeologisch en historisch onderzoek, en ook dat van het onderzoek van classici, krijgen pas zin als ze in een groter kader zijn geplaatst.

    Ontstaansgeschiedenis

    Eén zo’n kader, populair in de negentiende eeuw maar niet per se onzinnig, is dat van de ontstaansgeschiedenis. In deze visie wordt het verhaal over het verleden zó verteld dat het vooruit lijkt te wijzen naar het heden, dat het zodoende tegelijk legitimeert. Voor Spanje was dat lange tijd een verhaal over een eenheid die was geschapen in de Oudheid, toen de Romeinen één romaanse taal oplegden en het stedelijk landschap schiepen, en toen het Rijk van Toledo het gehele Iberische Schiereiland beheerste. Laatstgenoemde eenheidsstaat was christelijk geweest, en de herinnering hieraan was altijd aanwezig gebleven.

    De Arabische invloed op Spanje was in deze visie slechts oppervlakkig geweest; niet alleen was de Spaanse islam wezenlijk anders dan die in de kerngebieden, maar in het Emiraat van Córdoba zouden ook altijd vitale christelijke minderheden hebben bestaan. Tegelijk zouden het noordelijke koninkrijk Asturië en zijn opvolgerstaten altijd het Rijk van Toledo hebben willen herstellen. De eenwording van de christelijke koninkrijken Castilië en Aragón en de onderwerping van het islamitische Granada (1492) waren daarom eigenlijk onvermijdelijk geweest. Het waren simpelweg uitingen van de Spaanse nationale identiteit. Tot de meest uitgesproken verdedigers van deze visie behoorde Claudio Sánchez-Albornoz, die van 1962 tot 1971 premier was van de Spaanse republikeinse regering in ballingschap.

    Een geschiedbeeld als dit beschrijft hoe de eigen groep is ontstaan. Zolang de continuïteit sociaalwetenschappelijk en overtuigend is bewezen, is daar niets mis mee, maar er is ook een nadeel: er is geen ruimte voor wat afwijkt. In dit voorbeeld is er nauwelijks ruimte voor de groepen Basken en Catalanen die zichzelf niet beschouwen als Spanjaarden. Het beschreven geschiedbeeld laat ook weinig ruimte aan joden, moslims en niet-katholieke christenen.noot Vergelijk Nederland: “wij” waren lange tijd Germaans, Nederlandssprekend en protestants. Minister-president Drees meende nog dat een katholiek eigenlijk geen secretaris-generaal van een departement kon zijn.

    Aanpassing

    Alle geschiedbeelden veranderen. Daarbij spelen allerlei factoren een rol, waaronder nogal wat factoren die eigenlijk geen rol mogen spelen, zoals politieke wenselijkheid of selectief verworven extra data. Zo ook in Spanje. Het geschetste beeld was nationalistisch en katholiek, en hoewel het niet per se rechts was, was het wel de dood van Franco die ruimte schiep voor andere visies, waardoor het idee van “één Spanje” werd genuanceerd. Het perspectief verschoof naar convivencia, middeleeuws Spanje als verzameling samen levende culturen. Het is te lezen als een erkenning van de Baskische en Catalaanse identiteit. Deze omslag had dus iets te maken met de veranderde politieke windrichting, en dat gold eveneens voor de gegroeide aandacht voor El-Andalus.

    De jaren tachtig zagen ook een uitbreiding van het archeologische databestand. Niet alleen was er ruilverkaveling in Andalusië, maar ook veranderden projectontwikkelaars de Spaanse costa’s in een vastgoedparadijs, waardoor er eindeloos veel vondsten kwamen uit het gebied langs de Guadalquivir en uit de kustregio. Zo kwam er aandacht voor de vroege verstedelijking van Spanje, vóór de komst van de Romeinen. Die is een feit, maar bedenk: heuvelforten en stedelijke nederzettingen zijn makkelijker te vinden dan herders die hun kuddes verplaatsen over de eeuwenoude cañadas. De toegevoegde data waren dus selectief: ze documenteerden grote nederzettingen, maar niet de rest van de toenmalige wereld, en het ging vooral over Andalusië en de Iberische kuststrook. (Dat is een van de redenen waarom de huidige opgraving van Turuñuelo, die ik al eens aanstipte, vlakbij de Portugese grens, zo belangrijk is.)

    Anders gezegd: de perspectiefwisseling die rond 1975 inzette, is politiek of cultureel bepaald en inhoudelijk niet zo best onderbouwd.noot Dit is natuurlijk wat in Nederland is gebeurd toen de Germanen werden ingeruild voor de Romeinse limes: vaderlands verleden maakte plaats voor pan-Europees verleden, en het gegroeide Romeinse databestand was tot stand gekomen doordat Romeinse forten opvallender zijn dan Germaanse zwervende erven. In het jargon van de wetenschapsleer: de context of discovery is alleszins begrijpelijk, maar er zijn vraagtekens te plaatsen bij de justification of discovery. (U mag “perspectiefwisseling” lezen in plaats van discovery.)

    [Wordt vervolgd]

    #Asturië #cañada #ClaudioSánchezAlbornoz #contextOfDiscovery #convivencia #emiraatVanCórdoba #FranciscoFranco #Granada #justificationOfDiscovery #RijkVanToledo #Turuñuelo
  10. Nogmaals El-Andalus

    Een tijdje geleden blogde ik over het boek Muslim Spain Reconsidered (2014) van Richard Hitchcock over de geschiedenis van…, eh, ja, hoe moeten we dat nou noemen? Arabisch Spanje? Nee, want er is ook Portugal, en veel mensen in het Emiraat van Córdoba (en zijn opvolgerstaten) beschouwden zich niet als Arabieren. Islamitisch Iberië? Onnauwkeurig, want er waren lange tijd grote christelijke en joodse minderheden. Ik koos destijds voor El-Andalus, en doe het vandaag opnieuw, maar het is een verlegenheidsoplossing. In elk geval: de tijd waarin Arabischsprekenden heersten over het Iberische Schiereiland.

    Die vervelende hype weer

    Ik las er inmiddels nog een ander boek over: Kingdoms of Faith (2021) van de Amerikaanse mediëvist Brian A. Catlos. De kritiek die ik had op het hierboven genoemde boek, namelijk dat ik niet herkende wat er nou reconsidered was, is ook dit keer van toepassing. Dat religie niet zo belangrijk was als eerdere auteurs hebben beweerd? Dat wist ik als student al. Dat de reconquistà grotendeels een later verzonnen mythe is? Ook geen nieuws.

    Het stoort me als historici zaken die al bekend zijn, brengen als innovatie. Dat versterkt het voze vooroordeel dat ze geen nieuwe ideeën hebben en subsidiënten zand in de ogen strooien. En het triestgrappige is: het is helemaal niet nodig. Het boek van Catlos, dat begint met de overbodige constatering dat El-Andalus noch een Fremdkörper in de Spaanse geschiedenis noch een verloren paradijs van tolerantie is geweest, kan uitstekend zonder hype. De auteur biedt, net als Hitchock, een overzicht van de middeleeuwse geschiedenis van Iberië. Hij presenteert weliswaar geen nieuwe vergezichten maar neemt het laatste onderzoek mee, illustreert zijn betoog met fatsoenlijk kaartmateriaal en helpt de lezer met een beredeneerd overzicht van vervolgliteratuur. Dat is wat we van een geschiedenisboek verwachten. Dat is verdienstelijk genoeg.

    Al-Mansur en de taifas

    Het boek is niet alleen zeven jaar jonger dan dat van Hichcock, het is ook eens zo dik, dus het was onvermijdelijk dat ik er veel van heb opgestoken. Catlos neemt de tijd om de diversiteit van de islam te verklaren vanuit de voorgeschiedenis, en deze pluriformiteit keert regelmatig terug. Daardoor is vooral zijn beschrijving van de elfde en twaalfde eeuw, toen de Marokkaanse Almoraviden en Almohaden zich legitimeerden met oorlogen in Iberië, heel verhelderend.

    Wat ik prettig vond, is dat Catlos de geschiedenis van de diverse deelstaten die volgden op het Kalifaat van Córdoba (de taifas) in enig detail vertelt. In de boeken die ik eerder las, bleef het verleden van de door machtige families bestuurde steden Sevilla, Toledo, Zaragoza, Badajoz en Granada wat onderbelicht. Dat het betoog door het grote aantal die Muhammads, Hishams en Abdelrahmans wat onoverzichtelijk is, neem ik bij deze rijkdom aan detail op de koop toe.

    Daarvóór heeft Catlos in even groot detail verteld over de periode van Al-Mansur, de generalissimo die rond 1000 na Chr. de laatste kaliefen van Córdoba onder curatele stelde en vervolgens de ene campagne naar de andere voerde. Hij schakelde alle andere machtscentra in El-Andalus uit, waardoor er na zijn dood eigenlijk niemand was met voldoende gezag. Dat bood in de loop van de elfde eeuw de noordelijke koninkrijkjes, bestuurd door christelijke koningen, een kans om hun gezag uit te breiden in de richting van Toledo. El Cid krijgt een mooie behandeling: een condottiere, geen proto-kruisvaarder. In deze hoofdstukken is overigens een veelvoud aan Fernando’s en Alfonso’s aanwezig.

    Kennisopbouw

    Ik noem het, omdat Catlos, zoals zo veel Engelstalige auteurs, alleen aan individuen agency toeschrijft. Geschiedenis wordt gemaakt door mensen. Maar zo eenvoudig is het niet. Klimaatverandering komt terloops langs, economische veranderingen eveneens, maar de nadruk ligt bij Catlos op “grote mannen”. Dat is een keuze. Een keuze waarover zeker te discussiëren valt, maar die in elk geval leidt tot een toegankelijk narratief.

    Aanrader? Ja, zeker. Maar misschien niet als eerste boek. Lees eerst een algemeen overzicht, zoals dat van Hitchcock. Ik denk dat Catlos dat met me eens zou zijn. Zijn boek eindigt namelijk niet met een eindeloze lijst van titels achter betaalmuren (zoals we in de oudheidkundige disciplines gewend zijn), maar met een overzicht dat de lezer werkelijk op weg helpt naar vervolgliteratuur. Het nawerk is er in een historische synthese immers niet om je tegenover professionele historici te verantwoorden, maar om de lezer te laten klimmen naar het door hem gewenste kennisniveau. Catlos begrijpt dus hoe kennisopbouw werkt en weet dat op dat laddertje de Wikipedia de eerste tree vormt, een boek als dat van Hitchcock de tweede tree en een boek als Kingdoms of Faith de derde tree, vóór je verder omhoog klimt naar de grenzen van het historisch onderzoek. Kortom, een fijn boek.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Beatrijs van Nazareth

    augustus 29, 2025
    De Oude Man van de Berg

    juli 25, 2023
    Ivoor uit Megiddo

    oktober 24, 2016 Deel dit:

    #alMansurGrootvizier #almohaden #almoraviden #brianACatlos #eersteTaifas #elAndalus #emiraatVanCordoba #granada #kalifaatVanCordoba #portugal #spanje #toledo #tweedeTaifas

  11. De Maghreb in de Middeleeuwen

    Maquette van Qal’at Bani Hammad (Museum van Sétif)

    Ik heb weleens de indruk dat oudheidkundigen die zich bezighouden met de Lage Landen in de Romeinse tijd, de seizoensmigratie onderschatten. Voor de Maghreb geldt het omgekeerde: er bestaat een neiging om de mobiliteit van de bevolking te overschatten. Heel veel Berbers waren sedentair – en dat al eeuwenlang. De Griekse onderzoeker Herodotos vermeldt het in de vijfde eeuw v.Chr.noot Herodotos, Historiën 4.187.

    Het beeld van een grotendeels nomadische bevolking zal in de hand zijn gewerkt doordat een andere Griekse geschiedschrijver, Polybios, de Numidische koning Massinissa presenteert als De Grote Civilisator. Dat “Numidiërs” bedrieglijk veel lijkt op νομάδες zal ook een rol hebben gespeeld. En tot slot: toen de Fransen zich eenmaal van Algerije meester hadden gemaakt, kan het hun wel goed zijn uitgekomen de nadruk te leggen op nomadisme. Dat gold in Europa als minder beschaafd en dus konden de Fransen denken dat ze de bewoners van de Maghreb voor hun eigen bestwil hadden onderworpen. Ik heb eerlijk gezegd geen idee of het echt zo is gegaan, maar zou het me kunnen voorstellen.

    Een blad uit de “blauwe Koran” (Raqqada, Kairouan)

    Wat ik wel en niet snap

    Wat ik wel weet: de regio die de Arabieren rond 710 in hun macht hadden, kende nomaden, dorpsbewoners en stedelingen, was meertalig en werd bewoond door minimaal twee soorten christenen, door joden en door de eerste moslims. De regio zou, zoals ik in een eerder blogje al schreef, vrij snel verder islamiseren. Om het plaatje nog complexer te maken, waren de Berbers verdeeld in twee hoofdgroepen, waarvan wel wordt gezegd dat de Baranis binnen de grenzen van het voormalige Romeinse Rijk hadden gewoond en/of sedentair waren, terwijl de Butr buiten het imperium hadden gewoond en/of nomadisch leefden. Er waren natuurlijk Arabieren, verdeeld over degenen met voorouders in Syrië en degenen met voorouders op het Arabische Schiereiland. Rond het midden van de achtste eeuw zouden al deze tegenstellingen een rol spelen bij de burgeroorlog op het Iberische Schiereiland waarover ik al eerder blogde. De definitie van Arabier en Berber sla ik gemakshalve over.

    Het stoort me een beetje dat ik de complexiteit niet goed doorgrond, want voor mij is de geschiedenis van de middeleeuws Maghreb nu iets dat ik hieronder zal beschrijven vanuit het perspectief van de heersende dynastieën. Daarbij vormen “de” Berbers dan een ongedefinieerd substraat van mensen die nog niet gearabiseerd en nog niet geïslamiseerd waren, maar verder geen eigen rol van betekenis speelden. Zo was het natuurlijk niet.

    Rostamidische inscriptie (Museum voor islamitische kunst, Algiers)

    Eenheid en versplintering, deel één en twee

    Zoals ik het dynastieke deel begrijp, hebben we feitelijk te maken met een cyclus van integratie en desintegratie: steeds is er eerst een sterke dynastie die de hele Maghreb beheerst, en daarna valt het gebied in delen uiteen, waarna de cyclus opnieuw begint. Zo behoorde de Maghreb eerst tot het Umayyadische kalifaat van Damascus en ging het na het jaar 750 over in handen van de Abbasiden, die de residentie verplaatsten naar Bagdad.

    Hier eindigde de eerste cyclus. De situatie in de Maghreb was gedurende een halve eeuw instabiel, met allerlei lokale machthebbers die redelijk zelfstandig konden zijn zolang het kalifaat zwak stond, maar ook weer in het gareel konden worden gedwongen. Ifriqiya, zoals Tunesië destijds heette, werd dus rond 800 gepacificeerd door Ibrahim ibn al-Aghlab, die door kalief Harun ar-Rashid, werd erkend als emir. Dat betekende dat Ibrahim zich kon laten opvolgen door zijn afstammelingen, de Aghlabiden. Anders gezegd: een lokale dynastie verving het roulerend gouverneurschap. En zo was er een basis voor nieuwe versnippering, want de Aghlabiden gingen zich steeds zelfstandiger gedragen.

    Elfde-eeuws houtsnijwerk (Raqqada)

    Dat gebeurde ook in het westen. In het noordwesten van het huidige Algerije was een Emiraat van Tlemcen, dat doet denken aan een voortzetting van het Berber-rijk Altava, al waren rond 800 de eerste emirs alweer vervangen door de dynastie van de Rostamiden, die ergens nog wat Perzisch bloed hadden. En helemaal in het westen, in het huidige Marokko, heersten de Idrisiden, een sji’itische dynastie met banden met het Emiraat van Córdoba. Deze groepen – en andere – hadden er weinig moeite mee de kalief in Bagdad te erkennen als de heerser der gelovigen, maar gingen in de loop van de negende eeuw dus steeds meer hun eigen weg.

    Eenheid en versplintering, deel drie

    De tweede cyclus van desintegratie eindigde in de jaren na 900, toen een nieuwe, sji’itische dynastie de macht in Ifriqiya overnam: de Fatimiden. De heersers claimden het kalifaat en onderwierpen heel noordelijk Afrika. Hun hoofdstad was eerst Raqqada (naast Kairouan) en later het door hen gestichte Caïro. Van de Aghlabiden en de Rostamiden werd nadien niet meer vernomen, de Idrisiden betaalden schatting.

    De minaret in Qal’at Bani Hammad

    En vervolgens gebeurde hetzelfde als in de negende eeuw: omdat de kalief ver weg was, konden de lokale heersers zich steeds zelfstandiger gaan gedragen. In Ifriqiya namen de Ziriden de macht over en in het huidige Algerije werden de Hammadiden steeds onafhankelijker. Hun hoofdstad was Qal’at Bani Hammad, momenteel werelderfgoed. In Marokko heersten eerst de Maghrawaden en daarna de Almoraviden. Over die laatste dynastie blogde ik al eens, omdat ze ook El-Andalus onderwierpen: op het Iberische Schiereiland, aan de rand van de wereld van de islam, kon een dynastie laten zien dat ze streed voor de goede zaak.

    Eenheid en versplintering, deel vier

    De Almoraviden werden rond 1147 in Marokko en Andalusië weer afgelost door de Almohaden, die de gehele Maghreb in handen kregen: de vierde cyclus begon. En zoals het al eerder was gegaan, ging het opnieuw: het nieuw ingestelde centrale gezag verloor vervolgens weer de controle. Lokale dynastieën namen de macht over. Meer specifiek: de Hafsiden in Ifriqiya en de Ziyaniden in Algerije, tot de verzwakte Almohaden in Marokko werden afgelost door de Meriniden.

    Muntschat uit Qal’at Bani Hammad (Museum van Sétif)

    Ibn Khaldun

    Uiteindelijk vielen al deze gebieden in handen van weer een nieuwe groep heersers: de Ottomanen. Cyclus numero vijf. En we kennen inmiddels het patroon:

    • er is eerst een machtige dynastie die de regio beheerst,
    • die delegeert de macht aan lokale heersers
    • die worden vervolgens zelfstandig,
    • waarna een nieuwe machtige dynastie opstaat en de cyclus opnieuw begint.
    Ottomaans aardewerk (Museum voor islamitische kunst, Algiers)

    Pas toen ik dit blogje schreef, realiseerde ik me: dit is de wereld waarover de geleerde Ibn Khaldun (1332-1406) schrijft dat geen dynastie het langer uithoudt dan een paar generaties, omdat de groepssolidariteit (ʿasabiyyah) die hielp om het gezag te vestigen, al snel zou afnemen. Fascinerend.

    Ik organiseer volgend voorjaar een reis naar Bulgarije. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Robert de Fries en Sint-Nikolaas

    december 7, 2021
    Irak kort (5): Bahlul

    oktober 16, 2021
    Ǧibrīl ibn Nūḥ al-Anbārī

    augustus 24, 2024 Deel dit: #Abbasiden #Aghlabiden #Almohaden #Almoraviden #Altava #Baranis #Butr #Cairo #emiraatVanCórdoba #Fatimiden #Hafsiden #Hammadiden #HarunArRashid #HerodotosVanHalikarnassos #IbnKhaldun #IbrahimIbnAlAghlab #Idrisiden #Ifriqiya #Kairouan #KalifaatVanBagdad #KalifaatVanDamascus #Massinissa #Meriniden #nomadisme #Numidië #Polybios #QalAtBaniHammad #Raqqada #Rostamiden #seizoensmigratie #Tlemcen #Umayyaden #Ziriden #Ziyaniden
  12. De Almoraviden

    Watermolen uit Córdoba

    Een tijdje geleden blogde ik enkele keren over de geschiedenis van het Iberische Schiereiland in de tweede helft van het eerste millennium. Ik noemde de post-Romeinse staat van de Visigoten, het Rijk van Toledo, en ik vertelde over de Arabische verovering in 711. Daarna behandelde ik het ontstaan van het Emiraat van Córdoba, zijn bloeiperiode als kalifaat, de positie van de christenen in het Emiraat, en ten slotte was er een intermezzo over Asturië. Het verhaal eindigde rond het jaar 1000, toen een crisis in El-Andalus leidde tot het uiteenvallen van het Kalifaat in een stuk of dertig deelrijkjes, de zogeheten Eerste Taifas. Vandaag herneem ik dat verhaal.

    Culturele bloei

    Eerst dit: een eenheidsstaat die uiteenviel in deelrijken, wordt in de Europese historiografische traditie vaak getypeerd als een periode van neergang. Het klassieke voorbeeld is de geschiedenis van Egypte, met rijken en tussentijden. Deze (vaak impliciete) beoordeling zegt meer over de tijd waarin de Europese historiografische traditie is ontstaan: de negentiende eeuw, toen men overal streefde naar een sterke eenheidsstaat. In werkelijkheid was er vaak geen noemenswaardige afname van de welvaart en ging het culturele leven gewoon verder. Dat geldt ook voor Iberië.

    Bij wijze van voorbeeld noem ik Abu Amr al-Dani (981-1053). Geboren in Córdoba, opgeleid in Kairouan en Caïro, pelgrim naar Mekka en daar geschoold als Koran-geleerde. Toen hij in 1009 terugkeerde, was El-Andalus verdeeld aan het raken, en hij verbleef in allerlei noordelijke taifas. Dat weerhield hem er niet van wetenschappelijke publicaties te doen over de teksttraditie van de Koran. Uitleg van de reciteerwijzen ligt buiten het bestek van deze blogreeks, maar we hebben hier te maken met eersteklas wetenschappelijk onderzoek, vol erkende onzekerheden en goed onderbouwde redenaties. De man moet altijd de beschikking hebben gehad over een fabelachtige bibliotheek, taifa-oorlogen of niet.

    Toledo

    Die taifa’s, deelrijkjes, maakten nooit één front tegen de noordelijke, christelijke staatjes: het graafschap Barcelona en de koninkrijkjes Aragón, Navarra, Castilië en Léon. Portugal was aanvankelijk niet meer dan een strook land tussen Léon en de taifa Badajoz. Die christelijke staatjes waren al even verdeeld als de taifa’s. In het Iberische Schiereiland werd in de eerste drie eeuwen na de Arabische verovering bepaald geen clash of civilizations uitgevochten. In 1085 veranderde de situatie echter drastisch. Koning Alfonso VI van Léon en Castilië (r.1072-1109) was bezig de taifa Toledo te brandschatten, toen een factie in die stad de poorten voor hem opende.

    Het veroveren van de Castilische Hoogvlakte was nooit Alfonso’s opzet geweest, maar nu hij de kans kreeg, greep hij haar aan om zijn grens te verleggen tot aan de Taag en het nieuwe land te geven aan eenieder die er een boerderij wilde beginnen. De kolonisten kregen hun landerijen tegen zeer gunstige voorwaarden, die waren vastgelegd in fueros (privilege-contracten), waarin geen sprake meer was van horigheid. Militair stelde de inname van Toledo weinig voor – het was een kleine nederzetting met een te wijde muur – maar de inname van de aloude Visigotische hoofdstad vormde een propagandistische coup van jewelste. Dit schreeuwde om een reactie.

    De Almoraviden

    Het verbaasde dus niemand dat na de val van Toledo de resterende taifas op zoek gingen naar hulp. In de Maghreb was juist een machtig koninkrijk ontstaan, dat het al genoemde Emiraat van de Idrisiden in Marokko had afgelost en zich inmiddels had uitgebreid vanaf de Atlantische kust tot Algiers en Timbuktu. De hoofdstad was Marrakesh. De leiders worden aangeduid als Almoraviden, Al-Murabitun. Dat betekent zoiets als “ribat-bewoners”, waarbij een ribat de verblijfplaats is van een soort religieuze ridderorde, die in dit geval een gnostische interpretatie gaf van de islam. Toen de hulpvraag kwam uit El-Andalus, stond emir Yusuf ibn-Tashfin aan het hoofd van de Almoraviden.

    In 1086 stak hij ter bescherming van zijn Arabische geloofsgenoten over naar Andalusië, waar hij Alfonso VI versloeg. In de volgende jaren leerde hij echter dat de onderlinge weerzin van de emirs in de taifas zó groot was dat ze zich nooit eensgezind zouden verdedigen tegen het agressieve Castilië. Tegen wil en dank bleef Yusuf ibn-Tashfin in Spanje, waar hij de taifas één voor één aan zich onderdanig maakte. (De oorlog rond Valencia zou worden vereeuwigd in het gedicht over El Cid.)

    Toen hij in 1106 overleed, had hij alleen de taifa Zaragoza nog niet in handen, maar dat gebeurde vier jaar later. Voor het eerst sinds een eeuw waren de gebieden die ooit hadden behoord tot het Kalifaat van Córdoba, weer verenigd in één rijk. Niet voor lang echter: in 1118 overmeesterde Aragón Zaragoza. In de komende jaren verloren de Almoraviden overal terrein.

    De Kruistochtgedachte

    Voor El-Andalus betekende de Almoravidische heerschappij de invoering van een strenger religieus recht dan men was gewend. Maar er was meer aan de hand. In deze jaren ontstond bij de bewoners van Iberië voor het eerst het bewustzijn dat ze niet een stuk of veertig staatjes op een gedeeld schiereiland waren, maar dat ze moslims en christenen waren. Yusuf ibn-Tashfin kwam op voor geloofsgenoten; vanaf nu lezen we steeds vaker dat de christelijke koningen gezamenlijk opereren.

    Wat meespeelde was dat aan de andere kant van de Middellandse Zee de Eerste Kruistocht met succes Jeruzalem had ingenomen. De verhouding tussen de twee wereldreligies werd in deze jaren op scherp gezet en hoewel er er ook daarna nog lange perioden van co-existentie zijn geweest, ontstaat in de twee decennia na 1085 een Iberische kruisvaardersideologie: de Reconquista. Wie onlangs in de krant las dat rechtse Spaanse politici islamitische feestdagen willen verbieden, herkent de erfenis.

    [Wordt vervolgd]

    Mijn boek over de geschiedenis van Libanon is verschenen; de opbrengst gaat via Cordaid naar het geteisterde land.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Middeleeuws Dordrecht

    juni 6, 2020
    De Eerste Kruistocht

    februari 10, 2013
    De val van Tyrus

    oktober 14, 2024 Deel dit:

    #AbuAmrAlDani #AlfonsoVIVanLéonEnCastilië #Almoraviden #Aragón #Barcelona #Castilië #clashOfCivilizations #EersteKruistocht #EersteTaifas #ElCid #ElAndalus #emiraatVanCórdoba #Idrisiden #KalifaatVanCórdoba #Léon #Marrakesh #Navarra #Portugal #Reconquista #ribat #RijkVanToledo #Spanje #Toledo #YusufIbnTashfin #Zaragoza

  13. Asturië

    Kerk van het Heilig Kruis, Castañeda (Asturië)

    In de inmiddels veertien delen tellende reeks blogjes over de laatantieke en middeleeuwse geschiedenis van het Iberische Schiereiland, heb ik Asturië tot nu toe overgeslagen. Eén reden is dat ik er nooit ben geweest, een tweede reden is dat het tot nu toe een beetje een Fremdkörper in mijn verhaal zou zijn. Nu even wat toelichting dus, als intermezzo. En dan eerst een woord over het nationalistische Spaanse geschiedbeeld.

    Reconquista

    Ik stipte in het vorige blogje al aan dat er een beeld heeft bestaan van de geschiedenis van Spanje als die van een altijd christelijk gebleven gebied, nooit werkelijk geïslamiseerd. Al in het jaar waarin de Arabieren het Iberisch Schiereiland onder de voet liepen, zouden de christenen vanuit Asturië zijn begonnen aan de herovering, reconquista, die mogelijk was doordat de bevolking van het Emiraat van Córdoba christelijk bleef. Dit beeld dateert uit de negentiende eeuw en legt als het ware een soort nationale doelgerichtheid over bijna acht eeuwen Spaanse geschiedenis.

    Helemáál onwaar is het niet. Het herstel van het Visigotische Rijk van Toledo speelde een rol in de koningsideologie van de christelijke staatjes in het noorden van het Iberische Schiereiland. Er waren momenten waarop de bewapende conflicten het karakter hadden van een clash of civilizations tussen christendom en islam. Dat Sint-Jakobus de Meerdere de bijnaam Matamoros kreeg, “Morendoder”, is natuurlijk niet niks. Maar het grootste deel van de periode tussen 711 en 1492 was er sprake van co-existentie, onderbroken door strooptochten waarbij het meer ging om buit dan godsdienst.

    Ik denk dat de meeste mediëvisten de term “Reconquista” alleen nog gebruiken in het bewustzijn dat het eigenlijk een draak van een concept is – maar ja, ze is nu eenmaal ingeburgerd en helpt je je publiek te bereiken. Het is niet anders dan de bioloog die de mosasaurus maar een dinosaurus noemt, hoewel hij weet dat het feitelijk een schubreptiel is.

    Asturië

    Asturië is, heel simpel, de noordelijke kustregio van Spanje: een bergachtig gebied, dat de veroveraars bestuurden zoals de rest van het Iberische Schiereiland, dus door middel van een verdrag met een plaatselijk heerser zoals de Theodomir die we al tegenkwamen. Toen de diverse legeronderdelen hun jund kregen, kregen de Baranis-Berbers gebieden benoorden de Taag, maar er waren weinig troepen in het hoogste noorden, waar een garnizoen in de havenstad Gijón volstond. De lokale heerser met wie de veroveraars zaken deden was vrijwel zeker een comes genaamd Pelagius.

    In 722, meteen na de belastingverhoging van het voorafgaande jaar, kwam hij in opstand. De Berbers trokken hem vanuit Gijón tegemoet maar werden verslagen in de buurt van het klooster van Covadonga (Cova Domnica, “Onze Lieve Vrouwe-grot”). Latere, Asturische bronnen beweren dat Pelagius’ tegenstander Uthman ibn Naissa om het leven kwam, maar uit contemporaine Arabische bronnen is bekend dat hij actief is geweest in de oostelijke Pyreneeën.

    Het gevecht bij Covadonga en de overwinning stelden op zich niet veel voor, maar waren voldoende voor Pelagius om vanuit zijn nabijgelegen villa bij Cangas als vorst te gaan regeren. Zijn schoonzoon Alfonso I kwam in 739 aan de macht en is de feitelijke grondlegger van het koninkrijkje Asturië. Hij profiteerde ervan dat aan het begin van zijn regering de Baranis-Berbers, zoals ik in een eerder blogje heb aangegeven, in opstand kwamen tegen generaal Abd al-Malik ibn Qatan al-Fihri. Ze ontruimden Gijón en trokken zuidwaarts. Dat schaadde de Asturische onafhankelijkheid bepaald niet. Verder was deze Alfonso de zoon van een voorname edelman die zou stammen uit het Visigotische koninklijk huis. De waarheid van die claim is minder belangrijk dan het feit dat de Asturische dynastie zich voortaan legitimeerde als opvolger van het Rijk van Toledo.

    Tussen emiraat en keizerrijk

    Had Alfonso geprofiteerd van de interne conflicten in El-Andalus, zijn zoon en opvolger Fruela I (r.757-768) ondervond de nadelen van het herenigd Emiraat: vanaf 759 namen de Arabieren, verenigd onder Abd al-Rahman I, weer de moeite tribuut te vorderen. Asturië was nu een kleine vazalstaat naast een machtige zuiderbuur en daaraan konden Fruela’s opvolgers weinig veranderen. De Asturiërs bleven afzijdig toen Karel de Grote in 778 over de Pyreneeën kwam.

    Alfonso II in een handschrift uit Santiago de Compostela

    Ik noem nog de lange regering van koning Alfonso II de Kuise (r.791-842), die te maken kreeg met zó veel Arabische strooptochten dat hij hulp zocht bij de paus en bij de door zijn voorgangers gefnuikte Karel de Grote. Die erkende hem en kreeg in ruil Asturische hulp bij het instellen van de Spaanse Mark.

    Asturië kwam zo onder invloed van het christendom zoals het bestond ten noorden van de Pyreneeën en in Italië. Weliswaar wilde het Spaanse koninkrijkje lijken op het Rijk van Toledo, maar een eigen staatskerk met eigen synodes was er niet langer. De banden met het Karolingische Rijk werden versterkt toen Alfonso in 814 het heiligdom van Santiago de Compostela stichtte, waardoor een gestage stroom pelgrims naar Asturië kwam. Dat Asturië nu naar het noorden keek, wil overigens niet zeggen dat men nooit keek naar het zuiden: bij bouwprojecten in Santiago en de nieuwe hoofdstad Oviedo waren kunstenaars werkzaam uit het Emiraat.

    Asturië verdeeld

    Onder Alfonso III de Grote (r.866-910) werd het koninkrijk naar het oosten uitgebreid (ten koste van het markgraafschap Pamplona). Profiterend van de revolte van de in het vorige blogje genoemde Umar ibn Hafsun, wist Alfonso ook naar het zuiden op te rukken, in de richting van de Duero. Léon werd de nieuwe hoofdstad.

    Bij zijn dood verdeelde hij zijn koninkrijk over zijn zonen, waardoor nieuwe koninkrijken ontstonden. Het is hier niet nodig in detail de geschiedenis daarvan te herhalen, maar het komt erop neer dat in het noordwesten het koninkrijk Léon lag, in het centrum Castilië, daarnaast Navarra (rond Pamplona), gevolgd door het vooralsnog kleine Aragón en helemaal in het oosten het graafschap Barcelona. Deze staatjes streden even vaak tegen elkaar als tegen hun zuiderburen. Van een Reconquista was eeuwenlang geen sprake. Pas na 1085 begon dat te veranderen, maar het was pas toen in 1492 Granada viel, dat het kon lijken alsof de herovering van het Iberische Schiereiland altijd als een rode draad door de Spaanse geschiedenis had gelopen.

    [wordt vervolgd]

    Mijn boek over de geschiedenis van Libanon is verschenen; de opbrengst gaat via Cordaid naar het geteisterde land.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Het Emiraat van Córdoba (2)

    augustus 1, 2025
    Abbasiden en Turken

    september 19, 2015
    B6: Boeddhisme als oosterse filosofie

    juni 9, 2024 Deel dit:

    #AbdAlMalikIbnQatanAlFihri #AlfonsoIVanAsturië #AlfonsoIIDeKuiseVanAsturië #Aragón #Asturië #Baranis #Barcelona #Castilië #Catalonië #clashOfCivilizations #comes #Covadonga #ElAndalus #emiraatVanCórdoba #FruelaIVanAsturië #Gijón #JakobusDeMeerdere #Léon #mosasaurus #Navarra #Oviedo #Pamplona #PelagiusVanAsturië #Reconquista #RijkVanToledo #SantiagoDeCompostela #SantiagoMatamoros #SpaanseMark #Spanje #Theodomir #UthmanIbnNaissa

  14. De martelaren van Córdoba

    Campo Santo de los Mártires, Córdoba

    [Laatste van vier blogjes over het Emiraat/Kalifaat van Córdoba. Het eerste was hier.]

    Ik heb al eerder aangegeven dat het beeld van het Arabische Andalusië als model van religieuze tolerantie, onvolledig is. Dhimmi’s werden getolereerd maar waren geen volwaardige ingezetenen die in aanmerking kwamen voor hoge ambten. De mozaraben, zoals de Iberische christenen heten, moesten de jizya opbrengen en hadden te maken met discriminerende bepalingen, zoals een verbod op het bouwen van kerktorens.

    Er waren wel wat geitenpaadjes. Officieel mocht een christelijke man niet trouwen met een moslima, maar hier viel met een betaling een mouw aan te passen. Het leven kon erger. Desondanks is significant dat we zelden horen van mensen die zich kwamen vestigen in El-Andalus, en wel over mensen die vertrokken. En er zijn twee gebeurtenissen die bewijzen dat de mozaraben zich in de negende eeuw bedreigd voelden.

    De martelaren van Córdoba

    Het eerste voorval kennen we uit de tekst die bekendstaat als Memoriale Sanctorum (“gedenkschrift van de heiligen”), geschreven door Eulogius, een priester uit Córdoba. Daarnaast is er het heiligenleven van deze Eulogius, die de biechtvader was van de meeste martelaren.

    Het schijnt dat de verdwijning van de christelijke cultuur voor Eulogius en zijn biechtelingen aanleiding was tot diepe bezorgdheid, en het staat min of meer vast dat deze groep actief het martelaarschap opzocht. De eerste was een zekere Izaak, die in de zomer van 851 aangaf zich te willen bekeren tot de islam en aan de qadi, religieuze rechter, vroeg hem uit te leggen wat de islam inhield. Halverwege onderbrak hij zijn docent met de mededeling dat Mohammed een antichrist was. De qadi dacht wat elk weldenkend mens zou denken, namelijk dat zijn gast dronken was. Izaak werd dus ter ontnuchtering in een cel vastgezet, maar herhaalde de volgende dag zijn bewering. Uiteindelijk werd hij op last van emir Abd al-Rahman II onthoofd. In de loop van de zomer volgden nog twaalf anderen, waaronder biechtelingen en collega’s van Eulogius.

    Mozarabische grafsteen (Archeologisch museum, Córdoba)

    In het voorjaar van 852 vond een kerkelijke synode plaats, waarin de mozarabische bisschoppen het zelfgezochte martelaarschap veroordeelden als zelfmoord en doodzonde. De geestelijken lieten Eulogius gevangen zetten, maar dat nam het probleem niet weg. In de zomer werden nog eens dertien mensen terechtgesteld, en uit de volgende vier zomers zijn nog zeventien executies bekend. De laatste martelaar was Eulogius, die in 859 werd onthoofd. Ook in Huesca zijn nog mensen geëxecuteerd.

    Het Campo Santo de los Mártires was de laatste rustplaats van de martelaren van Córdoba. Een christenvervolging was dit niet: eerder lijkt het te gaan om een groep mensen die collectief verblind was geraakt. Het voorval bewijst echter wel dat er mozarabische christenen waren die de beperkende maatregelen die hun waren opgelegd, beschouwden als een bedreiging van wie ze ten diepste waren. En er waren meer mensen die er zo over dachten.

    Umar ibn Hafsun

    Dat blijkt uit de steun voor Umar ibn Hafsun, een bandietenleider die zijn basis had in het oude Romeinse bergfort Bobastro. Door te appelleren aan de ressentimenten van de mozaraben wist hij ze voor zich te winnen en verschillende kastelen en versterkte boerderijen te veroveren. Vanaf 885 beheerste hij de belangrijke weg van Córdoba naar Málaga en later, in 899, bekeerde hij zich tot het christendom. In Bobastro zijn nog de ruïnes van een door hem in de rotsen uitgehouwen kerk te zien. Als Umars geloofsovergang diende om steun te krijgen van koning Alfonso III van Asturië, mislukte het plan, maar het leverde hem wel de steun op van nog meer mozaraben.

    De rotskerk van Bobastro

    Er is veel gemaakt van deze gebeurtenis omdat ze zou betekenen dat de mozaraben zich altijd tegen hun islamitische overheersers zouden hebben verzet. In deze visie werd benadrukt dat Spanje al sinds de Romeinse tijd een rooms-katholiek land was dat de Visigotische immigranten had geassimileerd, en vervolgens nooit werkelijk zou zijn geïslamiseerd. Spanje was, zo bezien, eigenlijk al vanaf 711 een land vol kruisvaarders die zich verzetten tegen de islam.

    Hierbij wordt echter, zo lijkt het, teveel betekenis gegeven aan wat voor de meeste betrokkenen een belastingoproer was. Ook het feit dat Umar, als het hem uitkwam, zij aan zij met emir Abd al-Rahman III streed tegen de noordelijke christenen, wordt wat makkelijk weggemoffeld. Umar ibn Hafsun was een opportunistische bandietenkoning, niet méér, en de gebeurtenissen vormen zeker niet de algehele “mozarabische opstand” die ervan is gemaakt. Wat de gebeurtenissen echter wél veronderstellen is de door de christenen ervaren repressie.

    Kortom

    Meer incidenten zijn er niet – of beter: ik ken ze niet. De mozaraben waren, net als de joden, een gedoogde groep, die zichzelf onderdrukt voelde. Dat was niet ten onrechte, maar wie bereid was extra belasting te betalen en zich wat in te schikken, had in Córdoba een voor die tijd redelijk grote religieuze vrijheid. Maar het schuurde. Niet elke ingezetene van het Emiraat van Córdoba meende dat hij leefde in een religieus tolerante samenleving.

    [Wordt vervolgd]

    Mijn boek over de geschiedenis van Libanon is verschenen; de opbrengst gaat via Cordaid naar het geteisterde land.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Al-Masudi in Baalbek

    oktober 9, 2024
    Pingjum

    juni 14, 2018
    Vikingen in Assen

    juli 7, 2012 Deel dit:

    #AbdAlRahmanIIIVanCórdoba #AlfonsoIIIVanAsturië #Andalusië #Bobastro #Córdoba #dhimmi #ElAndalus #emiraatVanCórdoba #Eulogius #jizya #KalifaatVanCórdoba #martelaarschap #martelarenVanCórdoba #mozaraben #Spanje #UmarIbnHafsun

  15. Het Kalifaat van Córdoba

    De door Al-Hakam II gebouwde mihrab in de moskee van Córdoba

    [Derde van vier blogjes over het Emiraat van Córdoba, dat zo meteen verandert in een kalifaat. Het eerste blogje was hier.]

    Ik heb al eens geschreven over de geschiedenis van Ifriqiya, het gebied tussen zeg maar Tripoli in Libië en Algiers in Algerije, met als hoofdstad het Tunesische Kairouan. Het gold, zoals in het vorige blogje aangegeven, als bufferstaat tussen het Emiraat van Córdoba en het Kalifaat van Bagdad, en werd bestuurd door de Aghlabiden. Dat veranderde in 910, toen de macht in Ifriqiya in handen kwam van een nieuwe dynastie, de Fatimiden, die in de loop der tijd haar gezag zou doen gelden in heel noordelijk Afrika en Palestina, en bovendien het kalifaat opeiste.

    Het Kalifaat van Córdoba

    Dit laatste kon de emir van Córdoba niet over zijn kant laten gaan. Als er dan toch meer dan één kalief moest zijn, dan was hij niet de mindere van de Abbasidische heerser in Bagdad en de Fatimidische kalief in Caïro. Vanaf 929 presenteerde Abd al-Rahman III (r.912-961) zich dus ook als “heerser der gelovigen”. Hij had enig recht van spreken, want zijn staat was machtiger dan ooit. In het noorden was Asturië uiteengevallen, de diverse opvolgersstaatjes en de ooit door Karel de Grote ingestelde markgraafschappen betaalden tribuut aan Córdoba en erkenden de emir/kalief als leenheer. Abd al-Rahmans zoon Al-Hakam II (r.961-976) vergrootte zijn macht nog in de richting van Marokko.

    Kapiteel uit Madinat al-Zahra (Archeologisch museum, Córdoba)

    Het was, zo wil het cliché, een gouden eeuw. Terugblikkend op die bloeitijd noteerde de dertiende-eeuwse auteur Ibn Sa’id al-Maghribi in zijn Boek met veelkleurige bladzijden over de monumenten van El-Andalus dat de hoofdstad destijds 200.077 gewone huizen en 60.300 dure huizen had gehad, dat er straatverlichting en aquaducten waren geweest, en verder 8455 winkels, 490 moskeeën en 300 grote en kleine badhuizen. De bibliotheek zou met 400.000 titels een van de grootste ter wereld zijn geweest.

    Ongetwijfeld zijn deze cijfers overdreven, maar het paleis van de kalief, Madinat al-Zahra, is opgegraven en was inderdaad prachtig, en inscripties bewijzen de enorme talige rijkdom van de stad: Arabisch, Latijn, een vroege vorm van Spaans, Berbertalen en Hebreeuws.

    Bouwinscriptie van Al-Hakam II in de grote moskee van Córdoba

    Al-Mansur

    Tijdgenoten meenden dat de sleutel tot het succes van de heersers in Córdoba was gelegen in het feit dat er steeds een competente troonopvolger was geweest, en zoiets speelde natuurlijk inderdaad een rol. Deze prettige situatie veranderde echter toen in 976 de elfjarige Hisham II aantrad. De grootvizier, Ibn Abi ‘Amir, trad op als regent, maar voerde feitelijk een staatsgreep uit. Voor de jonge kalief was Madinat al-Zahra een gouden kooi.

    Niet heel anders dan de Frankische hofmeier Karel Martel twee eeuwen eerder legitimeerde de grootvizier zich met successen in de oorlog, en hij tooide zich al snel met de eretitel Al-Mansur, “de overwinnaar”. Hij leidde niet minder dan zevenenvijftig campagnes, annexeerde het graafschap Barcelona, plunderde Léon en verwoestte Santiago de Compostela. In het binnenland brak hij de laatste resten van de aloude stamverbanden. Hadden de bewoners van een militaire nederzetting, een jund, ooit behoord tot een enkele stam, Al-Mansur dwong de bevolking zich te vermengen, zodat het onderscheid tussen Arabieren, Berbers en bekeerlingen verdween.

    Andalusisch juwelenkistje (Louvre, Parijs)

    Crisis

    Al-Mansur werd in 1002 als grootvizier en generaal opgevolgd door zijn zoon Abd al-Malik, die echter enkele jaren later werd vergiftigd door zijn broer Abd al-Rahman, die meestal Sanchuelo wordt genoemd.noot Zijn moeder Abda was de dochter van koning Sancho II van Navarra. Deze wist kalief Hisham II, inmiddels een goede veertiger maar blijkbaar niet in staat te regeren, ervan te overtuigen hem aan te wijzen als opvolger. Daarmee leek de macht in handen te komen van degene die haar ook uitoefende, maar toen Sanchuelo gebruik wilde maken van zijn recht, werd hij gedood door een woedende menigte.

    Zonder erkende kalief of erkende grootvizier kon El-Andalus niet anders dan in een crisis belanden. Diverse familieleden van de laatste kalief streden om de macht, de bibliotheek brandde af, de graaf van Barcelona was de eerste die zich onafhankelijk maakte, en uiteindelijk spatte het Kalifaat van Córdoba uiteen in een verzameling van een stuk of dertig deelrijkjes. Ze staan bekend als de taifas. Ik kom daar over een tijdje op terug, maar wijd nu eerst een blogje aan de martelaren van Córdoba, want zoals ik al zei, is het beeld van een tolerante El-Andalus niet helemaal conform de waarheid. Na een intermezzo over Asturië kom ik dan terug terug bij de taifas.

    [Wordt dus vervolgd]

    Mijn boek over de geschiedenis van Libanon is verschenen; de opbrengst gaat via Cordaid naar het geteisterde land.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Langs de Zijderoute (3)

    mei 15, 2015
    Abbasiden en Turken

    september 19, 2015
    Byzantium, een onbegrepen wereldrijk

    april 15, 2019 Deel dit:

    #Abbasiden #AbdAlRahmanIIIVanCórdoba #Aghlabiden #AlHakamIIVanCórdoba #AlMansurGrootvizier_ #Andalusië #Asturië #Barcelona #Berbers #Córdoba #EersteTaifas #ElAndalus #emiraatVanCórdoba #Fatimiden #FatimidischeKalifaat #HishamIIVanCórdoba #IbnSaIdAlMaghribi #Ifriqiya #Kairouan #Kalifaat #KalifaatVanBagdad #KalifaatVanCórdoba #MadinatAlZahra #moskeeVanCórdoba #Sanchuelo #SantiagoDeCompostela #Spanje

  16. Het Emiraat van Córdoba (2)

    De beroemde moskee van Córdoba

    [Tweede van vier blogjes over het Emiraat van Córdoba. Het eerste was hier.]

    Emir Abd al-Rahman, de stichter van het Emiraat van Córdoba, overleed rond 788 en werd opgevolgd door zijn zoon Hisham I. Die erfde, behalve een staat-in-wording, ook de conflicten met het Abbasidische Kalifaat van Bagdad en met Karel de Grote. In de eerste oorlog boekte hij al snel succes door in het huidige Marokko een vazalstaat in het leven te roepen, geleid door de Idrisiden. Vanaf nu controleerden de vloten van de emir van Córdoba en zijn bondgenoot de Straat van Gibraltar.

    De wijde wereld

    De Abbasidische kalief Harun ar-Rashid (r. 786-809) liet het gebeuren. Hij versterkte echter wel zijn greep op Ifriqiya, waar Ibrahim ibn al-Aghlab het Aghlabidische emiraat stichtte. Ik blogde er al eens over. Aanvankelijk loyaal aan de kalief in Bagdad, begon dit emiraat zich steeds zelfstandiger te gedragen. De hoofdstad was Kairouan, dat eeuwenlang een grote aantrekkingskracht heeft gehad op Andalusiërs. De stad groeide snel, van 15.000 mensen in 830 tot 50.000 in 1050. Ik blogde al eens over de watervoorziening.

    In het noorden hadden de emirs van Córdoba gemengde successen. Karel de Grote legde zich niet neer bij de vernederende uitkomst van de expeditie van 778 – zie ook het vorige blogje – en stuurde daarom van tijd tot tijd nieuwe legers. Er kwamen Frankische garnizoenen in steden als Barcelona en Pamplona; de tussenliggende regio kwam bekend te staan als de Spaanse Mark.noot Een mark is een graafschap aan de grens. De soldaten van de markgraven en de legers van het Emiraat van Córdoba raakten regelmatig slaags, meestal door plundertochten over en weer. Asturië, dat in 778 had geweigerd Karel te steunen, koos tegen het einde van de achtste eeuw niet zozeer partij voor de Frankische vorst, als wel tegen de emir in Córdoba: in 798 stroopten de Asturiërs diens land af tot bij Lissabon.

    Inscriptie uit Mérida

    Consolidatie

    Aan het begin van de negende eeuw tekende zich in het noorden een modus vivendi af, die erop neerkwam dat het Emiraat van Córdoba de noordelijke staatjes niet zou annexeren zolang die niet zouden streven naar gebiedsuitbreiding. Toen de markgraaf van Pamplona in 803 de afspraak negeerde, liet emir Al-Hakam I (r.796-822) de stad verwoesten, waarbij hij gebruik kon maken van zijn eigen troepen en de Banu Qasi uit Zaragoza. Barcelona onderging hetzelfde lot in 828.

    Feitelijk was het Emiraat van Córdoba aan alle kanten omringd door bufferstaten. Tegen de Abbasiden verdedigde het zich via de Idrisiden en de Aghlabiden in de Maghreb; in het noorden was het Emiraat van de Spaanse Mark gescheiden door vazalstaatjes als Banu Qasi (rond Zaragoza) en Baskenland. Asturië vormde de buffer tegen de Noormannen. Deze noordelijke staatjes waren door diplomatieke huwelijken verbonden met het Emiraat, waarbij ik aanteken dat “diplomatiek huwelijk” ook is te lezen als verwijzing naar in de harem gegijzelde prinsessen.

    De consolidatie van de grenzen liep parallel aan de consolidatie van het binnenland. Hadden de emirs Abd al-Rahman en Hisham nog moeite moeten doen om de diverse groepen voor zich te winnen, Al-Hakam kon zijn onderdanen commando’s geven. Belangrijk was daarbij dat hij slaven bewapende, de zogeheten mammelukken. Zij stonden buiten de stamstructuren en waren alleen aan de emir verantwoording schuldig.

    Joodse grafsteen van Yehuda bar Akon (Archeologisch museum, Córdoba)

    Dhimmi’s en moslims

    Aan het Emiraat van Córdoba wordt een beleid van religieuze tolerantie toegeschreven. We zullen nog zien dat daarbij kanttekeningen zijn te plaatsen en we hebben al geconstateerd dat niet-moslims de jizya moesten opbrengen. Joden en christenen waren dhimmi’s, getolereerde monotheïsten.

    In de loop van de tijd bekeerde menigeen zich: ik noemde de Banu Qasi al, die afstamde van een zekere Cassius, een edelman uit het Rijk van Toledo die na de Arabische verovering een verdrag sloot (vergelijk de al genoemde Theodomir). De islamisering van El-Andalus verliep echter langzaam en in elke stad was nog altijd een comes, wiens takenpakket inmiddels bestond uit het bestuur van de christelijke gemeenschap: hij sprak recht aan de hand van het Liber Iudiciorum en stond in voor de afdracht van de jizya-belasting. In de Arabische bronnen heet hij qumis of sahib al-medina.

    Bij de benoeming van de bisschop maakte de emir een keuze uit een door de gelovigen samengestelde kandidatenlijst. De emir stond de bisschoppen ook toe om synodes te organiseren, zoals ze in het Rijk van Toledo hadden kunnen doen. Het enige verschil is dat ze nu samenkwamen in Córdoba. Het effect was dat de Iberische christenen, die doorgaans mozaraben (“gearabiseerden”) worden genoemd, een zelfstandige kerk vormden, steeds losser van de West-Europese christenen en steeds meer in contact met de christenen uit het Midden-Oosten.

    Voor moslims waren andere bestuurders relevanter, de zogenaamde wali ofwel provinciegouverneur en de qadi ofwel rechter. Naarmate het Emiraat evolueerde tot een staat met bufferstaten, kon plundering geen bron meer zijn van inkomsten, zodat de bodembelasting belangrijk werd – en die gold ook voor moslims. Desondanks waren de belastingen betrekkelijk laag. De emir beschikte over enorme domeinen, die hij had overgenomen van de koning van Toledo, had uitgebreid met de landerijen van de aristocraten die waren gesneuveld tijdens de Arabische verovering van Iberië, en vervolgens verder had uitgebreid met de bezittingen van verslagen tegenstanders. Al met al was er genoeg geld om Córdoba te voorzien van de mooiste moskee ter wereld, zoals het plaatje bovenaan dit stukje toont.

    [Wordt vervolgd]

    Mijn boek over de geschiedenis van Libanon is verschenen; de opbrengst gaat via Cordaid naar het geteisterde land.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Friese vikingen

    oktober 29, 2019
    De madrasa volgens George Makdisi

    juli 14, 2011
    Het Byzantijnse Rijk (2): Bloei

    mei 28, 2023 Deel dit:

    #Abbasiden #AbdAlRahmanIVanCórdoba #Aghlabiden #AlHakamIVanCórdoba #Andalusië #Asturië #BanuQasi #Basken #belastingen #Córdoba #comes #dhimmi #ElAndalus #emiraatVanCórdoba #HarunArRashid #HishamIVanCórdoba #IbrahimIbnAlAghlab #Idrisiden #Ifriqiya #Kairouan #KarelDeGrote #LiberIudiciorum #mammelukkenSoldaten_ #Marokko #moskeeVanCórdoba #mozaraben #Pamplona #SpaanseMark #Spanje #stamsamenleving #Theodomir #vikingen

  17. Het Emiraat van Córdoba (1)

    Puerta de Sevilla, Carmona

    [Eerste van vier blogjes over het Emiraat van Córdoba. De vestiging van de Arabische macht op het Iberische Schiereiland beschreef ik hier.]

    Ik eindigde mijn vorige blogje op het moment waarop Yusuf al-Fihri zich had uitgeroepen tot koning en bezig was zijn macht op het Iberische Schiereiland te consolideren. Hij had geprofiteerd van het conflict waarmee de Abbasiden een einde hadden gemaakt aan het Kalifaat van Damascus. De leden van de zittende dynastie, de Umayyaden, waren allemaal vermoord. De cliffhanger van het blogje van gisteren was dat desondanks in september 755 een overlevende in Andalusië arriveerde: Abd al-Rahman.

    Abd al-Rahman

    Alle berichten over Abd al-Rahmans ontsnapping uit Damascus en zijn zwerftocht gaan terug op hemzelf, en we kunnen niet zonder meer aannemen dat de man werkelijk de prins was die hij voorgaf te zijn. Ik heb die materie al eens behandeld, dus ik laat het nu rusten. Het wezenlijke punt is dat de Andalusiërs hem erkenden als lid van het Umayyadische huis en dus als legitieme heerser. Met hun steun wist Abd al-Rahman af te rekenen met Yusuf en zijn macht stapsgewijs naar het noorden uit te breiden.

    De nieuwkomer was voor veel partijen aanvaardbaar. Voor de Berbers gold hij als verwant omdat zijn moeder één van hen was; voor de Qays-Arabieren was hij een partijgenoot; voor de Yaman-Arabieren was hij een Syriër. Hij trouwde met een jodin, wat hem opnieuw steun opleverde. En iedereen zal blij zijn geweest dat hij een einde wist te maken aan de conflicten die het Iberische Schiereiland al sinds 742 teisterden.

    In het noorden streed Abd al-Rahman met succes tegen Asturië, een christelijk koninkrijkje waarover ik nog eens zal bloggen. Vanaf 759 betaalde het tribuut, nadat (vermoedelijk) een verdrag was gesloten zoals dat met de Theodomir over wie ik het al eerder heb gehad. Eén van de bepalingen van een dergelijk verdrag was dat de vazalstaat geen steun mocht verlenen aan de vijanden van zijn Arabische verdragspartner en inderdaad heeft Asturië geen steun verleend aan de Frankische legers die in 778 actief waren bezuiden de Pyreneeën. Daarover zo meteen meer.

    Abd al-Rahman en de Abbasiden

    Abd al-Rahman erkende de Abbasiden half wel en half niet. Hij was natuurlijk onafhankelijk en in die zin erkende hij het gezag van de kalief, die sinds 762 resideerde in Bagdad, niet. Tegelijkertijd erkende Abd al-Rahman dat hij niet heerste in Mekka, Medina en Jeruzalem, zodat hij zich niet, zoals eerdere Ummayadische vorsten, kon presenteren als kalief. Er kon maar één heerser der gelovigen zijn, en dat was niet de emir van Córdoba.

    Munt van Abd al-Rahman (Neues Museum, Berlijn)

    In 763 arriveerde een Abbasidisch leger, dat de Umayyadische opstandeling uit de weg moest ruimen. Na een reis naar Marokko en een overtocht naar wat nu Portugal is, rukte het op in de richting van Córdoba. Abd al-Rahman wachtte zijn tegenstanders op in Carmona, waar hij zich gedurende twee maanden liet belegeren. Toen brak hij uit met een verrassend klein leger van 700 man, waarmee hij het Abbasidische leger wist te verslaan. Ik ben nota bene door de stadspoort gewandeld waar het is gebeurd, de Puerta de Sevilla, maar realiseer me dit pas nu ik deze woorden schrijf.

    Abd al-Rahmen liet de hoofden van de verslagenen inpekelen en naar Mekka sturen, waar de Abbasidische kalief, die daar voor de pelgrimage aanwezig was, alleen maar kon verzuchten dat hij blij was dat God tussen hem en El-Andalus de Middellandse Zee had gelegd.

    Karel de Grote

    Zoals ik al zei, breidde Abd al-Rahman zijn macht stapsgewijs uit naar het noorden. De lokale heersers in het gebied langs de Ebro hadden zich onafhankelijk gemaakt en Yusuf al-Fihri, Abd al-Rahmans voorganger, had ze nog niet onderworpen toen Abd al-Rahman in 755 was aangekomen. Omdat de heerser in Barcelona vreesde dat hij het volgende doelwit van Abd al-Rahmans expansionistische beleid zou zijn, onderwierp deze Suleyman ibn al-Arabi zich in Paderborn aan Karel de Grote – en of die dus maar naar het zuiden wilde komen om Barcelona te beschermen. De Frankische vorst had daar wel oren naar, want de zoons van Yusuf al-Fihri waren eveneens aan zijn hof en hadden hem gevraagd hen te herstellen op de troon van hun vader.

    Roncevalles

    Karel de Grote zag een buitenkans om Barcelona te verwerven en bevriende heersers aan de macht te helpen in Córdoba. Zonder moeilijkheden bereikte het Frankische leger in 778 Barcelona, maar toen ging het mis. De heerser in Barcelona had hem gezegd dat ook de Banu Qasi, een Arabische stam van tot de islam bekeerde christenen rond Zaragoza, steun zou verlenen, maar Karels leger was zó groot dat iedereen begreep dat hij gebieden kwam annexeren. Het beleg van Zaragoza liep uit op een mislukking, de Asturiërs verleenden ook al geen hulp en op de terugweg over de Pyreneeën werd de Frankische achterhoede bij Roncevalles door de Basken overvallen. (De gebeurtenis werd bezongen in het Roelandslied.) Nu de poging van de noordelijke staatjes Karel uit te spelen tegen Abd al-Rahman was mislukt, weerhield niets de emir nog: hij kon zijn macht naar het noorden uitbreiden. Als heerser van vrijwel geheel Iberië overleed hij in 788.

    [Wordt vervolgd]

    Mijn boek over de geschiedenis van Libanon is verschenen; de opbrengst gaat via Cordaid naar het geteisterde land.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Islamitisch recht (7) mu’tazilieten

    juni 17, 2025
    De Kopten (1)

    februari 14, 2023
    Islamitisch Centraal-Azië

    september 15, 2015 Deel dit:

    #Abbasiden #AbdAlRahmanIVanCórdoba #Andalusië #Asturië #BanuQasi #Barcelona #Berbers #Carmona #Córdoba #ElAndalus #emiraatVanCórdoba #KalifaatVanDamascus #KarelDeGrote #Qays #RijkVanToledo #Roelandslied #Roncevalles #Spanje #SuleymanIbnAlArabi #Theodomir #Umayyaden #Yaman #YusufAlFihri #Zaragoza

  18. Segovia

    Het Romeinse aquaduct van Segovia

    De vaste lezers van deze blog kennen mijn belangstelling voor het voor-Romeinse verleden van West-Europa. Ik heb vaak genoeg geschreven over de Gallische taal en over voorwerpen als de Krater van Vix. Iberië is echter altijd wat onderbelicht gebleven, hoewel ik in mijn scriptie de processen van romanisering en arabisering heb vergeleken, en hoewel ik een zwak heb voor Spanje.

    “Keltisch” is altijd een beetje een lastig begrip. Eigenlijk komen in dat woord drie dingen samen: om te beginnen de volken die in de Oudheid Keltisch zijn genoemd (wél degenen die wij Germanen noemen, níet de Britten), verder degenen die een taal spraken die wij Keltisch noemen (wel de Britten, niet de Germanen), en tot slot de La Tène-cultuur, die weer andere grenzen heeft. De Iberische ijzertijdculturen zijn niet echt goed te typeren als La Tène, hoewel sommige groepen wel Keltische talen hebben gesproken.

    Segovia

    De Arevaci, die u ten noorden van Madrid moet zoeken, waren zo’n Keltischprekende bevolkingsgroep, en hoewel de naam van dit volk zich niet laat interpreteren, hebben we wat meer duidelijkheid over de namen van bijvoorbeeld de plaatsnaam Segovia; het eerste element betekent zoiets als “overwinning”. De plaats duikt voor het eerst op in onze bronnen in de oorlog tussen de Romeinen en Viriathus, die tussen 147 en 139 v.Chr. het verzet leidde tegen de Romeinen. Die had, zo lezen we, de vrouwen en kinderen uit Segovia gevangen genomen en dreigde ze te doden als Segovia haar bondgenootschap met Rome niet zou opgeven; de mannen, zo lezen we, “waren liever getuige van de executie van hun geliefden dan dat ze de Romeinen in de steek zouden laten”.noot Frontinus, Krijgslisten 4.5.22. Hoe dat bondgenootschap tot stand was gekomen, weten we helaas niet.

    Segovia speelde ook een rol in de oorlog tussen de Romeinse Senaat en Quintus Sertorius, een aanhanger van Marius die weigerde in te stemmen met de maatregelen van Sulla.noot Livius, fragment 22 (onderdeel van Boek 91). Toen Pompeius kort voor 70 v.Chr. de orde had hersteld, werd Centraal-Spanje rustiger, hoewel pas tijdens keizer Augustus het Iberische Schiereiland echt werd gepacificeerd.

    Aquaduct

    Archeologen hebben in Segovia verschillende gebouwen, fresco’s en inscripties gevonden. Maar het bekendste monument is natuurlijk het zeventien kilometer lange aquaduct, dat waarschijnlijk is gebouwd door keizer Trajanus (r.98-117) en midden in de stad staat.

    Romeinse aquaducten lagen, althans voor een groot deel, onder de grond, net als onze waterleidingen. Soms moest echter een deel worden gebouwd over een vallei en hoewel de Romeinen pompen maakten, moesten die worden aangedreven, en dat was nog niet zo simpel. Daarom bouwden ze bruggen, waarvan de Pont du Gard de bekendste is. Segovia is een goede tweede.

    De brug is bijna dertig meter hoog. In de centrale pijler is een kleine nis waarin sinds de Renaissance een beeld staat van Maria, maar in de Oudheid moet daar een ander beeld hebben gestaan. Aan de andere zijde stond een beeld van de halfgod Hercules, die erg populair was in Romeins Iberië.

    Latere heersers, zoals de koningen van het Rijk van Toledo en later de emirs en kaliefen van Córboba, hebben het aquaduct steeds weer gerepareerd. In 1072 kwam Segovia echter in de vuurlinie te liggen: de Castilianen rukten op vanuit het noroden en verwoestten zesendertig bogen, om zo de watertoevoer van Segovia af te snijden. De stad capituleerde inderdaad. Vier eeuwen later gelastte koningin Isabella van Castilië de reparatie van het aquaduct en het aquaduct functioneerde nog vier eeuwen. Het monument is inmiddels UNESCO Werelderfgoed.

    Mijn boek over Libanon is verschenen. De opbrengst is geoormerkt voor Cordaid Libanon.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Een Macedonisch-Babylonische stad: Seleukeia

    oktober 21, 2021
    De dood van de messias (5)

    maart 30, 2018
    Martialis compleet

    juni 3, 2020 Deel dit:

    #aquaduct #Arevaci #emiraatVanCórdoba #IsabellaIVanCastilië #KeltischeTalen #QuintusSertorius #RijkVanToledo #Segovia #Spanje #Trajanus #Viriathus

Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.