home.social

#handelingenvandeapostelen — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #handelingenvandeapostelen, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Wanneer is Paulus geboren?

    Een middeleeuwse afbeelding van de hebdomaden

    Twee weken geleden blogde ik over de theorie van Jerome Murphy-O’Connor en Fik Meijer dat de apostel Paulus niet afkomstig was uit Tarsos, zoals aangegeven in de Handelingen van de Apostelen, maar uit Gischala in Galilea. Dat baseren ze op een laat-vierde-eeuwse bron,  Hieronymus. De Nederlandse oudheidkundige Paul Leunissen stuurde me een artikel waarin hij uitlegde waarom dit niet plausibel was. De opmerking van Hieronymus biedt echter meer informatie dan alleen over een (niet) mogelijke geboorteplaats.

    Ze zeggen dat de ouders van de apostel Paulus afkomstig waren uit Gischala, een landstreek in Judea, en dat zij, toen de hele provincie (tota provincia) door de Romeinen verwoest werd en de Joden verspreid werden over de wereld, werden overgebracht naar Tarsos, een stad in Cilicië, en dat de jonge Paulus de omstandigheden van zijn ouders is gevolgd.noot Hieronymus, Commentaar op Philemon 23-24.

    Verwoeste provincie

    Als we zouden kunnen weten wanneer “de hele provincie door de Romeinen verwoest werd en de Joden verspreid werden over de wereld”, hadden we een aanwijzing voor de geboortedatum van Paulus. Het probleem is dat de geboden informatie in de huidige vorm onmogelijk waar kan zijn en dat we hulphypothesen moeten inroepen voordat we überhaupt met dit fragmentje aan de gang kunnen.

    Gischala lag namelijk niet in Judea maar in Galilea, waar achtereenvolgens Herodes de Grote (tot 5/4 v.Chr.), Herodes Antipas (tot 39 na Chr.) en Herodes Agrippa I (tot 44 na Chr.) regeerden. Dit was géén Romeinse provincie. De enige mogelijke hulphypothese is dat Hieronymus zich bezondigt aan zowel een topografische fout als een anachronisme, en dat werpt een zeker licht op de kwaliteit van de rest van zijn informatie. De eerste keer dat Romeinse troepen hun eigen provincie verwoestten, was tijdens de Joodse Opstand.

    Aannemend – aannemend dus, een hulphypothese inroepend – dat Hieronymus bedoelt dat de Romeinen Galilea onder de voet hebben gelopen vóór het een provincie was, komen verschillende momenten in aanmerking:

    Meijer kiest voor 4 v.Chr. en plaatst Paulus’ geboorte iets eerder. Leunissen merkt op dat daarvoor geen enkel positief argument valt aan te dragen. Zelf heeft Leunissen een ander argument om Paulus’ geboortejaar vast te stellen. Paulus noemt dat zelf.

    Een negentiende-eeuwse afbeelding van de hebdomaden

    Hebdomaden

    Even terug. In de voorindustriële wereld kende men het idee dat een mensenleven bestond uit een aantal fasen van elk zeven jaar. Ik ken het idee onder de naam hebdomadenleer (“zeventallenleer”) en u kent allemaal het plaatje van de “trap des ouderdoms” wel dat ik hierboven plaatste; het bestaat in allerlei varianten. Het denkbeeld van fasen van elk zeven jaar, is al in de vroege zesde eeuw v.Chr. te vinden bij Solonnoot Fragment 27 (ed. West) = 23 Gentili-Prato. en – zo lees ik bij Leunissen – was ook in de hellenistisch Joodse wereld bekend, bijvoorbeeld bij Filon van Alexandrië.

    Gegeven de algemene bekendheid mogen we dit gebruiken bij de analyse van het Nieuwe Testament. De evangelist Matteüs gebruikt bijvoorbeeld de eerste van die leeftijden, paidion (“kleuter”), in het verhaal over de wijzen uit het oosten; ik blogde er al eens over dat het daar genoemde kind een stuk ouder was dan de baby die Lukas’ herders zien – maximaal zeven jaar oud. Leeftijdsaanduidingen doen ertoe.

    Paulus’ leeftijden

    Voor ons relevant zijn andere termen. Om te beginnen neanias, “jonge man”. Dit is iemand tussen de eenentwintig en achtentwintig jaar. Met dit woord wordt Paulus, die toen nog Saul heette, aangeduid als hij aanwezig is bij de steniging van Stefanus, die plaatsvond in het midden van de jaren dertig.noot Handelingen 7.58.

    Een tweede woord is presbytès, wat slaat op iemand tussen de negenenveertig en zesenvijftig. Paulus gebruikt dit woord zelf in zijn Brief aan Filemon,noot Filemon 9. die hij heeft geschreven terwijl hij gevangen zat. Dat kan in de tweede helft van de jaren vijftig in Caesarea zijn geweest of eventueel in Rome, rond 60.

    Paulus’ hebdomaden (klik=groot)

    Met dateringen “in het midden van de jaren dertig”, “tweede helft van de jaren vijftig” en “rond 60” neem ik wijdere marges dan Leunissen, die bijvoorbeeld de executie van Stefanus plaatst in precies 36. Dat maakt verder niet uit: hier is een tabel zoals ook Leunissen construeert. De linkse kolom geeft jaren na Chr. aan, met in groen de jaren waarin Stefanus’ terechtstelling en de gevangenschap zijn te plaatsen; de andere kolommen geven Paulus’ ouderdom aan, gebaseerd op diverse beginjaren, met in geel steeds de jaren waarin Paulus neanias en presbytès zou zijn geweest.

    Leunissen concludeert dat Paulus ergens tussen 5 en 7 na Chr. zal zijn geboren. Ik neem wat wijdere marges en sluit daarom latere geboortejaren niet uit. Er is veel ruimte voor aarzeling en onzekerheid. Ik denk echter dat Leunissen gelijk heeft als hij concludeert dat Paulus een decennium later is geboren dan Meijer op basis van Hieronymus wil aannemen.

    Literatuur

    Paul Leunissen, “Was Paulus afkomstig uit Palestina en even oud als Jezus?”, in: Lampas 58/3 (2025) 263ff.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    #BriefAanFilemon #FikMeijer #FilonVanAlexandrië #GamaliëlI #HandelingenVanDeApostelen #hebdomaden #HerodesAgrippaI #HerodesAntipas #HerodesDeGrote #Hieronymus #NieuweTestament #PaulLeunissen #Paulus #PubliusQuinctiliusVarus #PubliusSulpiciusQuirinius #Solon #Stefanus
  2. De geboorteplaats van Paulus

    Tarsos

    Wie ooit Jeruzalem heeft bezocht, kent pater Jerome Murphy-O’Connor, de auteur van de enthousiasmerende archeologische reisgids waarmee duizenden bezoekers hun bezoek aan de stad diepgang gaven. Wat je ook denkt van de archeologie in Israël, met Father Jerry was het in elk geval nooit saai. Dat geldt ook voor zijn hypothese dat de apostel Paulus niet afkomstig zou zijn uit de stad Tarsos in Cilicië maar uit Gischala in Galilea.

    Hieronymus’ alternatief

    Dat idee is op het eerste gezicht wat vreemd. In zijn eigen brieven noemt Paulus zijn vaderstad weliswaar niet, maar de auteur van de Handelingen van de Apostelen, “Lukas”, vermeldt Tarsos herhaaldelijk. Lukas’ Paulus identificeert zichzelf bijvoorbeeld als “Ik ben een Jood uit Tarsos in Cilicië, burger van een niet onbelangrijke stad.”noot Handelingen 21.39; NBV21. Vgl. Handelingen 9.11 en 22.3. Nu wijkt het beeld van Paulus in de Handelingen weleens af van dat in Paulus’ eigen brieven, dus enige twijfel is gerechtvaardigd – zoals bij alle antieke teksten. Dat legitimeert dat Murphy-O’Connor serieus omzag naar een opmerking in Hieronymus’ laatantieke commentaar op Paulus’ Brief aan Filemon. Hier is de vertaling van Paul Leunissen, die me een tijdje geleden een artikel toestuurde dat hij aan de kwestie had gewijd.

    Ze zeggen dat de ouders (parentes) van de apostel Paulus afkomstig waren uit Gischala, een landstreek in Judea, en dat zij, toen de hele provincie door de Romeinen verwoest werd en de Joden verspreid werden over de wereld, werden overgebracht naar Tarsos, een stad in Cilicië, en dat de jonge Paulus de omstandigheden van zijn ouders is gevolgd.noot Hieronymus, Commentaar op Philemon 23-24.

    Gischala is geen landstreek maar een stad, maar wellicht heeft Hieronymus deze traditie, die hij typeert als fabula, “vertelsel”, gehoord in het Aramees, waarin, zoals in meer antieke talen, het onderscheid niet bestaat en het woord mdynh beide betekenissen heeft.noot Dit is ook het woord dat de samenstellers van de Peshitta gebruikten bij hun vertaling van de Handelingen. Hieronymus, die wist dat in Handelingen iets anders stond, lijkt de traditie intrigerend genoeg te hebben gevonden om haar niet te willen onderdrukken. De informatie kwam dan ook uit een goede bron: vrijwel zeker de geleerde christelijke auteur Origenes. Dat maakt het vertelsel niet per se betrouwbaar, maar betekent wel dat je er even serieus naar kijkt. Zoals Hieronymus deed, zoals Murphy-O’Connor deed, en zoals Fik Meijer deed.

    Een hypothese

    De laatste achtte het goed mogelijk dat Paulus’ door soldaten gevangengenomen ouders via Akko en de slavenmarkt van Antiochië belandden in het huishouden van een Romeins burger in Tarsos, die hen zou hebben vrijgelaten en Paulus’ vader zou hebben voorzien van Romeins burgerrecht, dat deze aan zijn zoon zou hebben doorgegeven. Leunissen typeert dit als hypothesenaccumulatie.

    Zelf vraag ik me af of het mogelijk is, aangezien de jurist Gaius expliciet schrijft dat een krijgsgevangene na vrijlating nooit Romeins burgerrecht verwierf.noot Gaius, Handboek Romeins Recht 1.15. Dat ten tijde van keizer Tiberius voor vrijgelaten slaven het zogeheten Juniaanse burgerrecht werd ingevoerd, toont dat ook in Paulus’ tijd het Romeinse burgerrecht niet was weggelegd voor vrijgelatenen.

    Hieronymus’ betrouwbaarheid

    De hamvraag is natuurlijk niet hoe een in Gischala geboren Paulus in Tarsos belandde, maar de daaraan voorafgaande vraag hoe betrouwbaar de informatie van Hieronymus is. Of beter: die van zijn bron Origenes. Het is misschien relevant dat Tarsos in Origenes’ tijd de reputatie had een door respectloze hedonisten bewoonde, voor wijsbegeerte ongeschikte stad te zijn,noot Filostratos, Leven van Apollonios van Tyana 1.7. en dat Origenes informatie overwoog die de apostel verwijderde van zo’n poel des verderfs.

    Leunissen attendeert erop dat de context waarin de christelijke auteur de fabula aanhaalt, eigenlijk wat vreemd is. Het komt erop neer dat Paulus in de Brief aan Filemon “medegevangenen” vermeldt en dat Hieronymus daar meer in wil lezen dan dat de mannen in dezelfde gevangenis zitten. Het “mede” zou betekenen dat ze ook een Palestijnse herkomst deelden. Het was, met andere woorden, niet Hieronymus’ allerhelderste moment.

    Ook wijst Leunissen op enkele passages waaruit duidelijk blijkt dat Hieronymus Tarsos kende als Paulus’ geboorteplaats. Dit is een belangrijk punt: je kunt een antieke auteur nooit selectief lezen, je moet minimaal overwegen of hij niet ergens anders afwijkende informatie biedt. Murphy-O’Connor meent dat Hieronymus geen reden had de fabula te verzinnen, en dat is waar, maar zoals Leunissen observeert: evengoed had Lukas geen reden om Tarsos te verzinnen. Tot slot wijst Leunissen erop dat Paulus’ goed gedocumenteerde nadruk op zijn Joodse identiteitnoot 2 Korintiërs 11.22, Filippenzen 3.5. vooral betekenisvol is als daaraan werd getwijfeld – omdat hij niet uit het land van Israël kwam maar uit de Cilicische hoofdstad Tarsos.

    Ouders en voorouders

    Is er nog iets te redden van de theorie van Murphy-O’Connor? O jawel. Het woord parentes betekent niet alleen “ouders”, maar ook voorouders. Misschien kende Origenes een Aramese anekdote dat Paulus’ familie, voor ze naar Tarsos verhuisde, verbleef in Gischala. Voor wat het waard is: Leunissen attendeert erop dat dit precies is wat Fotios I, de negende-eeuwse patriarch van Constantinopel, beweerde: Gischala als stad van herkomst, Tarsos als geboorteplaats. De geleerde patriarch kan dat natuurlijk hebben verzonnen omdat hij de Handelingen en Hieronymus’ Filemon-commentaar wilde harmoniseren. In elk geval: Paulus was een Jood, geboren in Tarsos in Cilicië, en burger van een niet onbelangrijke stad.

    Literatuur

    Paul Leunissen, “Was Paulus afkomstig uit Palestina en even oud als Jezus?”, in: Lampas 58/3 (2025) 263ff.

    #BriefAanFilemon #Cilicië #FikMeijer #FotiosI #GaiusJurist #Gischala #HandelingenVanDeApostelen #JeromeMurphyOConnor #Lukas #NieuweTestament #Origenes #PaulLeunissen #Paulus #Peshitta #Tarsos
  3. Veertig dagen vóór Hemelvaart

    Armeense afbeelding van de hemelvaart (Noravank)

    Als de techniek een beetje werkt, gaat dit blogje op donderdagmorgen automatisch online. Ik heb dit stukje wat langer geleden voorbereid omdat ik momenteel in Spanje ben, ter voorbereiding van een boek dat ik aan het maken ben over de laatste jaren van Julius Caesar. Zoals ik al eens schreef, kende ik de regio rond Lleida nog niet, en daarom ben ik nu dus daar. Althans, als alles volgens plan is verlopen, maar de treinen en bussen functioneren hier doorgaans goed.

    Hemelvaart

    Ter zake: het is Hemelvaartsdag. Dat is een wat ongemakkelijk christelijk feest. Immers, als het graf leeg was en Christus was opgestaan, en als Christus goddelijk was, waarom was hij er dan niet meer? Het logische antwoord is dan: omdat hij ten hemel is gevaren. Het problematische is dat slechts één auteur deze gebeurtenis vermeldt, namelijk de auteur van de Handelingen van de Apostelen, het vervolg op het Evangelie van Lukas. En één bron is geen bron.

    Nog complexer is het dat de auteur zichzelf tegenspreekt, want in zijn evangelie schrijft Lukas nog dat Jezus in de hemel is opgenomen op de dag van zijn opstanding.noot Lukas 24.51. Dan vallen Pasen en Hemelvaart dus op dezelfde dag, terwijl het in Handelingen een paar weken later was.

    Met de autheniticiteiscriteria waarmee historici proberen in antieke bronnen feit en fictie te scheiden, valt dit in de categorie non liquet: het kan waar zijn, het kan niet waar zijn. De gevolgtrekking is dus dat we nog eens moeten nadenken over die methode. (Daar zijn overigens alle goede onderzoekers het over eens: als de methode immers niet innoveert, stagneert een vakgebied.) De historiciteit van de gebeurtenis laat ik dus maar wat ze is, maar ik pik er een detail uit.

    Veertig dagen

    Handelingen begint wat verdedigend: Lukas – zo zullen we de auteur maar noemen – pareert kritiek dat Jezus niet echt uit de dood zou zijn opgestaan. Vermoedelijk kregen de eerste christenen nogal wat smalende opmerkingen te horen, maar Lukas bemoedigt ze.

    Dat hij leefde heeft hij hun [de apostelen] na zijn lijden en dood herhaaldelijk bewezen door gedurende veertig dagen in hun midden te verschijnen en met hen over het koninkrijk van God te spreken.noot Handelingen 1.3; NBV21.

    De passage heeft echter een tweede doel: Jezus heeft de apostelen, d.w.z. de gezanten die het evangelie moesten verspreiden, instructies gegeven. Anders geformuleerd, ze zijn deskundig en de gelovige mag erop vertrouwen dat de eerste christelijke leiders goed waren geïnformeerd.

    En natuurlijk duurde dat veertig dagen. Daarvoor hebben we een interessante parallel in de joodse apocalyptische tekst die bekendstaat als 4 Ezra (in de Engelse literatuur 2 Esdras).

    4 Ezra

    Geschreven na de verwoesting van Jeruzalem, is 4 Ezra ongeveer even oud als Handelingen en de Openbaring van Johannes, eveneens apocalyptiek. De auteur, die doet alsof hij de profeet Ezra is, beschrijft enkele visioenen, die erop neerkomen dat mensen niet moeten proberen te begrijpen waarom God heeft toegestaan dat de Babyloniërs (lees: Romeinen) het volk van Israël knechten, maar dat redding nabij is. De messias zal verschijnen en daarna zal de Wet van Mozes worden hersteld. Dat is een klus voor Ezra, die snel vijf klerken verzamelt en als een razende begint te dicteren.

    Ze zaten veertig dagen lang. Overdag schreven ze, en ’s nachts aten ze brood. Wat mij betreft: ik sprak overdag, en ook ’s nachts hield ik mijn mond niet. In veertig dagen schreven ze 204 boeken. Toen veertig dagen voorbij waren, zei de Allerhoogste: “Het eerste dat u hebt laten schrijven, maak dat openbaar, zodat zowel de waardigen als de onwaardigen het lezen. Bewaar echter de laatste zeventig boeken, want die mag u alleen overhandigen aan de wijzen onder het volk. Daarin bevindt zich namelijk de bron van inzicht, de bron van wijsheid en de stroom van kennis.”noot 4 Ezra 14.42-47.

    Veertig dagen om de kennis over te dragen: dat was het dus. De kring die 4 Ezra las, kon geloven dat de eigen leiders toegang hadden tot nog niet gepubliceerde delen van de Wet, en dus wisten wat ze deden. Iets dergelijks geeft de auteur van Handelingen mee aan zijn lezers. Hier ontstond de “apostolische successie”, die ik afgelopen zondag noemde.

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Glanum: kleinood in de Alpilles

    september 19, 2025
    De voornaamste Dode-Zee-rollen

    december 17, 2023
    De dood van de messias (2)

    maart 29, 2018 Deel dit: #4Ezra #apocalyptiek #apostolischeSuccessie #authenticiteitscriteria #EvangelieVanLukas #HandelingenVanDeApostelen #Hemelvaart #Hemelvaartsdag #NieuweTestament #WetVanMozes
  4. Judas Iskariot

    De dood van Judas Iskariot (Koninklijke Bibliotheek, Den Haag)

    Mijn goede vriend Richard attendeerde me onlangs op een kort filmpje waarin een franciscaner monnik het revolutionaire karakter van het christendom beter samenvatte dan ik ooit eerder hoorde. Kijk, zei de man, niets is makkelijker dan te houden van Jezus. Die geneest mensen, doet wonderen en lijdt in jouw plaats. Iedereen zou sympathie voelen voor zo’n weldoener. Een goede christen, zo zei de monnik, voelt echter eveneens sympathie voor Judas. Ik heb nooit een oudhistoricus zó scherp horen uitleggen hoe vernieuwend het christendom is geweest.

    Wat weten we echter over Judas, behalve dat zijn naam inmiddels synoniem is voor verraad? U raadt het al: we weten niet veel. Eigenlijk maar twee dingen. Eén: Judas behoorde tot Jezus’ inner circle, de Twaalf: de mannen dus die, na de grote kosmische ommekeer die Jezus en zijn volgelingen verwachtten, leiding zouden moeten geven aan het herstelde Israël. Twee: Judas leverde Jezus uit aan de autoriteiten in Jeruzalem. Aan die twee stukjes informatie kunnen we toevoegen dat de auteurs van het Nieuwe Testament al onzeker waren over Judas’ beweegredenen.

    Iskariot

    Daarover zo meteen meer. Eerst de naam. Niemand weet wat Iskariot betekent. Eén theorie kunnen we meteen terzijde schuiven: dat het een Aramese verbastering zou zijn van het Latijnse sicarii, “dolkmannen”. Dit is taalkundig onmogelijk. Nog onzinniger is de vervolghypothese dat Judas, behorende tot de stroming der sicariërs, een zeloot zou zijn geweest. De zeloten duiken in de geschiedenis pas op ten tijde van de belegering van Jeruzalem.

    Iets minder implausibel zijn verwijzingen naar de Aramese woorden šqr, “liegen”, en skr, “uitleveren”, maar het veronderstelt dat we te maken hebben met een later gegeven bijnaam, waarvan de evangelisten niet meer wisten wat die betekende, zodat ze er een persoonsnaam van maakten. Erg waarschijnlijk is het niet, want de evangelist Johannes vertelt dat ook Judas’ vader, die Simon heette, werd aangeduid als Iskariot.noot O.a. Johannes 13.2.  De vader zou dus eveneens een slechte reputatie hebben gehad.

    De minst slechte papieren heeft de verklaring dat Judas afkomstig was uit het dorpje Keriot, dat we kennen uit de IJzertijd.noot Jozua 15.25. Het is bij deze hypothese wel verondersteld dat dit dorpje na de zevende eeuw v.Chr. nog altijd bestond, en dat het al die tijd dezelfde naam heeft behouden.

    Uitlevering

    Wat bewoog Judas? Zoals gezegd wisten de evangelisten het al niet meer. De eerste van het viertal, Marcus, geeft althans geen verklaring.

    Toen ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om Jezus aan hen uit te leveren.noot Marcus 14.10; NBV21.

    Nu denkt u misschien: Judas vroeg toch om betaling, er waren toch dertig zilverstukken mee gemoeid? Maar geldzucht speelde geen rol bij Judas’ besluit naar de tempelautoriteiten te gaan. Het staat er simpelweg niet. Even later is er wel sprake van geld:

    Toen de hogepriesters dit hoorden, waren ze opgetogen en beloofden ze hem geld te zullen geven.noot Marcus 14.11.

    Beleefd als ze waren beloonden de hogepriesters Judas, maar geldelijk gewin was, althans in het Marcusevangelie, niet diens motief. De evangelist Lukas introduceert wél een motief: Satan had zich van Judas meester gemaakt.noot Lukas 22.3. De evangelist Matteüs introduceert eveneens een motief, en wel door de financiën niet het gevolg van Judas’ aanbod te laten zijn maar een voorwaarde:

    Daarop ging een van de Twaalf, namelijk Judas Iskariot, naar de hogepriesters en zei: “Wat krijg ik van u als ik hem aan u uitlever?” Ze betaalden hem dertig zilverstukken.noot Matteüs 26.14-15.

    Dit is een latere aanpassing van de oorspronkelijke informatie en de historicus mag het in principe negeren. In geschiedwetenschappelijk jargon: ten opzichte van Marcus is Matteüs elimineerbaar.

    Desondanks is niet ondenkbaar dat Matteüs het bij het rechte einde heeft, want de evangelist Johannes insinueert iets soortgelijks. Hij vertelt namelijk dat Judas de beheerder was van de gemeenschappelijke kas van Jezus’ volgelingen en dat hij daaruit stal.noot Johannes 12.6. Twee bronnen zijn meer dan één, maar het kan natuurlijk zijn dat de eerste christenen zich al afvroegen wat Judas’ motivatie was, en dat er consensus groeide dat, aangezien geldzucht de wortel was van alle kwaad,noot 1 Timoteüs 6.10. financiële motieven wel een rol zouden hebben gespeeld.

    Dood

    Merk overigens op dat Judas alleen wordt gepresenteerd als informant – hij wordt nergens gepresenteerd als iemand die aanstuurt op een executie. De interpretatie die u misschien kent uit Jesus Christ Superstar, dat Judas wilde verhinderen dat de zaken uit de hand liepen, is niet onmogelijk. Maar we weten het feitelijk niet. Niettemin: de aanname dat Judas slechts als informant optrad, verklaart waarom Matteüs schrijft dat Judas zelfmoord pleegde nadat hij Jezus met een kus had geïdentificeerd en niet slechts de arrestatie maar ook de executie mogelijk had gemaakt. De woorden van Matteüs suggereren dat dit laatste niet de opzet was.

    Toen Judas … zag dat Jezus ter dood veroordeeld was, kreeg hij berouw. Hij bracht de dertig zilverstukken naar de hogepriesters en oudsten terug en zei: “Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren.”

    Maar zij zeiden: “Wat gaat ons dat aan? Zie dat zelf maar op te lossen!”

    Toen smeet hij de zilverstukken de tempel in, vluchtte weg en verhing zich.noot Matteüs 27.3-5.

    De auteur van de Handelingen van de apostelen meent echter dat Judas van de beloning voor zijn schanddaad een stuk grond kocht,

    maar bij een val werd zijn buik opengereten, zodat zijn ingewanden naar buiten kwamen.noot Handelingen 1.18.

    Ik weet dat middeleeuwse kunstenaars, zoals te zien in het plaatje hierboven, de stervende Judas afbeeldden met ingewanden die uit z’n buik springen door de schok waarmee de ongelukkige zich verhing. Zo kun je alles wel combineren. De historicus constateert de tegenspraak en accepteert dat hij het weer eens niet weten kan. De gelovige weet daarnaast dat hij niet alleen van Jezus maar ook van Judas moet houden, maar over die ethiek heeft de historicus, althans professioneel, geen oordeel.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    De arrestatie van Jezus

    juni 4, 2023
    Een Evangelie van de vrouw van Jezus?

    september 19, 2012
    Wat is een Romein? (1)

    januari 13, 2018 Deel dit:

    #deTwaalf #eliminatie #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanLukas #EvangelieVanMarcus #EvangelieVanMatteüs #HandelingenVanDeApostelen #JesusChristSuperstar #JudasIskariot #NieuweTestament #Satan #sicariërs #zelfmoord

  5. Jakobus de Rechtvaardige

    De dood van Jakobus de Rechtvaardige (San Marco, Venetië)

    Het leiderschap van de sicariërs, een stroming binnen het jodendom, was in handen van de afstammelingen van Judas de Galileeër; als leiders van de farizeeën komen we de familie van Gamaliël tegen; je zou van de op Jezus van Nazaret teruggaande stroming dus eveneens verwachten dat zijn verwanten er grote invloed hadden. En zo is het inderdaad. Het Nieuwe Testament noemt Jezus’ broer Jakobus als een leider van de vroege christelijke gemeenschap . Mogelijk oefende ook een broer Judas gezag uit. Op gezag van de tweede-eeuwse auteur Hegesippos weten we dat ook Judas’ kleinzonen nog een rol speelden. Ik blogde daar al eens over en ik laat het nu rusten.

    Ik wil het hebben over Jakobus, die in de vroegchristelijke literatuur bijnamen heeft als “broer van de Heer” en “de Rechtvaardige”. Hij wordt ook wel “de Mindere” genoemd, misschien om hem te onderscheiden van de Jakobus die een van de Twaalf was (en die wordt vereerd in Santiago de Compostela). In elk geval: Jezus had een broer die Jakobus heet en die in het Marcus-citaat waarover ik vorige week blogde, in één adem wordt genoemd met Joses, Judas, Simon en een onbepaald aantal zussen.noot Marcus 6.3.

    Deze Jakobus zou dus een leider zijn geweest van de vroege kerk, en meer in het bijzonder: in Jeruzalem. Dat is opmerkelijk, want de familie kwam uit Galilea. De verklaring zou kunnen zijn dat men op de naderende Jongste Dag in de heilige stad wilde zijn, maar dat is hypothetiscj. De apostel Paulus ontmoette Jakobus daar enkele keren. In de Brief aan de Galaten vertelt Paulus dat hij drie jaar na zijn bekering Petrus ging opzoeken en toen ook de apostel Jakobus, de broer van de Heer, ontmoette.noot Galaten 1.17. “Apostel” betekent hier niet “een van de Twaalf”, maar verwijst naar één van de velen die door Jezus waren uitgezonden om zijn leer ook elders te verkondigen. Logisch dus dat Paulus toevoegt dat hij geen van hen was tegengekomen in Jeruzalem.

    Paulus noemt in dezelfde Galatenbrief Jakobus met Petrus en Johannes “de drie zuilen van de kerk”.noot Galaten 2.9. Met hen zou hij later zijn overeengekomen dat zij de leer van Jezus zouden verkondigen aan de Joden en dat Paulus en Barnabas het zouden doen bij andere volken. Dit wordt in iets andere termen bevestigd door de Handelingen van de Apostelen, waar we lezen over een vergadering van de vroege christenen, die tot dezelfde beslissing komt.noot Handelingen 15.

    Dat Jakobus zeer hoog in aanzien stond bij de eerste gelovigen, blijkt ook uit het zogeheten Evangelie van de Hebreeën, waarin de opgestane Christus als eerste verschijnt aan zijn broer. Deze tekst is weliswaar vrij jong, maar documenteert de blijvende herinnering aan het leiderschap van Jakobus.

    Rechtvaardiging

    De Handelingen en de brieven van Paulus hebben vooral betrekking op de prediking onder de andere volken, maar we beschikken over een Brief van Jakobus die lijkt weer te geven wat Jezus’ broer dacht over precies datgene waar Paulus iets nieuws introduceerde, namelijk de rechtvaardiging door het geloof in Christus. Volgens de auteur is dat onvoldoende – echt geloof blijkt uit goede werken. Daar laat ik het verder even bij, want ik heb het er al eens over gehad.

    Ik leg in dat eerdere blogje trouwens ook uit dat een van de argumenten tegen authenticiteit veronderstelt dat iemand uit Galilea niet zulk goed Grieks zou kennen. Wat een onbewezen aanname is en bovendien een tikkeltje hovaardig – alsof wij de oude taal beter zouden kennen dan de mensen uit de Oudheid. Taalkundigen kunnen héél veel, en dat schrijf ik zonder ironie, maar ik zou zelf toch niet zo stellig zijn. In elk geval: er is dus discussie over de authenticiteit van de Brief van Jakobus, en volgende week kom ik daar nog eens op terug.

    Dood

    De Joodse geschiedschrijvers Flavius Josephus vertelt over de dood van Jakobus in het jaar 62. Josephus zijnde Josephus gaat het verhaal natuurlijk vooral over de officiële leiders van de Joodse gemeenschap, en dus over de relatie tussen gouverneur en hogepriester. De gouverneur, Lucceius Albinus, kreeg een conflict met  hogepriester Ananos II.

    Deze Ananos meende handig te kunnen profiteren van de situatie dat [de oude gouverneur Porcius] Festus dood was en [de nieuwe gouverneur] Albinus nog onderweg was. Hij riep een vergadering van rechters bijeen en liet daar de broer van de Jezus die Christus genoemd wordt — de man heette Jakobus — alsmede enkele anderen voorleiden. Hij beschuldigde hen ervan dat ze de Wet hadden overtreden en leverde hen uit om gestenigd te worden. De groepering echter van degenen van wie iedereen in de stad vond dat ze zich precies aan de Wet hielden en die op grond daarvan zeer goed aangeschreven stonden [de farizeeën], nam de zaak hoog op. Ze stuurden in het geheim een vertegenwoordiging naar de koning [Herodes Agrippa II] om er bij hem op aan te dringen Ananos te gelasten zich voortaan van dergelijke acties te onthouden. Het was namelijk niet de eerste keer dat hij over de schreef was gegaan. … Voor koning Agrippa vormde de zaak aanleiding Ananos als hogepriester te ontslaan – hij is drie maanden in functie geweest.noot Josephus, Joodse Oudheden 20.200-203; vert. Wes/Meijer.

    Een latere auteur, Clemens van Alexandrië, meende dat Jakobus van de tempelmuur af was gegooid, en daarna was gedood. Dit hoeft niet per se in strijd te zijn met wat Josephus schrijft, omdat de beulen bij een steniging willen dat het slachtoffer stil blijft liggen: de ongelukkige wordt dus ingegraven of men breekt hem de benen – door hem van een tempelmuur te werpen. Ik denk overigens dat we de latere bronnen beter allemaal kunnen negeren, al heb ik, zoals u al merkte, een zwak voor Hegesippos.

    Terug naar de anekdote van Josephus. Die is waanzinnig interessant. Om te beginnen vertelt ze iets over de problemen in het dagelijks bestuur van een provincie, waarin lokale gezagdragers niet altijd deden wat Rome wou. De anekdote identificeert verder de enige sadducee die we kennen, namelijk Ananos, die tijdens de Joodse Opstand leiding zou geven aan de provisorische regering in Jeruzalem. Het is verder opvallend dat Josephus, die een hekel had aan de farizeeën, weigert hen te noemen. En tot slot: de passage bewijst dat Jakobus gold als jood en dat andere joden verontwaardigd waren over de wijze waarop hij was aangepakt. In het jaar 62 was er nog geen sprake van dat de wegen van joden en christenen uiteen zouden gaan.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Plinius de Jongere: liefde op het derde gezicht

    juli 26, 2011
    De Bergrede (19): De Tweesprong

    maart 20, 2022
    Het ongrijpbare antieke christendom (intermezzo)

    september 2, 2018 Deel dit:

    #AnanosII #Barnabas #BriefAanDeGalaten #BriefVanJakobus #ClemensVanAlexandrië #EvangelieVanDeHebreeën #farizeeën #FlaviusJosephus #HandelingenVanDeApostelen #Hegesippos #HerodesAgrippaII #JakobusDeRechtvaardige #Jeruzalem #LucceiusAlbinus #NieuweTestament #Paulus #Petrus #PorciusFestus #steniging

  6. De onbekende god

    Altaar voor een onbekende god (Antiquarium van het Palatijn, Rome)

    We zullen vermoedelijk nooit weten wie Gaius Sestius Calvinius was, behalve dat hij in Rome het bovenstaande altaar oprichtte. Het is gevonden op de plek die bekendstaat als Velabrum, dat wil zeggen de doorgang tussen Palatijn en Capitool die het Forum Romanum verbond met het Forum Boarium, de veemarkt. De tekst, die bekendstaat als EDCS-17200112, is eenvoudig:

    Sei deo sei deivae sac(rum)
    C(aius) Sextius C(ai) f(ilius) Calvinus pr(aetor)
    de senatinoot Je zou senatus hebben verwacht. sententia
    restituit

    Dat wil zoiets zeggen als

    Aan hetzij een god, hetzij een godin
    Door Gaius’ zoon praetor Gaius Sestius Calvinius
    Op last van de Senaat
    Heeft hij dit vernieuwd.

    Er waren destijds vele goden, en het kon goed verkeerd gaan als je er een vergat. Gelukkig gaven de goden hun wensen door middel van voortekens te kennen, en dan waren er priesters die de zogeheten Sibillijnse Boeken raadpleegden. Die vertelden dan welke godheid wenste te worden toegevoegd aan het pantheon. Maar soms werd het voorteken niet begrepen en dan waren de rampen niet te overzien. Zo liet in 387 v.Chr. een onbekende godheid weten dat hij verering wenste door expliciet te spreken, maar de Senaat sloeg geen acht op de mysterieuze sprekende stem, en binnen de kortste keren leed het leger aan het riviertje Allia een nederlaag tegen de Galliërs, die vervolgens de stad bezetten en het Capitool belegerden. Kortom, je kon beter een altaar hebben waar je offerde aan goden die je ongewild was vergeten.

    Zo’n altaar hebben we dus ook hierboven. Het dateert vermoedelijk uit de eerste helft van de eerste eeuw v.Chr. Het werkwoord “heeft dit vernieuwd” bewijst dat dit soort altaren zorgvuldig werd gecontroleerd en op gezette tijden aangepast aan de eisen van de tijd. (Er is overigens een theorie dat de formulering “aan hetzij een god, hetzij een godin” diende om de naam van de beschermgoden van Rome niet te hoeven noteren, zodat vijanden die niet konden ontdekken, maar ik geloof die theorie niet omdat die namen algemeen bekend waren.)

    Zo’n altaar was natuurlijk ideaal voor religieuze vernieuwers. De Handelingen van de apostelen vertellen dat de apostel Paulus verwees naar zo’n monumentje toen hij in Athene een nieuwe tak van jodendom kwam uitleggen:

    “Atheners, ik heb gezien hoe buitengewoon godsdienstig u in ieder opzicht bent. Want toen ik in de stad rondliep en alles wat u vereert nauwlettend in ogenschouw nam, ontdekte ik ook een altaar met het opschrift: ‘Aan de onbekende god’. Wat u vereert zonder het te kennen, dat kom ik u verkondigen.”noot Handelingen 17.22b-23; NBV21.

    En daarmee rond ik mijn zondagse blogje over het Nieuwe Testament af.

    [Dit was het 505e voorwerp in mijn reeks museumstukken. Een overzicht van de reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Dikke gladiatoren (3): Discussie

    april 10, 2024
    Wat is een grens? (2)

    september 17, 2018
    Joodse literatuur (3): hellenisme

    januari 8, 2023 Deel dit:

    #Athene #HandelingenVanDeApostelen #inscriptie #NieuweTestament #onbekendeGod #Paulus #priesterschap #Rome #SibillijnseBoeken #voortekens

  7. Apollos

    Een Egyptenaar (Staatliches Museum Ägyptischer Kunst, München)

    Ik stipte gisteren aan dat het een raadsel is hoe het christendom in Egypte is aangekomen. Een van de allergrootste kenners van de materie, Adolf von Harnack, typeerde ons vrijwel volledige gebrek aan informatie als de ergste lacune in onze kennis van het vroege christendom. De kwestie is belangrijk omdat Egypte in de tweede eeuw een ware fabriek van nieuwe ideeën was. Grappig genoeg weten we wél dat er al heel vroeg volgelingen van Jezus leefden in Alexandrië: we kennen er een bij naam, hij heette Apollos en dat is een naam die vooral in Egypte is gedocumenteerd.

    Apollos van Alexandrië

    De auteur van de Handelingen van de apostelen vertelt:

    Intussen arriveerde er in Efese een uit Alexandrië afkomstige Jood, die Apollos heette. Hij was een ontwikkeld man, die goed onderlegd was in de Schriften. Hij had [in zijn vaderland] onderricht gekregen in de Weg van de Heer en verkondigde geestdriftig de leer over Jezus, die hij zorgvuldig uiteenzette, ook al was hij alleen bekend met de doop zoals Johannes die had verricht. In de synagoge begon hij nu vrijmoedig het woord te voeren.noot Handelingen 18.24-26a; NBV21.

    We kennen deze Apollos ook uit de door Paulus geschreven Eerste Brief aan de Korintiërs en weten daarom dat Apollos rond 50 aankwam in Efese. Dus hier ontmoeten we een Egyptische Jood die niet alleen de relevante literatuur kende, maar ook het zelfvertrouwen had om op pad te gaan om in de synagogen van Klein-Azië onderricht te gaan geven.

    Waar hij zijn kennis had opgedaan, is onduidelijk; de in het citaat hierboven tussen […] geplaatste woorden “in zijn vaderland” staan niet in alle handschriften. Maar we hebben hier wel een christen uit Alexandrië, heel erg vroeg. Overigens waren er op dat moment ook al christenen in Antiochië, dus zó vreemd is het nou ook weer niet.

    Handelingen

    We lezen in de Handelingen verder dat Paulus’ Efesische leerlingen bedenkingen hadden bij Apollos’ verkondiging, en hem terzijde namen om hem bij te praten.noot Handelingen 18.26b. Vervolgens reisde Apollos door naar Korinthe, waar hij opnieuw kennis maakte met een door Paulus gestichte gemeente.

    Hij slaagde erin de Joden in het openbaar in het ongelijk te stellen door op grond van de Schriften aan te tonen dat Jezus de messias is.noot Handelingen 18.28.

    Terwijl Apollos dus in Korinthe was, arriveerde Paulus in Efese, waar hij Apollos’ leerlingen opnieuw doopte, omdat die van Apollos de doop hadden ontvangen zoals Johannes die had toegediend. Dat was vooral een manier om ritueel rein aan een nieuw leven te beginnen, en ze hadden niet meegekregen dat ze (althans volgens Paulus) ook nog moesten geloven in de Heilige Geest en in Jezus. Je zou dit laatste de Paulinische verschuiving kunnen noemen: het gaat hem niet om het geloof van Jezus, maar om het geloof in Jezus.

    1 Korintiërs

    Uit het bovenstaande valt af te leiden dat Apollos mensen doopte en geloofde dat Jezus de messias was, maar dat hij met Paulus van mening verschilde over de vraag wat dit laatste betekende. De auteur van Handelingen noemt verder geen conflicten of ruzies. Dat die er wel waren, blijkt uit Paulus’ eigen woorden.

    Door Chloë’s huisgenoten is mij verteld dat er verdeeldheid onder u heerst. Ik bedoel dat de een zegt: “Ik ben van Paulus,” een ander: “Ik van Apollos,” een derde: “Ik van Kefas,” en een vierde: “Ik van Christus.” Is Christus dan verdeeld? Is Paulus soms voor u gekruisigd? Of is het in de naam van Paulus dat u bent gedoopt?noot 1 Korintiërs 1.11-13.

    Even verderop bakent Paulus zijn eigen positie af:

    De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God. Er staat namelijk geschreven: “Ik zal de wijsheid van de wijzen vernietigen, het verstand van de verstandigen zal ik tenietdoen.”noot 1 Korintiërs 1.18-19, met citaat uit Jesaja 29.14.

    In de vertaling valt een woordspeling weg: het werkwoord “vernietigen” (apollynai in de Septuaginta) lijkt als twee druppels op de naam Apollos. Paulus lijkt geërgerd te zijn. Dat blijkt ook uit de metaforen die hij even verderop gebruikt, waarin hij zich presenteert als belangrijker dan Apollos.

    Ik heb geplant, Apollos heeft water gegeven…noot 1 Korintiërs 3.6.

    Ik heb als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, en anderen bouwen daarop voort…noot 1 Korintiërs 3.10.

    Paulus zijnde Paulus vallen deze verwijten eigenlijk wel mee. Over Petrus oordeelt hij veel giftiger.noot “Zijn gedrag was verwerpelijk”: Galaten 2.12. Paulus lijkt niet te hebben willen toestaan dat een meningsverschil de eenheid verstoorde. Zo keek ook de auteur van de Brief aan Titus er tegenaan, die aan de geadresseerde vraagt om Apollos te voorzien van reisbenodigdheden.noot Titus 3.13. Apollos was en bleef dus aanvaard in de Paulinische gemeenschappen, maar er is wel iets aan de hand.

    Egyptisch christendom?

    Wat was het verschilpunt? Handelingen noemt de doop, de Heilige Geest en het geloof in Jezus, maar 1 Korintiërs noemt die zaken niet. Ik speculeer dat het ging om “de boodschap over het kruis” die een dwaasheid was “voor wie verloren gaan” en die “de kracht van God” was voor degenen die op de Jongste Dag zouden worden gered. Dit is vertrouwd Paulus-materiaal: volgens hem verzoende de kruisdood de zondige mensheid met God.noot Romeinen 5.6-11; Galaten 1.4, 3.13.

    Het is goed mogelijk dat Apollos, die immers niet Paulus was, hier anders over dacht. Misschien was in zijn visie Jezus wel een wijsheidsleraar, ongeveer zoals ook Josephus hem typeert, en is Paulus’ opmerking dat “de wijsheid van de wijzen zal worden vernietigd” meer dan een woordspeling. Paulus plaatst dan de wereldse wijsheid van Apollos tegenover zijn eigen, paradoxale dwaasheid. Ik noem dit punt omdat in het latere Egyptische christendom de door Jezus gepredikte wijsheid/inzicht/kennis centraal staat. Dat wordt weleens aangeduid als gnostisch en in navolging van latere orthodoxe auteurs als Eusebios gelden de gnostici als valse christenen. Zo hebben ze dat zelf niet gezien.

    Enfin. Ik was aan het speculeren over een niet-Paulinische joodse christen. Er is echter geen bewijs, zelfs geen aanwijzing, dat Apollos een proto-gnosticus was. Het laatste woord moet echt dat zijn van Von Harnack: hoe het christendom in Egypte is gekomen, is de ergste lacune in onze kennis van de geschiedenis van het nieuwe geloof. Maar we weten dus wél dat het er al is geweest vóór 50.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Mijn boek over de geschiedenis van Libanon is verschenen; de opbrengst gaat via Cordaid naar het geteisterde land.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De Bataafse Opstand (7)

    mei 6, 2016
    De Joodse Opstand (2)

    juli 24, 2019
    VIII Augusta op de Balkan

    juli 6, 2024 Deel dit:

    #AdolfVonHarnack #Alexandrië #Apollos #BriefAanTitus #EersteBriefAanDeKorintiërs #Efese #HandelingenVanDeApostelen #JohannesDeDoper #Korinthe #NieuweTestament #Paulus

  8. Mattias, een van de Twaalf

    Romeinse bijl (Noord-Brabants Museum, Den Bosch)

    Historici zijn simpele mensen. Ze willen alleen maar weten hoe iets in het verleden is geweest. Zo simpel. Dat doen ze niet omdat ze het verleden inspirerend vinden of omdat ze aandrang voelen deze of gene praktijk verontwaardigd te veroordelen. Het is voor historici voldoende om gebeurtenissen, meningen of maatschappijstructuren te kennen. Gesubsidieerde historici spreken weleens over de relevantie van het verleden, maar daarvan hoeven wij ons niks aan te trekken. Het is immers voldoende dat verleden gewoon interessant is.

    Wij hoeven slechts te constateren dat er in het tweede kwart van de eerste eeuw na Chr. binnen het jodendom een groep ontstond die “christenen” werd genoemd. Anderen mogen daarvan zeggen dat het christendom, van de vele wegen die naar de hemel leiden, een vrij directe is, of juist beweren dat de mensheid beter niet christelijk was geweest. Dat mag allemaal, maar de historicus heeft daarover, althans professioneel, geen mening. Die zet de feiten op een rij. Niet meer. Niet minder. De historicus is een simpel mens.

    De apostelen en de Twaalf

    Het is vandaag Pinksteren. Daarover heb ik al eens geblogd en ik laat het nu rusten. Interessanter vind ik vandaag het verhaal dat in de Handelingen van de Apostelen voorafgaat aan het Pinksterverhaal: de keuze van een nieuw lid van de Twaalf. Judas Iskariot was immers dood, er dus werd een vervanger gezocht.

    Ze stelden twee mannen voor: Josef Barsabbas, die de bijnaam Justus had, en Mattias. … Ze lieten hen loten en het lot viel op Mattias. Hij werd aan de elf apostelen toegevoegd.noot Handelingen 1.23, 26.

    Eerst een kleine kanttekening: rond Jezus bestonden diverse groepen, zoals de leerlingen, de (tweeën)zeventig apostelen en de Twaalf. Om hem moverende redenen stelt de auteur van het Evangelie van Lukas en de Handelingen van de Apostelen die Twaalf gelijk aan de apostelen. Ik heb geen idee waar die gelijkstelling vandaan komt, maar het is een relevant punt, want het betekent dat toen Lukas schreef, ergens rond 80 na Chr., het onderscheid tussen deze groepen niet meer duidelijk was.

    Maar goed. De laatste zin zou dus ook kunnen luiden dat Mattias “aan de Elf werd toegevoegd”. En mijn simpele vraag is: is dat werkelijk gebeurd?

    Argumenten

    Zekerheid is er niet. Maar er zijn wel argumenten. Eén daarvan veronderstelt het zogeheten “criterium van de discontinuïteit” en de redenering is als volgt. Als in de jonge kerk de Twaalf een rol zouden hebben gespeeld, was het op dat moment belangrijk te vernemen hoe de Elf waren aangevuld. Maar de Twaalf spelen in het vroege christendom geen rol.

    • De Handelingen gaan over mensen als Petrus (wel een van de Twaalf), over de diakens zoals Stefanos en Filippos, en over Barnabas en Paulus, die zich in zijn eigen brieven apostel noemt maar nooit bij de Twaalf heeft gehoord.
    • De nieuwtestamentische brieven en vroegchristelijke auteurs noemen de Twaalf ook al niet bijster vaak.
    • Uit Lukas’ begripsverwarring blijkt dat hij ook niet meer precies wist wat de Twaalf waren.

    De Twaalf kunnen, zo luidt de redenering, dus niet zijn verzonnen om een praktijk uit de vroege kerk te voorzien van een antecedent. Er is een discontinuïteit tussen de aanwezigheid van de Twaalf ten tijde van Jezus’ leven en de afwezigheid in de tijd erna.

    Dit is natuurlijk niet het enige argument. Ook het “criterium van de gêne” is relevant. Dat Jezus door een lid van de Twaalf is verraden, is wel wat beschamend. Als de Twaalf zouden zijn verzonnen, zou dit niet zijn bedacht.

    We hebben zo bezien twee aanwijzingen dat er een groep heeft bestaan die de Twaalf heet. En als die er is geweest, maar als die geen rol meer speelde toen Lukas eenmaal aan het schrijven was, dan zal de anekdote over de aanvulling van de Elf ook wel niet zijn verzonnen.

    Complexiteit

    Daar is ook een meer positieve aanwijzing voor: de complexiteit. Als Lukas alleen maar hoefde verzinnen dat de Elf een extra lid aantrokken, zou je iets hebben verwacht als “Mattias blonk uit in vroomheid en werd daarom gecoöpteerd”. De auteur heeft geen reden om het verhaal complexer te maken. Dat dit wel is gebeurd, suggereert dat de kandidatuur van Josef Barsabbas algemeen bekend was. Dat duidt minimaal op een heel oude traditie.

    Wat we bij deze simpele vraag steeds zien, is dat we aannames doen over de vroege kerk en aan de hand daarvan redeneren of de Twaalf en de benoeming van Mattias eind eerst eeuw kunnen zijn verzonnen. Persoonlijk denk ik dat de aannames correct zijn en dat we dus kunnen concluderen dat ook het bestaan van de Twaalf en Mattias’ benoeming wel historische feiten zijn. Maar u merkt ook: hoe simpel de vraag ook is, er is aanzienlijke ruimte voor twijfel.

    Meer valt er niet van te maken. Dat Mattias met een bijl zou zijn onthoofd, is middeleeuwse legendevorming. Romeinse bijlen waren daarvoor bovendien niet geschikt, daarvoor waren ze veel te klein, zoals het plaatje bovenaan dit blogje toont. Mattias is, net als Josef Barsabbas, een naam, niet méér.

    Mijn boek over Libanon verschijnt donderdag 12 juni, maar u kunt het al bestellen. De opbrengst is geoormerkt voor Cordaid Libanon. U bent welkom bij de presentatie.

    PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Domitianus (19): Domitia Longina

    januari 13, 2022
    Gesprekken van alledag

    mei 29, 2022
    Taxila

    oktober 17, 2013 Deel dit:

    #criteriumVanDeDiscontinuïteit #criteriumVanDeGêne #deTwaalf #EvangelieVanLukas #HandelingenVanDeApostelen #Lukas #Mattias #NieuweTestament

  9. Echte en onechte brieven van Paulus

    Paulus (Rome, Santa Prassede)

    Een nieuwe zondag, een nieuw stukje over de wereld van het Nieuwe Testament. En we gaan het eens hebben over auteurschap. Meer in het bijzonder: wie schreef de dertien brieven van de apostel Paulus? Daar is nogal wat om te doen, namelijk. Voor degenen die de Bijbel als het woord van God nemen, is dit een non-probleem: ongeacht wie de pen in de hand had, zijn alle teksten uit het Nieuwe Testament door God geopenbaard, zodat elke tekst normatief is, wie ze ook schreef.

    Desondanks is er al sinds mensenheugenis discussie over. De Alexandrijnse geleerde Origenes, die schreef in de eerste helft van de derde eeuw, betwijfelde al of Paulus de Brief aan de Hebreeën had geschreven. En Origenes was een scherpzinnig geleerde, die wist van de tekst- en bronkritische hoeden en randen. Sindsdien zijn er allerlei argumenten naar voren gebracht. Ik zal de uitkomst alvast verklappen: niemand trekt de authenticiteit in twijfel van Romeinen, 1 Korintiërs, 2 Korintiërs, Galaten, Filippenzen, 1 Thessalonicenzen en Filemon. Over de rest is discussie.

    Waarom discussie?

    Eén van de redenen om te debatteren is dat antieke brieven met een levensbeschouwelijke inslag sowieso verdacht zijn. Classici voeren een vrolijke discussie over de brieven van de Atheense filosoof Plato en voeren geen discussie over de brieven van Apollonios van Tyana (allemaal vals). De Grieks-Romeinse auteur Ploutarchos citeert in zijn Leven van Alexander uit een fictieve correspondentie tussen Alexander en Aristoteles.noot Ik noem dit omdat het bewijs dat Alexander de leerling is geweest van Aristoteles minder sterk is dan wel wordt aangenomen. Dat geleerden vraagtekens plaatsen bij het auteurschap van Paulus, is dus heel normaal: het genre schreeuwt erom.

    De aanleiding tot de vraag zit soms ook in de brief. Hebreeën vermeldt geen afzender en heeft sowieso een beetje de vorm van een essay. De authenticiteitsvraag dringt zich dan vanzelf op.

    De complicaties

    Het probleem is nu: we hebben eigenlijk wat weinig context. We hebben een algemeen verhaal over Paulus’ reizen, de Handelingen van de apostelen, maar dat is meer een roman dan een biografie. En hoewel het te ver zou gaan de tekst als historisch volslagen onbetrouwbaar neer te zetten, zijn er toch wel heel gekke discrepanties tussen de Paulus van de Handelingen en de Paulus van de authentieke brieven.

    Volgens de brieven-Paulus konden niet-Joden toetreden tot het Verbond zonder dat er eisen werden gesteld, terwijl de Handelingen-Paulus akkoord gaat met de Noachitische geboden. In de brieven noemt Paulus zich te pas en te onpas “apostel”, Handelingen duidt hem één keer zo aan.noot Handelingen 14.4. Ook de biografie van de twee Paulussen is anders. Samenvattend: de auteur van de Handelingen schetst geen reële Paulus maar een ideale christen. Of beter: de auteur herkende allerlei spanningen tussen de diverse soorten christenen en paste zijn Paulus zó aan dat consensus mogelijk was. Dat is een duidelijk doel, maar maakt het lastig om de authenticiteit van de brieven te toetsen aan de hand van Handelingen.

    Criteria

    Theologie dan? Er zijn tussen de authentieke en bediscussieerde teksten overeenkomsten en verschillen. Er liggen nu twee problemen. Het eerste is: niet-authenticiteit is altijd makkelijker te beredeneren. Het is vrij simpel verschillen te benoemen die overtuigend ogen, terwijl het aanwijzen van overeenkomsten neerkomt op het opsommen van platitudes. Dat Paulus en iemand die deed alsof ’ie Paulus was, allebei geloofden in één god en aan Christus een speciale plek toewijzen: dat is allemaal zo logisch dat het niet overtuigt.

    Het tweede probleem is dat denkende mensen van mening veranderen. Zoiets geldt zeker voor Paulus, die begon als farizee en zich ontwikkelde tot christen. We weten dus dat deze man niet over alles altijd hetzelfde dacht.

    Nog iets: voor wie schreef iemand? Een Paulus die zich richtte tot mensen die hem al kenden zou hun andere dingen vertellen dan aan mensen die hem niet kenden. Elke auteur past zijn vorm aan zijn doelgroep aan: de Max Havelaar die zich richt tot de hoofden van Lebak hanteert islamitisch jargon, de Max Havelaar van “Over de verhouding der europesche ambtenaren tot de Regenten op Java” niet. Verschillen in vorm en stijl zijn dus te verwachten.

    Woordkeuze is ook weleens genoemd. De auteur van de omstreden Brief aan de Efesiërs hanteert woorden die overeenkomen met de Eerste brief van Clemens, die een halve eeuw na Paulus geschreven moet zijn. Van diezelfde brief aan de Efesiërs is weleens opgemerkt dat ze een kerk-in-wording veronderstelt, die er in Paulus’ eigen tijd zeker nog niet was.

    Tot slot: stylometrie? Helaas zijn de brieven wat kort, maar er is wel onderzoek gedaan. Logischerwijs nemen onderzoekers de zeven authentieke teksten als norm en vergelijken de andere teksten daarmee. Dan lijken de omstreden Efeziërs en Kolossenzen authentieker te zijn dan de twee brieven aan Timotheüs.

    Ik komt tot een soort conclusie. Toen ik me voornam dit eens uit te zoeken, meende ik te weten dat zeven brieven echt waren en de rest omstreden. Dat is nog steeds mijn conclusie, want de consensus van de wetenschappers is zwaarwegend. Maar nu ik me er wat in verdiep, begrijp ik wel beter waarom geleerden verdeeld zijn over de andere brieven: het is heel lastig om authenticiteit en gebrek aan authenticiteit aan te tonen.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier. En een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect van de oudheidkunde vindt u daar.]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u een van mijn boeken kopen (en lezen), zoals Goden en halfgoden. Of ga mee op reis naar Tunesië! Of kom een cursus doen. Of doneer. U kunt deze blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #AlexanderDeGrote #ApolloniosVanTyana #Aristoteles #authenticiteitscriteria #BriefAanDeEfesiërs #BriefAanDeFilippenzen #BriefAanDeGalaten #BriefAanDeHebreeën #BriefAanDeKolossenzen #BriefAanDeRomeinen #BriefAanFilemon #briefliteratuur #EersteBriefAanDeKorintiërs #EersteBriefAanDeThessalonicenzen #EersteBriefAanTimotheüs #EersteBriefVanClemens #HandelingenVanDeApostelen #MaxHavelaar #NieuweTestament #Paulus #Plato #Ploutarchos #stylometrie #TweedeBriefAanDeKorintiërs #TweedeBriefAanTimotheüs

  10. “De Egyptenaar”

    De Olijfberg

    Een paar maanden geleden noemde ik in dit zondagse reeksje over nieuwtestamentische personen die we ook van buiten de Bijbel kennen de man die in de Handelingen van de apostelen wordt aangeduid als “de Egyptenaar”. Ik citeerde de passage al eens eerder:

    Vlak voordat Paulus de kazerne binnengebracht zou worden, zei hij tegen de tribuun: “Mag ik u iets vragen?” De tribuun [Claudius Lysias] antwoordde: “Spreekt u Grieks? Bent u dan niet die Egyptenaar die onlangs in opstand kwam en met vierduizend oproerkraaiers de woestijn in getrokken is?” Paulus zei: “Ik ben een Jood uit Tarsos in Cilicië, burger van een niet onbelangrijke stad.”noot Handelingen 21.37-39; NBV21.

    Die Egyptenaar, die kennen we, al kennen we zijn naam niet. Maar de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus vertelt erover. Tweemaal zelfs. Het gaat om de rebellen die Josephus de schuld geeft van de vernietiging van de Tempel in 70 na Chr.: gewelddadig, anti-Romeins verzet was wezensvreemd aan het Joodse volk, en als dit rapaille in toom was gehouden, had het dagelijks offer gewoon voortgang kunnen vinden. Hoewel Josephus het begin van de verzetstraditie te vroeg plaatst, vermeldt hij in de kwart eeuw vóór de Joodse Opstand inderdaad enkele opstandelingen. Zoals de Egyptenaar, die we rond 58 moeten plaatsen. Josephus schrijft in De Joodse Oorlog:

    Een nog ernstiger slag werd de Joden toegebracht door de valse profeet uit Egypte. Bij aankomst in het land verzamelde deze man, een charlatan die zich voordeed als profeet, dertigduizend goedgelovige lieden. Langs grote omwegen voerde hij hen van de woestijn naar de zogeheten Olijfberg. Hij had het vaste voornemen van hieruit een doortocht naar Jeruzalem te forceren, het Romeinse garnizoen te overmeesteren en zichzelf te installeren als tyran van het volk. Zijn gewapende volgelingen beschouwde hij als een geschikte lijfwacht. Maar [gouverneur Antonius] Felix verhinderde dat er van zijn plannen iets trekken. De hele bevolking schaarde zich achter hem. Het resultaat van de botsing was dat de Egyptenaar met slechts een handjevol mannen wist te ontkomen, maar dat het overgrote deel van zijn aanhang gedood of gevangen genomen werd; de rest van zijn volgelingen werd uiteengeslagen. Ieder probeerde stilletjes zijn eigen huis te bereiken.noot Josephus, Joodse Oorlog 2.261-263; vert. Wes/Meijer.

    In de Joodse Oudheden komt Josephus erop terug. Maar de accenten liggen anders: het aantal volgelingen lijkt meer in lijn met de vierduizend die de auteur van de Handelingen noemt. Ook vermeldt Josephus de tweede keer niet dat de profeet dreigde geweld te gebruiken om de toegang tot Jeruzalem te forceren.

    De Egyptenaar zei dat hij hun vanaf de Olijfberg wilde laten zien hoe op zijn bevel de muren van Jeruzalem zouden instorten, en hij kondigde aan dat hij hen vervolgens dwars door de puinhopen heen de stad zou binnenleiden. Toen Felix dat vernam, gaf hij zijn soldaten bevel de wapens op te nemen. Hij rukte met een groot aantal ruiters en voetsoldaten op uit Jeruzalem en stortte zich op de volgelingen van de Egyptenaar. Vierhonderd van hen bracht hij om het leven, tweehonderd nam hij gevangen. De Egyptenaar zelf wist uit het strijdgewoel te ontsnappen en verdween spoorloos.noot Josephus, Joodse Oudheden 20.169-171; vert. Wes/Meijer.

    De tweede keer is Josephus duidelijker over de aard van de Egyptische profeet: die modelleerde zijn optreden op Jozua, die ooit de muren van Jericho had laten instorten. Maar er is meer. Dit was duidelijk een messiaanse bewering, al onderdrukt Josephus die informatie. De eerste weggever is dat hij erkent dat de man wilde heersen als tyran, alleenheerser. Hij zal zichzelf wel Koning Messias hebben genoemd. De tweede aanwijzing is de vermelding van de Olijfberg, de plek waar God op de Dag des Oordeels zou staan om de strijd tegen de vijanden van Israël te voeren.noot Zacharia 14.4.

    Dat de tribuun die Paulus arresteerde, meende dat hij de Egyptenaar had gearresteerd, is eigenlijk wel logisch: Paulus werd ervan beschuldigd dat hij “overal en aan iedereen een leer verkondigt die tegen ons volk gericht is en tegen de wet en de tempel.”noot Handelingen 21.28. Die dreigende aankondiging was een punt van overeenkomst, en het zou teveel gevraagd zijn geweest van een Romeinse officier om het verschil te begrijpen tussen een Egyptenaar die zijn optreden modelleerde op Jozua en een farizee die zei de profeet te zijn van Jezus. Wij zijn het niet meteen, maar het zijn twee weergaven van dezelfde Aramese naam Yešua.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Als u wil helpen dragen in de kosten van deze blog, kunt u een van mijn boeken kopen (en lezen), zoals Goden en halfgoden. Of kom een cursus doen. Of doneer. U kunt deze blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #ClaudiusLysias #FlaviusJosephus #HandelingenVanDeApostelen #Jozua #MarcusAntoniusFelix #messianisme #messias #NieuweTestament #Olijfberg #Paulus #Tarsos

  11. Nikolaos

    Portret van een Romein, tweede kwart eerste eeuw (Archeologische collectie, Mérida)

    Ik heb in mijn zondagse reeks over het Nieuwe Testament wel vaker geblogd over de Twaalf, de door Jezus aangewezen leiders van het te herstellen Israël. Na de dood van Judas Iskariot zijn de Elf nog een keer op sterkte gebracht, zo lezen we in de Handelingen van de apostelen, maar vervolgens verdwijnen ze, althans als groep, uit de geschiedenis. Het initiatief komt bij een andere groep, die we doorgaans aanduiden als de diakens, al gebruikt de Bijbel die aanduiding niet. De aanleiding:

    Toen het aantal leerlingen toenam, ontstond er op een gegeven moment ontevredenheid bij de Griekstaligen, die de Hebreeuwssprekendennoot “Hebreeuws” is hier de Nederlandse weergave van het Griekse woord voor de taal die wij “Aramees” noemen. verweten dat de weduwen uit hun groep bij de dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld.noot Handelingen 6.1; NBV21.

    Nikolaos

    De Twaalf besluiten hierop zeven mannen aan te wijzen die zich bezighouden met de praktische zaken. Hoewel het woord dus niet valt, ontstaat hier feitelijk het diaconaat van de latere christelijke kerken: het beheer van de gemeenschappelijke middelen, zoals voor armenzorg. Een van de zeven diakens heet Nikolaos.

    Ze kozen Stefanus, een diepgelovig man, die vervuld was van de heilige Geest, en verder ook Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaos, een proseliet uit Antiochië.noot Handelingen 6.5; NBV21; een proseliet is een bekeerling.

    Marcus Vankan attendeert er in zijn mooie boek over Sint-Nikolaas op dat deze diaken, verantwoordelijk voor uitdelingen, weleens van invloed kan zijn geweest op het idee dat Sinterklaas geschenken uitdeelt. Een legende als die over de drie meisjes die een bruidsschat toegeworpen krijgen, past inderdaad heel mooi bij wat een diaken zoal deed/doet.

    Nikolaïeten

    Terug naar de Nikolaos uit de Handelingen. Of beter: verder naar de Openbaring van Johannes, die begint met enkele korte brieven aan christelijke gemeenten in Klein-Azië. De christenen in Pergamon krijgen een verwijt te horen:

    Sommigen houden op dezelfde manier vast aan de leer van de nikolaïeten.noot Openbaring 2.15; NBV21.

    Uit de context valt af te leiden dat dit van doen heeft met het eten van offervlees. Sommige christenen redeneerden dat dit verboden was, omdat joden vanouds weigerden andermans offervlees te eten; andere christenen redeneerden dat als het vlees was geofferd aan valse goden, je het veilig kon opeten. Die goden bestonden immers toch niet, dus wat zou het? De Nikolaïeten stelden zich blijkbaar op dit standpunt, dat de auteurs van het Nieuwe Testament beschouwden als onorthodox.

    Latere christelijke auteurs, zoals Eirenaios van Lyon (ca. 140-202), meenden dat deze ketterij was begonnen met de Nikolaos die we kennen uit Handelingen. Het is niet ondenkbaar dat Eirenaios, die afkomstig was uit Klein-Azië, iets heeft vernomen dat verder nergens is opgeschreven. Het is ook denkbaar dat het idee is gebaseerd op niets meer dan een naamsovereenkomst, zoals de Grieken ook zeker meenden te weten dat de Meden afstamden van Medeia en de Romeinen wisten dat Remus Reims had gesticht. Behoudens de vondst van nikolaïsche teksten zullen we het antwoord nooit weten.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Ik organiseer in het voorjaar van 2025 een reis naar de vernieuwde musea van Beieren. Door mee te gaan helpt u deze blog gratis te houden. Maar u kunt natuurlijk ook een van mijn boeken kopen (en lezen), een cursus doen, of doneren. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #diaken #EirenaiosVanLyon #HandelingenVanDeApostelen #MarcusVankan #NieuweTestament #nikolaïeten #NikolaosDiaken_ #offervlees #OpenbaringVanJohannes #SintNikolaas #Sinterklaas

  12. Antonius Felix

    Portret van een Romein, midden eerste eeuw (Museo civico, Milaan)

    Zoals de trouwe lezers van deze blog wellicht hebben gemerkt, blog ik in de zondagse reeks over het Nieuwe Testament momenteel vooral over personages die we ook van buiten de Bijbel kennen. Eén daarvan is Antonius Felix, de Romeinse gouverneur van Judea die een rol speelde in het proces tegen de apostel Paulus. Ik heb er al vaker over verteld: Paulus werd in Jeruzalem gearresteerd en op transport gesteld naar Caesarea, waar gouverneur Felix verbleef. Die hoorde Paulus’ aanklagers en diens verdediging, en hield de aangeklaagde in verzekerde bewaring.

    Enkele dagen later ging Felix samen met zijn vrouw Drusilla, die een Jodin was, naar de gevangenis. Hij liet Paulus halen om te horen wat hij over het geloof in Christus Jezus te zeggen had. Maar toen Paulus sprak over gerechtigheid en zelfbeheersing en over het komende oordeel van God werd Felix bang en zei: “Voorlopig kunt u gaan. Wanneer ik in de gelegenheid ben, zal ik u weer laten roepen.” Maar intussen hoopte hij dat Paulus hem geld zou aanbieden; daarom liet hij hem telkens weer komen voor een gesprek. noot Handelingen 23.24-26; NBV21].

    Toen Felix het gouverneurschap overdroeg aan Festus, zat Paulus nog altijd vast. Zoals ik al vertelde, hernieuwde deze de rechtszaak met Agrippa II en Berenike als adviseurs. Uiteindelijk ging Paulus door naar Rome voor hoger beroep.

    De knevelaar

    Het detail dat ons vermoedelijk het meeste opvalt, is dat Felix zijn gevangene vasthield in de hoop op steekpenningen. Vermoedelijk keek een ingezetene van het Romeinse Rijk minder op als hij hoorde van knevelarij. Het betalen van baksjisj was niet ongebruikelijk. Toch is opvallend dat ook de Romeinse geschiedschrijver Tacitus een vernietigend oordeel heeft over Felix. In de Historiën schrijft hij:

    Antonius Felix putte zich uit in wreedheden en lusten, mat zich koningsrechten aan met de geest van een slaaf. Hij had Drusilla getrouwd, kleindochter van Kleopatra en Antonius.noot Tacitus, Historiën 5.9; vert. Vincent Hunink.

    In de Annalen laat Tacitus zich in soortgelijke bewoordingen uit: Felix zou hebben gemeend zich ongestraft elke misdaad te kunnen veroorloven.noot Tacitus, Annalen 12.54. Beide passages zijn overigens vrij tendentieus: in het eerste geval leidt Tacitus het in met een opmerking dat Antonius Felix behoorde tot de ridderstand en dus niet, zoals Tacitus zelf, behoorde tot de senatoriële bestuurselite; in het tweede geval herinnert Tacitus eraan dat de gouverneur van Judea de broer was van een vrijgelatene. Een korreltje zout is dus op zijn plaats, zoals altijd bij Tacitus, zoals altijd bij n’importe welke antieke tekst.

    De bestuurder

    Eén reden waarom we wellicht met een ander karakter te maken hebben dan je op het eerste gezicht zou denken, is dat Antonius Felix acht jaar lang gouverneur was, van 52 tot 60 na Chr. De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus vermeldt dat Felix onrust in Caesarea met geweld onderdruktenoot Flavius Josephus, Joodse Oudheden 20.177. en optrad tegen roversbenden. Vaak ging het om verarmde mensen die geen andere uitweg meer zagen dan banditisme. Iets wat we na 40 steeds vaker zien.

    Dagelijks pakte Felix een groot aantal van hen op, samen met de terroristen, die hij vervolgens liet terechtstellen. Ook Eleazar de zoon van Dinaeus, de man die de rovers verenigd had in een georganiseerd geheel, kreeg hij via een list in handen. Hij had hem namelijk zijn woord van trouw gegeven dat hem niets kwaads zou overkomen en hem er zo toe overgehaald naar hem toe te komen. Daarop had hij hem in de boeien geslagen en op transport gesteld naar Rome.noot Flavius Josephus, Joodse Oudheden 20.160; vert. Wes & Meijer.

    Er is hier een mooie parallel uit de Lage Landen, waar gouverneur Corbulo de zeerover Gannascus op ongeveer hetzelfde moment op ongeveer dezelfde wijze gevangen wist te nemen. Een andere oproerkraaier waar Felix mee afrekende, staat bekend als “de Egyptenaar” en was – al zegt Josephus het niet met zoveel woorden – een messiaanse pretendent. Vierhonderd aanhangers zouden om het leven zijn gebracht.noot Flavius Josephus, Joodse Oudheden 20.171. Dit zullen opnieuw verarmde mensen zijn geweest.

    Tot slot was er het conflict met de hogepriester Jonathan, die bij keizer Claudius had gevraagd om Felix als gouverneur, en te laat ontdekte dat de Romein hard optrad tegen het gewone volk. Jonathan werd door moordenaars, mogelijk sicariërs, uit de weg geruimd, volgens Josephus op verzoek van Felix, die de moord onbestraft had gelaten.noot Flavius Josephus, Joodse Oudheden 20.164-165. Dit kan laster zijn, en in elk geval speelt op de achtergrond mee dat Jonathan niet behoorde tot de sadducese familie die het hogepriesterlijk ambt in deze tijd min of meer monopoliseerde. Het is denkbaar dat we de opdracht tot de moord moeten zoeken bij die familie.

    Wat ik maar zeggen wil: wat Josephus heeft te melden, duidt niet per se op een incompetente bestuurder. De Joodse geschiedschrijver heeft echter ook een vooringenomenheid: hij walgt van iedereen die zich tegen het gezag van de Joodse elite en de keizer verzette, en slikt kritiek in op een gouverneur die daartegen optrad.

    De netwerker

    Geen enkele Romeins bestuurder kon zonder patronage. In het geval van Antonius Felix hebben we daarvan een beeld. Tacitus en Josephus noemen allebei Felix’ broer Pallas, een van de naaste medewerkers van de keizers Claudius en Nero. Pallas en Felix waren allebei slaaf geweest van Drusus en Antonia Minor, maar vrijgelaten. En vrijgelatenen uit de keizerlijke familie konden het vér brengen. Pallas beschermde zijn broer later, toen hij zich moest verantwoorden voor zijn optreden in Caesarea.

    We weten nog meer over Felix’ netwerk. Zijn eerste echtgenote was Drusilla, een prinses uit Mauretania, wier vader Juba II in 40 door Caligula was geëxecuteerd. Inderdaad was Drusilla, zoals we hierboven zagen, een afstammelinge van Marcus Antonius en Kleopatra VII. Een huwelijk in een koninklijke familie zal Felix’ carrière zeker niet hebben geschaad en ook kapitaal hebben opgeleverd. Toen hij gouverneur werd, behoorde hij tot de ridderstand.

    Eenmaal in Judea, hertrouwde Felix met een andere prinses die eveneens Drusilla heette: de zus van Agrippa II en Berenike. Zoals we al zagen, noemde ook de auteur van de Handelingen deze Drusilla. Flavius Josephus bekritiseert de prinses omdat zij zou zijn getrouwd “in strijd met de wetten van haar voorvaderen”,noot Flavius Josephus, Joodse Oudheden 20.143. maar in dit geval hangt het er maar van af wiens uitleg je wil volgen. Lang niet iedereen zag dat zo.

    Kortom: terwijl de auteur van de Handelingen en Tacitus redenen hebben om Felix negatief te beoordelen, heeft Josephus redenen om niet al te scherp te oordelen. Als hij al verwijten maakt, betreft het Felix’ echtgenote. We blijven achter met een intrigerende puzzel.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Ik organiseer in het voorjaar van 2025 een reis naar de vernieuwde musea van Beieren. Door mee te gaan helpt u deze blog gratis te houden. Maar u kunt natuurlijk ook een van mijn boeken kopen (en lezen), een cursus doen, of doneren. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #Berenike #CaesareaMaritima #Claudius #DrusillaHerodiaansePrinses_ #DrusillaMauretanischePrinses_ #FlaviusJosephus #Gannascus #HandelingenVanDeApostelen #HerodesAgrippaII #JubaII #Judea #MarcusAntoniusFelix #MauretaniaCaesariensis #NieuweTestament #PallasVrijgelatene_ #Paulus #PubliusCorneliusTacitus

  13. Berenike

    Inscriptie van Berenike en Agrippa II uit Beiroet (klik=groot)

    De Joodse prinses Berenike maakt in het Nieuwe Testament één keer haar opwachting en dat leidt tot zegge en schrijve drie vermeldingen. Dat is niet veel, maar we vangen desondanks een glimp op van een van de meest fenomenale vrouwen uit Romeinse geschiedenis. Ze was de dochter van de Joodse koning Herodes Agrippa I (r.37-44) en de zus van koning Herodes Agrippa II (r.43-100). Hier zijn de drie vermeldingen.

    Paulus

    Koning Agrippa en Berenike kwamen naar Caesarea om bij Festus hun opwachting te maken. Tijdens hun verblijf, dat verscheidene dagen duurde, sprak Festus met de koning over de rechtszaak tegen Paulus.noot Handelingen 25.13-14; NBV21.

    Die rechtszaak was al oud. Paulus was voorgeleid bij de vorige gouverneur, Felix, die de zaak had aangehouden en overgedragen aan zijn opvolger. Ik blogde er al eens over. Festus wilde de kwestie nu oplossen met de hoogste Joodse gezagdragers.

    De volgende dag verschenen Agrippa en Berenike in vol ornaat. Samen met de legeraanvoerders en de voornaamste inwoners van de stad betraden ze de ontvangstzaal, waarna Paulus op bevel van Festus werd voorgeleid.noot Handelingen 25.23; NBV21.

    We lezen hoe Festus uitlegt dat hij niet weet wat hij met de zaak aan moet en we lezen Paulus’ verdedigingsrede. Daarna stond koning Agrippa op,

    evenals de procurator en Berenike en de anderen die de zitting hadden bijgewoond. Ze trokken zich terug en overlegden met elkaar.noot Handelingen 26.30-31a; NBV21.

    Paulus wordt hierna feitelijk vrijgesproken, maar dat is waarom ik hierover blog. Het oordeel wordt dus gevormd door een Romeinse gouverneur, een Joodse koning, wat andere aanwezigen en Berenike. Het stond een gouverneur vrij van iedereen advies te vragen, maar dat er een vrouw bij aanwezig is, illustreert dat Berenike iemand was om rekening mee te houden. En dat was niet voor niets.

    Driemaal getrouwd

    Als je vader koning was en als je broer koning zou worden, wachtte je een prinsessenhuwelijk. En inderdaad: Berenike, dertien jaar oud, trouwde in 41 na Chr. met het hoofd van de Joodse gemeenschap in Alexandrië, Marcus Julius Alexander (een neef van de filosoof Filon van Alexandrië).noot Josephus, Joodse Oudheden 19.276-277.

    Na de dood van haar echtgenoot trouwde Berenike voor de tweede keer, nu met een oom, koning Herodes van Chalkis, die heerste over de Bekaavallei. Ze lijkt een rol te hebben gespeeld bij de promotie van Tiberius Julius Alexander, de broer van haar eerste echtgenoot, tot gouverneur van Judea. Van Herodes had ze twee zonen, over wie we verder weinig weten.noot Josephus, Joodse Oudheden 19.277, 20.104.

    Na Herodes’ dood in 48 droeg keizer Claudius diens koninkrijk over aan Agrippa. Berenike, koningin van Chalkis en op twintigjarige leeftijd tweemaal weduwe, verhuisde nu naar het hof van haar broer. Haar rang als koningin zal een deel van de verklaring zijn voor haar invloed.

    Wat ook een rol gespeeld zal hebben, was de zichtbare genegenheid tussen haar en haar broer. Bovenstaande inscriptie uit Beiroet, EDCS-15300229, noemt de twee in één adem. (Om precies te zijn: ze noemt koningin Berenike vóór koning Agrippa.) De Babylonische Talmoed bewaart een onschuldige herinnering aan een discussie die de twee voerden over de kwaliteiten van geiten- en schaapsvlees.noot Babylonische Talmoed, Pesahim 57a. Er gingen echter ook geruchten over een incestueuze relatie; de Romeinse dichter Juvenalis verwijst ernaar.noot Juvenalis, Satiren 6.155-158.

    Een derde huwelijk volgde – volgens de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus om de geruchten te bezweren.noot Josephus, Joodse Oudheden 20.145-146. Haar echtgenoot was koning Polemon van Cilicië, maar dit huwelijk eindigde al snel in een echtscheiding. Omdat ze terugkeerde naar het hof van Agrippa II kregen de geruchten weer een nieuw leven. Wat de lezers van de Handelingen van die geruchten hebben gedacht, zullen we wel nooit weten, maar ze zullen hebben geweten dat de twee onafscheidelijk waren. Vandaar dat de auteur van de Handelingen bekend kan veronderstellen wie Berenike was.

    Titus

    In 66, zes jaar na de besprekingen over Paulus, brak de Joodse Opstand uit. Agrippa was de loyale bondgenoot van de Romeinse generaal Vespasianus. In deze tijd ontmoette Berenike Vespasianus’ zoon Titus, met wie ze een relatie begon. Hoewel de Romeinen niet onbekend waren met de situatie in het Nabije Oosten, was een lokale adviseur natuurlijk welkom: Berenikes rol zal niet zo groot zijn geweest als die van een Barsine of een Doña Marina, maar ze moet haar geliefde zo nu en dan suggesties hebben gedaan.

    Na de vernietiging van de Tempel in 70 ging ze met Titus mee naar Rome. De Romein schijnt een huwelijk overwogen te hebben, maar toen hij in 79 zelf keizer werd, stuurde hij haar naar huis. Invitus invitam, schrijft Suetonius, “tegen zijn zin, tegen haar zin”.noot Suetonius, Titus 7.2.

    Ze zal zijn teruggekeerd naar het hof van haar broer, maar haar verdere lot is onbekend, al zal ze invloed op Agrippa hebben gehouden. We zien echter ook een andere werkelijkheid: een vrouw kon alleen formidabel worden dankzij haar vader, haar broer en haar echtgenoot. Uiteindelijk was de Romeinse wereld een mannenwereld.

    [Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Ik organiseer in het voorjaar van 2025 een reis naar de vernieuwde musea van Beieren. Door mee te gaan helpt u deze blog gratis te houden. Maar u kunt natuurlijk ook een van mijn boeken kopen (en lezen), een cursus doen, of doneren. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #BabylonischeTalmoed #Berenike #CaesareaMaritima #Claudius #FilonVanAlexandrië #FlaviusJosephus #HandelingenVanDeApostelen #HerodesAgrippaI #HerodesAgrippaII #HerodesVanChalkis #MarcusAntoniusFelix #MarcusJuliusAlexander #NieuweTestament #Paulus #PolemonVanCilicië #PorciusFestus #Suetonius #TiberiusJuliusAlexander #Titus #Vespasianus

  14. Een voorname Romein, midden eerste eeuw (Museo civico, Milaan)

    Het was 52 na Chr., het was in Korinthe en Paulus had het weer eens aan de stok met mensen die niet op nieuwlichterij zaten te wachten. Ik heb het incident al eens beschreven: joodse burgers sleepten de apostel voor het gerecht, waar de Romeinse gouverneur, Gallio, zei dat hij niet kon oordelen over joodse rechtsregels.noot Handelingen 18.

    Lucius Junius Gallio Annaeanus

    Die Gallio, die kennen we. Hij heette voluit Lucius Junius Gallio Annaeanus en was de broer van Seneca. Dat Paulus, om zo te zeggen, slechts één handdruk was verwijderd van de beroemde senator-filosoof, was voor vrome vervalsers een onweerstaanbaar aantrekkelijk gegeven, en zo komt het dat in de Late Oudheid een onechte briefwisseling tussen de twee auteurs circuleerde. Gallio zelf is echter ook een interessante man.

    Zijn vader was Lucius Annaeus Seneca uit Córdoba, de auteur van een boek over welsprekendheid en een verloren geschiedwerk over de Romeinse burgeroorlogen. (Er is een exemplaar aanwezig geweest in de Villa van de Papyri – dus wie weet lezen we nog eens meer.) De schrijver had tenminste drie zonen

    • Lucius Annaeus Seneca Junior, de filosoof,
    • Annaeus Mela, over wie straks meer,
    • Annaeus Novatus, die met Paulus sprak.

    Omdat de jongste op zeker moment werd geadopteerd door een hoogleraar in de welsprekendheid, Lucius Junius Gallio, nam hij ook diens naam over: Lucius Junius Gallio dus, waaraan wij “Annaeanus” toevoegen om aan te geven dat hij uit de familie Annaeus kwam.

    Toen keizerin Agrippina Gallio’s oudere broer aanwees als mentor voor haar zoon Nero, was ook Gallio’s carrière gemaakt. We kennen niet alle stappen, maar als hij in 52 na Chr. gouverneur was in Griekenland, had hij al een reeks ambten bekleed. Een zwaar beschadigde inscriptie uit Delfi documenteert zijn aanwezigheid; keizer Claudius noemt de gouverneur zelfs “mijn vriend”. Omdat dit gouverneurschap precies te dateren valt, is ook zijn ontmoeting met Paulus precies te dateren, en deze gebeurtenis vormt een van de voornaamste ijkpunten van de nieuwtestamentische chronologie.

    De inscriptie uit Delfi

    Niet lang na zijn terugkeer volgde Nero zijn stief- en adoptiefvader Claudius op als keizer. Seneca was nu een van de invloedrijkste bestuurders in de Romeinse wereld en bezorgde zijn broer in 58 het consulaat, de hoogst denkbare functie. In die hoedanigheid was Gallio spreekstalmeester toen Nero een songfestival organiseerde, de Juvenalia, waaraan de vorst ook zelf deelnam.noot Cassius Dio, Romeinse Geschiedenis 62.19-20.

    Ondergang

    De val van Seneca, die in 65 werd gedwongen tot zelfmoord, luidde echter ook de ondergang in van zijn broers. Tijdens een Senaatsvergadering viel Gallio voor Nero op de knieën, smekend om zijn leven. Senatoren, zo observeerde de Romeinse geschiedschrijver Tacitus, hadden weleens de neiging “zich uit te putten in het kruiperigste gevlei, vooral degenen die vooral redenen hadden om te rouwen”.noot Tacitus, Annalen 15.73. Dat was niet alleen een verwijt aan Gallio, maar ook aan een senator die wist uit welke hoek de wind waaide en Gallio uitschold voor staatsvijand en moordenaar. En het was ook een verwijt aan de andere senatoren, die Gallio’s leven redden door hem en zijn criticus voor te houden dat Nero, clement als hij was, boven dit soort gedoe verheven was. Hielenlikkerij die mensenlevens redde, maar evengoed kruiperig was.

    Gallio overleefde het incident niet lang. De middelste broer, Annaeus Mela behartigde Nero’s financiële belangen. Zijn zoon was de dichter Lucanus, die betrokken raakte bij een complot tegen Nero en uit de weg werd geruimd. (Om die reden bleef zijn gedicht over de Tweede Burgeroorlog onvoltooid.) Toen het onderzoek naar dit complot zich uitbreidde naar Mela, opende die zich de aderen, en daarna lijkt ook Gallio zich van het leven te hebben beroofd.noot Tacitus, Annalen 16.17.

    Dat was in 66. We weten dat Paulus vóór dat jaar in Rome is geweest – de Handelingen van de apostelen eindigen met zijn aankomst – en je vraagt je af of de twee mannen elkaar nog een tweede keer hebben gesproken. Waarschijnlijk niet, maar het contact tussen de apostel en de hoge Romeinse bestuurskringen blijft fascinerend, en je begrijpt waarom het voor de vervalsers van de Paulus-Seneca-correspondentie onweerstaanbaar was.

    Deze blog is gratis, maar als u me wil steunen, koop dan een van mijn boeken, doe via Livius.nl een cursus of reis, of doneer. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    https://mainzerbeobachter.com/2024/11/03/gallio-seneca-en-mela/

    #AgrippinaMinor #Claudius #HandelingenVanDeApostelen #LuciusAnnaeusSeneca #LuciusAnnaeusSenecaSenior #LuciusJuniusGallioAnnaeanus #MarcusAnnaeusLucanus #Nero #NieuweTestament

  15. Judas Iskariot

    Dertig Tyrische sjekels (Bibelhaus, Frankfurt)

    Ik denk dat er, met de mogelijke uitzondering van Maria Magdalena, geen nieuwtestamentische bijrolspeler is die meer de aandacht heeft getrokken dan Judas Iskariot. Een deel van de verklaring is natuurlijk dat zo weinig over hem bekend is. Je kunt er van alles bij verzinnen.  En dat is in de afgelopen eeuwen dan ook gedaan. We weten echter weinig met voldoende zekerheid. Hij behoorde tot Jezus’ inner circle, De Twaalf. De evangelist Johannes weet dat Judas de gemeenschappelijke kas beheerde (12.6 en 13.29). Verder weten we dat Judas Jezus uitleverde aan de autoriteiten en dat hij kort na Jezus’ marteldood ook zelf dood was.

    Iskariot

    En o ja, zijn bijnaam was Iskariot. Maar we weten niet wat het betekent. Eén verklaring is in elk geval weinig plausibel: dat het zou zijn afgeleid van sicarius, “dolkdrager”. Er zijn namelijk maar heel weinig Latijnse leenwoorden in het Aramees en Hebreeuws. Je moet dan ook nog verklaren waarom de twee eerste letters zijn verwisseld. Zoiets komt wel voor maar is ongebruikelijk.

    Ik hecht iets meer waarde aan de theorie dat Iskariot komt van een Semitische vorm als sgr, verwijzend naar iemand die een ander uitlevert: “Judas de Uitleveraar” dus. Voordeel van deze theorie is dat we er geen Latijn bij hoeven halen maar blijven in de sfeer van het Aramees. Ook hier is echter wat filologisch goochelwerk nodig.

    Optie drie: het gaat om een plaatsaanduiding. Hij kwam uit het dorpje Keriot-Chesron dat wordt genoemd in Jozua 15.25. Het is niet onmogelijk maar het is onzeker of dit dorpje nog bestond. Er waren zeven eeuwen verstreken sinds de compositie van Jozua, eeuwen waarin de topografie veranderde door de Babylonische Ballingschap. Waar Chesron is gebleven, is weer een andere vraag.

    Misschien het aantrekkelijkst is dat de naam is afgeleid van škr, wat Iskariot zoiets zou laten betekenen als “man van de leugen”. Het past goed bij de wijze waarop Joden elkaar destijds uitscholden. Ook in de Dode-Zee-rollen is sprake van een “man van de leugen” ofwel “leugenspuier”. Dit is dus aantrekkelijk, plausibel zelfs, maar bewezen is het echter allerminst.

    Uitlevering

    Waarom Judas zijn meester aangaf bij de tempelautoriteiten, we weten het niet.  Het Evangelie van Marcus kent geen motief. Pas als Judas het aanbod heeft gedaan, komen de beruchte dertig zilverlingen ter sprake (14.10-11). Matteüs draait de volgorde om als Judas zijn meester als bij opbod verkoopt (26.15). Hebzucht is een eigenschap die ook Johannes in Judas’ schoenen schuift. Lukas ziet het anders: zijn Judas is door de duivel bezeten (22.3).

    Ik attendeer erop dat Judas zijn meester uitleverde. Hij was behulpzaam bij een arrestatie die de autoriteiten met het oog op de openbare orde noodzakelijk achtten. Uit niets valt op te maken dat Judas wilde dat Jezus zou worden gedood.

    Dan nog even de prijs: dertig zilverstukken. Het Griekse woord is ἀργύρια, wat vrijwel zeker slaat op de Tyrische sjekels die in de Tempel gangbaar waren. Die hadden een waarde van vier drachme, wat de totale prijs dus brengt op 120 drachmen. Dat is ongeveer viermaal het maandloon van een soldaat of een geschoolde arbeider. Een fors bedrag, maar de tempelautoriteiten zullen het een kleine prijs hebben gevonden om te beletten dat Jezus zijn programma zou uitvoeren: een revolutionaire opstand waarin de laatsten de eersten zouden zijn.

    Dood

    Matteüs schrijft dat Judas, toen Jezus niet alleen was gearresteerd maar ook werd geëxecuteerd …

    … zag dat Jezus ter dood veroordeeld was, kreeg hij berouw. Hij bracht de dertig zilverstukken naar de hogepriesters en oudsten terug en zei: “Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren.” Maar zij zeiden: “Wat gaat ons dat aan? Zie dat zelf maar op te lossen!” Toen smeet hij de zilverstukken de tempel in, vluchtte weg en verhing zich. (27.3-5)

    De Handelingen van de Apostelen vertellen iets anders.

    Bij een val werd zijn buik opengereten, zodat zijn ingewanden naar buiten kwamen. (1.8)

    Het kan niet allebei waar zijn, maar in de middeleeuwse iconografie werden de twee tradities gecombineerd. Dat levert vrij gruwelijke plaatjes op van gehangenen wier darmen uit de buik barsten. Historische waarde hebben die vanzelfsprekend niet.

    Speculaties

    We zijn met die plaatjes beland in het rijk van de speculatie, waarop ik aan het begin van dit blogje al attendeerde. We hoeven het er niet lang over te hebben, maar ik noem er twee.

    • Dat Judas Jezus zou hebben aangegeven omdat de situatie uit de hand liep (zoals gesuggereerd in Jesus Christ Superstar) is natuurlijk vriendelijk: het is een aardiger motief dan geldzucht. Maar het bronnenmateriaal geeft geen aanleiding tot deze speculatie.
    • Dat Judas Jezus geheel niet zou hebben verraden, zoals ooit met veel fanfare naar buiten gebracht door het zogeheten Jesus Seminar, betekent eveneens dat je terzijde schuift wat in de bronnen staat.

    Het enige wat we weten is dat de bronnen zeggen dat Judas Jezus uitleverde en dat jongere bronnen hebzucht noemen als motief. Dat is alles. Meer willen weten is, zoals de Fransen zeggen, hannibalisme.

    [Wordt vervolgd. Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    De Cypriotische stad Salamis

    juli 9, 2024
    De opstand van Tacfarinas (3)

    augustus 5, 2025
    Machaerus

    juni 13, 2020 Deel dit: #apostel #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanLukas #EvangelieVanMarcus #EvangelieVanMatteüs #HandelingenVanDeApostelen #hogepriesterschap #JesusChristSuperstar #JesusSeminar #JezusVanNazaret #JudasIskariot #NieuweTestament #zilverstuk
Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.