home.social

#vragenronddejaarwisseling — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #vragenronddejaarwisseling, aggregated by home.social.

  1. Vragen rond de jaarwisseling (3)

    De ark van Noach (Gevelsteen op de Schreierstoren, Amsterdam)

    Een kleine drie weken geleden nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal vandaag de vragen beantwoorden over de joodse wereld. Dat waren er opvallend veel.

    Het verhaal van de “zondvloed” komt in uiteenlopende versies voor in zowat elke cultuur. Is er ooit een universele ramp gebeurd en wanneer zouden we deze kunnen situeren ?

    Voor zover ik weet zijn de meeste verhalen over een grote overstroming en een kleine groep mensen die de beschaving (plus veestapel) redt, te herleiden tot een beperkt aantal originelen. De bekendste stamt uit Mesopotamië, met als varianten het Bijbelverhaal en een versie uit India en Perzië. De “Noach” in deze verhalen verneemt van de godheid waaronder de oerwateren ressorteren over de naderende ramp en bouwt een schip. Een ander origineel is dat van de vroege bewoners van de Amerika’s. Hierin dankt de mensheid haar redding aan een bergtop. Een derde verhaal komt uit China, waar archeologen op zoek zijn naar een historische gebeurtenis.

    Zoals de vragensteller al aangeeft, zijn de verhalen bekend uit “zowat” alle culturen. Uit bijvoorbeeld Japan en Egypte, waar toch ook oude beschavingen waren, kennen we zo’n verhaal niet. Afrikaanse verhalen schijnen ook te ontbreken of zijn via de monotheïstische godsdiensten geïnspireerd door Mesopotamië.

    Is er een universele ramp geweest? Nee. Voor Mesopotamië is wel gewezen op de door dikke kleipakketten gedocumenteerde watersnoodrampen uit het vroege derde millennium v.Chr. In de stad Ur ligt zo’n kleilaag rond 3100 v.Chr.; dit is een van de beroemdste archeologische vondsten aller tijden. In Uruk en Kish ligt zo’n laag rond 2900 v.Chr.,  in Šuruppak rond 2750 en uit Kish dateert een tweede kleilaag van rond 2500. Dit is zo inconsistent dat je mag aannemen dat de mythe wél verwijst naar traumatische gebeurtenissen maar niet naar één universele traumatische gebeurtenis.

    Kanaänitische stele (Israel Museum, Jeruzalem)

    Wat weten we over het voor-Bijbelse Israël?

    De kwestie is de definitie van Israël. Als is bedoeld: wat gebeurde in het gebied van het latere koninkrijk van David en Salomo, dan valt te wijzen op een aantal stadstaten, die deels bekend zijn uit opgravingen en deels uit bijvoorbeeld de Amarna-brieven. Die steden waren niet heel anders dan die in Syrië. In de Late Bronstijd zijn ze sterk verkleind, waarna we in de Vroege IJzertijd allerlei dorpjes vinden in het hoogland.

    Als is bedoeld of er al iets heeft bestaan dat de naam “Israël” droeg, dan is het antwoord dat een inscriptie uit Thebe vermeldt dat de Egyptische koning Merenptah in Kanaän de legers van de steden Ashkelon, Gezer en Yanoam heeft verslagen en dat Israël niet langer bestaat (“zijn zaad is niet langer”). De naam is geschreven met een teken dat duidt op een nomadisch volk, wat wel is opgevat als verwijzing naar de jaren waarin de Hebreeën door de woestijn zwierven.

    Ik wijs verder op de Apiru. Dit waren mensen die de belastingen niet meer konden betalen, hun land verlieten en zonder veel bestaanszekerheid leefden in afgelegen gebieden. Ze legden zich toe op banditisme en verhuurden zich als soldaten of dagloners. De mensen die woonden in de dorpjes in het hoogland zullen door de laatste bewoners van de leeglopende steden wel als Apiru zijn beschouwd, net als nomaden zoals “Israël” die naar Kanaän trokken. In elk geval waren de mensen uit de bergdorpjes de voorouders van de groepen die zich in de tiende eeuw onder koning David verenigden. Maar veel is onzeker.

    Grafsteen van een zwaardsmid (Nationaal Museum, Beiroet)

    Iedereen kent de uitdrukking “zwaarden omsmeden tot ploegscharen”, maar de profeet Joël noemt ook ploegscharen die tot zwaarden worden omgesmeed.noot Joël 4.10. Kan het zijn dat ijzer zo schaars was dat het werd gerecycled?

    Ja, want ijzer was kostbaar. Op een slagveld werden de gesneuvelden beroofd van hun wapenrustingen en een verslagen aanvoerder kon alleen de naakte lichamen van zijn manschappen terugvragen. Ik meen te weten dat er ook chemisch onderzoek is gedaan waaruit blijkt dat ijzer herhaaldelijk werd omgesmolten: van zwaarden naar ploegscharen en weer terug. We moeten opmerkingen over het omsmeden van zwaarden tot ploegscharen en vice versa dus serieus nemen, hoewel ze natuurlijk tegelijk symbolisch zijn.

    In de christelijke uitleg verwijst het meervoud Elohim naar de Drie-eenheid (OLV van Qannoubine)

    Was/is Elohim een meervoudsvorm of een uiting van eerbied en machtserkenning?

    Elohim, een van de namen van God, is van oorsprong inderdaad een meervoud en betekent zoiets als “de goden”, maar wordt consequent verbonden met werkwoorden in het enkelvoud. Deftig gezegd: morfologisch meervoud, syntactisch enkelvoud. Of mensen destijds het meervoud hebben herkend, is maar de vraag; ons woord “schoen” was ook ooit een meervoud maar niemand herkent dat nog.

    Is het meervoud een uiting van eerbied? Ik vroeg het Gert Knepper, die weleens schrijft voor deze blog.

    Dichter in de buurt komen als we ook kijken naar andere oude Semitische talen, zoals het Phoenicisch en het Akkadisch. Net als in het Hebreeuws kun je daar een meervoud gebruiken om abstractie uit te drukken. Zo drukt het Hebreeuws het abstracte begrip ‘vaderschap’ uit door het meervoud ‘vaders’. En zowel het Phoenicisch, het Akkadisch als het Hebreeuws kunnen het meervoudige ‘goden’ gebruiken om naar één persoon te verwijzen, waarbij de abstractie die het meervoud uitdrukte (‘goddelijkheid’) waarschijnlijk de functie had om uitnemendheid weer te geven: ‘de god par excellence’. ‘Elohim’ is dus Semitisch idioom, het meervoud heeft in eerste instantie een abstraherende functie (‘god[delijk]heid)’, en die functie dient om aan te geven dat het gaat om een ‘godheid bij uitstek

    Kleitablet met een Mesopotamische scheppingsmythe (Louvre, Parijs)

    Hoe kwam het scheppingsverhaal in de Bijbel terecht?

    De Bijbel bevat diverse verhalen over het ontstaan van de wereld. In Psalm 102 lezen we dat God vóór het ontstaan van de tijd – hoe dit mogelijk is, weet ik niet – de hemel schiep en de fundamenten legde van de aarde. In Job 26 heeft God de aardschijf opgehangen boven het niets.

    Het bekendst zijn de verhalen uit Genesis. In Genesis 2 schept Jahweh de mens en geeft hem een tuin in Eden. Dit verhaal moet vrij oud zijn, al weet niemand precies hoe oud. Tot slot is er het scheppingsverhaal uit Genesis 1-2.4, waarin Elohim de wereld schept in zes dagen en de sabbat als kroon plaatst op het werk. Hier wordt het voorgelezen:

    [youtube youtube.com/watch?v=njpWalYduU]

    Al deze verhalen bevatten beelden en ideeën die gangbaar waren in de oude wereld. Eigenlijk hebben alle volken wel een verhaal over de twee eerste mensen en over een paradijselijke oertoestand die om een of andere reden ten einde is gekomen. Het feit dat de Bijbelse beelden elkaar tegenspreken, bewijst dat de Joden geen behoefte hadden aan één bindend verhaal.

    Er is echter wel iets bijzonders aan de hand in Genesis 1.2-4. Antieke scheppingsverhalen eindigden nogal eens met de schepping van het koningschap. Je zou in het zevendagenverhaal verwachten dat God na de schepping van de mens ook de monarchie zou hebben geschapen – maar daar doorbreekt de auteur de verwachting: zoals gezegd is de sabbat het summum. Meer daarover hier.

    Christus (in een Romeinse catacombe, ik weet niet meer welke)

    Ik las eens dat Jezus mogelijk ooit in India is geweest. Zou dat waar kunnen zijn?

    Nee.

    [morgen meer]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

    Deel dit: #AmarnaBrieven #Apiru #Elohim #Genesis #ijzer #IJzertijd #IsraëlEnJuda #Jahweh #LateBronstijd #Merenptah #Scheppingsverhaal #vragenRondDeJaarwisseling #Zondvloed
  2. Vragen rond de jaarwisseling (3)

    De ark van Noach (Gevelsteen op de Schreierstoren, Amsterdam)

    Een kleine drie weken geleden nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal vandaag de vragen beantwoorden over de joodse wereld. Dat waren er opvallend veel.

    Het verhaal van de “zondvloed” komt in uiteenlopende versies voor in zowat elke cultuur. Is er ooit een universele ramp gebeurd en wanneer zouden we deze kunnen situeren ?

    Voor zover ik weet zijn de meeste verhalen over een grote overstroming en een kleine groep mensen die de beschaving (plus veestapel) redt, te herleiden tot een beperkt aantal originelen. De bekendste stamt uit Mesopotamië, met als varianten het Bijbelverhaal en een versie uit India en Perzië. De “Noach” in deze verhalen verneemt van de godheid waaronder de oerwateren ressorteren over de naderende ramp en bouwt een schip. Een ander origineel is dat van de vroege bewoners van de Amerika’s. Hierin dankt de mensheid haar redding aan een bergtop. Een derde verhaal komt uit China, waar archeologen op zoek zijn naar een historische gebeurtenis.

    Zoals de vragensteller al aangeeft, zijn de verhalen bekend uit “zowat” alle culturen. Uit bijvoorbeeld Japan en Egypte, waar toch ook oude beschavingen waren, kennen we zo’n verhaal niet. Afrikaanse verhalen schijnen ook te ontbreken of zijn via de monotheïstische godsdiensten geïnspireerd door Mesopotamië.

    Is er een universele ramp geweest? Nee. Voor Mesopotamië is wel gewezen op de door dikke kleipakketten gedocumenteerde watersnoodrampen uit het vroege derde millennium v.Chr. In de stad Ur ligt zo’n kleilaag rond 3100 v.Chr.; dit is een van de beroemdste archeologische vondsten aller tijden. In Uruk en Kish ligt zo’n laag rond 2900 v.Chr.,  in Šuruppak rond 2750 en uit Kish dateert een tweede kleilaag van rond 2500. Dit is zo inconsistent dat je mag aannemen dat de mythe wél verwijst naar traumatische gebeurtenissen maar niet naar één universele traumatische gebeurtenis.

    Kanaänitische stele (Israel Museum, Jeruzalem)

    Wat weten we over het voor-Bijbelse Israël?

    De kwestie is de definitie van Israël. Als is bedoeld: wat gebeurde in het gebied van het latere koninkrijk van David en Salomo, dan valt te wijzen op een aantal stadstaten, die deels bekend zijn uit opgravingen en deels uit bijvoorbeeld de Amarna-brieven. Die steden waren niet heel anders dan die in Syrië. In de Late Bronstijd zijn ze sterk verkleind, waarna we in de Vroege IJzertijd allerlei dorpjes vinden in het hoogland.

    Als is bedoeld of er al iets heeft bestaan dat de naam “Israël” droeg, dan is het antwoord dat een inscriptie uit Thebe vermeldt dat de Egyptische koning Merenptah in Kanaän de legers van de steden Ashkelon, Gezer en Yanoam heeft verslagen en dat Israël niet langer bestaat (“zijn zaad is niet langer”). De naam is geschreven met een teken dat duidt op een nomadisch volk, wat wel is opgevat als verwijzing naar de jaren waarin de Hebreeën door de woestijn zwierven.

    Ik wijs verder op de Apiru. Dit waren mensen die de belastingen niet meer konden betalen, hun land verlieten en zonder veel bestaanszekerheid leefden in afgelegen gebieden. Ze legden zich toe op banditisme en verhuurden zich als soldaten of dagloners. De mensen die woonden in de dorpjes in het hoogland zullen door de laatste bewoners van de leeglopende steden wel als Apiru zijn beschouwd, net als nomaden zoals “Israël” die naar Kanaän trokken. In elk geval waren de mensen uit de bergdorpjes de voorouders van de groepen die zich in de tiende eeuw onder koning David verenigden. Maar veel is onzeker.

    Grafsteen van een zwaardsmid (Nationaal Museum, Beiroet)

    Iedereen kent de uitdrukking “zwaarden omsmeden tot ploegscharen”, maar de profeet Joël noemt ook ploegscharen die tot zwaarden worden omgesmeed.noot Joël 4.10. Kan het zijn dat ijzer zo schaars was dat het werd gerecycled?

    Ja, want ijzer was kostbaar. Op een slagveld werden de gesneuvelden beroofd van hun wapenrustingen en een verslagen aanvoerder kon alleen de naakte lichamen van zijn manschappen terugvragen. Ik meen te weten dat er ook chemisch onderzoek is gedaan waaruit blijkt dat ijzer herhaaldelijk werd omgesmolten: van zwaarden naar ploegscharen en weer terug. We moeten opmerkingen over het omsmeden van zwaarden tot ploegscharen en vice versa dus serieus nemen, hoewel ze natuurlijk tegelijk symbolisch zijn.

    In de christelijke uitleg verwijst het meervoud Elohim naar de Drie-eenheid (OLV van Qannoubine)

    Was/is Elohim een meervoudsvorm of een uiting van eerbied en machtserkenning?

    Elohim, een van de namen van God, is van oorsprong inderdaad een meervoud en betekent zoiets als “de goden”, maar wordt consequent verbonden met werkwoorden in het enkelvoud. Deftig gezegd: morfologisch meervoud, syntactisch enkelvoud. Of mensen destijds het meervoud hebben herkend, is maar de vraag; ons woord “schoen” was ook ooit een meervoud maar niemand herkent dat nog.

    Is het meervoud een uiting van eerbied? Ik vroeg het Gert Knepper, die weleens schrijft voor deze blog.

    Dichter in de buurt komen als we ook kijken naar andere oude Semitische talen, zoals het Phoenicisch en het Akkadisch. Net als in het Hebreeuws kun je daar een meervoud gebruiken om abstractie uit te drukken. Zo drukt het Hebreeuws het abstracte begrip ‘vaderschap’ uit door het meervoud ‘vaders’. En zowel het Phoenicisch, het Akkadisch als het Hebreeuws kunnen het meervoudige ‘goden’ gebruiken om naar één persoon te verwijzen, waarbij de abstractie die het meervoud uitdrukte (‘goddelijkheid’) waarschijnlijk de functie had om uitnemendheid weer te geven: ‘de god par excellence’. ‘Elohim’ is dus Semitisch idioom, het meervoud heeft in eerste instantie een abstraherende functie (‘god[delijk]heid)’, en die functie dient om aan te geven dat het gaat om een ‘godheid bij uitstek

    Kleitablet met een Mesopotamische scheppingsmythe (Louvre, Parijs)

    Hoe kwam het scheppingsverhaal in de Bijbel terecht?

    De Bijbel bevat diverse verhalen over het ontstaan van de wereld. In Psalm 102 lezen we dat God vóór het ontstaan van de tijd – hoe dit mogelijk is, weet ik niet – de hemel schiep en de fundamenten legde van de aarde. In Job 26 heeft God de aardschijf opgehangen boven het niets.

    Het bekendst zijn de verhalen uit Genesis. In Genesis 2 schept Jahweh de mens en geeft hem een tuin in Eden. Dit verhaal moet vrij oud zijn, al weet niemand precies hoe oud. Tot slot is er het scheppingsverhaal uit Genesis 1-2.4, waarin Elohim de wereld schept in zes dagen en de sabbat als kroon plaatst op het werk. Hier wordt het voorgelezen:

    [youtube youtube.com/watch?v=njpWalYduU]

    Al deze verhalen bevatten beelden en ideeën die gangbaar waren in de oude wereld. Eigenlijk hebben alle volken wel een verhaal over de twee eerste mensen en over een paradijselijke oertoestand die om een of andere reden ten einde is gekomen. Het feit dat de Bijbelse beelden elkaar tegenspreken, bewijst dat de Joden geen behoefte hadden aan één bindend verhaal.

    Er is echter wel iets bijzonders aan de hand in Genesis 1.2-4. Antieke scheppingsverhalen eindigden nogal eens met de schepping van het koningschap. Je zou in het zevendagenverhaal verwachten dat God na de schepping van de mens ook de monarchie zou hebben geschapen – maar daar doorbreekt de auteur de verwachting: zoals gezegd is de sabbat het summum. Meer daarover hier.

    Christus (in een Romeinse catacombe, ik weet niet meer welke)

    Ik las eens dat Jezus mogelijk ooit in India is geweest. Zou dat waar kunnen zijn?

    Nee.

    [morgen meer]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

    Deel dit: #AmarnaBrieven #Apiru #Elohim #Genesis #ijzer #IJzertijd #IsraëlEnJuda #Jahweh #LateBronstijd #Merenptah #Scheppingsverhaal #vragenRondDeJaarwisseling #Zondvloed
  3. Vragen rond de jaarwisseling (1)

    Odysseus en Polyfemos (Eleusis)

    Twee weken geleden, op 17 december, nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal nu mijn best doen ze te beantwoorden. Er waren betrekkelijk weinig vragen over het “klassieke” deel van de oude wereld, maar daarmee begin ik vandaag wel.

    Wat vind je van de trailer van de verfilming van de Odyssee?

    Historici hebben geen mening over kunst. Ik heb het n.a.v. de film Redbad al eens uitgelegd. We vragen filmmakers toch ook niet of ze een mening hebben over historische processen?

    Fresco van een duiker (Paestum)

    Is de beroemde schildering van de duiker uit Paestum, gemaakt rond 475 v.Chr., Grieks, Etruskisch of Graeco-Etruskisch?

    Je kunt zeggen dat een scheppend kunstenaar autonoom is en uit de diverse tradities neemt wat hij nodig heeft, maar dat roept de vraag op welke tradities dat zijn. En of we die tradities eigenlijk wel kennen, want we kennen uit de Griekse wereld weinig dat hier op lijkt. Ik legde de vraag voor aan Ruurd Halbertsma, die voor het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een expositie maakte over Paestum. Hij schreef:

    De bekende ‘Tombe van de duiker’ blijft een Fremdkörper in de archeologie van Zuid-Italië. Het is tot nog toe de enige gedecoreerde graftombe uit de Griekse periode van Poseidonia/Paestum die we kennen. De twee lange wanden tonen vier ligbedden (klinai), waarop zes symposiasten zijn neergevleid, bezig met muziek, zang en liefkozingen. Een van de korte zijden laat de aankomst (of vertrek?) van de twee andere gasten zien, op de andere korte zijde is een jongen bezig met het uitschenken van de wijn. Op het deksel van de tombe is een naakte jongen afgebeeld, die vanaf een soort duiktoren een duik neemt in het water. Over de interpretatie is al veel inkt gevloeid. Het meest plausibel lijkt mij dat hier de geneugten van de jeugd worden gevierd. De duik als symbool van de overgang van leven naar dood wordt in de literatuur ook vaak genoemd, maar wordt op geen enkele manier gesteund door bijvoorbeeld literaire parallellen met een dergelijke beeldspraak als inhoud.

    De beste parallel voor de afbeelding is te vinden in de necropool van Tarquinia, in de Tombe van de Jacht en Visserij, ca. 520-510 v.Chr. Tussen al het jagen en vissen duikt een jongen vanaf een rotspunt de zee in, ook in de Etruskische wandschilderkunst een unicum. Nu hadden de Grieken uit Poseidonia wel contacten met de Etrusken, maar dat waren de Campaanse Etrusken, die aan de overkant van de rivier de Sele woonden. Hun hoofdstad, die onder het huidige Pontecagnano ligt, werd door de Romeinen in de Derde Samnitische Oorlog verwoest. Of het beeld/imago van de duiker in Poseidonia beïnvloed is door een kunstuiting helemaal ten noorden van de Tiber lijkt mij onwaarschijnlijk. Er werd door Grieken én door Etrusken voor het plezier gezwommen en gedoken, zoals jongetjes rondom de Middellandse Zee dat nog steeds doen, zoveel is zeker. En dat plezier zien we terug in de graven, naast de jacht, de muziek, de zang, de wijn en de seks. Kortom, laten we de ‘Tombe van de duiker’ maar gewoon Grieks blijven noemen!

    De Saalburg (even ten noorden van Frankfurt) is de moeder van alle limes-reconstructies.

    Waren er overeenkomsten tussen Tamuda (in Marokko) als grensgebied en de limesstreek in Nederland?

    Zoals zo vaak is het drievoudige antwoord: “ja” en “nee” en “we weten het niet”. Ja, want alle grensgebieden kennen dezelfde problematiek:

    • je moet niet ten onrechte welwillende bezoekers buitensluiten
    • je moet niet ten onrechte vijandelijke bezoekers toelaten.

    Voor de Romeinse wereld geldt hierbij als bijzonderheid seizoenmigratie en nomadisme, thema’s die voor de Nederlandse limes wat onderschat en voor de Maghreb wat overschat lijken te zijn. Tot zo ver het “ja”.

    Nee, want de limes langs de Rijn is langs een grote transportader door het vruchtbare vlakke land, terwijl in de Maghreb de vruchtbare gebieden in het voorland liggen, en er bergen zijn.

    Tot slot “we weten het niet”. We weten niet of de Romeinen één visie hadden op strategie, die aan alle grenzen dezelfde was, of dat de rijksverdediging steeds werd aangepast aan de omstandigheden. Voor zover ik weet zijn er argumenten voor beide standpunten.

    Codex Justinianus met Accursische glossen en in miniletters aanvullend commentaar (Limburgs Museum, Venlo)

    In de Oudheid waren er allerlei, meest ongeschreven rechtssystemen in ons land. Later zijn stedelijk, gewestelijk en nationaal recht ontstaan. Sinds wanneer is er sprake van nationale rechtssystemen en lijkt de ontwikkeling in ons land op die in bijvoorbeeld Duitsland?

    Voor zover mij bekend bestonden in het Romeinse Rijk inderdaad vooral ongeschreven rechtssystemen met daarnaast een geschreven traditie, waarvan we niet weten in welke mate die ook het leven reguleerde van gewone Bataven of Nerviërs. Dat geschreven rechtsstelsel is gecodificeerd in Beiroet en later, ten tijde van Justinianus, nog een tweede keer in Constantinopel. Deze Byzantijnse codificatie is rond 1200 in West-Europa ingevoerd en zou, samen met de standaardglossen van Accorso di Bagnolo de standaard zijn voor voor de nationale rechtssystemen.

    Let wel: rond 1200 waren er nog geen nationale staten.noot Ik vertik het om dat nieuwe anglicisme “natie-staat” te gebruiken. In de zestiende eeuw streefden de overheden naar eenheid (bijv. de Pragmatieke Sanctie van 1549), maar het verzet van de gewesten tegen deze centralisatiepolitiek was fel. Ik denk dat we in West-Europa pas kunnen spreken van nationale rechtssystemen vanaf pakweg 1800.

    Nederland en België waren rond 1830 wel zo’n beetje klaar, maar Duitsland werd pas in 1870 een eenheid, en ik meen te weten dat er pas in 1900 één rechtsstelsel was. In elk geval kon je in het Duitse Rijk tot 1899 een vonnis vragen volgens Romeinse regels.

    Imerix en Servofredus; twee goed-Germaanse namen (Archeologisch museum, Zadar)

    Wat weten we eigenlijk over Germaanse en Frankische naamgeving voor personen?

    Daarover blogde ik hier. (De vragensteller had vervolgvragen die ik niet zo 1-2-3 kan beantwoorden, sorry.)

    Allegorie op de wetenschap (Berliijn)

    Waarom bestuderen we de Oudheid? … Waarom heb jij voor de Oudheid gekozen?

    Waarom ik dit vak heb gekozen? Stom toeval. Ik had het verkeerde vakkenpakket om nog tropenarts te worden, en toen ik eenmaal was verlost van de militaire dienst, was de inschrijving voor Maatschappijgeschiedenis in Rotterdam al gesloten. Die van Geschiedenis aan de Vrije Universiteit was nog open.

    Waartoe dient de wetenschappelijke bestudering? Eén reden is dat dingen in de Oudheid zijn ontstaan die nog steeds het geval zijn, zoals het idee dat je niet én joods én christelijk kunt zijn, en maximaal één godsdienst kunt hebben: dat gaat terug op de implementatie van de Fiscus Judaicus door keizer Domitianus. Als je eenmaal weet dat iets onder specifieke omstandigheden is ontstaan, kun je je er ook van distantiëren. Het staat u vrij tegelijk moslim en katholiek te zijn, daar gaat Domitianus niet langer over. In die zin is oudheidkunde een bevrijdend, emancipatoir vak.

    Veel van die “ontstaan-claims” zijn overigens niet sociaalwetenschappelijk en overtuigend te bewijzen. En bovendien is het ontstaan van iets minder belangrijk dan het hedendaagse functioneren. Dus dit is geen heel sterke rechtvaardiging van de bestudering van het tijdperk.

    Een tweede, hiermee verwante rechtvaardiging is dat we zo nu en dan antieke ideeën kunnen reconstrueren en spiegelen met de onze. Wat een Aristoteles beweerde over vrouwen, zou in onze tijd ondenkbaar zijn, en roept de vraag op waarom wij zo anders denken.

    En dan is er nog het aspect waarop Rens Bod zo vaak attendeert: de modellen waarmee geesteswetenschappers hun onderzoek doen, beschrijven de werkelijkheid niet alleen maar vormen die ook. Ze hebben zélf agency. Ik adviseer iedereen om De vergeten wetenschappen te lezen. Oudheidkundig voorbeeld: de reconstructie van de Indo-Europese taalfamilie schiep het nationalisme in een voor ons herkenbare vorm.

    Tot zover de officiële redenen, waarmee de subsidiëring valt te rechtvaardigen. De voornaamste reden is echter een andere: het contact met het verleden is gewoon leuk. Net zoals het bijwonen van het North Sea Jazz festival, een vakantie in Limburg, een bezoek aan Museum Arnhem of het lezen van een roman, behoeft een liefde voor de Oudheid voor het niet-gesubsidieerde deel der mensheid geen rechtvaardiging.

    [Morgen meer]

    PS

    Ik deel altijd petities als oudheidkundige instellingen worden bedreigd, wat zo elke twee à drie maanden gebeurt. Soms pakt het gelukkig goed uit: de Vrije Universiteit in Amsterdam heeft aardwetenschappen (met een belangrijk isotopenlaboratorium) niet beëindigd.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

    Deel dit: #AccorsoDiBagnolo #agency #DerdeSamnitischeOorlog #Domitianus #FiscusJudaicus #Lucaniërs #nomadisme #Paestum #Redbad #RensBod #RomeinsRecht #schilderkunst #seizoensmigratie #speelfilm #Tamuda #vragenRondDeJaarwisseling
  4. Bronnen

    De brand van de Hindenburg

    Ik nodigde u onlangs uit om vragen te stellen in mijn reeks “vragen rond de jaarwisseling” en ik heb de vier blogjes met antwoorden inmiddels geschreven. Morgen de eerste aflevering. Eén vraag was echter meer complex. Ze betrof de bronnen en het antwoord vergde een apart stukje, dus bij dezen.

    Kan je nog eens de definities herhalen/bevestigen van een primaire en een secundaire bron?

    Een primaire bron is een tekst die rechtstreeks verslag doet van een gebeurtenis. Denk aan de notulen van een vergadering of een staatsverdrag, maar ook aan een ooggetuigenverslag – en dat kan een brief zijn, een foto, een krantenartikel, een inscriptie of een filmpje van een brandende zeppelin. Doorgaans vindt de historicus primaire bronnen in archieven of in een bronnenuitgave; voor Romeinse inscripties is er bijvoorbeeld de EDCS.

    Een secundaire bron is op te vatten als een narratief, gebaseerd op primaire bronnen. Dat kan een biografie zijn, of een monografie over een klein onderwerp of een synthese. Als een secundaire bron conflicteert met een primaire bron, is er meestal iets niet in de haak.

    Voor de oudheidkundige is dit onderscheid overigens wat lastig. Er zijn antieke secundaire bronnen, maar die zijn minimaal ten dele gebaseerd op geruchten en andere mondelinge informatie, terwijl we niet kunnen controleren welke primaire bronnen zijn gebruikt, zo dat überhaupt al het geval is. Maar deze secundaire bronnen vormen dus de basis van onze eigen geschiedschrijving over de Oudheid – die we dus eigenlijk tertiair zouden moeten noemen.

    Zijn er namen voor bronnen waarvan het origineel fysiek bewaard is gebleven en bronnen die we alleen indirect kennen?

    In de eerste categorie vallen (voor de oudheidkundige) de papyri, de kleitabletten en inscripties, waarbij ik aanteken dat de naam “papyri” ook wordt gebruikt voor teksten op perkament of leer. Een echte verzamelnaam voor authentieke teksten ken ik niet. Literaire teksten die we alleen indirect kennen, kunnen worden aangeduid als kopieën.

    Maar gekopieerde literaire teksten kunnen natuurlijk ook weer verwijzen naar eerdere, indirect gekende teksten: nogal wat secundaire bronnen zijn alleen bekend als middeleeuwse kopie en citeren primaire bronnen. De moderne lezer zit dus met een internetuitgave van een moderne tekstuitgave van een gereconstrueerde tekst, gebaseerd op middeleeuwse kopieën van een antieke secundaire bron die een primaire bron citeert.

    Waar worden fysieke kopieën bewaard?

    Inscripties kunnen nog in situ zijn, of in lapidaria, of in musea. Papyri liggen meestal in museale depots.

    Wordt er intussen gewerkt aan digitalisering?

    Volop. Voor papyri is er bijvoorbeeld Trismegistos, voor Latijnse inscripties de al genoemde EDCS. Veel middeleeuwse manuscripten zijn inmiddels gefotografeerd. Dat geldt ook voor de belangrijkste papyri en daarbij worden diverse lichtsoorten en diverse soorten software gebruikt, waardoor nog weleens iets zichtbaar wordt dat eerst niet zichtbaar was. Anders gezegd: gebruik nooit een oude tekstuitgave, al is er niet altijd een recente.

    Zijn er vermoedens van geschreven bronnen die ergens opgeslagen liggen maar niet bekend zijn?

    In Oxford liggen een half miljoen papyri op uitgave te wachten. In Londen zo’n 100.000 kleitabletten. We kunnen nog wel even vooruit.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

    Deel dit: #inscriptie #papyri #primaireBron #secundaireBron #vragenRondDeJaarwisseling
  5. Vragen rond de jaarwisseling (2)

    Een Romeinse dodecaëder (Archeologisch Museum, Zagreb)

    Ik nodigde u onlangs uit om vragen te stellen voor het lijstje “Vragen rond de jaarwisseling” van 2024. De eerste zes vragen beantwoordde ik daar; hier zijn er nog eens zes.

    7. Is er meer bekend over hoe bijv. Caesar een grote troepenmacht met alle ondersteuning over grote (zee) afstanden kon sturen?

    Ik denk dat u dit stuk moet lezen.

    8. Was er in de oude wereld een sociale status vereist om deel te nemen aan de eredienst? Kijkend naar de meest populaire godheden in de antieke culturen, zie ik elitaire prioriteiten zoals autoriteit, oorlog en wijsheid. Verraadt dat een bepaalde maatschappelijke structuur?

    De cultus draaide doorgaans om het offer en niet iedereen kon dat betalen. Dit betekent dat de maatschappelijke gemarginaliseerden waren uitgesloten van althans een deel van de eredienst. Een bekende anekdote gaat over Simeon, de zoon van Gamaliël, die protesteerde toen in de joodse tempel in Jeruzalem de prijs van een duif was verhoogd. Hij bereikte een normalisering van het tarief en daarmee was het heil opnieuw betaalbaar. Niet voor de bedelarmen, maar wel voor mensen die enige inkomsten hadden.

    Dat de meest populaire goden zich bezighielden met autoriteit, oorlog en gecontroleerde kennis, is gezichtsbedrog. De populariteit van een god is af te meten aan inscripties en tempels en afbeeldingen, maar alle drie waren uitingen van de elite-cultuur. We weten feitelijk niet wie, maatschappijbreed, de populairste goden waren.

    We kunnen wel nadenken over wat de gemarginaliseerden, zoals de herders uit het Lukas-evangelie, hebben gedacht. In voorindustriële werelden, waarin alles draaide om patronage en dus tussenpersonen, verlangen de machtelozen vooral naar rechtstreeks contact met degenen die de beslissingen nemen (“brokerless kingdom”). En de tempel, waar het offer zo duur was, was zo’n tussenpersoon tussen de gemarginaliseerde gelovige en zijn god. Acties tegen de officiële eredienst, zoals Jezus’ tempelreiniging, passen heel goed in dit beeld.

    Ik focus in dit antwoord op het jodendom omdat het Nieuwe Testament zo verdraaid interessant is. Hier discussiëren vissers, prostituees en tollenaars over de zaken die zij belangrijk vonden en dat maakt het Nieuwe Testament tot een uniek sociologisch document. Ik heb het vaker geschreven, al weet ik even niet meer waar, maar alleen al om deze reden zou op de gymnasia wat meer gelezen moeten worden in het Lukasevangelie en de Handelingen van de apostelen.

    9. Wat was het doel en de betekenis van de Romeinse dodecaëders?

    Als ik het wist, doceerde ik nu aan de Sorbonne.

    10. Ik heb weleens gehoord dat tussen ca 500 v.Chr. en 1000 na Chr. het terpengebied tot de dichtst bewoonde gebieden in Europa hoorde.

    Dat lijkt me kras. Steden zijn echt dichter bevolkt dan welk platteland ook. En in een deel van de genoemde periode, tussen pakweg 250 en 450, was het kustgebied zelfs verlaten. Misschien is er een misverstand: West-Friesland was in de Bronstijd heel erg dichtbevolkt. Een mooi boek daarover is Landschap vol Leven. De archeologie van de Westfrisiaweg van Jolanda Bos en Sigrid van Roode.

    11. Ik hoop op een overzicht “wijzigende inzichten van 2000 tot 2024 m.b.t. tot het tijdvak “einde Romeinse Rijk en Vroege Middeleeuwen”.

    Dat is moeilijk samen te vatten, maar een paar dingen zijn wel duidelijk. Eén, we begrijpen beter dat rond het midden van de zesde eeuw er een paar verschrikkelijke dingen zijn gebeurd: drie snel op elkaar volgende vulkaanuitbarstingen, een epidemie die we nu met Pest kunnen identificeren en hongersnood. De demografische instorting was al langer bekend, maar we begrijpen nu de oorzaken beter. Dit is de feitelijke breuk tussen de laatantieke en vroegmiddeleeuwse samenleving. Het vacuüm werd gevuld door de Arabieren; hun wereld begrijpen we beter dankzij de ontdekking van duizenden en duizenden inscripties. Het ontstaan van de islam is ook beter begrepen.

    Voor onze eigen contreien zou ik de muntschat van Lienden willen noemen, die bewees dat de macht van Rome zich rond 460 nog tot de Betuwe uitstrekte. Ze bewees ook dat het netwerk van het vroege Frankische Rijk is ontstaan binnen het Romeinse Rijk.

    12. Wat is er waar van het verhaal over de goede grond in de Betuwe (bat ouwe) en de slechte van de Veluwe (vale ouwe)?

    De beste etymologie van “Betuwe” is *bat-agwio, “het goede waterland”; u leest er hier meer over. Een moderne etymologie van “Veluwe” legt een verband met het Germaanse *felwa, dat zoiets als bleekgeel betekent; vgl. vaal en het Engelse woord fallow. Ook het Germaanse *felw- wordt wel genoemd, een woord dat zou verwijzen naar een moerasbos; vgl. ons woord wilg.

    [wordt vervolgd]

    Ik organiseer in het voorjaar van 2025 een reis naar de vernieuwde musea van Beieren. Door mee te gaan helpt u deze blog gratis te houden. Maar u kunt natuurlijk ook een van mijn boeken kopen (en lezen), een cursus doen, of doneren. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #bedelarmoede #Betuwe #brokerlessKingdom #DodeZeeRollen #etymologie #Friezen #JolandaBos #JuliusCaesar #Lienden #NieuweTestament #patronage #SigridVanRoode #SimeonBenGamaliël #terpen #Veluwe #vikingen #vragenRondDeJaarwisseling #WestFriesland