home.social

#vragen-rond-de-jaarwisseling — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #vragen-rond-de-jaarwisseling, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Vragen rond de jaarwisseling (4)

    Giorgio de Chirico, Gli archeologi (1927)

    Zo’n drie weken geleden nodigde ik u uit om de traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik zal nu mijn best doen de meer beschouwende vragen te beantwoorden.

    Wat vond je zelf de belangrijkste ontdekking?

    Eerlijk gezegd heb ik in 2025 weinig bijzonders zien langskomen. Alles ging z’n gangetje. Je kunt natuurlijk niet elk jaar een nieuwswaardige doorbraak hebben.

    Waar zou je dit jaar de Kasteel van Amstelprijs voor geven?

    Ach ja, de Kasteel van Amstelprijs! In de eerste jaargangen van de Livius Nieuwsbrief reikte ik die uit aan de meest opzichtige manier om te vissen naar publiciteit. Ik noem nog maar eens Josephine Quinn, die de geschiedenis van Het Westen plaatst in de wijdere context. Voor de journalisten die haar kritiekloos aan het woord lieten: wereldgeschiedenis is een genre uit de jaren zeventig. De journalistiek relevante vraag is waarom wetenschappers publiciteit zoeken met iets dat dat al een halve eeuw in de belangstelling staat.

    Archeologie is een sociale wetenschap

    Hoe gaat het verder met de internationale oudheidkunde?

    Dat is moeilijk te zeggen. Enerzijds zijn er de laatste jaren interessante mogelijkheden gekomen: de DNA-revolutie heeft de hermeneutische buitengrens onhoudbaar gemaakt en biedt daardoor (vooral aan classici) ongekende en onverkende mogelijkheden. Verder bieden computers kansen om causaliteit te toetsen, zodat historici de geschiedvorsing naar een hoger plan kunnen tillen. Artificiële intelligentie verbetert de paleografie; andere vormen van digitalisering verrijken de archeologie.

    Er kan dus van alles, maar ik zie weinig initiatieven om het wetenschappelijk onderwijs zo aan te passen dat voldoende breed gevormde onderzoekers worden opgeleid. Te veel publicaties zijn nodeloos gespecialiseerd en dragen bij aan de Rückfall des Menschen in seine selbstverschuldete Unmündigkeit.

    Ik heb een kop uit De Volkskrant even gecorrigeerd.

    Hoe wordt er, vergeleken met Nederland, over archeologie geschreven in de media? Is het erger/beter/anders? En valt er iets te zeggen over oorzaken?

    Nederland lijkt een middenmoter. In landen als Israël, Griekenland en Italië lijkt (voor zover ik overzien kan) nauwelijks normaal over archeologie geschreven te worden; uit Spanje krijg ik daarentegen regelmatig interessante stukken. Belangrijke nuance: overal zijn goede journalisten die weten waar het over gaat, en in alle landen speelt het probleem dat de algemene redacties berichten over het verleden niet herkennen als wetenschap en verzuimen door te geven aan de wetenschapsredactie.

    Plus dat veel wetenschapsjournalisten denken dat ze archeologie voldoende begrijpen om er onvoorbereid over te kunnen schrijven. Dit wordt in de hand gewerkt doordat archeologen hun persberichten beperken tot meldingen over vondsten. Wie niet toont hoe de archeologie sociaalwetenschappelijke hypothesen toetst, versterkt het journalistieke vooroordeel dat het slechts gaat over vondsten waarover iedereen wel een stukje kan typen.

    Rob Jetten vraagt jou als staatssecretaris van Onderwijs. Je krijgt nog geld mee ook. Welke vijf concrete programma’s stelt staatssecretaris Lendering voor?

    1. Eerst open access.
    2. Verder moeten de publicaties die de universiteiten de afgelopen dertig jaar achter betaalmuren hebben verborgen, onverwijld worden ontsloten.
    3. Daarnaast moeten we de schade die door het verbergen van inzicht is ontstaan (“bad information drives out good”) tenietdoen.
    4. Het middelbaar onderwijs in Nederland moet een jaar langer (zesjarige HAVO, zevenjarig VWO) en het (geestes)wetenschappelijk onderwijs moet hersteld tot het wetenschappelijk minimum van zes à zeven jaar.
    5. Een automatische budgetkorting voor universiteiten, overeenkomend met 100% van het advertentiebudget. De zo vrijkomende gelden gaan naar het beroepsonderwijs.

    Maar deze ideeën zijn slechts lapwerk. De eigenlijke problemen zitten dieper. De betaalmuren staan haaks op de missie van de universiteit (wettelijke definitie: inzichten overdragen aan de samenleving). De studieduurbekorting van de jaren tachtig stond haaks op de wetenschappelijkheid die we verwachten van academische vorming. Betaalmuren en te korte opleidingen zijn evident fout en je kunt daar, zonder dat er doden vallen of zo, zó gewoon iets van zeggen, dat ik niet begrijp waarom intelligente academici er medewerking aan hebben verleend. De waarschuwingen liggen er al sinds de jaren tachtig. Dat ik dit niet snap, verraadt mijn gebrekkige mensenkennis.

    Daarom denk ik dat ik de verkeerde staatssecretaris voor Onderwijs ben. Als Rob Jetten me zou vragen, verwijs ik hem naar WOinActie.

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal. In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier.

    Deel dit: #badInformationDrivesOutGood #DNARevolutie #hermeneutischeBuitengrens #vragenRondDeJaarwisseling #wereldgeschiedenis #wetenschapsjournalistiek #WOInActie #zelftrivialisering
  2. Vragen rond de jaarwisseling (3)

    De ark van Noach (Gevelsteen op de Schreierstoren, Amsterdam)

    Een kleine drie weken geleden nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal vandaag de vragen beantwoorden over de joodse wereld. Dat waren er opvallend veel.

    Het verhaal van de “zondvloed” komt in uiteenlopende versies voor in zowat elke cultuur. Is er ooit een universele ramp gebeurd en wanneer zouden we deze kunnen situeren ?

    Voor zover ik weet zijn de meeste verhalen over een grote overstroming en een kleine groep mensen die de beschaving (plus veestapel) redt, te herleiden tot een beperkt aantal originelen. De bekendste stamt uit Mesopotamië, met als varianten het Bijbelverhaal en een versie uit India en Perzië. De “Noach” in deze verhalen verneemt van de godheid waaronder de oerwateren ressorteren over de naderende ramp en bouwt een schip. Een ander origineel is dat van de vroege bewoners van de Amerika’s. Hierin dankt de mensheid haar redding aan een bergtop. Een derde verhaal komt uit China, waar archeologen op zoek zijn naar een historische gebeurtenis.

    Zoals de vragensteller al aangeeft, zijn de verhalen bekend uit “zowat” alle culturen. Uit bijvoorbeeld Japan en Egypte, waar toch ook oude beschavingen waren, kennen we zo’n verhaal niet. Afrikaanse verhalen schijnen ook te ontbreken of zijn via de monotheïstische godsdiensten geïnspireerd door Mesopotamië.

    Is er een universele ramp geweest? Nee. Voor Mesopotamië is wel gewezen op de door dikke kleipakketten gedocumenteerde watersnoodrampen uit het vroege derde millennium v.Chr. In de stad Ur ligt zo’n kleilaag rond 3100 v.Chr.; dit is een van de beroemdste archeologische vondsten aller tijden. In Uruk en Kish ligt zo’n laag rond 2900 v.Chr.,  in Šuruppak rond 2750 en uit Kish dateert een tweede kleilaag van rond 2500. Dit is zo inconsistent dat je mag aannemen dat de mythe wél verwijst naar traumatische gebeurtenissen maar niet naar één universele traumatische gebeurtenis.

    Kanaänitische stele (Israel Museum, Jeruzalem)

    Wat weten we over het voor-Bijbelse Israël?

    De kwestie is de definitie van Israël. Als is bedoeld: wat gebeurde in het gebied van het latere koninkrijk van David en Salomo, dan valt te wijzen op een aantal stadstaten, die deels bekend zijn uit opgravingen en deels uit bijvoorbeeld de Amarna-brieven. Die steden waren niet heel anders dan die in Syrië. In de Late Bronstijd zijn ze sterk verkleind, waarna we in de Vroege IJzertijd allerlei dorpjes vinden in het hoogland.

    Als is bedoeld of er al iets heeft bestaan dat de naam “Israël” droeg, dan is het antwoord dat een inscriptie uit Thebe vermeldt dat de Egyptische koning Merenptah in Kanaän de legers van de steden Ashkelon, Gezer en Yanoam heeft verslagen en dat Israël niet langer bestaat (“zijn zaad is niet langer”). De naam is geschreven met een teken dat duidt op een nomadisch volk, wat wel is opgevat als verwijzing naar de jaren waarin de Hebreeën door de woestijn zwierven.

    Ik wijs verder op de Apiru. Dit waren mensen die de belastingen niet meer konden betalen, hun land verlieten en zonder veel bestaanszekerheid leefden in afgelegen gebieden. Ze legden zich toe op banditisme en verhuurden zich als soldaten of dagloners. De mensen die woonden in de dorpjes in het hoogland zullen door de laatste bewoners van de leeglopende steden wel als Apiru zijn beschouwd, net als nomaden zoals “Israël” die naar Kanaän trokken. In elk geval waren de mensen uit de bergdorpjes de voorouders van de groepen die zich in de tiende eeuw onder koning David verenigden. Maar veel is onzeker.

    Grafsteen van een zwaardsmid (Nationaal Museum, Beiroet)

    Iedereen kent de uitdrukking “zwaarden omsmeden tot ploegscharen”, maar de profeet Joël noemt ook ploegscharen die tot zwaarden worden omgesmeed.noot Joël 4.10. Kan het zijn dat ijzer zo schaars was dat het werd gerecycled?

    Ja, want ijzer was kostbaar. Op een slagveld werden de gesneuvelden beroofd van hun wapenrustingen en een verslagen aanvoerder kon alleen de naakte lichamen van zijn manschappen terugvragen. Ik meen te weten dat er ook chemisch onderzoek is gedaan waaruit blijkt dat ijzer herhaaldelijk werd omgesmolten: van zwaarden naar ploegscharen en weer terug. We moeten opmerkingen over het omsmeden van zwaarden tot ploegscharen en vice versa dus serieus nemen, hoewel ze natuurlijk tegelijk symbolisch zijn.

    In de christelijke uitleg verwijst het meervoud Elohim naar de Drie-eenheid (OLV van Qannoubine)

    Was/is Elohim een meervoudsvorm of een uiting van eerbied en machtserkenning?

    Elohim, een van de namen van God, is van oorsprong inderdaad een meervoud en betekent zoiets als “de goden”, maar wordt consequent verbonden met werkwoorden in het enkelvoud. Deftig gezegd: morfologisch meervoud, syntactisch enkelvoud. Of mensen destijds het meervoud hebben herkend, is maar de vraag; ons woord “schoen” was ook ooit een meervoud maar niemand herkent dat nog.

    Is het meervoud een uiting van eerbied? Ik vroeg het Gert Knepper, die weleens schrijft voor deze blog.

    Dichter in de buurt komen als we ook kijken naar andere oude Semitische talen, zoals het Phoenicisch en het Akkadisch. Net als in het Hebreeuws kun je daar een meervoud gebruiken om abstractie uit te drukken. Zo drukt het Hebreeuws het abstracte begrip ‘vaderschap’ uit door het meervoud ‘vaders’. En zowel het Phoenicisch, het Akkadisch als het Hebreeuws kunnen het meervoudige ‘goden’ gebruiken om naar één persoon te verwijzen, waarbij de abstractie die het meervoud uitdrukte (‘goddelijkheid’) waarschijnlijk de functie had om uitnemendheid weer te geven: ‘de god par excellence’. ‘Elohim’ is dus Semitisch idioom, het meervoud heeft in eerste instantie een abstraherende functie (‘god[delijk]heid)’, en die functie dient om aan te geven dat het gaat om een ‘godheid bij uitstek

    Kleitablet met een Mesopotamische scheppingsmythe (Louvre, Parijs)

    Hoe kwam het scheppingsverhaal in de Bijbel terecht?

    De Bijbel bevat diverse verhalen over het ontstaan van de wereld. In Psalm 102 lezen we dat God vóór het ontstaan van de tijd – hoe dit mogelijk is, weet ik niet – de hemel schiep en de fundamenten legde van de aarde. In Job 26 heeft God de aardschijf opgehangen boven het niets.

    Het bekendst zijn de verhalen uit Genesis. In Genesis 2 schept Jahweh de mens en geeft hem een tuin in Eden. Dit verhaal moet vrij oud zijn, al weet niemand precies hoe oud. Tot slot is er het scheppingsverhaal uit Genesis 1-2.4, waarin Elohim de wereld schept in zes dagen en de sabbat als kroon plaatst op het werk. Hier wordt het voorgelezen:

    [youtube youtube.com/watch?v=njpWalYduU]

    Al deze verhalen bevatten beelden en ideeën die gangbaar waren in de oude wereld. Eigenlijk hebben alle volken wel een verhaal over de twee eerste mensen en over een paradijselijke oertoestand die om een of andere reden ten einde is gekomen. Het feit dat de Bijbelse beelden elkaar tegenspreken, bewijst dat de Joden geen behoefte hadden aan één bindend verhaal.

    Er is echter wel iets bijzonders aan de hand in Genesis 1.2-4. Antieke scheppingsverhalen eindigden nogal eens met de schepping van het koningschap. Je zou in het zevendagenverhaal verwachten dat God na de schepping van de mens ook de monarchie zou hebben geschapen – maar daar doorbreekt de auteur de verwachting: zoals gezegd is de sabbat het summum. Meer daarover hier.

    Christus (in een Romeinse catacombe, ik weet niet meer welke)

    Ik las eens dat Jezus mogelijk ooit in India is geweest. Zou dat waar kunnen zijn?

    Nee.

    [morgen meer]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

    Deel dit: #AmarnaBrieven #Apiru #Elohim #Genesis #ijzer #IJzertijd #IsraëlEnJuda #Jahweh #LateBronstijd #Merenptah #Scheppingsverhaal #vragenRondDeJaarwisseling #Zondvloed
  3. Vragen rond de jaarwisseling (2)

    De niet zo grote volksverhuizingen

    Twee weken geleden nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal nu mijn best doen ze beantwoorden. Nadat we gisteren het “klassieke” deel van de oude wereld hebben bekeken, nu de fascinerende Late Oudheid.

    Maar wat kunnen we nu echt weten van de laatantieke migraties?

    We weten dat de vijfde eeuw gewelddadig is geweest, maar of dit kwam door grootschalige migratie, is niet helemaal duidelijk. Dat de bronnen erover schrijven, wil alleen maar zeggen dat de auteurs er belang in stelden, maar we lezen inmiddels wel dieper en herkennen beter wat ze niet zeggen. Veel van wat oudhistorici als migranten hebben getypeerd, waren feitelijk opstandige Romeinse legeronderdelen. Alarik was geen barbaar die de vijandelijke hoofdstad plunderde, maar een Romeinse officier met politieke eisen in de richting van zijn superieur.

    Het veel-gereproduceerde landkaartje hierboven is misleidend. Het toont wél de buitenlandse volken die op het Romeinse Rijk lijken te zijn afgekomen, over een periode van drie eeuwen, alsof dat gelijktijdig was. Dat is dus suggestief. En het verbergt de migratie uit het Romeinse Rijk weg, hoewel christelijke minderheden naar het oosten zijn getrokken.

    En er is nog iets. We kunnen met moderne bioarcheologische technieken vaststellen dat er in de Late Oudheid bevolkingsverplaatsingen zijn geweest. Dat wordt dan veelal uitgelegd als zie-je-wel-dat-er-grote-volksverhuizingen-waren. Maar hoe groot waren eerdere migraties? We kunnen dat niet meten omdat mensen toen werden gecremeerd, en er geen materiaal resteert voor chemische analyse.

    Advies: lees dit boek. Het is echt goed.

    Justinianus (Bode-Museum, Berlijn)

    Klopt het dat het beleid van keizer Justinianus, die in het westen grote gebieden wist te heroveren, destructief is geweest voor het West-Romeins staatsapparaat?

    Dit vind ik een moeilijke vraag. Het Romeinse staatsapparaat is in de loop van de vijfde eeuw al voor een deel ingestort maar – als ik een oxymoron mag gebruiken – beschaafde barbaarse koningen garandeerden ook continuïteit, die in Ostrogotisch Italië en Visigotisch Iberië aanzienlijk was. Nadat Justinianus de Maghreb en Italië had heroverd, kwamen daar bestuurders met de aloude bestuurlijke functies. Voor zover er een breuk was geweest na de verdwijning van het keizerlijk hof in Italië (476), werd die minimaal ten dele hersteld.

    De zesde eeuw bood wel het akelige schouwtoneel van de grote kladderadatsch: terwijl het klimaat verslechterde, was er eerst een enorme vulkaanuitbarsting, vervolgens hongersnood en ten slotte een uitbraak van de pest. De antieke cultuur en dus ook de laat-Romeinse instituties kwamen ten einde. Maar daar kon keizer Justinianus weinig aan doen.

    Visigotische decoratie uit Mérida

    Wat mij opviel is dat je in Visigotische (en eerdere?) kunst de abstracte vlakverdelingen al ziet die de latere islamitische kunst kenmerkt. Hoe verhouden die twee zich?

    Het antwoord weet ik niet, maar het toeval wil dat ik medio januari naar Spanje afreis, waar ik twee weken hoop rond te trekken. Daarbij staat het Visigotische Museum in Toledo op het programma, én enkele steden waar Arabische architecten hebben gewerkt. Kortom: het antwoord volgt.

    Romeinse helm uit Wijk bij Duurstede (Rijkscollectie)

    Ik ben benieuwd wat u vindt van het standpunt van Albert Delahaye dat Dorestad niet bij Wijk bij Duurstede heeft gelegen. 

    De ideeën van Albert Delahaye, dat oudheidkundigen de topografie van de Romeinse Lage Landen verkeerd hadden (en dat Dorestad niet Wijk bij Duurstede is), deden in in de jaren vijftig en zestig nogal wat stof opwaaien, mede doordat er destijds minder archeologisch materiaal was. Hij had redelijk wat aanhang. De data-explosie die volgde op de ondertekening van de Conventie van Malta heeft zó veel nieuwe vondsten opgeleverd, dat Delahayes opvattingen zelfs door zijn sympathisanten inmiddels worden beschouwd als te radicaal.

    Ik heb me er nooit in willen verdiepen, omdat ik vermoed dat andere onderwerpen me in de beschikbare tijd méér inzicht opleveren. Dat is een vooroordeel, inderdaad, maar ik denk dat ik er goed aan deed. Ik verantwoord me hier.

    [In het nieuwe jaar meer]

    (Gevelsteen, Nadorststeeg, Amsterdam)

    PS

    Vandaag is de laatste dag van het jaar. Ik wens u een mooie jaarwisseling. En mocht u een financieel goed jaar achter de rug hebben en wat geld kunnen missen: overweeg eens een donatie aan de Stichting Leergeld, aan Cordaid of aan Reporters Without Borders.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

    Zelfde tijdvak


    Barmhartige en andere samaritanen (1)

    september 26, 2020
    Verkoopakte van een slaaf

    december 22, 2019
    NWA: Nogmaals de kerstening

    december 22, 2016 Deel dit: #Alarik #AlbertDelahaye #Dorestad #Justinianus #RijkVanToledo #vragenRondDeJaarwisseling
  4. Vragen rond de jaarwisseling (1)

    Odysseus en Polyfemos (Eleusis)

    Twee weken geleden, op 17 december, nodigde ik u uit om de inmiddels traditionele vragen rond de jaarwisseling te stellen. Ik ontving er vrij veel en zal nu mijn best doen ze te beantwoorden. Er waren betrekkelijk weinig vragen over het “klassieke” deel van de oude wereld, maar daarmee begin ik vandaag wel.

    Wat vind je van de trailer van de verfilming van de Odyssee?

    Historici hebben geen mening over kunst. Ik heb het n.a.v. de film Redbad al eens uitgelegd. We vragen filmmakers toch ook niet of ze een mening hebben over historische processen?

    Fresco van een duiker (Paestum)

    Is de beroemde schildering van de duiker uit Paestum, gemaakt rond 475 v.Chr., Grieks, Etruskisch of Graeco-Etruskisch?

    Je kunt zeggen dat een scheppend kunstenaar autonoom is en uit de diverse tradities neemt wat hij nodig heeft, maar dat roept de vraag op welke tradities dat zijn. En of we die tradities eigenlijk wel kennen, want we kennen uit de Griekse wereld weinig dat hier op lijkt. Ik legde de vraag voor aan Ruurd Halbertsma, die voor het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een expositie maakte over Paestum. Hij schreef:

    De bekende ‘Tombe van de duiker’ blijft een Fremdkörper in de archeologie van Zuid-Italië. Het is tot nog toe de enige gedecoreerde graftombe uit de Griekse periode van Poseidonia/Paestum die we kennen. De twee lange wanden tonen vier ligbedden (klinai), waarop zes symposiasten zijn neergevleid, bezig met muziek, zang en liefkozingen. Een van de korte zijden laat de aankomst (of vertrek?) van de twee andere gasten zien, op de andere korte zijde is een jongen bezig met het uitschenken van de wijn. Op het deksel van de tombe is een naakte jongen afgebeeld, die vanaf een soort duiktoren een duik neemt in het water. Over de interpretatie is al veel inkt gevloeid. Het meest plausibel lijkt mij dat hier de geneugten van de jeugd worden gevierd. De duik als symbool van de overgang van leven naar dood wordt in de literatuur ook vaak genoemd, maar wordt op geen enkele manier gesteund door bijvoorbeeld literaire parallellen met een dergelijke beeldspraak als inhoud.

    De beste parallel voor de afbeelding is te vinden in de necropool van Tarquinia, in de Tombe van de Jacht en Visserij, ca. 520-510 v.Chr. Tussen al het jagen en vissen duikt een jongen vanaf een rotspunt de zee in, ook in de Etruskische wandschilderkunst een unicum. Nu hadden de Grieken uit Poseidonia wel contacten met de Etrusken, maar dat waren de Campaanse Etrusken, die aan de overkant van de rivier de Sele woonden. Hun hoofdstad, die onder het huidige Pontecagnano ligt, werd door de Romeinen in de Derde Samnitische Oorlog verwoest. Of het beeld/imago van de duiker in Poseidonia beïnvloed is door een kunstuiting helemaal ten noorden van de Tiber lijkt mij onwaarschijnlijk. Er werd door Grieken én door Etrusken voor het plezier gezwommen en gedoken, zoals jongetjes rondom de Middellandse Zee dat nog steeds doen, zoveel is zeker. En dat plezier zien we terug in de graven, naast de jacht, de muziek, de zang, de wijn en de seks. Kortom, laten we de ‘Tombe van de duiker’ maar gewoon Grieks blijven noemen!

    De Saalburg (even ten noorden van Frankfurt) is de moeder van alle limes-reconstructies.

    Waren er overeenkomsten tussen Tamuda (in Marokko) als grensgebied en de limesstreek in Nederland?

    Zoals zo vaak is het drievoudige antwoord: “ja” en “nee” en “we weten het niet”. Ja, want alle grensgebieden kennen dezelfde problematiek:

    • je moet niet ten onrechte welwillende bezoekers buitensluiten
    • je moet niet ten onrechte vijandelijke bezoekers toelaten.

    Voor de Romeinse wereld geldt hierbij als bijzonderheid seizoenmigratie en nomadisme, thema’s die voor de Nederlandse limes wat onderschat en voor de Maghreb wat overschat lijken te zijn. Tot zo ver het “ja”.

    Nee, want de limes langs de Rijn is langs een grote transportader door het vruchtbare vlakke land, terwijl in de Maghreb de vruchtbare gebieden in het voorland liggen, en er bergen zijn.

    Tot slot “we weten het niet”. We weten niet of de Romeinen één visie hadden op strategie, die aan alle grenzen dezelfde was, of dat de rijksverdediging steeds werd aangepast aan de omstandigheden. Voor zover ik weet zijn er argumenten voor beide standpunten.

    Codex Justinianus met Accursische glossen en in miniletters aanvullend commentaar (Limburgs Museum, Venlo)

    In de Oudheid waren er allerlei, meest ongeschreven rechtssystemen in ons land. Later zijn stedelijk, gewestelijk en nationaal recht ontstaan. Sinds wanneer is er sprake van nationale rechtssystemen en lijkt de ontwikkeling in ons land op die in bijvoorbeeld Duitsland?

    Voor zover mij bekend bestonden in het Romeinse Rijk inderdaad vooral ongeschreven rechtssystemen met daarnaast een geschreven traditie, waarvan we niet weten in welke mate die ook het leven reguleerde van gewone Bataven of Nerviërs. Dat geschreven rechtsstelsel is gecodificeerd in Beiroet en later, ten tijde van Justinianus, nog een tweede keer in Constantinopel. Deze Byzantijnse codificatie is rond 1200 in West-Europa ingevoerd en zou, samen met de standaardglossen van Accorso di Bagnolo de standaard zijn voor voor de nationale rechtssystemen.

    Let wel: rond 1200 waren er nog geen nationale staten.noot Ik vertik het om dat nieuwe anglicisme “natie-staat” te gebruiken. In de zestiende eeuw streefden de overheden naar eenheid (bijv. de Pragmatieke Sanctie van 1549), maar het verzet van de gewesten tegen deze centralisatiepolitiek was fel. Ik denk dat we in West-Europa pas kunnen spreken van nationale rechtssystemen vanaf pakweg 1800.

    Nederland en België waren rond 1830 wel zo’n beetje klaar, maar Duitsland werd pas in 1870 een eenheid, en ik meen te weten dat er pas in 1900 één rechtsstelsel was. In elk geval kon je in het Duitse Rijk tot 1899 een vonnis vragen volgens Romeinse regels.

    Imerix en Servofredus; twee goed-Germaanse namen (Archeologisch museum, Zadar)

    Wat weten we eigenlijk over Germaanse en Frankische naamgeving voor personen?

    Daarover blogde ik hier. (De vragensteller had vervolgvragen die ik niet zo 1-2-3 kan beantwoorden, sorry.)

    Allegorie op de wetenschap (Berliijn)

    Waarom bestuderen we de Oudheid? … Waarom heb jij voor de Oudheid gekozen?

    Waarom ik dit vak heb gekozen? Stom toeval. Ik had het verkeerde vakkenpakket om nog tropenarts te worden, en toen ik eenmaal was verlost van de militaire dienst, was de inschrijving voor Maatschappijgeschiedenis in Rotterdam al gesloten. Die van Geschiedenis aan de Vrije Universiteit was nog open.

    Waartoe dient de wetenschappelijke bestudering? Eén reden is dat dingen in de Oudheid zijn ontstaan die nog steeds het geval zijn, zoals het idee dat je niet én joods én christelijk kunt zijn, en maximaal één godsdienst kunt hebben: dat gaat terug op de implementatie van de Fiscus Judaicus door keizer Domitianus. Als je eenmaal weet dat iets onder specifieke omstandigheden is ontstaan, kun je je er ook van distantiëren. Het staat u vrij tegelijk moslim en katholiek te zijn, daar gaat Domitianus niet langer over. In die zin is oudheidkunde een bevrijdend, emancipatoir vak.

    Veel van die “ontstaan-claims” zijn overigens niet sociaalwetenschappelijk en overtuigend te bewijzen. En bovendien is het ontstaan van iets minder belangrijk dan het hedendaagse functioneren. Dus dit is geen heel sterke rechtvaardiging van de bestudering van het tijdperk.

    Een tweede, hiermee verwante rechtvaardiging is dat we zo nu en dan antieke ideeën kunnen reconstrueren en spiegelen met de onze. Wat een Aristoteles beweerde over vrouwen, zou in onze tijd ondenkbaar zijn, en roept de vraag op waarom wij zo anders denken.

    En dan is er nog het aspect waarop Rens Bod zo vaak attendeert: de modellen waarmee geesteswetenschappers hun onderzoek doen, beschrijven de werkelijkheid niet alleen maar vormen die ook. Ze hebben zélf agency. Ik adviseer iedereen om De vergeten wetenschappen te lezen. Oudheidkundig voorbeeld: de reconstructie van de Indo-Europese taalfamilie schiep het nationalisme in een voor ons herkenbare vorm.

    Tot zover de officiële redenen, waarmee de subsidiëring valt te rechtvaardigen. De voornaamste reden is echter een andere: het contact met het verleden is gewoon leuk. Net zoals het bijwonen van het North Sea Jazz festival, een vakantie in Limburg, een bezoek aan Museum Arnhem of het lezen van een roman, behoeft een liefde voor de Oudheid voor het niet-gesubsidieerde deel der mensheid geen rechtvaardiging.

    [Morgen meer]

    PS

    Ik deel altijd petities als oudheidkundige instellingen worden bedreigd, wat zo elke twee à drie maanden gebeurt. Soms pakt het gelukkig goed uit: de Vrije Universiteit in Amsterdam heeft aardwetenschappen (met een belangrijk isotopenlaboratorium) niet beëindigd.

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

    Deel dit: #AccorsoDiBagnolo #agency #DerdeSamnitischeOorlog #Domitianus #FiscusJudaicus #Lucaniërs #nomadisme #Paestum #Redbad #RensBod #RomeinsRecht #schilderkunst #seizoensmigratie #speelfilm #Tamuda #vragenRondDeJaarwisseling
  5. Vragen rond de jaarwisseling (3)

    Reconstructie van het gezicht van Sensaos (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

    Ik nodigde u onlangs uit om vragen te stellen voor het lijstje “Vragen rond de jaarwisseling” van 2024. De eerste zes vragen beantwoordde ik hier, de volgende zes daar, en hier zijn er nog eens zes.

    13. Hoe gradueel ging het klassieke Latijn als voertaal uit West-Europa over in de Romaanse talen?

    Voor zover ik weet ligt er een probleem met onze data: we hebben alleen geschreven teksten. Uiteraard bevatten die regelmatig opmerkingen over de spreektaal, maar de schrijftaal kennen we wel beter dan de dagelijkse omgangstaal. Het klassieke Latijn en het klassieke Grieks bleven lang in gebruik omdat dit de talen waren waarmee de elites met elkaar communiceerden. Ze hadden een positie die vergelijkbaar is met het hedendaagse standaard-Arabisch.

    Ondertussen waren er in de spreektaal wel degelijk ontwikkelingen. Het gesproken Latijn in Numidië zal anders zijn geweest dan het gesproken Latijn in de Lage Landen, omdat in de ene provincie de vroege Berbertalen invloed hadden, terwijl in het Rijnland Gallische en Germaanse invloeden waren. We hebben een paar aanwijzingen voor de spreektaal. In onze contreien kende men een /h/-achtige klank die de Romeinen niet kenden en op verschillende manieren weergaven. De bewoners van Zuid-Holland heetten dus Cananefaten en Hiananefaten. De Hauhae, “hooghemers” ofwel de bewoners van de terpen en wierden, werden op deze manier Chauken.

    In de vijfde eeuw viel de eenheids-schrijftaal weg. Wat daarna in inscripties geschreven wordt, staat veel dichter bij de spreektaal. Het Latijnse novem, “negen”, heeft dan zijn laatste medeklinker al verloren en is al op weg naar het Franse neuf. Evengoed waren er literaire auteurs die een Latijn schreven dat een Cicero zou hebben begrepen.

    Of de ontwikkeling gradueel of snel verliep, is moeilijk te zeggen omdat ontwikkelingen binnen de spreektalen in de eerste Romeinse eeuwen eeuwenlang moeilijk kenbaar zijn, als het ware bedekt door de Latijnse schrijftaal. In de vijfde eeuw zijn er echter zeker verschillen en vanaf de negende eeuw zijn die voldoende scherp om hedendaags Frans te herkennen – bijvoorbeeld in de Straatsburger Eden.

    Tot slot: het was een spel van enerzijds een natuurlijke ontwikkeling van de spreektaal en anderzijds het vasthouden aan oude taalvormen. Dat laatste gebeurde deels omdat mensen netjes voor de dag wilden komen en dus vasthielden aan klassieke vormen (zoals autochtone Nederlanders het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke vormen handhaven als correct Nederlands), en deels omdat die vormen waren ingeburgerd. Vooral veel gebruikte werkwoorden bevatten daardoor overblijfselen van oudere taalfasen, eigenlijk een soort archaic survivals.

    14. Behoorden de vroege Friezen bij de Vikingen in Engeland?

    Of we zo precies kunnen zijn, weet ik niet, maar een recente expositie in het Fries Museum in Leeuwarden maakt wel duidelijk dat ook de bewoners van het laatantieke/vroegmiddeleeuwse kustgebied zich aansloten bij de Vikingen. Meer informatie daar.

    15. Welke andere publicisten zijn er die net zoals Erasmus de klassieke bronnen grondig en systematisch bestudeerd hebben?

    Erasmus had allerlei collega’s, zoals Cornelis Gerritsz en Reinier Snoy, die allebei over de Bataven hebben gepubliceerd. Ook Gerard Geldenhouwer schreef daarover. Zij leefden in de zestiende eeuw en zijn verantwoordelijk voor het “Gelderse geschiedbeeld”, waarin de Bataven gelden als voorlopers van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Janus Dousa is verantwoordelijk voor het misverstand dat het Lugdunum op de Peutingerkaart Leiden zou zijn.

    Iets eerder leefden Alexander Hegius en Rudolf Agricola, die zich bezighielden met het Grieks, een taal die maar weinig West-Europeanen in de vijftiende eeuw beheersten. Kortom, Erasmus was de enige niet.

    16. Waarom wordt een monumentaal gebouw uit de Middeleeuwen, bijvoorbeeld een kathedraal, hersteld en een monumentaal gebouw uit de Oudheid, bijvoorbeeld een tempel, niet?

    Ik denk dat het is omdat kathedralen over het algemeen nog wel overeind staan en vaak ook nog in gebruik zijn. Als de Notre Dame afbrandt, restaureer je die. Maar antieke tempels, tja: het zijn al eeuwenlang ruïnes, we kennen ze niet anders. Ik denk ook niet dat er iemand is die die abattoirs wil heropenen.

    17. Hebt u een mening over reconstructies van schedels, geraamtes of andersoortige restanten van mensen?

    In zo’n gezichtsreconstructie komen diverse soorten informatie samen. Om te beginnen de schedel zelf. Omdat we weten hoe dik de huid en de gezichtsspieren zijn, kunnen ze redelijke benaderingen geven van de vorm van het gelaat. Er zijn zulke goede gezichtsreconstructies van bijvoorbeeld onbekende moordslachtoffers gemaakt, dat de nabestaanden de overledene herkenden, en forensisch onderzoek mogelijk werd.

    Het tweede soort informatie komt uit de rest van het geraamte. Als iemand zwaarlijvig was, heeft dat sporen nagelaten in de vorm van vergroeide botten en kapotte knieën. Hieruit zijn conclusies te trekken over het vet in het gezicht, dus of mensen een onderkin of andere vetlagen hadden.

    Dan is er het DNA. Daarmee kunnen we tegenwoordig uitspraken doen over de kleur van de huid en de ogen. Dat gezichtsreconstructies van prehistorische en antieke mensen tegenwoordig donkerder worden vervaardigd, is geen politieke correctheid, maar gebaseerd op feiten. Vermoedelijk zou het Rijksmuseum van Oudheden de reconstructie van de zestienjarige Sensaos die bovenaan dit stukje staat, tegenwoordig donkerder maken.

    Hoewel er dus verbetering is, blijven er subjectieve aannames. Het RMO gaf onlangs uitleg over de keuzes bij de gezichtsreconstructie van Sensaos. De keuze voor nogal volle lippen was gebaseerd op het gegeven dat haar moeder een Nubische naam had, dus uit Oost-Afrika, waar mensen tegenwoordig zulke lippen hebben. Haar kaaklijn lijkt daarentegen meer West-Afrikaans. Het fysisch antropologisch bewijs conflicteerde hier dus met het naamkundig bewijs en welke keuze je ook maakt, ze is subjectief.

    18. Hoe herken je een degelijk/goed “publieksgeschiedenisboek”?

    Moeilijk te zeggen, omdat er diverse manieren zijn om het publiek aan te spreken. Je hebt de eerste lijn, waarin we de feiten presenteren, zoals de boeken van Bart Van Loo. En je hebt de tweede lijn, waarin we mensen in een staat van vertrouwdheid brengen met het wetenschappelijk proces, zoals ik probeer in mijn boek Oudheidkunde is een wetenschap. En zo zijn er meer verschillen. Het is lastig te zeggen wat boeken goed maakt.

    Aanwijzingen dat een boek slecht is, zijn er wel: denk aan een literatuurlijst zonder Franse of Duitse literatuur. En als het gaat over de Oudheid: een classicus die geen archeoloog raadpleegt en vice versa. Auteurs die geen meelezers noemen, hebben onvoldoende zelfkritiek. Maar dit spreekt natuurlijk vanzelf.

    Voor straks: fijne jaarwisseling! Voor morgen: gelukkig nieuw jaar!

    Ik organiseer in het voorjaar van 2025 een reis naar de vernieuwde musea van Beieren. Door mee te gaan helpt u deze blog gratis te houden. Maar u kunt natuurlijk ook een van mijn boeken kopen (en lezen), een cursus doen, of doneren. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #archaicSurvival #DesideriusErasmus #GerardGeldenhouwer #gezichtsreconstructie #JuliusCaesar #Latijn #Lienden #LugdunumBatavorum #Peutingerkaart #RijksmuseumVanOudheden #romaanseTalen #Sensaos #StraatsburgerEden #taalkunde #vragenRondDeJaarwisseling

  6. Vragen rond de jaarwisseling (2)

    Een Romeinse dodecaëder (Archeologisch Museum, Zagreb)

    Ik nodigde u onlangs uit om vragen te stellen voor het lijstje “Vragen rond de jaarwisseling” van 2024. De eerste zes vragen beantwoordde ik daar; hier zijn er nog eens zes.

    7. Is er meer bekend over hoe bijv. Caesar een grote troepenmacht met alle ondersteuning over grote (zee) afstanden kon sturen?

    Ik denk dat u dit stuk moet lezen.

    8. Was er in de oude wereld een sociale status vereist om deel te nemen aan de eredienst? Kijkend naar de meest populaire godheden in de antieke culturen, zie ik elitaire prioriteiten zoals autoriteit, oorlog en wijsheid. Verraadt dat een bepaalde maatschappelijke structuur?

    De cultus draaide doorgaans om het offer en niet iedereen kon dat betalen. Dit betekent dat de maatschappelijke gemarginaliseerden waren uitgesloten van althans een deel van de eredienst. Een bekende anekdote gaat over Simeon, de zoon van Gamaliël, die protesteerde toen in de joodse tempel in Jeruzalem de prijs van een duif was verhoogd. Hij bereikte een normalisering van het tarief en daarmee was het heil opnieuw betaalbaar. Niet voor de bedelarmen, maar wel voor mensen die enige inkomsten hadden.

    Dat de meest populaire goden zich bezighielden met autoriteit, oorlog en gecontroleerde kennis, is gezichtsbedrog. De populariteit van een god is af te meten aan inscripties en tempels en afbeeldingen, maar alle drie waren uitingen van de elite-cultuur. We weten feitelijk niet wie, maatschappijbreed, de populairste goden waren.

    We kunnen wel nadenken over wat de gemarginaliseerden, zoals de herders uit het Lukas-evangelie, hebben gedacht. In voorindustriële werelden, waarin alles draaide om patronage en dus tussenpersonen, verlangen de machtelozen vooral naar rechtstreeks contact met degenen die de beslissingen nemen (“brokerless kingdom”). En de tempel, waar het offer zo duur was, was zo’n tussenpersoon tussen de gemarginaliseerde gelovige en zijn god. Acties tegen de officiële eredienst, zoals Jezus’ tempelreiniging, passen heel goed in dit beeld.

    Ik focus in dit antwoord op het jodendom omdat het Nieuwe Testament zo verdraaid interessant is. Hier discussiëren vissers, prostituees en tollenaars over de zaken die zij belangrijk vonden en dat maakt het Nieuwe Testament tot een uniek sociologisch document. Ik heb het vaker geschreven, al weet ik even niet meer waar, maar alleen al om deze reden zou op de gymnasia wat meer gelezen moeten worden in het Lukasevangelie en de Handelingen van de apostelen.

    9. Wat was het doel en de betekenis van de Romeinse dodecaëders?

    Als ik het wist, doceerde ik nu aan de Sorbonne.

    10. Ik heb weleens gehoord dat tussen ca 500 v.Chr. en 1000 na Chr. het terpengebied tot de dichtst bewoonde gebieden in Europa hoorde.

    Dat lijkt me kras. Steden zijn echt dichter bevolkt dan welk platteland ook. En in een deel van de genoemde periode, tussen pakweg 250 en 450, was het kustgebied zelfs verlaten. Misschien is er een misverstand: West-Friesland was in de Bronstijd heel erg dichtbevolkt. Een mooi boek daarover is Landschap vol Leven. De archeologie van de Westfrisiaweg van Jolanda Bos en Sigrid van Roode.

    11. Ik hoop op een overzicht “wijzigende inzichten van 2000 tot 2024 m.b.t. tot het tijdvak “einde Romeinse Rijk en Vroege Middeleeuwen”.

    Dat is moeilijk samen te vatten, maar een paar dingen zijn wel duidelijk. Eén, we begrijpen beter dat rond het midden van de zesde eeuw er een paar verschrikkelijke dingen zijn gebeurd: drie snel op elkaar volgende vulkaanuitbarstingen, een epidemie die we nu met Pest kunnen identificeren en hongersnood. De demografische instorting was al langer bekend, maar we begrijpen nu de oorzaken beter. Dit is de feitelijke breuk tussen de laatantieke en vroegmiddeleeuwse samenleving. Het vacuüm werd gevuld door de Arabieren; hun wereld begrijpen we beter dankzij de ontdekking van duizenden en duizenden inscripties. Het ontstaan van de islam is ook beter begrepen.

    Voor onze eigen contreien zou ik de muntschat van Lienden willen noemen, die bewees dat de macht van Rome zich rond 460 nog tot de Betuwe uitstrekte. Ze bewees ook dat het netwerk van het vroege Frankische Rijk is ontstaan binnen het Romeinse Rijk.

    12. Wat is er waar van het verhaal over de goede grond in de Betuwe (bat ouwe) en de slechte van de Veluwe (vale ouwe)?

    De beste etymologie van “Betuwe” is *bat-agwio, “het goede waterland”; u leest er hier meer over. Een moderne etymologie van “Veluwe” legt een verband met het Germaanse *felwa, dat zoiets als bleekgeel betekent; vgl. vaal en het Engelse woord fallow. Ook het Germaanse *felw- wordt wel genoemd, een woord dat zou verwijzen naar een moerasbos; vgl. ons woord wilg.

    [wordt vervolgd]

    Ik organiseer in het voorjaar van 2025 een reis naar de vernieuwde musea van Beieren. Door mee te gaan helpt u deze blog gratis te houden. Maar u kunt natuurlijk ook een van mijn boeken kopen (en lezen), een cursus doen, of doneren. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #bedelarmoede #Betuwe #brokerlessKingdom #DodeZeeRollen #etymologie #Friezen #JolandaBos #JuliusCaesar #Lienden #NieuweTestament #patronage #SigridVanRoode #SimeonBenGamaliël #terpen #Veluwe #vikingen #vragenRondDeJaarwisseling #WestFriesland

  7. Vragen rond de jaarwisseling (1)

    De schijf van Faistos

    Ik beantwoord de hele week door vragen, en ik nodigde u onlangs uit om nog meer vragen te stellen. En zo komen we vandaag bij het lijstje oudejaarsvragen van 2024. Voilà, daar gaan we.

    1. Weten we iets over verhalenvertellers in de antieke culturen?

    Dat vind ik moeilijk te zeggen. Veel theorieën lijken te zijn gebaseerd op enerzijds goed gedocumenteerde middeleeuwse barden en troubadours, die zichzelf muzikaal begeleidden en informatie deelden, deels gesproken en deels gezongen. Homeros past ook in die profielschets. Aanvullende informatie komt uit de Indo-Europeanistiek – ik schreef er hier al iets over, maar het is uit te breiden met constateringen over de speciale status van de dichter/verteller.

    Ik denk dat we een verdere glimp opvangen in de beschrijving die Lucianus van Samosata geeft van Herodotos. Die ging naar de Olympische Spelen en trad daar op als voordrachtskunstenaar. Ik vermoed dat hij de enige niet is geweest die als verhalenverteller reisde naar plekken waar publiek was. Denk ook aan concertredenaars (sofisten), die optraden met mooie, geïmproviseerde toespraken, waarin vaak een verhaal zat verwerkt.

    Maar welbeschouwd weet ik het niet en ik vermoed dat het ook niet goed te weten valt. Het gesproken woord stond minder hoog aangeschreven dan het geschreven woord; sprooksprekers beoefenden een wat volks genre, waar de schrijvende elite de neus een beetje voor ophaalde en waarover ze weinig schreef.

    2. Wat was de schade aan bossen, dieren, landbouwgronden?

    Dat men in de Oudheid roofbouw pleegde, staat buiten kijf, maar ik vind het moeilijk voorbeelden te noemen. Uit de bosbouw weet ik dat de houtbehoefte van de Romeinse badhuizen in de derde eeuw na Chr. leidde tot ontbossing. Onze bronnen bevatten opmerkingen over baden die onvoldoende warm zijn gestookt.

    Over landbouwgronden kan ik het verhaal over de oorlog die twee Zuid-Mesopotamische steden in het derde millennium v.Chr. voerden om een bepaald stuk vruchtbare landbouwgrond. De verliezende partij compenseerde zichzelf door een irrigatiekanaal aan te leggen, zonder in de gaten te hebben dat het Eufraatwater nogal zout is. Binnen een eeuw was de bodem volkomen verzilt en ik heb satellietfoto’s gezien waaruit bleek dat het nog steeds niks is. Helaas ben ik vergeten waar dat was en revalideer ik momenteel van een operatie op een plek waar ik niet bij mijn boeken kan.

    3. Wat is er nu bekend over de tekst op de schijf van Faistos?

    Ik moet u teleurstellen: er is helemaal niets over de schijf van Faistos bekend, om de sneue reden dat er niets over te weten valt. Om een tekst in een onbekend schrift te ontcijferen heb je een voldoende groot corpus nodig, enerzijds om patronen te herkennen en anderzijds om, als je denkt teksten te hebben ontcijferd, materiaal te hebben om je vertaling te controleren. Zoveel materiaal is er simpelweg niet. We kunnen over de schijf van Faistos niets weten, althans voorlopig.

    4. Ik zou graag meer willen horen over Samarkand.

    Ik denk dat u even hier moet kijken. En daar.

    5. Hoe zit het nu met de Griekse homoseksualiteit?

    Ik denk dat u even hier moet kijken.

    6. Welke data, welke feiten geven ons inzicht in een standenmaatschappij in de oudheid?

    Ons inzicht dat de antieke samenleving gestratificeerd was, is voor een deel gebaseerd op etnografie. In de achttiende eeuw ontdekte men dat, afgezien van de meest eenvoudige samenlevingen, er in elke maatschappij een zekere hiërarchie bestaat. Antropologen als Elman Service en Morton Fried hebben die waarnemingen in de twintigste eeuw verzameld en geordend. Eigenlijk zijn er maar een paar maatschappijtypen mogelijk (horde, stam, chiefdom en staat).

    De volgende bewijscategorie is talig en behandel ik hier. Tot slot kwam de archeologie, die het bestaan van stratificatie bevestigde. Er zijn immers verschillen tussen huizen en paleizen, al is het ook weer zo dat we een mooi huis opvatten als een paleis en een aristocratische woning omdat we al denken te weten dat er maatschappelijk verschil was.

    [Wordt vervolgd]

    Ik organiseer in het voorjaar van 2025 een reis naar de vernieuwde musea van Beieren. Door mee te gaan helpt u deze blog gratis te houden. Maar u kunt natuurlijk ook een van mijn boeken kopen (en lezen), een cursus doen, of doneren. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    #bard #bosbouw #ElmanService #HerodotosVanHalikarnassos #LucianusVanSamosata #MortonFried #schijfVanFaistos #TweedeSofistiek #vragenRondDeJaarwisseling

Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.