Het hermeneutisch vertrekpunt
Wat oudheidkundigen doenWaarom zouden we belangstelling hebben voor de Oudheid? Ik heb het niet over u en mij, die gewoon genieten van kennis en straks andere dingen gaan doen. Ik heb het over beroepsoudheidkundigen, die moeilijk kunnen zeggen dat alleen zij mogen genieten. Ze moeten zich rechtvaardigen. Het grote plaatje, groter dan de vele detailstudies, is dat zo iemand
- het verleden (een denkbeeld, samenleving, voorwerp, proces…) reconstrueert,
- constateert dit anders was dan tegenwoordig,
- begrijpt dat het mogelijk is dingen anders te doen of denken dan zoals wij in onze tijd doen of denken,
- een verklaring zoekt voor de verschillen en overeenkomsten,
- en door die op te sporen ervoor zorgt dat de mensheid zichzelf beter begrijpt.
Kennis van het heden en kennis van het verleden leiden samen tot zelfkennis: het archeologisch museum waar ik bovenstaande kisten fotografeerde, vat het mooi samen. Stap twee veronderstelt echter – en dat is in dit blogje het springende punt – dat een oudheidkundige zijn eigen wereld begrijpt. Dat is, zeg maar, de nulde stap in bovenstaand lijstje.
Hermeneutisch vertrekpunt
Bij wijze van voorbeeld noem ik het boek over Julius Caesar waaraan ik werk. Ik herlees nu alle bronnen om te zien hoe de antieke auteurs dachten over oorzaken. Er is immers een belangrijk verschil tussen toen en nu, namelijk dat men destijds uitsluitend (groepen) individuen opvoerde als oorzaak. Dat vinden wij eenzijdig. Nu ben ik geen wetenschapper, maar ik neem er een voorbeeld aan, en dus loop ik het proces door: omdat ik wilde weten waar het verschil tussen toen en nu vandaan kwam, moest ik, al vóór ik begon met het lezen van de bronnen, weten waar ons eigen causaliteitsbegrip vandaan is gekomen. Ik neusde dus bij wat grote namen en ging zo terug tot Durkheim. Ik meen nu enigszins te begrijpen waarom ik over oorzaken denk zoals ik denk, en ik zal straks, als ik heb verkend hoe antieke auteurs dachten, proberen uit te vogelen wat de verklaring is voor dat verschil.
Kortom: de nulde stap is je inlezen in je eigen opvattingen ofwel het vaststellen van je hermeneutisch vertrekpunt.noot Ik geloof dat theologen de term iets anders gebruiken maar ik ben geen theoloog. Concreet dient die verkenning ertoe context te geven aan wat eerdere wetenschappers hebben beweerd, maar het is natuurlijk sowieso dwaasheid iets te gaan onderzoeken als je je eigen aannames niet hebt doorzocht.
De relevante voorgeschiedenis
Hoe ver ga je terug? Uiteraard wil een wetenschapper alles weten, maar voor het hermeneutisch vertrekpunt is een eeuw wel genoeg. Toen ik in 2000-2003 werkte aan een boek over Alexander de Grote, was relevant dat geschiedkundigen na de Eerste Wereldoorlog een idealistisch beeld hadden gehad van Europeanen die andere volken opstootten in de vaart der volken (zie de toenmalige mandaatgebieden). De generatie die leefde na de Dekolonisatie had anders gedacht over koloniaal geweld, en rond 1980 had een nieuwe generatie het genre wereldgeschiedenis hernomen.noot Wat deze eeuw heeft gebracht, ligt achter betaalmuren. Met kennis van de twintigste eeuw begreep ik destijds voldoende om de belangrijkste archeologische en oudhistorische publicaties te kunnen plaatsen en mijn eigen denkbeelden enigszins te doorgronden.
Iets soortgelijks valt te zeggen voor een ander onderwerp dat me boeit: de relatie tussen het Romeinse joden- en christendom. Begin vorige eeuw concludeerde men dat Jezus een jood was geweest en dat Paulus het joodse geloof van Jezus had vervangen door een nieuw geloof in Jezus. Aangezien de historische Jezus gold als onkenbaar, lag het onderzoek stil, tot na de Holocaust het inzicht doordrong dat de joods-christelijke relaties niet genegeerd mochten worden. Daarna was er de secularisering, waardoor we religie minder belangrijk vinden als identiteitsvormende factor, zodat joden en christenen meer worden beschouwd als gewone Romeinen. Dit is, volgens mij, wat je moet begrijpen om hedendaagse ideeën te vergelijken met wat je als archeoloog of nieuwtestamenticus ontdekt over Judea. Visies uit het diepere verleden zijn minder belangrijk.
Verder terug is dus geinig maar niet doelmatig. Een oudheidkundige kan aan het werk zonder te weten hoe Joost van den Vondel zijn ideeën over joden en christenen verwerkte in Hierusalem verwoest. Ook hoeft de oudheidkundige, om zijn hermeneutisch vertrekpunt te bepalen, niet te weten wat middeleeuwers dachten over oorzaken of hoe zestiende-eeuwers dachten over oorlog. Dat wil niet zeggen dat Vondel, middeleeuws causaliteitsdenken en de iconografie rond Alexander Farnese oninteressant zijn, maar voor het bepalen van het hermeneutische vertrekpunt is het voldoende om kennis te hebben van de afgelopen eeuw, anderhalve eeuw.
Receptiegeschiedenis
Waarom dit blogje, zult u zich afvragen. Dat is omdat ik volgende week een interessant boek ga bespreken over receptiegeschiedenis. Ik studeerde geschiedenis en vind eigenlijk alles uit het verleden interessant, variërend van rechtspraak in Gelre via negentiende-eeuwse sji’itische geestelijken tot een gevecht tussen samoerai en Azteken. Een publicatie over receptiegeschiedenis laat ik dus niet liggen. Maar dat is omdat ik geschiedenis leuk vind, niet omdat het voor de bestudering van de Oudheid nodig is.
Ik maak dit punt met nadruk. Te vaak claimen classici dat receptiegeschiedenis een belangrijk onderwerp zou zijn. Dat is niet waar. Een classicus kan uitstekende artikelen schrijven over laatantieke natuurbeschrijvingen (een leuk onderwerp) zonder te weten wat Byzantijnse dichters daarmee deden; je bakent je hermeneutisch vertrekpunt af door te weten hoe in de twintigste eeuw gedacht is over de natuur, en daarna kun je die gedachten vergelijken met die van antieke schrijvers, en gaan nadenken over de vraag wat er waarom is veranderd tussen toen en nu. C’est ça. Geen Byzantijn voor nodig.
Ik heb de indruk dat classici ook wel weten dat receptiegeschiedenis niet gaat over het tijdvak dat ze bestuderen en dat het overbodig is voor het vaststellen van het hermeneutisch vertrekpunt. Hier heb ik althans een pagina waar de doelpalen worden verzet door eerstejaars-wetenschapsleer (“What counts as evidence?”) tot de receptiegeschiedenis te rekenen, zodat het specialisme alsnog noodzaak krijgt.
Envoi
En nu de moraal. Classici, oudhistorici en archeologen doen belangrijk werk, maar inmiddels wordt elke twee maanden een instituut bedreigd. In deze situatie is het zelfmoord naar buiten te treden met receptiegeschiedenis. Je toont je betekenis niet door te vertellen dat je vak vroeger belang had, maar door te tonen waarom het nu belangrijk is.
Dat is doelmatiger en makkelijk. Elke oudheidkundige weet dat iedereen ademloos luistert als ’ie op een feestje vertelt over zijn werk. Mensen vinden de Oudheid namelijk interessant.
Ik zou zo graag meemaken dat oudheidkundigen, voordat de AI ons allemaal heeft uitgeroeid, één keer vertellen hoe belangrijk hun werk is. Dus dat de archeologen een weekje vertellen welke sociaalwetenschappelijke hypothesen ze toetsen, dat de oudhistorici hun vak een paar dagen niet presenteren als rariteitenkabinet, en dat classici zich onthouden van receptiegeschiedenis. Het is noch voor kennis van de Oudheid, noch voor het hermeneutisch vertrekpunt belangrijk. Wat wél belangrijk is, ja urgent, is dat oudheidkundigen beginnen te vertellen wat ze nu, deze week doen. Althans, als het de bedoeling is dat academische bobo’s met hun poten van het vak afblijven.
[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]
#AlexanderDeGrote #AlexanderFarnese #ÉmileDurkheim #hermeneutischVertrekpunt #historischeJezus #JoostVanDenVondel #JuliusCaesar #oorzakelijkheid #receptiegeschiedenis