home.social

#sudd — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #sudd, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Het land Punt

    Reliëf uit Deir el-Bahri met palmbomen, mirrebomen en paalwoningen

    Over de historische geografie is veel minder bekend dan historische atlassen suggereren. Dat ligt niet aan de geografie, want het gebeurt maar zelden dat een nieuwe berg verrijst of een rivier haar loop verlegt. Het probleem is de aard van onze bronnen: fragmentarisch, ambigu. Dat we een antieke plaats niet op de landkaart kunnen aanwijzen, is dus bepaald geen mysterie. Het is een gewoon aspect van de wijze waarop we de Oudheid kennen.

    Tekstueel bewijs

    Zo is er de kwestie van het land Punt (of Pwenet). Het wordt genoemd in een paar Egyptische teksten, waarvan de oudste ergens rond 2500 v.Chr. is geschreven. De daarop volgende dertien eeuwen voeren de Egyptenaren zo nu en dan – onthoud dit punt – naar Punt, en verwierven daar ebbenhout, dieren, mirre en andere geurstoffen, die ze ruilden tegen textiel, graan en edelmetaal. Zoals wel vaker beschreven de Egyptenaren ook dit buitenland in half-mythische termen, een “land der goden”.

    Ondanks die vage beschrijvingen, is het vermoeden gewettigd dat Punt lag aan de Rode Zee, want in de Egyptische havenstad Marsa Gawasis is een inscriptie gevonden uit de tijd van koning Amenemhet III (eind negentiende eeuw v.Chr.) die verwijst naar een expeditie naar Punt. Even verderop lagen houten containers uit de tijd van Amenemhet IV, met opschriften die je zou kunnen vertalen als “Made in Punt”. Een inscriptie uit de zestiende eeuw v.Chr. vermeldt een gevecht tussen Egypte en zijn zuiderbuur Kush (Nubië; zeg maar Noord-Soedan), dat versterking kreeg van krijgers uit Punt. Zelfs als deze tekst fictie is, suggereert het dat Punt in of bij Soedan lag.

    Het tekstueel bewijs brengt ons dus naar een land aan de Rode Zee ter hoogte van Soedan: Eritrea, Djibouti, Jemen of eventueel Somalië. Dat is nog altijd een kuststrook van zo’n 2300 kilometer (pakweg van Amsterdam naar Messina). Al met al nogal vaag.

    Ander bewijs

    Het naamkundig bewijs voegt een extra mogelijkheid toe. Onze landgenoot W.F.G. Lacroix attendeerde op de mogelijkheid dat Pwenet weleens een oude vorm kan zijn van Pwani, het Swahili-woord voor “kuststrook”. (De weggevallen T is een vrouwelijke uitgang voor een plaatsnaam.) Dit suggereert een meer zuidelijke locatie, in de richting van Kenia.

    Een derde bewijscategorie is het beeldmateriaal. Uit Deir el-Bahri zijn illustraties bekend van de expeditie die koningin Hatshepsut in haar negende regeringsjaar (rond 1500 v.Chr.) uitzond naar Punt: beroemde reliëfs, waarop palmen en mirrebomen zijn te zien en paalwoningen. We zien ook de graatmagere koning Perehu en de dikke koningin Eti. Op de terugweg namen de Egyptenaren van alles mee, inclusief bavianen, die duidelijk zijn afgebeeld. Een interessant detail is dat de schepen geen kiel hebben en dus rivierschepen zijn. Dan lag Punt dus stroomopwaarts langs de Blauwe Nijl in het hoogland van Ethiopië, of aan de bovenloop van de Witte Nijl in Zuid-Soedan of misschien wel voorbij de Sudd in Uganda. Dit past eigenlijk beter bij de inscriptie die krijgers uit Punt noemt in een Kushitisch leger.

    Thoth als baviaan (Kúra Hulanda, Willemstad)

    Tot slot is er het bioarcheologische bewijsmateriaal, dat de afgelopen jaren met veel tamtam is gepresenteerd. Er zijn mummies bekend van bavianen, dieren die van nature niet in Egypte voorkomen en moeten zijn geïmporteerd. (Geen van de gemummificeerde apen werd ouder dan tien.) Uit isotopenonderzoek is gebleken dat het voedingspatroon van de in Egypte gevonden bavianen duidt op een herkomst in Ethiopië, Djibouti en Eritrea. Dezelfde isoscape kan echter ook elders zijn voorgekomen. Los daarvan behoort oostelijk Afrika niet tot de gebieden met de meest nauwkeurige isotopenkaart.

    Inconsistent bewijs

    Djibouti, Eritrea, Ethiopië, Jemen, Kenia, Soedan, Somalië, Uganda en Zuid-Soedan zijn dus allemaal weleens genoemd. Minimaal kunnen we zeggen dat het bewijsmateriaal inconsistent is en een overtuigende identificatie vooralsnog niet goed mogelijk.

    De verklaring voor de inconsistentie kán zijn dat niet alle teksten over Punt verwijzen naar hetzelfde gebied. De Egyptenaren voeren immers slechts zo nu en dan naar Punt, en het is daarom denkbaar dat ze hun inkopen deden op verschillende plaatsen. Om een parallel aan te halen uit eigen land: de naam “Friezen” verwijst in de eerste eeuw na Chr. vermoedelijk naar Noord-Holland, later naar alle gebied benoorden de Rijn en nog later naar het huidige Fryslân. Dat de Friezen in de eerste eeuw in Noord-Holland woonden, is trouwens ook veel minder zeker dan de historische atlas toont. Hoewel deze dubieuze identificatie eveneens illustratief is voor de onzekerheid van de historische geografie, vormt zij toch een ander verhaal.

    PS

    Een tijdje geleden vertelde Wil Kuijpers hier over zijn archeologische werk. Hij presenteert zijn boek Het Romeinse castellum Spijk-Rindern. Een materiaalstudie en interpretatie van baggervondsten uit Spijk aanstaande vrijdag in het Valkhof Museum in Nijmegen. De inloop is vanaf 12:15, het eigenlijk programma duurt van 13:00 tot 15:00 en daarna is er een borrel. U bent welkom!

    #AmenemhetIII #AmenemhetIV #baviaan #DeirElBahri #Friezen #Hatshepsut #historischeGeografie #isoscape #isotopenonderzoek #Kush #MarsaGawasis #Nijl #Punt #RodeZee #Sudd #WFGLacroix
  2. Aristoteles over de Nijl

    Ergens langs de Nijl

    De studenten die in de Late Middeleeuwen aan de Sorbonne filosofie studeerden, kregen een reeks teksten te lezen, waaronder een forse hoeveelheid Aristoteles. Omdat er veel studenten waren, waren er dus ook veel boeken, en zo komt het dat we ruim tachtig kopieën hebben van het traktaatje dat bekendstaat als De overstroming van de Nijl. Tachtig handschriften is heel veel.

    Helaas is de Griekse tekst, op een citaat in een fragment op een papyrus uit Oxyrhynchos na, verloren gegaan, maar dat vormt niet het laatste woord. Aan de hand van enkele specifieke vertaalkeuzes is vast te stellen dat de Latijnse vertaling is gemaakt door Willem van Moerbeke (1225-1286), wiens vertaalprincipes bekend zijn: hij wilde niet alleen de inhoud weergeven, maar liefst ook de Griekse zinsopbouw, zelfs als de weergave daarvan slecht Latijn opleverde. Dat betekent dat onbegrijpelijke stukken Latijn weleens begrijpelijker worden als je bedenkt wat er gestaan zou kunnen hebben in het Grieks.

    Vraag en antwoorden

    De opbouw van het werkje is door-en-door aristotelisch. Aristoteles’ standaardopbouw is dat als hij een vraagstuk aansneed, hij eerst uitlegde wat eerdere geleerden erover hadden gedacht en waarom die zich hadden vergist, om vervolgens zijn eigen oplossing te presenteren. Dat is natuurlijk wat hautain: hij is in deze presentatie als het ware zelf de doeloorzaak van de wetenschappelijke ontwikkeling – alles ontstaat en groeit tot het bij Aristoteles pas werkelijk bloeit. Van de andere kant: Aristoteles’ weergaven van eerdere ideeën zijn cruciaal voor moderne reconstructies van de geschiedenis van de vroege Griekse filosofie.

    De auteur van De overstroming van de Nijl volgt de standaardopbouw. Eerst is er de vraag:

    Hoe valt het te verklaren dat, terwijl andere rivieren in de winter zwellen en in de zomer veel kleiner worden, de Nijl als enige rivier die in de zee uitmondt, in de zomer over een uitgestrekt gebied overstroomt en zo breed wordt dat alleen de dorpen er bovenuit steken als eilanden?noot Aristoteles, De overstroming van de Nijl 1; vert. Beullens.

    En daarna komen de antwoorden, zoals de theorie van Thales van Milete dat de etesische winden (de zomerse noordwestenwind) het Nijlwater terug zouden blazen. Commentaar van Aristoteles: dan zouden we het ook bij andere rivieren moeten observeren. Hij behandelt de theorie van Anaxagoras dat de Nijl een smeltrivier was, maar zó veel sneeuw als er extra Nijlwater is, is onmogelijk. En er is de theorie van Nikagoras van Cyprus dat de bron van de Nijl op het zuidelijk halfrond ligt –maar dan zou het water over de evenaar komen, waar het zó heet is dat alle water verdampt. En zelfs als de rivier die regio kon doorkruisen, zou de afstand onmeetbaar en dus voor mensen onkenbaar zijn. Dus ook deze hypothese is onhoudbaar. QED.

    De Sudd

    Als hij alle hypothesen heeft weerlegd, meestal met bewijzen uit het ongerijmde, beschrijft Aristoteles zijn eigen theorie:

    Men heeft waargenomen dat het veel en overvloedig regent in Ethiopië in de periode vanaf de opkomst van Sirius tot die van Arcturus, maar in de winter niet. … Daardoor komt de overstroming samen met de etesische winden. Vooral die winden voeren namelijk wolken aan naar die streek, net zoals de voorafgaande zomerwinden. Wanneer de wolken tegen de bergen stoten, stroomt het water naar de moerassen waardoor de Nijl vloeit.noot Aristoteles, De overstroming van de Nijl 12; vert. Beullens.

    Dit is ruwweg correct: het zijn inderdaad regens in oostelijk Afrika die zorgen voor extra water. Maar het gaat niet om de etesische noordwestenwind die waait in de Griekse zomer, het gaat om de noordoostelijke passaat. Aristoteles meent bovendien dat het water uit het Ethiopische Hoogland via moerassen naar de Nijl stroomt, maar lijkt niet te weten dat de Sudd-moerassen liggen aan de Witte Nijl, die een bron heeft in het Victoriameer, terwijl hij zelf de regenrivier Blauwe Nijl beschrijft. Dat gezegd zijnde: hij heeft het grotendeels goed begrepen.

    Waarnemingen

    Wie zouden de “men” zijn die de Ethiopische regens gezien hebben? Het is een verleidelijk idee dat Alexander de Grote wetenschappers naar het zuiden heeft gestuurd. Misschien is dat wel zo, maar het staat vast dat Kallisthenes, Alexanders wetenschappelijk adviseur, zijn beschrijving van de Nijloverstroming baseerde op informatie die hij had gevonden bij Aristoteles.noot Strabon, Geografie 17.1.5. Dat betekent dat Aristoteles al informatie van ooggetuigen had ontvangen vóór Alexanders expeditie.

    De al genoemde Oxyrhynchos-papyrus, met daarop een tekst van Poseidonios die Aristoteles’ De overstroming van de Nijl citeert, noemt een zekere Thrasyalkes als bron van Aristoteles’ informatie. We weten niet of dit correct is. Feit is dat er altijd Griekse huurlingen dienden in de Egyptische legers – u zou Wahibre-em-Achet kunnen kennen. Zulke mannen kunnen heel goed zelf naar het diepe zuiden hebben gereisd, of informatie uit Nubië hebben vernomen.

    [Met dank aan Pieter Beullens, de werkt aan een kritische editie, die hopelijk volgend jaar zal verschijnen. Beullens’ Nederlandse vertaling is gepubliceerd in het Tijdschrift voor Filosofie 73 (2011) 513-534.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

    Zelfde tijdvak


    De slag bij Issos (4)

    november 6, 2022
    Misverstand: Democratie

    maart 22, 2020
    Zelfvergoddelijking

    maart 11, 2014 Deel dit: #Anaxagoras #Arcturus #Aristoteles #Kallisthenes #Nijl #NikagorasVanCyprus #Oxyrhynchos #PoseidoniosVanApameia #Sirius #Sudd #ThalesVanMilete #WahibreEmAchet #WillemVanMoerbeke
Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.