home.social

#ontwaken — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #ontwaken, aggregated by home.social.

  1. De Boeddha van het mateloze mededogen

    Veruit de meest populaire Boeddha in het mahayana is Amitabha (Amituofo in China, Amida Butsu in Japan). In het schema van de vijf Boeddha-families is het de Boeddha van de rode familie.

    In het hoogste paviljoen van een Chinese tempel vind je Amitabha geflankeerd door de bodhisattva’s Avalokiteshvara (Guanyin) en Mahastamaprapta (Dashizhi). In boeddhistische kloosters ligt de naam van Amitabha op ieders lippen. Mensen begroeten elkaar met ‘Amituofo’. Ook in Chan-kloosters reciteren de monniken Amituofo als een mantra in hun ceremonies. (Anders dan in Japan waar de verschillende boeddhistische stromingen van elkaar gescheiden zijn geraakt).

    Amitabha is de boeddha van het mateloze mededogen. In zijn vorig leven legde hij de gelofte af dat hij als Boeddha, een ongerept land zou creëren: Sukhāvatī, het westelijke Reine Land, een plaats zonder lijden. Door het reciteren van zijn naam (nianfo in het Chinees, nembutsu in het Japans), kan iedereen die dat wil daar herboren worden. Als je bij je overlijden zijn naam uitspreekt dan komt Amitabha jou samen met zijn twee bodhisattva’s persoonlijk ophalen om je in het Reine Land te verwelkomen. Van daaruit zul je zelf een boeddha worden en je eigen Reine Land creëren, vanwaaruit je op jouw beurt andere lijdende wezens kunt helpen.

    Kun je dit nog wel boeddhisme noemen? Of is dit boeddhisme gedegenereerd tot een bijgelovige volksreligie? Ik moet toegeven dat ik er ooit ook zo over dacht. En het is maar door heel fijne mensen te ontmoeten, die geen zen beoefenden maar met een mantra zoals de nianfo mediteerden, dat ik mij realiseerde dat ik mijn vooroordeel moest bijstellen.

    Het Reine Land-boeddhisme situeert zich als traditie binnen het mahayana. Het mahayana is ontstaan uit de vraag ‘Kunnen we na de dood van de Boeddha het onderricht aanpassen aan nieuwe omstandigheden, of houden we ons aan de oorspronkelijke woorden en vormen?’ Mahayana kiest radicaal voor aanpassen. Zo ontstonden nieuwe boeddha’s en bodhisattva’s, nieuwe praktijken, en nieuwe teksten.

    In de Vimalakirti Sutra, een mahayanatekst, vinden we de zin: ‘Wijsheid (prajnaparamita) is de moeder van de bodhisattva’s, vaardige middelen (upaya) is hun vader’. Anders dan in de boekgodsdiensten waar het woord van God letterlijk en voor eeuwig is opgetekend, zoekt de wijsheid in het boeddhisme telkens nieuwe wegen. Het mahayana wordt soms gezien als een verdere evolutie van het onderricht van de historische Boeddha. Voor sommigen is het een hoger pad, voor anderen een degeneratie ervan. Of is het, zoals de Vimalakirti Sutra suggereert, een nieuwe expressie van de oorspronkelijke wijsheid?

    Nieuwe tijden en nieuwe omstandigheden stellen ons voor nieuwe vragen. We weten heel weinig over de historische context waarin de verschillende mahayanatradities ontstaan zijn. Maar uit de mahayanasutra’s en de vele polemieken die daarop volgden leren we welke vragen zich stelden. Ook de Reine Land-sutra’s leggen pertinente vragen op tafel.

    1 Is het boeddhisme moeilijk?

    Waar komt het idee vandaan dat het boeddhisme moeilijk zou moeten zijn? De Boeddha onderrichtte iedereen, geleerd of niet geleerd, van hoge of lage komaf, monnik of leek, en hij vond voor iedereen gepaste woorden. De Palicanon gebruikt hiervoor al de term upaya. In de eeuwen daarna gingen steeds meer geleerde mensen zich met de leer bezighouden. Uit de Reine Land-sutra’s begrijp ik dat het boeddhisme steeds moeilijker werd en een bijna onbereikbaar ideaal vooropstelde. Amitabha Boeddha richt zich weer tot alle mensen, ook tot degenen voor wie dat hoge ideaal van ‘de verlichting’ onbereikbaar lijkt.

    Als je de oudste zenteksten zoals de Xinxinming en Huangbo leest, dan merk je dat zen zich aanvankelijk ook als een gemakkelijk pad presenteerde. Enkele eeuwen later was zen op zijn beurt een onbereikbaar ideaal geworden. ‘In zen mislukken negen op tien, in Reine Land slagen tienduizend op tienduizend’ zegt Zungben (16de eeuw). Reine Land-boeddhisme is voor ‘gewone mensen’, niet voor spirituele virtuozen.

    2 Eigen kracht of ander kracht?

    Het Reine Land bereik je niet op eigen kracht maar door toedoen van Amitabha Boeddha. Niemand beweert dat de beoefenaar hier geen enkele rol in heeft. Die moet het nog altijd willen en de naam van de Boeddha uitspreken. Maar is dat genoeg? Alleen maar dat? Niets meer? Hierover is eindeloos gediscussieerd.

    In mijn ogen spreken de Reine Land-sutra’s terecht de idee tegen dat ontwaken een prestatie is die je op eigen kracht bereikt. Dat geldt evengoed voor zen. Als je op je kussen gaat zitten met de gedachte dat je op eigen kracht de verlichting gaat bereiken ben je echt niet goed bezig. Zenmeditatie is net dat hele idee loslaten en je geest en je hart openen. Wat er dan gebeurt is zeker niet je eigen kracht. Voor mijn part mag je dat dan aan Amitabha toeschrijven, zolang je het maar niet aan jezelf toeschrijft. De hele notie van ‘zelf’ is hier niet van toepassing.

    3 Bestaat het Reine land echt of is het maar een metafoor?

    Voor sommigen bestaat het Reine Land echt, onbereikbaar ver in het Westen, en moet je de beschrijving ervan heel letterlijk nemen. Voor anderen is het Reine Land deze wereld hier en nu, en is deze wereld maar onrein voor onze niet-ontwaakte geest. Er is veel inkt over gevloeid. In ons wetenschappelijke wereldbeeld is de letterlijke interpretatie nog moeilijk te verdedigen, maar desondanks gaat de discussie ook vandaag nog volop verder. Er is geen uitsluitsel.

    Hoe meer ik erover lees, hoe meer ik hierbij het gevoel heb dat de onbepaaldheid, de open vraag, er gewoon bijhoort. ‘It’s a feature, not a bug.’ De mooiste commentaar vind ik die van Hongdao, een tijdgenoot van Zongben, die stelt dat de tegenstanders van de letterlijkheid in hun eigen valkuil trappen, door het niet-bestaan ervan letterlijk te nemen. Hij verwijst daarbij naar de middenweg tussen bestaan en niet bestaan, een idee dat we al in het oudste boeddhisme terugvinden.

    4 Is er bevrijding voor iedereen?

    Dit is misschien de moeilijkste. Brengt Amithaba iedereen naar zijn westerse Reine Land, ook misdadigers, ook mensen die in hun leven vreselijke dingen gedaan hebben? Je kunt toch al dat geaccumuleerde negatieve karma niet zomaar ongedaan maken. Dat is blijkbaar moeilijk te verteren. Volgens sommige interpretaties kan inderdaad iedereen in het Reine Land herboren worden, volgens andere zijn er uitzonderingen, of tussenoplossingen met gradaties van wedergeboorte … Ook hier geen uitsluitsel.

    Dit wordt vaak gezien als een breuk met de karma-leer van het oudste boeddhisme. Maar als je de Palicanon leest zie je dat de Boeddha net deze ‘kwantitatieve’ visie op karma tegenspreekt. Er is het verhaal van Angulimala, een seriemoordenaar die oog in oog met de boeddha tot inkeer komt en ter plaatse tot monnik gewijd wordt.

    Een ander verhaal is dat van twee asceten die de Boeddha komen consulteren. De ene heeft als ascetische praktijk de gelofte op zich genomen om zich te gedragen als een hond, de andere als koe. Hun vraag aan de Boeddha is hoe ze zullen herboren worden. De onderliggende gedachte is dat extreme ascese negatief karma uitwist en tot een hogere geboorte leidt.

    De Boeddha antwoordt dat als ze hun praktijk van leven als hond of koe tot vervolmaking brengen, dat ze dan zullen herboren worden als hond of koe. Maar, voegt de Boeddha er aan toe, als ze dit doen in de hoop dat ze zo in de wereld van de goden zullen herboren worden, dan zullen ze herboren worden in de hel. Dit verhaal gaat niet over reïncarnatie maar over karma, over gedrag en de gevolgen daarvan. Reïncarnatie was common sense in India. Maar de uitleg die de Boeddha eraan geeft staat haaks op die common sense.

    Idappaccayata heet het in het Pali, soms een beetje onhandig vertaald als dit/dat voorwaardelijkheid. Dat betekent dat elk moment voortbouwt op het vorige, maar niet volledig door het vorige bepaald is. Ik kan in dit ogenblik ingrijpen. Als ik leef als een hond is het logisch dat ik ook in het volgende ogenblik zal leven als een hond. (Of je dat nu plaatst in dit of een volgend leven is even niet relevant.) Als ik in dit ogenblik verwacht om in een volgend ogenblik een god te zijn dan zal ik zwaar ontgoocheld worden. Als ik, zoals Angulimala, in dit ogenblik tot inzicht kom, dan is er iets nieuws mogelijk.

    Voor mij is dit een van de belangrijkste boeddhistische inzichten. Ik ben de auteur en de erfgenaam van mijn gedrag. Er zijn dingen die ik niet onder controle heb, en er zijn dingen die ik kan doen. En die kan ik alleen maar nu doen. Als je graag in reïncarnatie gelooft is dat goed nieuws. Maar je moet niet wachten tot je dood gaat. En je moet niet in reïncarnatie geloven. Je kunt nu anders, radicaal anders zelfs. De vraag is: wat kies je om in dit ogenblik in de tijdslijn van je leven in te brengen?

    5 Gaan nianfo en zenmeditatie samen?

    Ook daar is veel inkt over gevloeid, met voor en tegenstanders van beide. Maar ik zie geen enkele reden waarom zenmeditatie en nianfo elkaar in de weg zouden zitten. Het hangt er maar van af hoe je naar beide kijkt. Het moge ondertussen duidelijk zijn dat voor mij zen niet voorbehouden is voor ‘spirituele virtuozen’, wat dat ook moge betekenen.

    Wat doe je als in de traditie van het Reine Land-boeddhisme nianfo beoefent? Ook daar kun je op verschillende manieren naar kijken. Onze basismetafoor voor causaliteit is een biljartbalcausaliteit. De ene bal zet de andere bal in beweging. Als wij iemand in China voor een Boeddhabeeld zien knielen, en wierook branden, en iets zingen of prevelen, dan interpreteren wij dat spontaan als iemand die bidt tot een opperwezen dat in staat is om de causale lijn van zijn leven in te grijpen. Maar de Chinese basismetafoor voor causaliteit is resonantie (ganying), een trillende snaar die een gelijkgestemd snaar doet trillen. Ik begrijp nianfo als resonantie. Je zet je als het ware op dezelfde golflengte als Amithaba en zijn mateloze mededogen.

    Zen is meer dan zitten. We staan van ons kussen op en gaan weer doen wat we te doen hebben. Gaan we ons in dat doen verliezen? Of kunnen we tussen alle doen in even inchecken bij dat mateloze mededogen, en dat in de tijdslijn van ons leven inbrengen? Thich Nhat Hanh noemt het een mindfulness bel, iets wat ons eraan herinnert. Dat kan een beeld zijn, of een woord, of een eenvoudige mandala van vijf gekleurde schijven. Het maakt niet uit. Als het maar helpt.

    Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

    #Amitabha #Angulimala #Avalokiteshvara #herboren #Hongdao #Idappaccayata #karmaleer #nianfo #ontwaken #reincarnatie #ReineLand #VimalakirtiSutra #Zongben

  2. De Boeddha van het mateloze mededogen

    Veruit de meest populaire Boeddha in het mahayana is Amitabha (Amituofo in China, Amida Butsu in Japan). In het schema van de vijf Boeddha-families is het de Boeddha van de rode familie.

    In het hoogste paviljoen van een Chinese tempel vind je Amitabha geflankeerd door de bodhisattva’s Avalokiteshvara (Guanyin) en Mahastamaprapta (Dashizhi). In boeddhistische kloosters ligt de naam van Amitabha op ieders lippen. Mensen begroeten elkaar met ‘Amituofo’. Ook in Chan-kloosters reciteren de monniken Amituofo als een mantra in hun ceremonies. (Anders dan in Japan waar de verschillende boeddhistische stromingen van elkaar gescheiden zijn geraakt).

    Amitabha is de boeddha van het mateloze mededogen. In zijn vorig leven legde hij de gelofte af dat hij als Boeddha, een ongerept land zou creëren: Sukhāvatī, het westelijke Reine Land, een plaats zonder lijden. Door het reciteren van zijn naam (nianfo in het Chinees, nembutsu in het Japans), kan iedereen die dat wil daar herboren worden. Als je bij je overlijden zijn naam uitspreekt dan komt Amitabha jou samen met zijn twee bodhisattva’s persoonlijk ophalen om je in het Reine Land te verwelkomen. Van daaruit zul je zelf een boeddha worden en je eigen Reine Land creëren, vanwaaruit je op jouw beurt andere lijdende wezens kunt helpen.

    Kun je dit nog wel boeddhisme noemen? Of is dit boeddhisme gedegenereerd tot een bijgelovige volksreligie? Ik moet toegeven dat ik er ooit ook zo over dacht. En het is maar door heel fijne mensen te ontmoeten, die geen zen beoefenden maar met een mantra zoals de nianfo mediteerden, dat ik mij realiseerde dat ik mijn vooroordeel moest bijstellen.

    Het Reine Land-boeddhisme situeert zich als traditie binnen het mahayana. Het mahayana is ontstaan uit de vraag ‘Kunnen we na de dood van de Boeddha het onderricht aanpassen aan nieuwe omstandigheden, of houden we ons aan de oorspronkelijke woorden en vormen?’ Mahayana kiest radicaal voor aanpassen. Zo ontstonden nieuwe boeddha’s en bodhisattva’s, nieuwe praktijken, en nieuwe teksten.

    In de Vimalakirti Sutra, een mahayanatekst, vinden we de zin: ‘Wijsheid (prajnaparamita) is de moeder van de bodhisattva’s, vaardige middelen (upaya) is hun vader’. Anders dan in de boekgodsdiensten waar het woord van God letterlijk en voor eeuwig is opgetekend, zoekt de wijsheid in het boeddhisme telkens nieuwe wegen. Het mahayana wordt soms gezien als een verdere evolutie van het onderricht van de historische Boeddha. Voor sommigen is het een hoger pad, voor anderen een degeneratie ervan. Of is het, zoals de Vimalakirti Sutra suggereert, een nieuwe expressie van de oorspronkelijke wijsheid?

    Nieuwe tijden en nieuwe omstandigheden stellen ons voor nieuwe vragen. We weten heel weinig over de historische context waarin de verschillende mahayanatradities ontstaan zijn. Maar uit de mahayanasutra’s en de vele polemieken die daarop volgden leren we welke vragen zich stelden. Ook de Reine Land-sutra’s leggen pertinente vragen op tafel.

    1 Is het boeddhisme moeilijk?

    Waar komt het idee vandaan dat het boeddhisme moeilijk zou moeten zijn? De Boeddha onderrichtte iedereen, geleerd of niet geleerd, van hoge of lage komaf, monnik of leek, en hij vond voor iedereen gepaste woorden. De Palicanon gebruikt hiervoor al de term upaya. In de eeuwen daarna gingen steeds meer geleerde mensen zich met de leer bezighouden. Uit de Reine Land-sutra’s begrijp ik dat het boeddhisme steeds moeilijker werd en een bijna onbereikbaar ideaal vooropstelde. Amitabha Boeddha richt zich weer tot alle mensen, ook tot degenen voor wie dat hoge ideaal van ‘de verlichting’ onbereikbaar lijkt.

    Als je de oudste zenteksten zoals de Xinxinming en Huangbo leest, dan merk je dat zen zich aanvankelijk ook als een gemakkelijk pad presenteerde. Enkele eeuwen later was zen op zijn beurt een onbereikbaar ideaal geworden. ‘In zen mislukken negen op tien, in Reine Land slagen tienduizend op tienduizend’ zegt Zungben (16de eeuw). Reine Land-boeddhisme is voor ‘gewone mensen’, niet voor spirituele virtuozen.

    2 Eigen kracht of ander kracht?

    Het Reine Land bereik je niet op eigen kracht maar door toedoen van Amitabha Boeddha. Niemand beweert dat de beoefenaar hier geen enkele rol in heeft. Die moet het nog altijd willen en de naam van de Boeddha uitspreken. Maar is dat genoeg? Alleen maar dat? Niets meer? Hierover is eindeloos gediscussieerd.

    In mijn ogen spreken de Reine Land-sutra’s terecht de idee tegen dat ontwaken een prestatie is die je op eigen kracht bereikt. Dat geldt evengoed voor zen. Als je op je kussen gaat zitten met de gedachte dat je op eigen kracht de verlichting gaat bereiken ben je echt niet goed bezig. Zenmeditatie is net dat hele idee loslaten en je geest en je hart openen. Wat er dan gebeurt is zeker niet je eigen kracht. Voor mijn part mag je dat dan aan Amitabha toeschrijven, zolang je het maar niet aan jezelf toeschrijft. De hele notie van ‘zelf’ is hier niet van toepassing.

    3 Bestaat het Reine land echt of is het maar een metafoor?

    Voor sommigen bestaat het Reine Land echt, onbereikbaar ver in het Westen, en moet je de beschrijving ervan heel letterlijk nemen. Voor anderen is het Reine Land deze wereld hier en nu, en is deze wereld maar onrein voor onze niet-ontwaakte geest. Er is veel inkt over gevloeid. In ons wetenschappelijke wereldbeeld is de letterlijke interpretatie nog moeilijk te verdedigen, maar desondanks gaat de discussie ook vandaag nog volop verder. Er is geen uitsluitsel.

    Hoe meer ik erover lees, hoe meer ik hierbij het gevoel heb dat de onbepaaldheid, de open vraag, er gewoon bijhoort. ‘It’s a feature, not a bug.’ De mooiste commentaar vind ik die van Hongdao, een tijdgenoot van Zongben, die stelt dat de tegenstanders van de letterlijkheid in hun eigen valkuil trappen, door het niet-bestaan ervan letterlijk te nemen. Hij verwijst daarbij naar de middenweg tussen bestaan en niet bestaan, een idee dat we al in het oudste boeddhisme terugvinden.

    4 Is er bevrijding voor iedereen?

    Dit is misschien de moeilijkste. Brengt Amithaba iedereen naar zijn westerse Reine Land, ook misdadigers, ook mensen die in hun leven vreselijke dingen gedaan hebben? Je kunt toch al dat geaccumuleerde negatieve karma niet zomaar ongedaan maken. Dat is blijkbaar moeilijk te verteren. Volgens sommige interpretaties kan inderdaad iedereen in het Reine Land herboren worden, volgens andere zijn er uitzonderingen, of tussenoplossingen met gradaties van wedergeboorte … Ook hier geen uitsluitsel.

    Dit wordt vaak gezien als een breuk met de karma-leer van het oudste boeddhisme. Maar als je de Palicanon leest zie je dat de Boeddha net deze ‘kwantitatieve’ visie op karma tegenspreekt. Er is het verhaal van Angulimala, een seriemoordenaar die oog in oog met de boeddha tot inkeer komt en ter plaatse tot monnik gewijd wordt.

    Een ander verhaal is dat van twee asceten die de Boeddha komen consulteren. De ene heeft als ascetische praktijk de gelofte op zich genomen om zich te gedragen als een hond, de andere als koe. Hun vraag aan de Boeddha is hoe ze zullen herboren worden. De onderliggende gedachte is dat extreme ascese negatief karma uitwist en tot een hogere geboorte leidt.

    De Boeddha antwoordt dat als ze hun praktijk van leven als hond of koe tot vervolmaking brengen, dat ze dan zullen herboren worden als hond of koe. Maar, voegt de Boeddha er aan toe, als ze dit doen in de hoop dat ze zo in de wereld van de goden zullen herboren worden, dan zullen ze herboren worden in de hel. Dit verhaal gaat niet over reïncarnatie maar over karma, over gedrag en de gevolgen daarvan. Reïncarnatie was common sense in India. Maar de uitleg die de Boeddha eraan geeft staat haaks op die common sense.

    Idappaccayata heet het in het Pali, soms een beetje onhandig vertaald als dit/dat voorwaardelijkheid. Dat betekent dat elk moment voortbouwt op het vorige, maar niet volledig door het vorige bepaald is. Ik kan in dit ogenblik ingrijpen. Als ik leef als een hond is het logisch dat ik ook in het volgende ogenblik zal leven als een hond. (Of je dat nu plaatst in dit of een volgend leven is even niet relevant.) Als ik in dit ogenblik verwacht om in een volgend ogenblik een god te zijn dan zal ik zwaar ontgoocheld worden. Als ik, zoals Angulimala, in dit ogenblik tot inzicht kom, dan is er iets nieuws mogelijk.

    Voor mij is dit een van de belangrijkste boeddhistische inzichten. Ik ben de auteur en de erfgenaam van mijn gedrag. Er zijn dingen die ik niet onder controle heb, en er zijn dingen die ik kan doen. En die kan ik alleen maar nu doen. Als je graag in reïncarnatie gelooft is dat goed nieuws. Maar je moet niet wachten tot je dood gaat. En je moet niet in reïncarnatie geloven. Je kunt nu anders, radicaal anders zelfs. De vraag is: wat kies je om in dit ogenblik in de tijdslijn van je leven in te brengen?

    5 Gaan nianfo en zenmeditatie samen?

    Ook daar is veel inkt over gevloeid, met voor en tegenstanders van beide. Maar ik zie geen enkele reden waarom zenmeditatie en nianfo elkaar in de weg zouden zitten. Het hangt er maar van af hoe je naar beide kijkt. Het moge ondertussen duidelijk zijn dat voor mij zen niet voorbehouden is voor ‘spirituele virtuozen’, wat dat ook moge betekenen.

    Wat doe je als in de traditie van het Reine Land-boeddhisme nianfo beoefent? Ook daar kun je op verschillende manieren naar kijken. Onze basismetafoor voor causaliteit is een biljartbalcausaliteit. De ene bal zet de andere bal in beweging. Als wij iemand in China voor een Boeddhabeeld zien knielen, en wierook branden, en iets zingen of prevelen, dan interpreteren wij dat spontaan als iemand die bidt tot een opperwezen dat in staat is om de causale lijn van zijn leven in te grijpen. Maar de Chinese basismetafoor voor causaliteit is resonantie (ganying), een trillende snaar die een gelijkgestemd snaar doet trillen. Ik begrijp nianfo als resonantie. Je zet je als het ware op dezelfde golflengte als Amithaba en zijn mateloze mededogen.

    Zen is meer dan zitten. We staan van ons kussen op en gaan weer doen wat we te doen hebben. Gaan we ons in dat doen verliezen? Of kunnen we tussen alle doen in even inchecken bij dat mateloze mededogen, en dat in de tijdslijn van ons leven inbrengen? Thich Nhat Hanh noemt het een mindfulness bel, iets wat ons eraan herinnert. Dat kan een beeld zijn, of een woord, of een eenvoudige mandala van vijf gekleurde schijven. Het maakt niet uit. Als het maar helpt.

    Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

    #Amitabha #Angulimala #Avalokiteshvara #herboren #Hongdao #Idappaccayata #karmaleer #nianfo #ontwaken #reincarnatie #ReineLand #VimalakirtiSutra #Zongben

  3. Heilzame en onheilzame structuren van groepen

    Gedurende de laatste weken van het jaar 2024 her-publiceerden we tekst en beeld van auteurs. In 2025 gaan we daar mee door. Hieronder een analyse van Joop Romeijn, eerder in mei 2013 in het BD geplaatst.

    Het bestuur van de Deutschen Buddhistischen Union (DBU)   heeft een leidraad  geformuleerd om de mensen hulp en ondersteuning te geven die hun lidmaatschap van boeddhistische of andere groeperingen nog eens kritisch willen overwegen. De DBU is de Duitse BUN, maar dan aanmerkelijk beter georganiseerd, ze hebben bijvoorbeeld al jaren een vorm om ‘ongeorganiseerde boeddhisten’ toch een rol in hun organisatie te kunnen laten spelen.

    Hieronder vertaal ik deze leidraad, die volgens mij ook voor de situatie in Nederland (en dan denk ik niet alleen aan Zen. Nl maar breder) bruikbaar is. Wel valt me op dat hier voor ons (Nederlandse) doen vanzelfsprekend van deelname aan expliciet boeddhistische groepen sprake is. In Nederland is dat juist niet altijd duidelijk. Vandaar dat ik in een nawoord twee vragen ten behoeve van het zoeken en de zelfreflectie toevoeg.

    Voor het Duitse origineel, zie hier . De oorspronkelijke titel luidt: ‘Heilsame und unheilsame Strukturen in Gruppen ‘ en is in 2007 door de DBU vastgesteld. Al is het maar twee pagina’s, het is – ook in de ogen van de DBU-mensen zelf – een ‘zwaar’ stuk, er zit veel ervaring in verwerkt:

    “Deze leidraad is bedoeld voor al diegenen die zich bezighouden met de leer van de Boeddha en op hun ‘pad’ in een groep (‘sangha’) door een leraar worden begeleid. Onze motivatie voor het formuleren van deze leidraad is de behoefte aan bescherming en het voorkomen van  problemen voor onszelf, voor onze (boeddhistische) groep en voor al degenen die aan het begin van hun ‘pad’ staan. Duidelijkheid over de eigen motivatie biedt bescherming en steun om het heilzame tot stand te brengen en het onheilzame te vermijden. De maatschappij waarin wij leven, is gebaseerd op de mensenrechten en de grondrechten die worden gegarandeerd door de grondwet. De 2500 jaar geleden door de Boeddha onderwezen ethiek is in overeenstemming met deze principes – ze moeten ook worden weerspiegeld in de structuren van de boeddhistische groepen.
    De Boeddha zegt dat alle levende wezens de potentie hebben tot het volledige ontwaken. Op weg om dit potentieel te bereiken, echter, komen we veel obstakels tegen. Daar kunnen ook ongezonde groeps-structuren onder vallen die we hier willen beschrijven. In elke vermeende aberratie is ook een positieve ontwikkeling verborgen, zolang we onszelf toestaan ​​om onze situatie te spiegelen en om fouten te corrigeren. De persoonlijke keuzevrijheid kan steeds opnieuw worden veroverd. In deze zin willen we aansporingen tot nadenken geven en de mensen aanmoedigen om de eigen perceptie en intuïtie te vertrouwen en zich een eigen oordeel te vormen.

    De volgende vragen zijn bedoeld als een gids voor beginners, en tegelijkertijd een aansporing tot zelfreflectie van degenen al langer in een groep zitten.
    Voor alle zoekenden is het behulpzaam om eerst de eigen verwachtingen te toetsen met vragen als:

    • Wat zoek ik bij het boeddhisme?
    • Wat verwacht ik van een groep?
    • Wat hoop ik bij een ‘leraar’ te verkrijgen?
    • Zijn mijn verwachtingen realistisch?

    Verder kunnen de volgende vragen ook nog behulpzaam zijn:

    • Wat is mijn motivatie voor het begaan van het ‘boeddhistische pad’ ?
    • Wat fascineert me in het boeddhisme?
    • Ben ik gevoelig voor heilsgeschiedenissen of heilsverwachtingen?
    • Welke rol spelen mijn behoeften voor de zekerheid, veiligheid, bevestiging en erkenning in m’n deelname aan een groep?
    • Heb ik de indruk dat ik de groep net zo makkelijk kan verlaten als toen ik er binnenkwam?
    • Heb ik de vrije keuze om contacten binnen en buiten de groep te onderhouden?
    • Kan ik bekritiseren zonder te worden gediscrimineerd of veroordeeld?
    • Staat in de groep de leer van Boeddha centraal of de leraren?
    • Zijn de leraren gekwalificeerd door een grondige kennis van de boeddhistische leer en door hun eigen ervaring?
    • Proberen de leraren zelf te leven volgens de leer van de Boeddha?
    • Zijn de leraren en de desbetreffende groep ingebed in de eigen traditie?
    • Zijn er contacten en uitwisselingen met andere groepen en leraren?
    • Is er een bevestiging door andere erkende leraren?
    • Ontstaat er afhankelijkheden in de relatie tussen leraar en leerling?
    • Wat is de rol van titels, machtigingen en “carrièremogelijkheden” voor mij?
    • Is er financiële transparantie in de organisatie?
    • Is er in de groep sprake van ‘vrijgevigheid’?
    • Heb ik mijn financiële onafhankelijkheid weggegeven?
    • Geef ik meer uit (aan de groep) dan in mijn omstandigheden verstandig is? Ben ik in schulden geraakt? Is dat bij anderen in de groep het geval?
    • Wordt bij het werven van nieuwe leerlingen of bij oproepen tot vrijgevigheid agressieve methoden gehanteerd?
    • Word ik in het (vrijwilligers)werk dat ik doe, uitgebuit? * Worden er seksuele relaties aangemoedigd, die onheilzame gevolgen hebben?
    • Wordt er druk of geweld uitgeoefend op mij of op andere leden van de groep?
    • Worden optredende schuldgevoelens gebruikt of zelfs versterkt; of wordt er hulp geboden in het overwinnen ervan?
    • Is er sprake van laster, verkeerde informatie of minachting voor critici, andersdenkenden of andere groepen, leraren of tradities?
    • Worden andere leraren en andere vormen van beoefening op een de waarde ervan aanduidende manier genoemd of aanbevolen?
    • Word ik gemotiveerd in het nemen van m’n eigen verantwoordelijkheid en in m’n zelfrespect?

    CONCLUSIE
    Heilzame structuren  worden gekenmerkt door openheid, ook voor vragen en kritiek. Leerlingen hebben in zulke structuren ruimte om eigen en ook afwijkende meningen te uiten. Zij kunnen het geleerde door eigen studie toetsen. Het staat hen vrij de groep of de leraar op elk door hen gekozen moment te verlaten.

    Tot zover deze vertaling. De handleiding vervolgt met het citeren van een deel van de toespraak van de Boeddha aan de Kalama’s die de eigen verantwoordelijkheid van de individuele spirituele zoekende benadrukt. Anguttara Nikaya, 3-66, zie voor Nederlandse vertaling bijvoorbeeld hier. Ik neem dit citaat uit de Pali Canon niet over omdat de Kalama Sutta, hoe waar het ook is wat er in staat, nog al eens misbruikt is om te argumenteren, als zou iedereen zelf zou mogen bepalen wat de inhoud van de Dharma, van het boeddhisme, is.

    Ik zou er twee vragen aan willen toevoegen waarbij wederom niet alleen aan Zen. Nl gedacht moet worden:

    • Als een groep zich  ‘Zen ‘ noemt maar elke verwijzing naar ‘boeddhisme’ ontbreekt,  waarom wordt dan eigenlijk het woord ‘Zen’ in de aanduiding gebruikt ?
    • Als een groep als doel van de beoefening ‘meditatie ‘ noemt en elke verwijzing naar het boeddhisme ontbreekt, op welke filosofie of levensbeschouwing !    baseert (de leraar van) deze groep zich dan eigenlijk?

    Eigenlijk was ik op zoek naar een procedure of instantie bij de  Deutsche Buddhistische Union (DBU) die ingeschakeld kan worden bij laakbaar gedrag van een boeddhistische leraar en/of groep. Naast de hierboven vertaalde leidraad vond ik zoiets niet. Wat er nog het dichtste bij kwam, is de website buddhistische-sekten.de van een (individuele) boeddhistische monnik. Hier vond ik wel de resultaten van zijn pogingen, de DBU de activiteiten aan te zetten t.a.v. boeddhistische sekten en misbruik. Genoemde leidraad is een van de resultaten ervan.

    Verder dit citaat over de meest actuele stand van zaken, dat ik onvertaald laat:

    Auf Initiative Franz Johannes Litschs gab es zur Mitgliederversammlung der DBU am 25. April 2011 einen Workshop zum Thema »Missbrauch«. Dem Workshop waren mehrere Ereignisse in buddhistischen Gemeinschaften in Deutschland vorausgegangen. Von den ca. 50 Teilnehmern des Workshops wurde einstimmig beschlossen, qualifizierte Ansprechpartner und Strukturen innerhalb der DBU zu schaffen, die zweifelnden, irritierten oder aktuell betroffenen Menschen die nötige Unterstützung und Informationen geben. Auch wurde die schon lange von Franz Johannes Litsch vorgeschlagene Idee der Einrichtung eines »Ethik-Rates« und das Aufstellen eines Lehrer-Verhaltenskodex aufgegriffen. Zur Umsetzung dieser Anliegen wurde eine Arbeitsgruppe »Ethikrat« gegründet, die ihr erstes Treffen vom 26.08.–28.08.2011 im Shambala Zentrum in Marburg hatte. Das 2. Treffen dieser Arbeitsgruppe fand vom 16.03.–18.03.2012 in Fulda statt; dabei wurde sich vor allem auf die Erarbeitung einer »Ethik Charta« konzentriert.
    bron: buddhistische-sekten.de/einleitung.html

    Conclusie: Er zit dus iets – in de richting van een ‘ Ethische Commissie ‘ – aan te komen, maar er is geen kant en klaar model waarvan in Nederland gebruik kan worden gemaakt.

    Joop Romeijn overleed op 25 maart 2020.

    Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

    #DBU #JoopRomeijn #leidraad #ontwaken #potentie
    #DBU #JoopRomeijn #leidraad #ontwaken #potentie

  4. Heilzame en onheilzame structuren van groepen

    Gedurende de laatste weken van het jaar 2024 her-publiceerden we tekst en beeld van auteurs. In 2025 gaan we daar mee door. Hieronder een analyse van Joop Romeijn, eerder in mei 2013 in het BD geplaatst.

    Het bestuur van de Deutschen Buddhistischen Union (DBU)   heeft een leidraad  geformuleerd om de mensen hulp en ondersteuning te geven die hun lidmaatschap van boeddhistische of andere groeperingen nog eens kritisch willen overwegen. De DBU is de Duitse BUN, maar dan aanmerkelijk beter georganiseerd, ze hebben bijvoorbeeld al jaren een vorm om ‘ongeorganiseerde boeddhisten’ toch een rol in hun organisatie te kunnen laten spelen.

    Hieronder vertaal ik deze leidraad, die volgens mij ook voor de situatie in Nederland (en dan denk ik niet alleen aan Zen. Nl maar breder) bruikbaar is. Wel valt me op dat hier voor ons (Nederlandse) doen vanzelfsprekend van deelname aan expliciet boeddhistische groepen sprake is. In Nederland is dat juist niet altijd duidelijk. Vandaar dat ik in een nawoord twee vragen ten behoeve van het zoeken en de zelfreflectie toevoeg.

    Voor het Duitse origineel, zie hier . De oorspronkelijke titel luidt: ‘Heilsame und unheilsame Strukturen in Gruppen ‘ en is in 2007 door de DBU vastgesteld. Al is het maar twee pagina’s, het is – ook in de ogen van de DBU-mensen zelf – een ‘zwaar’ stuk, er zit veel ervaring in verwerkt:

    “Deze leidraad is bedoeld voor al diegenen die zich bezighouden met de leer van de Boeddha en op hun ‘pad’ in een groep (‘sangha’) door een leraar worden begeleid. Onze motivatie voor het formuleren van deze leidraad is de behoefte aan bescherming en het voorkomen van  problemen voor onszelf, voor onze (boeddhistische) groep en voor al degenen die aan het begin van hun ‘pad’ staan. Duidelijkheid over de eigen motivatie biedt bescherming en steun om het heilzame tot stand te brengen en het onheilzame te vermijden. De maatschappij waarin wij leven, is gebaseerd op de mensenrechten en de grondrechten die worden gegarandeerd door de grondwet. De 2500 jaar geleden door de Boeddha onderwezen ethiek is in overeenstemming met deze principes – ze moeten ook worden weerspiegeld in de structuren van de boeddhistische groepen.
    De Boeddha zegt dat alle levende wezens de potentie hebben tot het volledige ontwaken. Op weg om dit potentieel te bereiken, echter, komen we veel obstakels tegen. Daar kunnen ook ongezonde groeps-structuren onder vallen die we hier willen beschrijven. In elke vermeende aberratie is ook een positieve ontwikkeling verborgen, zolang we onszelf toestaan ​​om onze situatie te spiegelen en om fouten te corrigeren. De persoonlijke keuzevrijheid kan steeds opnieuw worden veroverd. In deze zin willen we aansporingen tot nadenken geven en de mensen aanmoedigen om de eigen perceptie en intuïtie te vertrouwen en zich een eigen oordeel te vormen.

    De volgende vragen zijn bedoeld als een gids voor beginners, en tegelijkertijd een aansporing tot zelfreflectie van degenen al langer in een groep zitten.
    Voor alle zoekenden is het behulpzaam om eerst de eigen verwachtingen te toetsen met vragen als:

    • Wat zoek ik bij het boeddhisme?
    • Wat verwacht ik van een groep?
    • Wat hoop ik bij een ‘leraar’ te verkrijgen?
    • Zijn mijn verwachtingen realistisch?

    Verder kunnen de volgende vragen ook nog behulpzaam zijn:

    • Wat is mijn motivatie voor het begaan van het ‘boeddhistische pad’ ?
    • Wat fascineert me in het boeddhisme?
    • Ben ik gevoelig voor heilsgeschiedenissen of heilsverwachtingen?
    • Welke rol spelen mijn behoeften voor de zekerheid, veiligheid, bevestiging en erkenning in m’n deelname aan een groep?
    • Heb ik de indruk dat ik de groep net zo makkelijk kan verlaten als toen ik er binnenkwam?
    • Heb ik de vrije keuze om contacten binnen en buiten de groep te onderhouden?
    • Kan ik bekritiseren zonder te worden gediscrimineerd of veroordeeld?
    • Staat in de groep de leer van Boeddha centraal of de leraren?
    • Zijn de leraren gekwalificeerd door een grondige kennis van de boeddhistische leer en door hun eigen ervaring?
    • Proberen de leraren zelf te leven volgens de leer van de Boeddha?
    • Zijn de leraren en de desbetreffende groep ingebed in de eigen traditie?
    • Zijn er contacten en uitwisselingen met andere groepen en leraren?
    • Is er een bevestiging door andere erkende leraren?
    • Ontstaat er afhankelijkheden in de relatie tussen leraar en leerling?
    • Wat is de rol van titels, machtigingen en “carrièremogelijkheden” voor mij?
    • Is er financiële transparantie in de organisatie?
    • Is er in de groep sprake van ‘vrijgevigheid’?
    • Heb ik mijn financiële onafhankelijkheid weggegeven?
    • Geef ik meer uit (aan de groep) dan in mijn omstandigheden verstandig is? Ben ik in schulden geraakt? Is dat bij anderen in de groep het geval?
    • Wordt bij het werven van nieuwe leerlingen of bij oproepen tot vrijgevigheid agressieve methoden gehanteerd?
    • Word ik in het (vrijwilligers)werk dat ik doe, uitgebuit? * Worden er seksuele relaties aangemoedigd, die onheilzame gevolgen hebben?
    • Wordt er druk of geweld uitgeoefend op mij of op andere leden van de groep?
    • Worden optredende schuldgevoelens gebruikt of zelfs versterkt; of wordt er hulp geboden in het overwinnen ervan?
    • Is er sprake van laster, verkeerde informatie of minachting voor critici, andersdenkenden of andere groepen, leraren of tradities?
    • Worden andere leraren en andere vormen van beoefening op een de waarde ervan aanduidende manier genoemd of aanbevolen?
    • Word ik gemotiveerd in het nemen van m’n eigen verantwoordelijkheid en in m’n zelfrespect?

    CONCLUSIE
    Heilzame structuren  worden gekenmerkt door openheid, ook voor vragen en kritiek. Leerlingen hebben in zulke structuren ruimte om eigen en ook afwijkende meningen te uiten. Zij kunnen het geleerde door eigen studie toetsen. Het staat hen vrij de groep of de leraar op elk door hen gekozen moment te verlaten.

    Tot zover deze vertaling. De handleiding vervolgt met het citeren van een deel van de toespraak van de Boeddha aan de Kalama’s die de eigen verantwoordelijkheid van de individuele spirituele zoekende benadrukt. Anguttara Nikaya, 3-66, zie voor Nederlandse vertaling bijvoorbeeld hier. Ik neem dit citaat uit de Pali Canon niet over omdat de Kalama Sutta, hoe waar het ook is wat er in staat, nog al eens misbruikt is om te argumenteren, als zou iedereen zelf zou mogen bepalen wat de inhoud van de Dharma, van het boeddhisme, is.

    Ik zou er twee vragen aan willen toevoegen waarbij wederom niet alleen aan Zen. Nl gedacht moet worden:

    • Als een groep zich  ‘Zen ‘ noemt maar elke verwijzing naar ‘boeddhisme’ ontbreekt,  waarom wordt dan eigenlijk het woord ‘Zen’ in de aanduiding gebruikt ?
    • Als een groep als doel van de beoefening ‘meditatie ‘ noemt en elke verwijzing naar het boeddhisme ontbreekt, op welke filosofie of levensbeschouwing !    baseert (de leraar van) deze groep zich dan eigenlijk?

    Eigenlijk was ik op zoek naar een procedure of instantie bij de  Deutsche Buddhistische Union (DBU) die ingeschakeld kan worden bij laakbaar gedrag van een boeddhistische leraar en/of groep. Naast de hierboven vertaalde leidraad vond ik zoiets niet. Wat er nog het dichtste bij kwam, is de website buddhistische-sekten.de van een (individuele) boeddhistische monnik. Hier vond ik wel de resultaten van zijn pogingen, de DBU de activiteiten aan te zetten t.a.v. boeddhistische sekten en misbruik. Genoemde leidraad is een van de resultaten ervan.

    Verder dit citaat over de meest actuele stand van zaken, dat ik onvertaald laat:

    Auf Initiative Franz Johannes Litschs gab es zur Mitgliederversammlung der DBU am 25. April 2011 einen Workshop zum Thema »Missbrauch«. Dem Workshop waren mehrere Ereignisse in buddhistischen Gemeinschaften in Deutschland vorausgegangen. Von den ca. 50 Teilnehmern des Workshops wurde einstimmig beschlossen, qualifizierte Ansprechpartner und Strukturen innerhalb der DBU zu schaffen, die zweifelnden, irritierten oder aktuell betroffenen Menschen die nötige Unterstützung und Informationen geben. Auch wurde die schon lange von Franz Johannes Litsch vorgeschlagene Idee der Einrichtung eines »Ethik-Rates« und das Aufstellen eines Lehrer-Verhaltenskodex aufgegriffen. Zur Umsetzung dieser Anliegen wurde eine Arbeitsgruppe »Ethikrat« gegründet, die ihr erstes Treffen vom 26.08.–28.08.2011 im Shambala Zentrum in Marburg hatte. Das 2. Treffen dieser Arbeitsgruppe fand vom 16.03.–18.03.2012 in Fulda statt; dabei wurde sich vor allem auf die Erarbeitung einer »Ethik Charta« konzentriert.
    bron: buddhistische-sekten.de/einleitung.html

    Conclusie: Er zit dus iets – in de richting van een ‘ Ethische Commissie ‘ – aan te komen, maar er is geen kant en klaar model waarvan in Nederland gebruik kan worden gemaakt.

    Joop Romeijn overleed op 25 maart 2020.

    Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

    #DBU #JoopRomeijn #leidraad #ontwaken #potentie
    #DBU #JoopRomeijn #leidraad #ontwaken #potentie

  5. Wedergeboorte – gewoon een feit?

    In de laatste weken van 2024 herplaatsten we in het BD teksten van auteurs die een bijzondere kijk werpen op (onderdelen van) het boeddhisme. En dat herhalen we in de eerste weken van 2025. Hieronder een tekst van Erik Hoogcarspel. Jan de Breet en Rob Janssen zijn helaas overleden.

    Het vraagstuk van wedergeboorte is al vaak besproken. Buitenstaanders, maar ook veel boeddhisten beschouwen het onderwerp als een van de kernthema’s van de boeddhistische leer. In de Pali-Canon, zoals die in het Nederlands is vertaald door Jan de Breet en Rob Janssen, vindt de lezer veel verwijzingen naar wedergeboorte en karma. Er lijkt geen probleem van wedergeboorte te bestaan, het is gewoon een feit.

    Toch vindt de leer van wedergeboorte steeds meer weerstand en sommige boeddhisten wijzen de mogelijkheid zelfs resoluut van de hand. Ik koester niet de illusie iets nieuws toe te voegen aan de discussie, maar probeer deze beter te begrijpen. Ik ben van mening dat de leer van wedergeboorte ons dwingt tot een keuze. Welk soort boeddhisme willen we en wat voor boeddhist willen we zijn? Maar het is een keuze die we voor onszelf moeten maken en de keuze van anderen moeten we respecteren. Als eerbetoon aan de recent overleden psycholoog, boeddholoog en Pali vertaler Rob Janssen neem ik zijn lezing over wedergeboorte voor de Vrienden van het Boeddhisme als leidraad.

    De klassieke opvatting

    In zijn voordracht somt Rob Janssen de feiten nog eens helder op. Hij wijst onder andere op het vierde sutta van de Majjhima-nikāya, de Bhayabheravasutta (Rede over angst en vrees – MN I, blz. 103 -109). De sutta verhaalt hoe de Boeddha aan een brahmaan vertelt hoe hij het ontwaken bereikte. Na de vierde trap van concentratie te hebben bereikt, richtte de Boeddha zijn geest ‘op de kennis die bestaat uit de herinnering van de vroegere verblijfplaatsen’. Hij herinnert zich dan in het eerste deel van de nacht in detail 100.000 vorige levens. Vervolgens, in het tweede deel van de nacht, schouwt hij 100.000 levens en wedergeboorten van andere wezens, ook tot in detail. Ten slotte, in het derde deel van de nacht, beseft hij dat hij volledig verlost is en niet meer wordt wedergeboren. Janssen voert dit verhaal op als overtuigend bewijs, maar is er iets merkwaardigs aan dit verhaal, eigenlijk zijn het er vier.

    Ten eerste staat hier het schouwen van de eigen vorige levens en die van andere wezens op de plaats waar elders de vier meditaties op mededogen, mede verheugen en gelijkmoedigheid worden genoemd. Dit zijn drie van de vier vormloze concentraties (arūpa-samāpattis, niet-boeddhistische meditatiemethodes die in het Mahāgovinda Sutta het boeddhisme worden ingeloodst, zie DN blz. 443). Ze worden onder andere in het Aṭṭhakanāgara Sutta (MN II blz. 32 – 46) en het Tevijja Sutta (DN blz. 249) genoemd, in de laatste zelfs zonder de vier trappen van concentratie. De volgorde van de meditaties is merkwaardig, de Boeddha is op het moment van zijn herinnering van vorige levens de tweede trap van concentratie ver voorbij. In deze trap verdwijnt de mogelijkheid tot nadenken en overwegen. In de herinneringen aan vroegere levens komen die gedachten en overwegingen echter blijkbaar weer plotseling in volle glorie terug.

    Ten tweede is het verhaal op praktische gronden totaal ongeloofwaardig. Stel dat de nacht negen uur duurt, dan zijn er 3 perioden van elk 180 minuten. Als je in 180 minuten (10.800 seconden) 100.000 levens wilt herinneren, heb je ongeveer één tiende seconde voor elk leven. Het is onmogelijk om je in zo’n korte tijd te herinneren: ‘Op die plaats heette ik zo en zo, hoorde ik tot die en die familie, was ik van die en die stand, voedde ik me zo en zo, ervoer ik dat en dat ongeluk, werd ik zo en zo oud’ (MN I blz. 107).

    Ten derde wordt helemaal niet duidelijk gemaakt wat de zin is van deze exercitie. Er komt nergens anders in de Pali-Canon een dergelijke passage voor en nergens wordt er ook gezinspeeld op mogelijke heilzame gevolgen van het zich herinneren van vorige levens. Bovendien zijn er geen verslagen van arhats hierover.

    Ten vierde verwachten demografen dat de wereldbevolking zal groeien tot 11 miljard zielen. Als er geen zielen worden bijgemaakt, moeten deze er dus al vanaf het begin der tijden bestaan. Volgens de boeddhistische leer is er zelfs geen begin aan het leven. Dit is natuurlijk ook een Vedisch dogma dat strijdig is met de wetenschap. Ten tijde van de Ontwaakte bedroeg de wereldbevolking ongeveer 100 miljoen, er waren toen dus (11.000 – 100 =) 10.900 miljoen zielen die niet in een menselijk lichaam leefden. De kans om als mens geboren te worden was daarom 1 op 109. De gemiddelde leeftijd van een mens is ongeveer 40 jaar, je moest dus 4.036 jaar wachten op je volgende menselijke geboorte. Dit betekent dat de Boeddha zich levens kon herinneren van 403.600.000 jaar geleden. De oudste fossielen van menselijk leven zijn gevonden in Ethiopië en dateren van 2.8 miljoen jaren geleden.

    Als de Boeddha alleen als mens is wedergeboren, er worden namelijk in het sutta geen geboorten als dier genoemd, dan is dat op zijn hoogst 700 (=2.800.000 / 4,036) keer gebeurd. Zelfs als de Boeddha telkens kon ‘voorpiepen’ bij zijn geboorte, dan nog moet zijn eerste geboorte 4 miljoen jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit is ruim 1 miljoen jaar voordat de eerste mens verscheen op aarde. De getallen kloppen dus niet en de latere toevoeging van de vele hemelen en hellen die we in het Tibetaanse model van de vijf of zes rijken aantreffen, maken de afwijkingen alleen maar groter.

    Nu zou je kunnen beweren dat al dit rekenwerk wat flauw is en dat het gaat om de bedoeling. Die getallen zijn misschien niet letterlijk zo bedoeld, maar een soort retorische overdrijving. Het probleem is in dat geval dat die bedoeling niet duidelijk wordt gemaakt en dat er wel degelijk gesuggereerd wordt dat de Boeddha dit echt allemaal letterlijk zo heeft gezegd. Als vaststaat dat het verhaal niet letterlijk waar kan zijn, dan is de vraag wat er dan wel van waar is. Het heeft er namelijk alle schijn van dat het verzonnen is door een brahmaan die de Boeddha erg graag als een aanhanger van de Vedische leer van karma en wedergeboorte wilde afschilderen. De toevoeging dat de Boeddha zich herinnerde tot welke familie hij behoorde (in het Pāli staat ‘gotto’, dat is ‘gotra’, oftewel ‘clan’) herinnert aan de Vedische obsessie met het kastenstelsel. Er zijn verschillende plaatsen van soortgelijke Vedische vervuiling aan te wijzen in de Pali Canon van soortgelijke. Als we nu gedwongen worden aan te nemen dat er met deze tekst is geknoeid, dan kunnen we er niet omheen aan te nemen dat dit met meerdere sutta’s het geval zou kunnen zijn, wat trouwens door specialisten op taalkundige gronden inderdaad is vastgesteld.

    Karma of taṇhā?

    In zijn lezing verklaart Janssen de drang tot wedergeboorte uit karma, maar even verderop ook uit taṇhā (dorst). Hij gaat er vanuit dat dit hetzelfde is, maar er is nogal een verschil: karma kan niet worden opgeheven, maar taṇhā wel. Dit doen boeddhisten tijdens hun meditatie en het is mogelijk, als je geluk hebt, om deze toestand van het wegvallen van gehechtheid aan het bestaan even te ervaren. Na zo’n moment vind je jezelf terug in het alledaagse leven met al zijn beslommeringen. Met goed recht zou dit een wedergeboorte genoemd kunnen worden. Het is een toestand, waarin je weer te maken krijgt met je karma: de neerslag van vooroordelen en beheptheden die je in je leven hebt opgedaan. Deze interpretatie van wedergeboorte levert in de meeste passages van de lezing een veel begrijpelijker en toepasbaarder resultaat op. De voorstellingen van ketens van het lijden (of van saṃsāra, er zijn verschillende, maar de meest bekende is die van 12 schakels) is opeens veel logischer, alle genoemde factoren vormen de voorwaarde die het leed mogelijk maken. Zoals Buddhadāsa Bhikkhu schrijft op bladzijde 1001 van Heartwood of the bodhitree: ‘Geboorte betekent het opkomen van de gevoelens van ‘ik’ en ‘van mij’.’

    De voorwaarden voor het leed van saṃsāra.

    De leer van wedergeboorte werd al bedacht en verkondigd door de brahmanen, meer dan een eeuw voor de geboorte van de Boeddha. De eerste vermeldingen ervan zijn te vinden in de Bṛhadāraṇyaka-upaniṣad (6.2.16) en in de Chāndogya-upaniṣad (5.10.3). Thanissaro Bhikkhu is ervan overtuigd dat de leer in de tijd van de Verhevene een nog onbeslist discussiepunt was, omdat er een paar discussies over voorkomen in de Suttanikāya. Hij vergeet echter dat de streek waar de Boeddha leefde in diens tijd al sterk was gebrahmaniseerd en in de Suttanikāya wemelt het inderdaad van de brahmanen. De bovenlaag van politici en priesters aanvaardden dus volop de brahmaanse leer van wedergeboorte. De Boeddha heeft aan deze metafysische leer een geheel eigen psychologische invulling gegeven. Dit deed hij vaker, zoals Richard Gombrich in zijn boek What the Buddha thought heeft aangetoond.

    Als we dit nu toepassen op de keten die genoemd wordt in het Mahāpadāna Sutta, die Janssen in zijn lezing bespreekt, ontstaat het volgende beeld. Ouderdom en dood veronderstelt geboorte en dit veronderstelt leven. Leven veronderstelt dat er identificatie of toeëigening is, wat begeerte veronderstelt. Dit kan alleen als er gevoel is en dit veronderstelt waarneming. Waarneming kan alleen plaatsvinden als er de zes zintuigdomeinen zijn, dit wil zeggen: dat er een wereld wordt ervaren als wereld. De ervaring van een wereld veronderstelt weer dat er naam-en-vorm is, dus dat er bewustzijnsobjecten zijn. Dat kan vervolgens alleen als er bewustzijn is. Er is echter geen bewustzijn zonder bewustzijnsobjecten, dus beide veronderstellen elkaar wederzijds en dit is dus het wederzijds afhankelijk ontstaan.

    Als men de schakels op deze manier interpreteert is er geen sprake van wedergeboorte in de Vedische zin. De schakels zijn een uitleg van hoe je het nirvāṇa kunt bereiken, ze vormen geen biologieles over zintuigen en geboortes. De Boeddha ging dan ook gewoon dood, net als ieder ander. Hij ging ook door met waarnemen na zijn ontwaken en ervoer de wereld, zij het op een bijzondere manier. De schakels zijn geen verklaring van bevallingen of (weder)geboortes, maar van het ontstaan van het leed, van saṁsāra. Dit ontstaat niet door het ouder worden of sterven op zich, maar door het feit dat we dit niet kunnen accepteren als een normaal natuurlijk proces. Dit wordt vervolgens weer veroorzaakt door de illusie van een ego waarin we leven, een soort mentale gewoonte die aanleiding geeft tot het streven jezelf in stand te houden of zelfs uit te breiden, Nietzsche noemde dit ‘de wil tot macht’.

     

    We identificeren ons dus met ons bestaan, wat betekent dat er voor ons een wereld bestaat waar we deel van uitmaken en waar we veel te ploeteren hebben. Uitdrukkingen als zintuigdomeinen, waarbij het voorstellingsvermogen het zesde is, en naam-en-vorm vat ik op als verzamelnamen, niet als opsommingen. Die wereld stellen we ons voor op grond van alle dingen die onder onze aandacht komen, waar we ons bewust van worden, dus de gewaarwordingen en voorstellingen. Filosofen spreken hier van fenomenen. We ervaren deze alsof ze van buiten komen en alsof we ze moeten ondergaan, maar ze zijn de lege dynamiek van het bewustzijn. Als we beseffen dat zij het spel zijn van verschijning en bewustzijn, in onderlinge afhankelijkheid, dan ervaren we ons bestaan niet meer als onbevredigend of doortrokken van leed, maar als vervuld en op zich vrij en volmaakt. Dit rechtstreeks te ervaren is het doel van methodes als Mahāmudrā en Rdzogs Chen of Mahā Ati. Deze interpretatie van een geestelijke wedergeboorte is geen puzzel die je uit je hoofd moet leren, maar een levende ervaring die zich bewijst in de meditatie. Het is geen geloof, maar een praktisch inzicht waar je mee aan de slag kunt.

    Verlossing of geloof?

    Rob Janssen presenteert in zijn lezing een indrukwekkende lijst met passages uit de Suttanikāya waarin naar wedergeboorte wordt verwezen. In een aantal van deze gevallen kan wedergeboorte worden gelezen als de mentale wedergeboorte van het ego. In een aantal andere gevallen betreft het naar mijn mening een verdachte sutta, één die pas na de dood van de Boeddha is gecomponeerd. Of waaraan opvattingen van anderen zijn toegevoegd, soms waarschijnlijk met de beste bedoelingen. Dit impliceert dat voor wie de Suttanikāya van kaft tot kaft als het authentieke woord van de boeddha wil beschouwen, er weinig twijfel kan zijn. Een dergelijk uitgangspunt is een keuze, de keuze om het boeddhisme te beschouwen als een religie en de Tipitaka als een verzameling heilige boeken. Veel sutta’s tonen echter onmiskenbaar sporen van redactie, het Mahāpadāna Sutta (DN blz. 251-287), is een daar goed voorbeeld van. We vinden hier de bekende kenmerken van brahmaanse ingreep: astronomische getallen en de zinloze lijstjes die door hun ingewikkeldheid en lengte de lezers of toehoorders moeten imponeren. De Boeddha noemt in deze tekst uit zijn hoofd een lijstje vorige boeddha’s op die allemaal tienduizenden jaren oud zijn geworden, ondanks hun wanstaltigheid waar in de tekst ook over wordt uitgeweid. Er is dus alle reden om aan de authenticiteit van dit soort passages te twijfelen. We kunnen immers niets zeker weten, er zijn geen geluidsopnamen van de Boeddha bewaard gebleven en het is heel goed mogelijk om in een orale traditie ongemerkt fragmenten en zelfs hele sutta’s in te voegen.

    Het belangrijkste argument tegen de leer van wedergeboorte vind ik wel dat de vraag naar wat er gebeurt na de dood een brahmaanse obsessie is, die verder niets toevoegt aan het pad van de verlossing in dit leven. Thanissaro Bhikkhu vindt overigens van wel, omdat zonder wedergeboorte de noodzaak van verlossing volgens hem veel minder wordt. Je wordt immers na je dood dan niet meer gestraft voor je wandaden? Het lijkt een beetje op de verzuchting van sommige christenen: ‘als God niet bestaat, is alles geoorloofd’.

    Het idee van het eeuwig met je mee moeten dragen van een onbekende oneindig grote hoop karma, waar van alles in zit, is echter niet bepaald iets om vrolijk of hoopvol van te worden. Het kan dus evengoed contraproductief werken. De klassieke brahmaanse leer van wedergeboorte en karma verklaart niets, want het karma is oneindig. Het is alleen maar een stok achter de deur voor de kans- en kastelozen in de samenleving om zich te laten onderdrukken zonder in opstand te komen. Wie wil weten hoe dit uitpakt in de praktijk en hoeveel mensen daardoor het nirvāṇa bereiken, moet maar eens in India rondkijken.

     

    Daar tegenover staat het feit dat de theorie aan alle kanten rammelt. Bij wedergeboorte reïncarneert volgens de klassieke boeddhistische opvatting het karma, want de persoon bestaat eigenlijk niet. Dit betekent dat de overledene in ieder geval vrijuit gaat. Als je dood gaat, gaat het karma naar een volgende geboorte, maar dat ben jij dus niet. Volgens het hindoeïsme is er een ziel die na de dood het lichaam verlaat en naar de voorvaderen of Brahma gaat. Dit kan niet in het boeddhisme, dus neemt men aan dat er een soort continuïteit is met een volgend leven. Het karma gaat naar de ‘cloud’ tijdens het sterven en de nieuwgeborene wordt automatisch gesynchroniseerd met het karma. Er is echter geen eigenaar die bij de baby het wachtwoord intypt van de overledene, met andere woorden: de continuïteit blijft een raadsel. Hoe zoekt het oude karma, dat uiteindelijk alleen maar uit wereldse illusies en traumatische stress bestaat, een nieuwe wedergeboorte? Dit kan alleen door een tweede soort karma die gewoonlijk ‘DE WET VAN HET KARMA’ wordt genoemd.

    Dit is de verborgen structuur van het universum, die de wedergeboorte regelt en die in het hindoeïsme ‘Braḥmā’ heet, wiens DNA bovendien volgens de Veda’s de grammatica van het goddelijke Sanskriet is. Deze structuur zorgt er ook voor dat Vedische mantra’s en rituelen effect hebben. Dit is dus een tweede brahmaans dogma dat het boeddhisme is binnen gefrommeld. Het is niet zonder reden dat als belangrijkste hindernissen (samyojana’s) voor het ontwaken worden genoemd: geloof in een zelfstandige individualiteit (sakkāya-diṭṭhi), wankelmoedigheid of twijfel en gehechtheid aan rituelen (sīlabbata-parāmāsa, zie DN blz. 697). Al die bekeerde brahmanen hadden blijkbaar de grootste moeite om van hun rituelen af te komen en op de lange duur zijn die dan ook gewoon weer onder andere namen in het boeddhisme ingevoerd.

    Verschillende vormen van boeddhisme

    Ongetwijfeld zijn er door boeddhisten onderling vele discussies gevoerd over wat wel en niet tot het ‘echte’ boeddhisme behoort. Voor westerlingen die net van de christelijke kerk met al zijn rituelen en metafysica afscheid hebben genomen, lijken sommige vormen van boeddhisme een terugval in een nieuw soort schijnheiligheid. God is toch dood? Ook Rob Janssen en ik hebben hier vaak over gesproken. Hij onderkende wel dat er een zekere redactie van de sutta’s heeft plaatsgevonden, maar hij was er op tegen om alle religieuze elementen als onboeddhistisch of niet-historisch uit te sluiten. Hij zag wel degelijk een rol voor een religieus boeddhisme. De feiten geven hem in zekere zin gelijk, niet iedereen is gecharmeerd van het no-nonsense boeddhisme van Stephen Batchelor. Het is ook nogal arrogant om medemensen waar je het niet meer eens bent het recht te ontkennen om zich boeddhist te voelen. Aan de andere kant is het net zo verkeerd om de verschillen te ontkennen. Er bestaan blijkbaar meerdere vormen van boeddhisme en dit zouden we moeten respecteren en ook uitdragen naar buiten. De geschiedenis, ook die van het boeddhisme, zit vol creatieve vergissingen, laten we ervan leren.

    Wie de geschiedenis en de wetenschap achter zich laat, treedt een andere, oudere wereld binnen, de wereld van de mythe of het geloof. Er gaat een knop om, er is een omschakeling naar een vredige en hoopvolle wereld, weg van de dagelijkse zorgen. Het is een wedergeboorte in een ander Zuiver Land, waar je ongestoord kunt bidden en mediteren. Iedereen beseft echter ook dat deze andere wereld niet de wereld is waarin hij of zij leeft. In hun wereld geldt de wetenschap, in het Zuivere Land geldt het ritueel. Binnen de tempel is er geloof en kunnen boeddha’s 20.000 of 80.000 jaar oud worden, buiten de tempel moet je goed uitkijken als je oversteekt. De moeilijkheid is om beide werelden uit elkaar te houden. Vaak gaat dat mis, vandaar de vele religieuze conflicten. Als je wordt wedergeboren in het Zuivere Land neem je je karma mee, dus daar moet je ook praktiseren, dat hebben alle boeddhisten gemeen. Wedergeboorte en karma scheiden ons niet, ze verenigen ons.

    Erik Hoogcarspel studeerde filosofie en Indische talen aan de rijksuniversiteiten in Groningen en Leiden. Hij ontmoette in 1975 de 16e Karmapa, het hoofd van de Karma Kagyü School, één van de vier kloosterscholen van het Tibetaans boeddhisme en was penningmeester van de Nederlandse stichting van deze school. In 1978 richtte hij samen met Jildi Mohamad Sjah het Boeddhistisch Meditatiecentrum te Groningen op. Hij was columnist in verschillende bladen en publiceerde ‘Koken met Filosofie’ en een vertaling van de belangrijkste tekst van Nagarjuna ‘Grondregels van de filosofie van het midden’ (Olive Press, Amsterdam 2005, alsmede een Engelse versie). Hij doceerde aan de Radboud Universiteit Nijmegen, de Goudse Scholengemeenschap Leo Vroman en is verbonden aan het Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden. Dit is tevens de uitgever van zijn boek ‘Het Boeddha-fenomeen’ (2016), de Engelse versie draagt de titel ‘Phenomenal Emptyness’ en is verkrijgbaar bij Amazon. Bronnen Buddhadāsa Bhikkhu. Heartwood of the bodhitree. Silkworm Books, Chang Mai 1994
    Gombrich, R. What the Buddha thought. Equinox, Londen 2009
    Jan de Breet, Rob Janssen. De Verzameling Middellange Leerredes I (MNI). Asoka, Rotterdam 2004
    Jan de Breet, Rob Janssen. De Verzameling Middellange Leerredes II (MNII). Asoka, Rotterdam 2004
    Jan de Breet, Rob Janssen. De Verzameling Lange Leerredes (DN). Asoka, Rotterdam 2001
    Lezing Rob Janssen: boeddhabasics.nl/pdf/SvB_Weder
    Artikel Thanissaro Bhikkhu: https://www.accesstoinsight.org/lib/authors/thanissaro/truth_of_rebirth.html

     

    Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

    #Boedda #Brahmanen #cloud #ErikHoogcarspel #gelijkmoedigheid #karma #meditatie #ontwaken #RobJanssen #wedergeboorte
    #Boedda #Brahmanen #cloud #ErikHoogcarspel #gelijkmoedigheid #karma #meditatie #ontwaken #RobJanssen #wedergeboorte

  6. Wedergeboorte – gewoon een feit?

    In de laatste weken van 2024 herplaatsten we in het BD teksten van auteurs die een bijzondere kijk werpen op (onderdelen van) het boeddhisme. En dat herhalen we in de eerste weken van 2025. Hieronder een tekst van Erik Hoogcarspel. Jan de Breet en Rob Janssen zijn helaas overleden.

    Het vraagstuk van wedergeboorte is al vaak besproken. Buitenstaanders, maar ook veel boeddhisten beschouwen het onderwerp als een van de kernthema’s van de boeddhistische leer. In de Pali-Canon, zoals die in het Nederlands is vertaald door Jan de Breet en Rob Janssen, vindt de lezer veel verwijzingen naar wedergeboorte en karma. Er lijkt geen probleem van wedergeboorte te bestaan, het is gewoon een feit.

    Toch vindt de leer van wedergeboorte steeds meer weerstand en sommige boeddhisten wijzen de mogelijkheid zelfs resoluut van de hand. Ik koester niet de illusie iets nieuws toe te voegen aan de discussie, maar probeer deze beter te begrijpen. Ik ben van mening dat de leer van wedergeboorte ons dwingt tot een keuze. Welk soort boeddhisme willen we en wat voor boeddhist willen we zijn? Maar het is een keuze die we voor onszelf moeten maken en de keuze van anderen moeten we respecteren. Als eerbetoon aan de recent overleden psycholoog, boeddholoog en Pali vertaler Rob Janssen neem ik zijn lezing over wedergeboorte voor de Vrienden van het Boeddhisme als leidraad.

    De klassieke opvatting

    In zijn voordracht somt Rob Janssen de feiten nog eens helder op. Hij wijst onder andere op het vierde sutta van de Majjhima-nikāya, de Bhayabheravasutta (Rede over angst en vrees – MN I, blz. 103 -109). De sutta verhaalt hoe de Boeddha aan een brahmaan vertelt hoe hij het ontwaken bereikte. Na de vierde trap van concentratie te hebben bereikt, richtte de Boeddha zijn geest ‘op de kennis die bestaat uit de herinnering van de vroegere verblijfplaatsen’. Hij herinnert zich dan in het eerste deel van de nacht in detail 100.000 vorige levens. Vervolgens, in het tweede deel van de nacht, schouwt hij 100.000 levens en wedergeboorten van andere wezens, ook tot in detail. Ten slotte, in het derde deel van de nacht, beseft hij dat hij volledig verlost is en niet meer wordt wedergeboren. Janssen voert dit verhaal op als overtuigend bewijs, maar is er iets merkwaardigs aan dit verhaal, eigenlijk zijn het er vier.

    Ten eerste staat hier het schouwen van de eigen vorige levens en die van andere wezens op de plaats waar elders de vier meditaties op mededogen, mede verheugen en gelijkmoedigheid worden genoemd. Dit zijn drie van de vier vormloze concentraties (arūpa-samāpattis, niet-boeddhistische meditatiemethodes die in het Mahāgovinda Sutta het boeddhisme worden ingeloodst, zie DN blz. 443). Ze worden onder andere in het Aṭṭhakanāgara Sutta (MN II blz. 32 – 46) en het Tevijja Sutta (DN blz. 249) genoemd, in de laatste zelfs zonder de vier trappen van concentratie. De volgorde van de meditaties is merkwaardig, de Boeddha is op het moment van zijn herinnering van vorige levens de tweede trap van concentratie ver voorbij. In deze trap verdwijnt de mogelijkheid tot nadenken en overwegen. In de herinneringen aan vroegere levens komen die gedachten en overwegingen echter blijkbaar weer plotseling in volle glorie terug.

    Ten tweede is het verhaal op praktische gronden totaal ongeloofwaardig. Stel dat de nacht negen uur duurt, dan zijn er 3 perioden van elk 180 minuten. Als je in 180 minuten (10.800 seconden) 100.000 levens wilt herinneren, heb je ongeveer één tiende seconde voor elk leven. Het is onmogelijk om je in zo’n korte tijd te herinneren: ‘Op die plaats heette ik zo en zo, hoorde ik tot die en die familie, was ik van die en die stand, voedde ik me zo en zo, ervoer ik dat en dat ongeluk, werd ik zo en zo oud’ (MN I blz. 107).

    Ten derde wordt helemaal niet duidelijk gemaakt wat de zin is van deze exercitie. Er komt nergens anders in de Pali-Canon een dergelijke passage voor en nergens wordt er ook gezinspeeld op mogelijke heilzame gevolgen van het zich herinneren van vorige levens. Bovendien zijn er geen verslagen van arhats hierover.

    Ten vierde verwachten demografen dat de wereldbevolking zal groeien tot 11 miljard zielen. Als er geen zielen worden bijgemaakt, moeten deze er dus al vanaf het begin der tijden bestaan. Volgens de boeddhistische leer is er zelfs geen begin aan het leven. Dit is natuurlijk ook een Vedisch dogma dat strijdig is met de wetenschap. Ten tijde van de Ontwaakte bedroeg de wereldbevolking ongeveer 100 miljoen, er waren toen dus (11.000 – 100 =) 10.900 miljoen zielen die niet in een menselijk lichaam leefden. De kans om als mens geboren te worden was daarom 1 op 109. De gemiddelde leeftijd van een mens is ongeveer 40 jaar, je moest dus 4.036 jaar wachten op je volgende menselijke geboorte. Dit betekent dat de Boeddha zich levens kon herinneren van 403.600.000 jaar geleden. De oudste fossielen van menselijk leven zijn gevonden in Ethiopië en dateren van 2.8 miljoen jaren geleden.

    Als de Boeddha alleen als mens is wedergeboren, er worden namelijk in het sutta geen geboorten als dier genoemd, dan is dat op zijn hoogst 700 (=2.800.000 / 4,036) keer gebeurd. Zelfs als de Boeddha telkens kon ‘voorpiepen’ bij zijn geboorte, dan nog moet zijn eerste geboorte 4 miljoen jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit is ruim 1 miljoen jaar voordat de eerste mens verscheen op aarde. De getallen kloppen dus niet en de latere toevoeging van de vele hemelen en hellen die we in het Tibetaanse model van de vijf of zes rijken aantreffen, maken de afwijkingen alleen maar groter.

    Nu zou je kunnen beweren dat al dit rekenwerk wat flauw is en dat het gaat om de bedoeling. Die getallen zijn misschien niet letterlijk zo bedoeld, maar een soort retorische overdrijving. Het probleem is in dat geval dat die bedoeling niet duidelijk wordt gemaakt en dat er wel degelijk gesuggereerd wordt dat de Boeddha dit echt allemaal letterlijk zo heeft gezegd. Als vaststaat dat het verhaal niet letterlijk waar kan zijn, dan is de vraag wat er dan wel van waar is. Het heeft er namelijk alle schijn van dat het verzonnen is door een brahmaan die de Boeddha erg graag als een aanhanger van de Vedische leer van karma en wedergeboorte wilde afschilderen. De toevoeging dat de Boeddha zich herinnerde tot welke familie hij behoorde (in het Pāli staat ‘gotto’, dat is ‘gotra’, oftewel ‘clan’) herinnert aan de Vedische obsessie met het kastenstelsel. Er zijn verschillende plaatsen van soortgelijke Vedische vervuiling aan te wijzen in de Pali Canon van soortgelijke. Als we nu gedwongen worden aan te nemen dat er met deze tekst is geknoeid, dan kunnen we er niet omheen aan te nemen dat dit met meerdere sutta’s het geval zou kunnen zijn, wat trouwens door specialisten op taalkundige gronden inderdaad is vastgesteld.

    Karma of taṇhā?

    In zijn lezing verklaart Janssen de drang tot wedergeboorte uit karma, maar even verderop ook uit taṇhā (dorst). Hij gaat er vanuit dat dit hetzelfde is, maar er is nogal een verschil: karma kan niet worden opgeheven, maar taṇhā wel. Dit doen boeddhisten tijdens hun meditatie en het is mogelijk, als je geluk hebt, om deze toestand van het wegvallen van gehechtheid aan het bestaan even te ervaren. Na zo’n moment vind je jezelf terug in het alledaagse leven met al zijn beslommeringen. Met goed recht zou dit een wedergeboorte genoemd kunnen worden. Het is een toestand, waarin je weer te maken krijgt met je karma: de neerslag van vooroordelen en beheptheden die je in je leven hebt opgedaan. Deze interpretatie van wedergeboorte levert in de meeste passages van de lezing een veel begrijpelijker en toepasbaarder resultaat op. De voorstellingen van ketens van het lijden (of van saṃsāra, er zijn verschillende, maar de meest bekende is die van 12 schakels) is opeens veel logischer, alle genoemde factoren vormen de voorwaarde die het leed mogelijk maken. Zoals Buddhadāsa Bhikkhu schrijft op bladzijde 1001 van Heartwood of the bodhitree: ‘Geboorte betekent het opkomen van de gevoelens van ‘ik’ en ‘van mij’.’

    De voorwaarden voor het leed van saṃsāra.

    De leer van wedergeboorte werd al bedacht en verkondigd door de brahmanen, meer dan een eeuw voor de geboorte van de Boeddha. De eerste vermeldingen ervan zijn te vinden in de Bṛhadāraṇyaka-upaniṣad (6.2.16) en in de Chāndogya-upaniṣad (5.10.3). Thanissaro Bhikkhu is ervan overtuigd dat de leer in de tijd van de Verhevene een nog onbeslist discussiepunt was, omdat er een paar discussies over voorkomen in de Suttanikāya. Hij vergeet echter dat de streek waar de Boeddha leefde in diens tijd al sterk was gebrahmaniseerd en in de Suttanikāya wemelt het inderdaad van de brahmanen. De bovenlaag van politici en priesters aanvaardden dus volop de brahmaanse leer van wedergeboorte. De Boeddha heeft aan deze metafysische leer een geheel eigen psychologische invulling gegeven. Dit deed hij vaker, zoals Richard Gombrich in zijn boek What the Buddha thought heeft aangetoond.

    Als we dit nu toepassen op de keten die genoemd wordt in het Mahāpadāna Sutta, die Janssen in zijn lezing bespreekt, ontstaat het volgende beeld. Ouderdom en dood veronderstelt geboorte en dit veronderstelt leven. Leven veronderstelt dat er identificatie of toeëigening is, wat begeerte veronderstelt. Dit kan alleen als er gevoel is en dit veronderstelt waarneming. Waarneming kan alleen plaatsvinden als er de zes zintuigdomeinen zijn, dit wil zeggen: dat er een wereld wordt ervaren als wereld. De ervaring van een wereld veronderstelt weer dat er naam-en-vorm is, dus dat er bewustzijnsobjecten zijn. Dat kan vervolgens alleen als er bewustzijn is. Er is echter geen bewustzijn zonder bewustzijnsobjecten, dus beide veronderstellen elkaar wederzijds en dit is dus het wederzijds afhankelijk ontstaan.

    Als men de schakels op deze manier interpreteert is er geen sprake van wedergeboorte in de Vedische zin. De schakels zijn een uitleg van hoe je het nirvāṇa kunt bereiken, ze vormen geen biologieles over zintuigen en geboortes. De Boeddha ging dan ook gewoon dood, net als ieder ander. Hij ging ook door met waarnemen na zijn ontwaken en ervoer de wereld, zij het op een bijzondere manier. De schakels zijn geen verklaring van bevallingen of (weder)geboortes, maar van het ontstaan van het leed, van saṁsāra. Dit ontstaat niet door het ouder worden of sterven op zich, maar door het feit dat we dit niet kunnen accepteren als een normaal natuurlijk proces. Dit wordt vervolgens weer veroorzaakt door de illusie van een ego waarin we leven, een soort mentale gewoonte die aanleiding geeft tot het streven jezelf in stand te houden of zelfs uit te breiden, Nietzsche noemde dit ‘de wil tot macht’.

     

    We identificeren ons dus met ons bestaan, wat betekent dat er voor ons een wereld bestaat waar we deel van uitmaken en waar we veel te ploeteren hebben. Uitdrukkingen als zintuigdomeinen, waarbij het voorstellingsvermogen het zesde is, en naam-en-vorm vat ik op als verzamelnamen, niet als opsommingen. Die wereld stellen we ons voor op grond van alle dingen die onder onze aandacht komen, waar we ons bewust van worden, dus de gewaarwordingen en voorstellingen. Filosofen spreken hier van fenomenen. We ervaren deze alsof ze van buiten komen en alsof we ze moeten ondergaan, maar ze zijn de lege dynamiek van het bewustzijn. Als we beseffen dat zij het spel zijn van verschijning en bewustzijn, in onderlinge afhankelijkheid, dan ervaren we ons bestaan niet meer als onbevredigend of doortrokken van leed, maar als vervuld en op zich vrij en volmaakt. Dit rechtstreeks te ervaren is het doel van methodes als Mahāmudrā en Rdzogs Chen of Mahā Ati. Deze interpretatie van een geestelijke wedergeboorte is geen puzzel die je uit je hoofd moet leren, maar een levende ervaring die zich bewijst in de meditatie. Het is geen geloof, maar een praktisch inzicht waar je mee aan de slag kunt.

    Verlossing of geloof?

    Rob Janssen presenteert in zijn lezing een indrukwekkende lijst met passages uit de Suttanikāya waarin naar wedergeboorte wordt verwezen. In een aantal van deze gevallen kan wedergeboorte worden gelezen als de mentale wedergeboorte van het ego. In een aantal andere gevallen betreft het naar mijn mening een verdachte sutta, één die pas na de dood van de Boeddha is gecomponeerd. Of waaraan opvattingen van anderen zijn toegevoegd, soms waarschijnlijk met de beste bedoelingen. Dit impliceert dat voor wie de Suttanikāya van kaft tot kaft als het authentieke woord van de boeddha wil beschouwen, er weinig twijfel kan zijn. Een dergelijk uitgangspunt is een keuze, de keuze om het boeddhisme te beschouwen als een religie en de Tipitaka als een verzameling heilige boeken. Veel sutta’s tonen echter onmiskenbaar sporen van redactie, het Mahāpadāna Sutta (DN blz. 251-287), is een daar goed voorbeeld van. We vinden hier de bekende kenmerken van brahmaanse ingreep: astronomische getallen en de zinloze lijstjes die door hun ingewikkeldheid en lengte de lezers of toehoorders moeten imponeren. De Boeddha noemt in deze tekst uit zijn hoofd een lijstje vorige boeddha’s op die allemaal tienduizenden jaren oud zijn geworden, ondanks hun wanstaltigheid waar in de tekst ook over wordt uitgeweid. Er is dus alle reden om aan de authenticiteit van dit soort passages te twijfelen. We kunnen immers niets zeker weten, er zijn geen geluidsopnamen van de Boeddha bewaard gebleven en het is heel goed mogelijk om in een orale traditie ongemerkt fragmenten en zelfs hele sutta’s in te voegen.

    Het belangrijkste argument tegen de leer van wedergeboorte vind ik wel dat de vraag naar wat er gebeurt na de dood een brahmaanse obsessie is, die verder niets toevoegt aan het pad van de verlossing in dit leven. Thanissaro Bhikkhu vindt overigens van wel, omdat zonder wedergeboorte de noodzaak van verlossing volgens hem veel minder wordt. Je wordt immers na je dood dan niet meer gestraft voor je wandaden? Het lijkt een beetje op de verzuchting van sommige christenen: ‘als God niet bestaat, is alles geoorloofd’.

    Het idee van het eeuwig met je mee moeten dragen van een onbekende oneindig grote hoop karma, waar van alles in zit, is echter niet bepaald iets om vrolijk of hoopvol van te worden. Het kan dus evengoed contraproductief werken. De klassieke brahmaanse leer van wedergeboorte en karma verklaart niets, want het karma is oneindig. Het is alleen maar een stok achter de deur voor de kans- en kastelozen in de samenleving om zich te laten onderdrukken zonder in opstand te komen. Wie wil weten hoe dit uitpakt in de praktijk en hoeveel mensen daardoor het nirvāṇa bereiken, moet maar eens in India rondkijken.

     

    Daar tegenover staat het feit dat de theorie aan alle kanten rammelt. Bij wedergeboorte reïncarneert volgens de klassieke boeddhistische opvatting het karma, want de persoon bestaat eigenlijk niet. Dit betekent dat de overledene in ieder geval vrijuit gaat. Als je dood gaat, gaat het karma naar een volgende geboorte, maar dat ben jij dus niet. Volgens het hindoeïsme is er een ziel die na de dood het lichaam verlaat en naar de voorvaderen of Brahma gaat. Dit kan niet in het boeddhisme, dus neemt men aan dat er een soort continuïteit is met een volgend leven. Het karma gaat naar de ‘cloud’ tijdens het sterven en de nieuwgeborene wordt automatisch gesynchroniseerd met het karma. Er is echter geen eigenaar die bij de baby het wachtwoord intypt van de overledene, met andere woorden: de continuïteit blijft een raadsel. Hoe zoekt het oude karma, dat uiteindelijk alleen maar uit wereldse illusies en traumatische stress bestaat, een nieuwe wedergeboorte? Dit kan alleen door een tweede soort karma die gewoonlijk ‘DE WET VAN HET KARMA’ wordt genoemd.

    Dit is de verborgen structuur van het universum, die de wedergeboorte regelt en die in het hindoeïsme ‘Braḥmā’ heet, wiens DNA bovendien volgens de Veda’s de grammatica van het goddelijke Sanskriet is. Deze structuur zorgt er ook voor dat Vedische mantra’s en rituelen effect hebben. Dit is dus een tweede brahmaans dogma dat het boeddhisme is binnen gefrommeld. Het is niet zonder reden dat als belangrijkste hindernissen (samyojana’s) voor het ontwaken worden genoemd: geloof in een zelfstandige individualiteit (sakkāya-diṭṭhi), wankelmoedigheid of twijfel en gehechtheid aan rituelen (sīlabbata-parāmāsa, zie DN blz. 697). Al die bekeerde brahmanen hadden blijkbaar de grootste moeite om van hun rituelen af te komen en op de lange duur zijn die dan ook gewoon weer onder andere namen in het boeddhisme ingevoerd.

    Verschillende vormen van boeddhisme

    Ongetwijfeld zijn er door boeddhisten onderling vele discussies gevoerd over wat wel en niet tot het ‘echte’ boeddhisme behoort. Voor westerlingen die net van de christelijke kerk met al zijn rituelen en metafysica afscheid hebben genomen, lijken sommige vormen van boeddhisme een terugval in een nieuw soort schijnheiligheid. God is toch dood? Ook Rob Janssen en ik hebben hier vaak over gesproken. Hij onderkende wel dat er een zekere redactie van de sutta’s heeft plaatsgevonden, maar hij was er op tegen om alle religieuze elementen als onboeddhistisch of niet-historisch uit te sluiten. Hij zag wel degelijk een rol voor een religieus boeddhisme. De feiten geven hem in zekere zin gelijk, niet iedereen is gecharmeerd van het no-nonsense boeddhisme van Stephen Batchelor. Het is ook nogal arrogant om medemensen waar je het niet meer eens bent het recht te ontkennen om zich boeddhist te voelen. Aan de andere kant is het net zo verkeerd om de verschillen te ontkennen. Er bestaan blijkbaar meerdere vormen van boeddhisme en dit zouden we moeten respecteren en ook uitdragen naar buiten. De geschiedenis, ook die van het boeddhisme, zit vol creatieve vergissingen, laten we ervan leren.

    Wie de geschiedenis en de wetenschap achter zich laat, treedt een andere, oudere wereld binnen, de wereld van de mythe of het geloof. Er gaat een knop om, er is een omschakeling naar een vredige en hoopvolle wereld, weg van de dagelijkse zorgen. Het is een wedergeboorte in een ander Zuiver Land, waar je ongestoord kunt bidden en mediteren. Iedereen beseft echter ook dat deze andere wereld niet de wereld is waarin hij of zij leeft. In hun wereld geldt de wetenschap, in het Zuivere Land geldt het ritueel. Binnen de tempel is er geloof en kunnen boeddha’s 20.000 of 80.000 jaar oud worden, buiten de tempel moet je goed uitkijken als je oversteekt. De moeilijkheid is om beide werelden uit elkaar te houden. Vaak gaat dat mis, vandaar de vele religieuze conflicten. Als je wordt wedergeboren in het Zuivere Land neem je je karma mee, dus daar moet je ook praktiseren, dat hebben alle boeddhisten gemeen. Wedergeboorte en karma scheiden ons niet, ze verenigen ons.

    Erik Hoogcarspel studeerde filosofie en Indische talen aan de rijksuniversiteiten in Groningen en Leiden. Hij ontmoette in 1975 de 16e Karmapa, het hoofd van de Karma Kagyü School, één van de vier kloosterscholen van het Tibetaans boeddhisme en was penningmeester van de Nederlandse stichting van deze school. In 1978 richtte hij samen met Jildi Mohamad Sjah het Boeddhistisch Meditatiecentrum te Groningen op. Hij was columnist in verschillende bladen en publiceerde ‘Koken met Filosofie’ en een vertaling van de belangrijkste tekst van Nagarjuna ‘Grondregels van de filosofie van het midden’ (Olive Press, Amsterdam 2005, alsmede een Engelse versie). Hij doceerde aan de Radboud Universiteit Nijmegen, de Goudse Scholengemeenschap Leo Vroman en is verbonden aan het Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden. Dit is tevens de uitgever van zijn boek ‘Het Boeddha-fenomeen’ (2016), de Engelse versie draagt de titel ‘Phenomenal Emptyness’ en is verkrijgbaar bij Amazon. Bronnen Buddhadāsa Bhikkhu. Heartwood of the bodhitree. Silkworm Books, Chang Mai 1994
    Gombrich, R. What the Buddha thought. Equinox, Londen 2009
    Jan de Breet, Rob Janssen. De Verzameling Middellange Leerredes I (MNI). Asoka, Rotterdam 2004
    Jan de Breet, Rob Janssen. De Verzameling Middellange Leerredes II (MNII). Asoka, Rotterdam 2004
    Jan de Breet, Rob Janssen. De Verzameling Lange Leerredes (DN). Asoka, Rotterdam 2001
    Lezing Rob Janssen: boeddhabasics.nl/pdf/SvB_Weder
    Artikel Thanissaro Bhikkhu: https://www.accesstoinsight.org/lib/authors/thanissaro/truth_of_rebirth.html

     

    Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

    #Boedda #Brahmanen #cloud #ErikHoogcarspel #gelijkmoedigheid #karma #meditatie #ontwaken #RobJanssen #wedergeboorte
    #Boedda #Brahmanen #cloud #ErikHoogcarspel #gelijkmoedigheid #karma #meditatie #ontwaken #RobJanssen #wedergeboorte