home.social

#nabije-oosten — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #nabije-oosten, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Voor-westerse geschiedenis (14) de rivieren

    Een wereld van rivieren (Boerhaavemuseum, Leiden)

    Eerst even dit: een petitie. Dit keer niet om een archeologisch instituut, een klassieke opleiding, een faculteit geesteswetenschappen of een museum te redden, maar omdat er een onzalig plan is de publiekstaken van het Nederlandse Nationaal Archief in te perken. Terwijl dat juist zijn publiekstaken moet uitbreiden, bijvoorbeeld door u en mij toegang te verlenen tot alle wetenschappelijke publicaties die de afgelopen kwart eeuw achter betaalmuren zijn gelegd. Ik noem maar iets voor de hand liggends. Uiteraard weet ik dat het moment om de humaniora te verdedigen, in de jaren tachtig was. Teken desondanks toch maar, al zal het wel vergeefse moeite zijn. Maar je mag “au” roepen als ze de toegangsdeur tot de beschaving in je gezicht dichtsmijten.

    Ter zake nu.

    Rivieren

    Europa kende eeuwenlang twee grote handelsroutes, schreef ik onlangs. De ene was de corridor van de Noordzee via Rijn, Moezel, Saône en Rhône naar de Middellandse Zee, en de ander was de Donau, de route van de Zwarte Zee naar West-Europa. Om het belang van die rivier te illustreren, noemde ik dat hierlangs de eerste landbouwers, de eerste metaalwerkers, de eerste Indo-Europees-sprekenden, de Sarmaten, de Hunnen, de Avaren en de Magyaren westwaarts waren gekomen. Ongetwijfeld sla ik zo nog wat groepen over.

    Vervoer

    Rivieren waren altijd in de allereerste plaats transportwegen. Hoe ontzettend belangrijk ze waren, blijkt uit een simpel kengetal: de kosten van het vervoer van een bepaalde lading over een rivier waren maar een zevende van de kosten van het transport van dezelfde lading over het land. (Ter vergelijking: zeetransport kostte zelfs maar een zeventiende.) Dit is een van de verklaringen waarom politieke eenheden zich opvallend vaak langs rivieren vormden, of het nu gaat om het Oude Rijk in Egypte of om Germaanse stammen als de Amsivarii en de Chasuarii (langs de Eems of de Haase).

    In de Romeinse tijd werden de Rijn en Donau en – in het oosten – de Eufraat beschermd door een lange reeks forten, die vanzelfsprekend een functie hadden om de rivieroversteek te controleren, maar die evenzeer dienden om te garanderen dat kooplieden en andere reizigers ongestoord de rivier konden bevaren. Ik verbeeld me dat het leven op het water sterk heeft geleken op dat van Arthur van Schendels schitterende roman De waterman.

    Model van een Romeinse aak (Museum für die Geschichte der Binnenschifffahrt. Duisburg)

    Irrigatie

    Op meer zuidelijke breedten hebben rivieren nog een tweede functie: ze stromen door droge gebieden, waar anders weinig water zou zijn, en maken daar akkerbouw en veeteelt mogelijk. De eerste landbouwers verbleven in de bergdalen van de Zagros en Taurus, maar al heel snel daalden de boeren af naar de vlakten van de Tigris en Eufraat. Later volgden de Nijl en de Medjerda, en verder naar het oosten de Indus en Ganges, en de Gele Rivier en de Blauwe Rivier. Deze stromen brachten niet alleen water, maar zetten ook vruchtbare klei af. Het is daarom dat de eerste steden ontstonden bij de rivieren: op vruchtbare grond, bij een transportroute, en met de mogelijkheid afval simpel te lozen.

    Dit alles maakte het leven langs het water overigens nog niet makkelijk. Overstromingen waren altijd mogelijk en konden behalve de oogst ook mensenlevens vernietigen. Gelukkig waren deze rampen voorspelbaar: de goede goden lieten namelijk door middel van de sterrenbeelden weten wanneer het water zou gaan stijgen. Als de zon in de sterrenbeelden Waterman en Vissen stond, was het tijd om de dijken te controleren en afwateringskanalen uit te baggeren, want dan zou het water in de Eufraat en Tigris gaan stijgen.

    Heiligdom bij de bronnen van de Medjerda

    Soms vormde een rivier ook een grens, en dan bood de rivier zelf de mogelijkheden voor de verdediging. Een meander was grotendeels door water omgeven, wat in vredestijd betekende dat overal handelskades lagen, terwijl in oorlogstijd het water een vijandelijke aanval compliceerde. Besançon is een voorbeeld van zo’n stad waar een rivier (de Doubs) de handel vereenvoudigde en een belegering bemoeilijkte.

    Riviergoden

    Een rivier kreeg niet zelden cultische eerbewijzen. In Egypte is de verering van Hapi bekend, de god van de Nijl; uit Mesopotamië kennen we Enki, de god van het zoete water; in Iran vereerde men zoetwatergodin Anahita. Voor de Grieken symboliseerden de riviergoden het eigen landschap, en het zegt veel dat ze de rivieren wél vereerden maar de bergen niet, hoewel die toch even herkenbaar het eigen landschap bepaalden. In de mythologie golden de riviergoden vaak als de vader van deze of gene lokale held, en zelf werden ze vereerd als brengers van water en beschermer van degenen die het water moesten oversteken. De christelijke Sint-Christoffel heeft deze functie overgenomen.

    De Eufraat op een Byzantijns mozaïek (Qasr Libya)

    En om terug te keren naar de regio waar we begonnen: in West-Europa offerde men aan de rivier door kostbare voorwerpen in het water te gooien, vooral op plaatsen waar rivieren zich splitsten of samenvloeiden. Dat maakt rivieren nog altijd tot interessante archeologische vindplaatsen.

    [In de reeks over de voor-westerse geschiedenis behandel ik de tijd vóór het concept van het “Westen” bestond en de factoren die vóór de evenementiële geschiedenis komen. Een overzicht is hier.]

    PS

    Als u tot hier hebt gelezen en deze petitie nog niet hebt getekend, dan was dit uw reminder.

    #Amsivariërs #Anahita #ArthurVanSchendel #Chattuariërs #Donau #eersteLandbouwers #Enki #Eufraat #Ganges #Hapi #Indus #Medjerda #NabijeOosten #Nijl #Rijn #rivier #SintChristoffel #Tigris #VissenSterrenbeeld #voorWesterseGeschiedenis #WatermanSterrenbeeld
  2. Voor-westerse geschiedenis (13) het ritme

    De Romeinse kalender, beginnend op 1 maart (Archeologisch museum, Sousse)

    Je hoort natuurlijk te zeggen dat de Griekse poëzie begon met het hoogtepunt, de Ilias, maar om eerlijk te zijn heb ik meer plezier beleefd aan de Werken en Dagen van Hesiodos. In zo’n 800 regels biedt het leerdicht, dat vermoedelijk iets jonger is dan de homerische poëzie, om te beginnen enkele mythen over het moeilijke leven in de voor-westerse wereld. Het idee dat er ooit een gouden eeuw was maar dat we inmiddels leven in een tijd van ijzer, is hier te vinden. Vervolgens legt Hesiodos uit hoe men, ondanks de moeilijkheden die inherent zijn aan het leven in deze wereld, toch succes kan hebben – mits men de eigen boerderij op orde heeft.

    Eerste goede raad: zorg dat je een huis, een ploeg en een vrouw hebt – en die vrouw moet een slavin zijn, je echtgenote komt later nog wel. Daarna biedt Werken en Dagen een overzicht van de boerenkalender. Hier is een vrij bewerkt overzicht.

    Ploegende boeren

    Voorjaar

    Het voorjaar begon als in februari de zwaluwen terugkeerden. Wanneer de koekoek zong, ergens begin maart, was het tijd om het braakliggende land te ploegen, en wanneer de dag weer even lang was als de nacht (destijds rond 18 maart), moest je de schapen verplaatsen naar hun zomerweiden. Je nam je bijl mee, want onderweg kon een weg worden gebaand of een nieuw stuk land ontgonnen. Even later, als in april in de ochtend de Plejaden niet meer zichtbaar waren en als de ooievaars terugkeerden, begon het scheepvaartseizoen.

    Dit was ook het moment waarop jonge dieren werden geboren. Runderen gaven dus voldoende melk, zodat het mogelijk was kwark en kaas te maken. Ook was dit de tijd om boomschors te zoeken, dat voor allerlei doelen kon worden gebruikt.

    Het was tijd voor de belangrijkste oogst van het jaar, de graanoogst, als je in mei in ochtend Sirius niet langer kon zien en de Plejaden weer wel. Zag je – vrijwel onmiddellijk daarna – de slakken op de boomstammen, dan was het moment aangebroken voor de artisjokken.

    Lente in Santorini (Nationaal Museum, Athene)

    Zomer

    Het hooien en dorsen nam enige tijd in beslag, zeg maar de maanden juni en juli (de “hooimaand” in het Nederlands). De langste dag van het jaar passeerde. Daarna werd het land geploegd, werden eventueel nieuwe schuren opgericht en was het tijd om nieuwe ovens te bouwen.

    Sirius werd in augustus in de ochtend weer zichtbaar, en dan wist je dat het tijd was de druiven te plukken, een begin te maken met de olijvenoogst en de runderen en schapen van de zomerweiden terug te halen. Dat laatste was vooral handig omdat de dieren mest leverden voor de akkers. Andere mest werd gedroogd om in de winter te dienen als brandstof voor de ovens en de haard. In september, als je in de ochtend Arcturus kon zien, moesten de druiven, linzen en olijven zijn binnengehaald, en als je in de avond de Plejaden zag, was het vijgentijd. Ook niet onbelangrijk: het rapen van eikels.

    Romeinse mestvork (Brabants Museum, Den Bosch)

    Najaar

    De dagen waren nu aan het korten; rond 18 september waren dag en nacht weer even lang. De druiven werden geperst, de wijn werd gemaakt. De najaarsregens begonnen in oktober, en daarna was het vaarseizoen voorbij. Te vroeg om de jonge wijn nog te exporteren, die dus een winter lang moest worden opgeslagen. De zeelieden waren niet werkloos: ze konden meteen aan de slag in de boomgaard, waar bomen werden gekapt. Het hout moest drogen voor de winter.

    Het ploegen en zaaien moest gebeuren in november, als de kraanvogels terugkeerden. Daarna volgde de slacht van de diverse dieren, die zich een zomer en najaar volgegeten hadden maar in de winter geen beslag meer zouden leggen op de voedselvoorraad. (In het oude Nederlands heette november de slachtmaand.)

    Egyptische veeboerderij (Staatliche Sammlung für Ägyptische Kunst, München)

    Winter

    In december werd het vlees gedroogd. Men maakte worst, bewerkte huiden tot leer, knoopte netten en maakte aansluitend de sikkels, messen en andere instrumenten weer gebruiksklaar. Dit was allemaal werk dat binnenshuis kon gebeuren; in de winter zat men dicht op elkaar. Men zal verhalen hebben verteld – en zo was de winter het seizoen waarin onderwijs werd gegeven. In februari volgde het snoeien van de wijnranken, en dan was weer voorjaar.

    Het hele jaar door waren er ook andere werkzaamheden, zoals het spinnen en weven en het verzamelen van vruchten, bessen, noten, wortels. Elk dorp had wel een jager die niet alleen zorgde voor wildbraad maar ook vossen en beren verjoeg. Het hele jaar door moest onkruid worden gewied. In het vaarseizoen werd handel gedreven en bezochten vreemdelingen het dorp.

    Nomadenkamp op de ruïnes van Nineveh

    Nomaden

    Dit was het mediterrane ritme. Het jaarritme in onze eigen contreien heb ik al eens eerder beschreven. Het was altijd weer hetzelfde, en het was opvallend arbeidsintensief. Dat gold ook voor de nomaden, die geen land bewerkten maar lange reizen maakten. De Garamanten bewogen bijvoorbeeld heen en weer tussen de Germa-oase, hartje Libië, en de steden van Tripolitanië aan de kust.

    In Centraal-Eurazië werd en wordt het nieuwe jaar, Now Ruz, uitbundig gevierd, en als de lammeren zijn geboren, verplaatst de hele gemeenschap zich met grote tenten naar de zomerweiden. Men draagt de mooiste kleren, zodat het een feestelijk gezicht is. Langs de weg worden kruiden, wortels, noten en vruchten meegenomen. Net als in het oude Griekenland wordt er in de zomer, als de moederdieren melk geven, yoghurt, kwark en kaas gemaakt. In de herfst drijft men handel en werkt men eventueel als dagloner bij de boeren, die extra handen kunnen gebruiken bij de vijgenpluk en de houtkap. Daarna keren de nomaden weer terug, met opnieuw een oog voor wat er aan eetbaars langs de weg te verzamelen is. De slacht vindt plaats in de winter, het seizoen waarin ook de kinderen van de nomaden enig onderwijs krijgen.

    Gereconstrueerde La Tène-boerderij (Archéosite, Aubechies)

    Een cyclisch wereldbeeld

    Het is een eindeloze herhaling en het is dus niet zo vreemd dat men in de voor-westerse wereld de tijd voorstelde als een cyclus. Verleden, heden en toekomst verschilden niet zo veel: steeds waren er dezelfde arbeidsintensieve werkzaamheden. Idemdito in Egypte en Mesopotamië, waar de rivieren overstroomden en terugweken, ieder jaar opnieuw.

    Voor zover de mensen ontwikkeling herkenden, was het veelal de degeneratiemythe: van gouden eeuw naar een tijd van ijzer. Verder kende men wat verhalen over legendarische voorouders, wier gedrag als positief of negatief voorbeeld had gediend – meer verleden had men in dit cyclische heden niet nodig om de richting naar de toekomst te kennen. In zo’n tijdloze wereld is het ontstaan van de geschiedkunde eigenlijk een wonderlijk verschijnsel.

    Tijd was dus niet iets waarover men nadacht. Pas laat in de Oudheid vinden we de erkenning dat tijd geld kan zijn. Grootgrondbezitters richtten toen markten in op hun eigen landerijen opdat de halfvrije boeren – zeg maar horigen – geen tijd kwijt zouden zijn om naar de stedelijke markt te gaan. Maar dit is in de voor-westerse wereld een uitzondering, en feitelijk is het idee dat tijd geld is, nog steeds geen universeel inzicht. Toen ik weleens door Iran reisde, hadden we het soms over “Isfahan Standard Time”, wat betekende dat de tijd waarop een ontmoeting plaatsvond, het moment was waarop iedereen aanwezig was, en niet het moment dat vooraf was genoemd. Waar Noordwest-Europeanen het tijdstip beschouwen als het wezen van de afspraak, beschouwen anderen de groep als het wezenlijke aspect. Ook het verschil in de waardering van de tijd is een argument waarom we de westerse geschiedenis moeten scheiden van de niet-westerse en de voor-westerse geschiedenis.

    [In de reeks over de voor-westerse geschiedenis behandel ik de tijd vóór het concept van het “Westen” bestond en de factoren die vóór de evenementiële geschiedenis komen. Een overzicht is hier.]

    #Arcturus #boerderij #Garamanten #GoudenEeuw #herfstEquinox #Hesiodos #kaas #kalender #lenteEquinox #MiddellandseZee #mythologie #NabijeOosten #nomadisme #NowRuz #oogst #Plejaden #Sirius #voorWesterseGeschiedenis
  3. Voor-westerse geschiedenis (12) “cattle culture”

    Kastor en Polydeukes komen terug van een veediefstal (Schathuis van Sikyon, Delfi)

    Deze reeks over de voor-westerse wereld heet zo omdat ze gaat over de tijd vóór het concept van “het westen” ontstond en omdat ze gaat over de diepere historische structuren en processen – zeg maar aan de omstandigheden die voorafgaan aan de keuzes waarmee individuen geschiedenis maken. Iets minder abstract: deze reeks gaat over een agrarische samenleving. En zoals u weet valt de landbouw uiteen in akkerbouw en veeteelt.

    Toen ik onlangs een nog te plaatsen blogje over het jaarritme voorbereidde, realiseerde ik me dat ik het daarin vooral had over de akkerbouw. Herders kwamen alleen in het voor- en najaar aan de orde, als zij de kuddes verplaatsten van een akkerbouwersdorp naar een ongebruikt stuk land en weer terug. Over deze veetelers aan de rand van de samenleving valt wel iets te weten: hoewel het archeologisch bewijs indirect is (textiel, zuivel…), duiken herders regelmatig op in de geschreven bronnen. Naast deze vorm van gemengd bedrijf bestonden er echter ook pure veetelerssamenlevingen, de zogeheten “cattle cultures”, die we eigenlijk alleen kennen door etnografische parallellen.

    Voordat ik de kenmerken schets, nog even een dubbele kanttekening. Eén: ook pure veetelerssamenlevingen, waarin het vee niet een aanvulling is op de akkerbouw, bestaan niet in isolement. De tweede, daaruit voortvloeiende kanttekening: moderne cattle cultures delen dus in allerlei aspecten van de moderne samenleving, zoals de mobiele telefoon, de pick-up en de AK-47. Desondanks is generalisering tussen nu en toen mogelijk.

    Dieet

    Een voor de hand liggend aspect is dat het dieet in een cattle culture vooral draait om zuivel, waarbij u mag denken aan al dan niet gefermenteerde melk, boter, yoghurt en kaas. Verder zijn er methoden om runderen te aderlaten, zodat hun bloed valt te drinken en het menselijk dieet voldoende ijzer bevat. Naast deze op het eigen vee gebaseerde voedselbronnen is er natuurlijk visserij en eet men ook wortels, peulvruchten en in het wild groeiend graan, zoals gierst.

    Vlees staat vanzelfsprekend zelden op het menu, want je kunt alleen aan dit voedsel komen door een rund of schaap te doden, terwijl die dieren je bestaansbasis vormen. Je zet er de toekomst van je afstammelingen mee op het spel. Het is geen toeval dat Tantalos en Lykaon in de Griekse sagen bij wijze van vleesmaaltijd hun eigen kinderen serveren: er is immers niet zo gek veel verschil.

    Iets minder schokkend zijn de overwinningsmaaltijden van geroosterd rund- en schaapsvlees die de Homerische helden aanrichten. Het gaat dan altijd om vlees dat is bemachtigd op een verslagen tegenstander. Door diens vee te doden, krijgt de vijand geen kans zich economisch te herstellen. Het roven van jonge vrouwen (eufemistisch aangeduid als “schaking”) gaat in één moeite door en heeft precies dezelfde functie.

    Oorlog

    En daarmee kom ik bij een vrij wezenlijk punt: de agressie in cattle cultures. Die is (a) kleinschalig, (b) altijd aanwezig en (c) heel logisch. De kuddes moeten worden verplaatst, kunnen bezwaarlijk permanent worden omheind en zijn dus behoorlijk kwetsbaar voor diefstal. De dief neemt weinig risico en kan enorme winst behalen. Veeroof is daardoor schering en inslag. We kennen dit verschijnsel dan ook uit de Griekse sagen, zoals in het verhaal over de veediefstal die Kastor en Polydeukes en hun neven uitvoerden in Arkadië, en de daarop volgende ruzie over de kostbare buit. De goden stonden niet boven veeroof: Hermes jatte de runderen van Apollo.

    Omdat veediefstal zo makkelijk is, en omdat er geen staatsapparaat is, is de beste verdediging een geloofwaardige afschrikking. Men treedt agressief op na bijvoorbeeld een belediging, niet omdat men van nature agressief is, niet omdat men opvallend korte lontjes heeft en niet omdat men wreed is, maar omdat deze agressie de maatschappelijke orde schraagt. Omdat de eer opvallend snel in het geding komt, zijn er ook opvallend complexe erecodes.

    Erecodes

    Deze codes betreffen het hele leven, en dus ook de veediefstal. Die is vaak seizoensgebonden, moet plaatsvinden met traditionele wapens en mag liever niet leiden tot een onomkeerbare verstoring van de menselijke verhoudingen. (Austen Henry Layard vertelt ergens dat iemand die een dier stal, even later bij de bestolene op visite ging om te informeren naar de stamboom.) Er zijn zo allerlei regels die het geweld beperken: als oorlog onvermijdelijk is, wordt die uitgevochten door kampioenen en niet door de gehele gemeenschap (zie David en Goliath of de Horatii en Curatii). En die kampioenen kijken eerst of een gevecht wel mogelijk is, zoals wanneer Diomedes en Glaukos ontdekken dat hun grootouders ooit bij elkaar op visite zijn geweest, zodat er van een gevecht geen sprake kan zijn.

    Cattle cultures lijken vooral iets van de IJzertijd. Daarna vinden we ze echter nog bij de nomadische groepen in Centraal-Eurazië en de Sahara waarover ik al eerder blogde. Wie die gebieden beschouwt als perifeer, begaat een vergissing. In de eerste plaats omdat deze cattle cultures de Mediterrane en oud-oosterse wereld verbonden met China en subsaharaal Afrika, en in de tweede plaats omdat de erecodes uit de IJzertijd ook in het latere Griekenland, Rome en Perzië aanwezig zijn gebleven.

    [Een overzicht van de blogjes in de reeks over de voor-westerse geschiedenis is hier.]

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Het antieke Jemen

    februari 22, 2025
    Aardewerk, grijs (maar niet saai)

    mei 20, 2017
    De Gouden Hoed van Berlijn

    januari 7, 2025 Deel dit: #agressie #Apollo #AustenHenryLayard #cattleCulture #etnografischeParallel #herders #Hermes #HoratiiEnCuratii #IJzertijd #kaas #KastorEnPolydeukes #Lykaon #MiddellandseZee #NabijeOosten #nomadisme #oorlog #rund #schaap #Tantalos #veeteelt #visserij #voorWesterseGeschiedenis
  4. Voor-westerse geschiedenis (11) Oost en West

    Zeestromingen (klik=groot)

    Dit is niet de plek om u de details van het corioliseffect uit te leggen. U leest het hier maar na. Maar het vormt, afgezien van de wind en de vorm van het land, een deel van de verklaring voor het feit dat het water in de Middellandse Zee tegen de wijzers van de klok beweegt. Omdat er in deze binnenzee meer water verdampt dan er binnenkomt vanuit de Zwarte Zee en de diverse rivieren, vloeit er altijd water binnen door de Straat van Gibraltar. Dat stroomt dan eerst langs de Maghreb en Libië naar Egypte, en keert dan via de Levant, Anatolië, Griekenland en Italië terug naar de Spaanse costa’s. Soortgelijke stromingen zijn er in de Zwarte Zee, in de Kaspische Zee en in de Perzische Golf.

    Vanuit Egypte voer een antieke zeeman dus vrij eenvoudig naar Fenicië, maar van Fenicië voer hij minder makkelijk naar Egypte. Hij voer daarom eerst naar Cyprus en daarvandaan naar het zuiden. De lading van het schip dat bij Uluburun verging, verraadt dat het vaartuig een iets grotere cirkel had gemaakt: het was van Griekenland vertrokken, via Kreta overgestoken naar Afrika, daarvandaan op de zeestroom naar Egypte en de Levant gevaren. Aan de zuidkust van Anatolië, op terugvaart naar Griekenland, is het schip gezonken.

    Langs de noordelijke zeeroute

    Zeeroutes

    De Feniciërs die in de IJzertijd naar het westen voeren, en alle latere reizigers in die richting, hadden de keuze tussen twee routes. De middenroute was het kortste en ging via Cyprus, Kreta en Kythera naar Malta, westelijk Sicilië en daarvandaan naar Karthago, Sardinië of de Balearen. Dit was de kortste weg, maar het betekende dat een groot deel van de reis verliep over open water.

    De noordelijkere route, langs de zuidkust van Anatolië, Rhodos, Kythera en via Korfu over de Ionische Zee naar Sicilië vermeed dit risico. Hier was echter een ander gevaar. Immers, de bergen lopen, zoals ik al eens aangaf in een eerder blogje, vrijwel overal tot aan de kust en vervolgen hun neerwaartse helling in de vorm van onderzeese riffen. Toen de navigatie met de Kleine Beer eenmaal was ontdekt – op zijn laatst begin zesde eeuw v.Chr., toen de Griekse wijsgeer Thales van Milete ervan op de hoogte was – werd de middenroute populairder.

    Vanuit het verre westen keerde je terug langs de zuidelijke route, dus langs de noordkust van Afrika. Dit was een onaangename route, aangezien de kuststrook tussen Karthago en Egypte droog was, met maar heel weinig bronnen. Alleen de Cyrenaica kende goed zoet water. Al met al was het makkelijker om van oost naar west te varen dan andersom. We lezen veel over Feniciërs en Grieken die naar het westen reizen om daar steden te stichten; we lezen nauwelijks over Iberiërs of Galliërs die naar het oosten reizen – of het moest zijn als huurling.

    Langs de zuidelijke zeeroute

    Landroutes

    De beweging van oost naar west zien we ook op het land, maar in een heel ander deel van de wereld. Eurazië kent een vrijwel doorlopende steppe die begint in Manchurije en Mongolië en dan, slechts onderbroken door de Altaj, overgaat in de steppe van wat nu Kazachstan is. Het meest westelijk deel ligt in het huidige Oekraïne.

    Naar mate je verder naar het westen komt, wordt het gebied wat vochtiger en voor veetelers aantrekkelijker. Als ze op zoek moeten naar nieuwe weides, zullen de steppenomaden, die heen en weer trekken met hun kuddes, die liever in het westen zoeken dan in het oosten, en daardoor is er door de eeuwen heen een gestage trek in westelijke richting. Op die regel is mij maar één uitzondering bekend: de migratie van de vroegste Tochaarssprekenden. Maar de Skythen, de Sarmaten, de Alanen, de Roxolani, de Hunnen, de Avaren, de Khazaren, de Bulgaren, de Magyaren, de Turken, de Koemanen, de Mongolen en de Kozakken trokken allemaal naar het westen, en ik sla denkelijk nog een stuk of wat steppevolken over.

    [Een overzicht van de blogjes in de reeks over de voor-westerse geschiedenis is hier.]

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Deel dit: #Alanen #Altaj #Avaren #Bulgaren #Hunnen #Khazaren #Koemanen #Kozakken #Manchurije #MiddellandseZee #Mongolen #NabijeOosten #OostEnWest #Roxolani #Sarmaten #Skythen #StraatVanGibraltar #ThalesVanMilete #Tochaars #Uluburun #voorWesterseGeschiedenis #ZwarteZee
  5. Voor-westerse geschiedenis (10) zeevaart

    De bark van koning Khufu

    Begin vorig jaar publiceerde ik met classicus Hein van Dolen een vertaling van de fragmenten die we nog hebben van de Fenicische Geschiedenis van Filon van Byblos. Een van die passages, onderdeel van het lange Fragment 2, is een opsomming van uitvindingen waardoor de mens meer mans was geworden. Hier zijn enkele voorbeelden die betrekking hebben op de scheepvaart:

    • Ousoös pakte toen een boom, brak de takken ervan af en waagde zich als allereerste op zee.
    • Een van hen, Chousour, bekwaamde zich in het spreken, bezweren en profeteren. … Hij vond ook vishaak, lokaas, snoer en vlot uit, waarmee hij als eerste mens heeft gezeild.
    • De Tweelingen of Kabeiren, Korybanten of Samothrakiërs waren de uitvinders van het schip.

    Hoewel Filon in de Romeinse tijd schreef in het Grieks, gaan zijn voorbeelden terug op veel ouder Kanaänitische verhalen. Zo is Filons Chousour ook bekend van kleitabletten uit de havenstad Ugarit, waar hij Kothar-wa-Khasis heet, “Vaardigheid-en-Wijsheid”. Hoewel het dus mythische informatie is, is het bepaald niet onwaarschijnlijk dat de eersten die zich op zee waagden, zich lieten meedrijven op een boomstam. Toen men de smaak te pakken had, zal men de stammen hebben uitgehold – zie de kano van Pesse uit het vroege achtste millennium v.Chr. Ik stel me voor dat Cyprus zo wel zal zijn gekoloniseerd. De uitvinding van het vlot en het volwaardige schip vormden het logische vervolg.

    Een boot (?) op een Naqada-kruik (Ägyptisches Museum, Leipzig)

    Scheepsgeschiedenis

    We zouden, zoals zo vaak, meer willen weten, maar er is veel onduidelijkheid. Van afbeeldingen op Naqada-aardewerk die traditioneel worden geïdentificeerd als de eerste schepen op de Nijl, zijn ook wel uitgelegd als abstracte vormen. Het is allemaal zo zeker niet. Gelukkig hebben we behalve afbeeldingen ook de bark die is gevonden bij de piramide van Khufu en vanzelfsprekend ook allerlei wrakken: het Bronstijdschip bij Uluburun, de Fenicische wrakken van Mazarrón, de hellenistische schepen bij Keryneia en Mahdia en in eigen land de rivierschepen bij Zwammerdam, Woerden en De Meern. Het conserveren van het antieke hout is overigens een vaardigheid die archeologen pas in de tweede helft van de twintigste eeuw onder de knie hebben gekregen.

    Rolzegel met een boot met één helmstok (Louvre, Parijs)

    De scheepvaart begon als kustvaart. Van papyrus vervaardigde boten, aangedreven door roeiers en door de wind in de zeilen, voeren vanuit Egypte naar Byblos om daar cederhout te halen. Later werden de schepen gemaakt van duurzamer materiaal, namelijk hout. Aan het achterschip werd eerst een, later een tweede grote helmstok vastgemaakt; die enorme roeispanen dienden als roer. Het belang van de kiel werd erkend en de tuigage werden verbeterd. In de derde eeuw v.Chr. werd aan het vierkante zeil een tweede, kleiner zeil aan de voorsteven toegevoegd.

    Romeins schip met twee zeilen (Nationaal Museum, Beiroet)

    De geroeide galei is een ander scheepstype, al vermeld door Homeros. De Feniciërs plaatsten op twee en later drie roeibanken boven elkaar (de triëre); later kwamen Griekse ingenieurs op het idee de roeibanken te voorzien van meer dan één roeier (de pentere). Met zulke schepen verplaatste Nearchos, de admiraal van Alexander de Grote, duizenden manschappen over de Indische Oceaan en Perzische Golf. Deze zeeschepen, bedoeld voor de oorlog, waren voorzien van een ram, hoewel die (anders dan men wel denkt) slechts zelden werd gebruikt. Omdat zeeschepen snel en dus licht moesten zijn, was het dek minimaal en daardoor voerden ze zelden geschut, hoewel de katapult en de polybolos al waren uitgevonden.

    In de Romeinse tijd ontstond de tweemaster, maar die verdween in de vijfde eeuw, op het moment dat het schip met het driehoekige latijnzeil zijn opwachting maakt. Het werd pas later, in de Arabische tijd, werkelijk populair. Ik heb me laten vertellen dat deze schepen niet zo heel erg veel stabieler waren dan de aloude schepen met vierkante zeilen. De introductie van het in China uitgevonden stevenroer schijnt wel een verbetering te zijn geweest, al was het maar omdat het door één stuurman te bedienen was, in plaats van de twee mannen aan de helmstokken.

    Schip met twee latijnzeilen (Archeologisch museum, Korinthe)

    Risico’s

    De schepen werden dus geleidelijk beter, maar dat wil niet zeggen dat een zeereis zonder risico was. Ik gaf al aan dat men in de winter liever niet voer. Maar ook in de zomer dreigde gevaar. De Griekse auteur Herodotos van Halikarnassos vermeldt bijvoorbeeld een Perzische vloten die vergingen voor de Athos, voor Magnesia en bij Euboia. In de Eerste Punische Oorlog zonken diverse vloten, waarbij tienduizenden mensen verdronken. De apostel Paulus strandde na een storm op Malta. De Romeinse gouverneur Plinius de Jongere, op weg naar zijn provincie, liet de keizer weten dat hij de gevaarlijke kaap ten zuiden van de Peloponnesos veilig was gepasseerd. De laatantieke auteur Synesios wijdt een brief aan een moeizame reis over de Libische Zee.

    Diezelfde auteur weet te vertellen dat de eenvoudige lieden van de Cyrenaica nog altijd verhalen vertelden over Odysseus. Dit is vermoedelijk een literair verzinsel, want Synesios lijkt niet werkelijk geïnteresseerd te zijn geweest in de opvattingen van boeren en vissers, maar helemaal uit te sluiten is het niet. Als Filon van Byblos na vijftien eeuwen nog verhalen kende over Kothar-wa-Khasis, kunnen ook verhalen over avonturen op zee een lang leven beschoren zijn geweest.

    Zomaar een mooi zesde-eeuws bootje (Qasr Libya)

    Ontbossing

    Een van de interessantste recente ontdekkingen is dat de Romeinen in de derde eeuw na Chr. steeds jongere bomen begonnen te kappen. Dat duidt op ontbossing en dat is in lijn met een vermoeden van de Franse historicus Fernand Braudel, die er in La Méditerrannée (1977) op wees dat de onmogelijkheid aan voldoende scheepshout te komen, een rol speelde bij de neergang van de Mediterrane economie. Het is zinvol hierbij te wijzen op een ander gegeven: landtransport is zeventien keer zo duur als zeetransport (en riviertransport is zeven keer zo duur als zeetransport). Ontbossing en dus vermindering van de zeehandel maakten het transport dus veel duurder.

    Braudel meende dat het zwaartepunt in de zeehandel verschoof naar het Kalifaat, maar ik kan zo snel niet ontdekken waar de Arabieren wel geschikt scheepshout hebben kunnen kappen. Braudel opperde verder dat de geschiedenis zich herhaalde toen de Arabieren al hun bossen hadden gekapt; toen verschoof het zwaartepunt zich naar het noordwesten van Europa. Ik laat in het midden of dit werkelijk klopt of dat dit feitenvrij gespeculeer is.

    Nehalennia met schip (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

    Wat ik wel zeker weet is dat zeevaart nooit zonder gevaar is geweest. Van de oosterse Baälmythologie via de Odyssee tot de Openbaring van Johannes zijn de zee en de dood identiek. En elke voor-westerse cultuur riep bovennatuurlijke beschermers aan voor de zeevaart: de Kabeiren, de godin Isis, de hemelse Tweelingen, de god Neptunus, Sint-Nikolaas, of Maria als Sterre der Zee. Wie het dichter bij huis zoekt, hoeft maar naar het Rijksmuseum van Oudheden te gaan, waar allerlei monumentjes staan die zijn gewijd aan de lokale godin Nehalennia (Keltisch: “zij die bij de zee verblijft”). De aanname dat het bedankjes zijn voor reddingen op zee, of toezeggingen voor een behouden vaart, is welbeschouwd precies dat: een aanname. Maar omdat het ook op de Noordzee geducht kan spoken, is het wel verrekte plausibel.

    [Een overzicht van de blogjes in de reeks over de voor-westerse geschiedenis is hier.]

    Het ziet er niet best uit voor Libanon. Als u meer wil weten over dat geteisterde land, lees dan mijn boek. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Deel dit: #Baäl #Byblos #DeMeern #FernandBraudel #FilonVanByblos #HerodotosVanHalikarnassos #Homeros #Kabeiren #KanoVanPesse #katapult #KeryneiaCyprus #Khufu #KotharWaKhasis #LibischeZee #Mazarrón #MiddellandseZee #NabijeOosten #Nearchos #Nehalennia #Odysseus #Paulus #pentere #PliniusDeJongere #polybolos #SintNikolaas #SterreDerZee #SynesiosVanKyrene #triëre #TweelingenHalfgoden #Uluburun #voorWesterseGeschiedenis #Woerden #zeevaart #Zwammerdam
  6. Voor-westerse geschiedenis (9) visserij

    Vissers bij Basra

    Jaren, jaren geleden ben ik eens met drie Griekse vissers, broers, de zee opgegaan om in de vroege ochtend de netten leeg te halen. Hoewel het bootje was voorzien van sonar, had het iets tijdloos. Eeuwenlang zijn mensen in kleine scheepjes de Egeïsche Zee opgegaan, eeuwenlang hebben duikers parels gezocht op de bodem van de Rode Zee en de Perzische Golf, eeuwenlang is gevist in de Zwarte Zee. Nog steeds gebruiken vissers werpnetten, fuiken en hengels – ik blogde er anderhalf jaar geleden eens over. Nog steeds is er werk voor scheepsbouwers en nettenmakers. Natuurlijk zijn er ook allerlei zaken veranderd, maar het is makkelijk voorstelbaar dat een moderne en een antieke Griekse visser elkaar zouden begrijpen als ze spraken over de mogelijkheden en problemen van hun vak.

    Problemen

    Tot de problemen behoorde dat de diverse bekkens van de Middellandse Zee eigenlijk niet zo geschikt zijn voor de visserij. (Had ik al gezegd dat het verkreukelde Middellandse Zee-gebied het de bewoners lastig maakt?) Wat je als visser het liefste hebt, is een ondiepe zee vol plankton, zoals de Doggersbank, maar de voor-westerse wereld kende die niet. Verder wil je stevig wat doorstroming, zodat het water zich ververst, maar dat is eigenlijk alleen aan de Bosporus en bij Bizerte (Hippo Diarrhytus) het geval. Die zijn dan ook beroemd om de visvangst.

    Er is in de Middellandse Zee en – nog erger – in de Rode Zee dus nauwelijks watercirculatie. Deze zeeën worden, zoals gezegd in een eerder blogje, zouter en zouter. De vissen zijn daardoor wat kleiner dan in de Atlantische Oceaan en eigenlijk is visserij, hoezeer wij haar ook associëren met de Mediterrane wereld, helemaal niet zo’n grote activiteit. Ik heb de statistieken van de FAO er eens bij genomen en concludeer na enig nattevingerwerk dat alle landen rond de Middellandse Zee in 2022 zo’n 2¾ miljoen ton vis uit de zee haalden, en dat is ruwweg evenveel als Noorwegen.noot Van landen die grenzen aan twee zeeën (Spanje, Turkije en Egypte) heb ik de cijfers gehalveerd. Zoals gezegd: de berekening is maar nattevingerwerk.

    Allerlei sooten vis (Archeologisch museum, Sousse)

    Allerlei mozaïeken uit de Romeinse tijd tonen de diverse soorten vis die men destijds uit zee haalde: ansjovis, rode mul, sardines, tandbaars, tarbot, tong, wijting, zeebrasem. En natuurlijk de enorme zwaardvis, die echter leeft in de wat diepere wateren en daardoor lastig te vangen is, en die half zo lang kan worden als het vissersbootje. (Ik wou verwijzen naar The Old Man and the Sea, maar ontdek dat de vis waarover Ernest Hemingway het heeft, geen zwaardvis is maar een marlijn. De situatie zal niet veel anders zijn geweest.)

    Tonijn

    En dan is er de onvermijdelijke tonijn. Het paaien vindt plaats als de temperaturen stijgen, dus in de late lente, en bij voorkeur in halfdiepe wateren, dus onder de kust, en dan met name in de Balearische Zee, de Tyrrheense Zee, de Ionische Zee, en de noordelijke Levantijnse Zee. Zo ontstaat van nature een seizoen dat geschikt is voor de tonijnvangst, en in de vissersdorpen van Andalusië en de Provence deed men eind mei, begin juni de vissers feestelijk uitgeleide.

    De techniek – mattanza, van het Arabische al-madraba, “plek om te slaan” – bestond uit het plaatsen van diverse netten op de plek waar de tonijnen migreerden, waarbij de vissen naar steeds kleinere kamers zwommen. Eigenlijk een heel grote fuik. De vissers konden ermee volstaan de dieren met schepnetten uit de laatste kamer te halen en te doden. De Atheense toneeldichter Aischylos beschrijft de zeeslag bij Salamis alsof het tonijnvisserij was: de Perzische schepen voeren in een val en hun ondergang was even onafwendbaar als die van de vissen in de laatste kamer van het stiknet.

    De vangst was het grootst in het vroege najaar, als de tonijnen zich vol hadden kunnen eten en terug kwamen zwemmen naar de wateren waar ze de winter wilden doorbrengen. Als de vissers dan eind november het werk neerlegden, waren er dankfeesten ter ere van Sint-Andreas. In de winter was er ander werk – en bedenk dat elke visser ook een tuin had en als dagloner kon werken bij de olijvenpluk.

    [In de reeks over de voor-westerse geschiedenis behandel ik de tijd vóór het concept van het “Westen” bestond en de factoren die vóór de evenementiële geschiedenis komen. Een overzicht is hier.]

    #Aischylos #Andreas #ansjovis #AtlantischeOceaan #BalearischeZee #Bizerte #Bosporus #EgeïscheZee #ErnestHemingway #HippoDiarrhytus #IonischeZee #LevantijnseZee #MiddellandseZee #NabijeOosten #PerzischeGolf #RodeZee #sardine #tonijn #TyrrheenseZee #visserij #voorWesterseGeschiedenis #zeeslagBijSalamis #zwaardvis #ZwarteZee
  7. Voor-westerse geschiedenis (7) het “image of limited good”

    Alles wat kracht kostte, was te herleiden tot spierkracht (Louvre, Parijs)

    Toen ik deze reeks “voor-westers” doopte, was dat enerzijds om aan te geven dat het gaat over een wereld die er was vóórdat het idee van West-Europa ontstond en anderzijds omdat ik het heb over iets wat voorafgaat aan de historische gebeurtenissen – noem het de voorwaarden, de factoren of de omstandigheden die het menselijk handelen beperken en beïnvloeden. Er is nog een derde reden om de periode af te bakenen van de algemene geschiedenis van de westerse wereld: het energiebeheer. Simpel geformuleerd was vrijwel alle energie in de voor-westerse wereld te herleiden tot voedsel. En dat is hoogst problematisch.

    Onoverkomelijke grenzen

    Neem het geval van de boer die meer wil produceren, dus meer land moet bewerken en dus meer zal moeten ploegen. Dat vergt extra energie en die energie zal de boer moeten halen uit zijn voedsel. Hij zou die beperking kunnen oplossen door een rund of dromedaris voor de ploeg te spannen, maar ook dat dier zal eten. Een aanzienlijk deel van wat méér geproduceerd zou kunnen worden, verdwijnt dus in het arbeidsproces.

    Een andere oplossing zou kunnen bestaan aan het vergroten van de opbrengst door het land vruchtbaarder te maken – maar daarvoor is extra mest noodzakelijk en om die te produceren is een extra dier nodig, dat de extra oogst weer opeet. De duiventil, zo handig om aan guano te komen, was in de Parthische tijd al bekend in Iran en de oudste nog functionerende tillen zijn te vinden in hetzelfde land. In westelijkere gebieden werd deze toepassing van de duif pas later bekend.

    Heel erg veel soelaas bood guano bovendien niet. In de voorindustriële samenleving waren eigenlijk altijd onoverkomelijke grenzen aan de productie. De werkelijke oplossing is overschakelen naar een product dat in verhouding tot de geïnvesteerde arbeid meer voedingsstoffen levert: van vlees schakel je dus over naar graan.

    Duiventil uit Isfahan

    De grote omslag kwam toen Europa de beschikking kreeg over aardappelen en definitief de grenzen overschreed die aan de productie waren gesteld. Voortaan waren er minder mensen nodig in de landbouw, en die stroomden uiteindelijk naar de werkplaatsen, waar de productie kon worden verhoogd. Koppeling van de machines aan watermolens, windmolens en stoommachines maakte de productie voorgoed onafhankelijk van voedsel. De westerse cultuur onderscheidt zich dus van de voor-westerse cultuur door aardappelen; ik schrijf dit zonder ironie.

    Het harde leven

    Tot de komst van de aardappel was het leven, zoals elke docent in elk oudheidkundig vak elk jaar elke groep eerstejaars weer voorhoudt, vooral overleven. De basis van het dieet bestond in alle regio’s uit graanproducten, en werd aangevuld door een variatie van groente, vruchten en vruchtensap (waaronder wijn). Daaraan konden de mensen olijven of dadels toevoegen, maar niet veel meer.

    Vlees was een zeldzaam voorrecht omdat de weide waar een rund liep, niet gebruikt kon worden om graan te produceren. Varkens hadden minder ruimte nodig, maar deze dieren aten afval, zodat de kans levensgroot was dat je er een lintworm aan overhield; de enorme hoeveelheid amuletten tegen maagkrampen die ooit werd tentoongesteld in het Römisch-Germanisches Museum in Keulen, sprak boekdelen. Trouwens, de toenmalige varkens boden minder vlees dan de huidige. Het zegt iets dat het feestmaal op Bruegels schilderij De Boerenbruiloft bestaat uit pap en brood, niet uit vlees. Dat was echt iets voor de absolute elite en wie daar niet bij behoorde, leefde een hard leven, waarin alles draaide om de agrarische jaarcyclus en alles was ingeperkt door onoverkomelijke grenzen.

    Nou ja, bijna onoverkomelijk. Met gewaswisseling en specialisatie viel wel enige productiewinst te bereiken – maar dit was voorbehouden aan degenen die de investeringen konden doen, en dat was eigenlijk alleen de absolute elite. Voor de meeste mensen bleven de grenzen bestaan.

    Limited good

    De onoverkomelijkheid van de productiegrenzen vormt een belangrijk punt. Waar wij gewend zijn aan economische groei (en dus vooruitgang ofwel de mogelijkheid nieuwe morele keuzes te maken), zag men destijds vooral de onmogelijkheid tot ontwikkeling. Alles wat goed was – voedsel, bezit, vrijheid, eer – was beperkt en als de een meer kreeg, kreeg de ander minder. Het antieke en middeleeuwse leven werd, in moderne termen, voorgesteld als een zero-sum-game. En die interpretatie van de werkelijkheid was niet onjuist.

    Deze opvatting, die bekendstaat als het “image of limited good”, werd dan ook universeel gedeeld. Bisschop Ambrosius wierp degenen die meenden iets verdienstelijks te hebben gedaan door aalmoezen te geven, voor de voeten dat ze de armen slechts hadden teruggegeven wat al van hen was, aangezien de aarde aan iedereen was geschonken en de rijken zich van alle bezittingen een onevenredig deel hadden toegeëigend.

    Het “image of limited good” verklaart tal van verschijnselen uit de antieke samenleving, zoals de meedogenloze concurrentie tussen politici van de Romeinse Republiek: als de ene senator meer eer en prestige had, ging dat ten koste van de eer en het prestige van de andere senatoren. Maar het voornaamste gevolg was dat de voor-westerse samenleving zich keerde tegen sociale verandering: als die een verbetering zou zijn, zouden sommige mensen daarvan meer vruchten plukken dan andere, en dus keek men vol wantrouwen naar elke verandering. En daarmee is het “image of limited good” zowel het logische gevolg als een oorzaak van de stagnatie van de voor-westerse wereld.

    [In de reeks over de voor-westerse geschiedenis behandel ik de tijd vóór het concept van het “Westen” bestond en de factoren die vóór de evenementiële geschiedenis komen. Een overzicht is hier.]

    #aardappel #Ambrosius #duif #eer #guano #imageOfLimitedGood #mest #MiddellandseZee #NabijeOosten #PieterBruegel #rund #varken #vlees #voorWesterseGeschiedenis #watermolen #windmolen
  8. Voor-westerse geschiedenis (6) herders

    Herders in de Zagros

    Wie door het Midden-Oosten reist, stuit vroeg of laat onvermijdelijk op herders die hun kuddes verplaatsen van de zomer- naar de winterweiden en terug. Ze trekken daar wat meer de aandacht dan in Griekenland of Italië, hoewel ook daar nog altijd herders zijn die met geiten en runderen heen en weer trekken. In Spanje zijn de cañadas, de wegen waarlangs herders hun kuddes verweidden, niet meer wat ze zijn geweest, en dat geldt ook voor de drailles uit het zuiden van Frankrijk, maar de aloude levenswijze is niet verdwenen. Ik zag vorige maand ergens bij Murcia nog een verkeersbord dat automobilisten attendeerde op grote kuddes.

    Ook in onze eigen contreien benutten boeren nog altijd winter- en zomerweides. Ik herinner me uit mijn Veluwse jeugd dat de koeien met vrachtwagens naar Friesland gingen. De winter- en zomerweiden hoeven overigens niet zo ver uit elkaar te liggen: in Zwitserland bestaat Almwirtschaft, waarbij de kuddes van het dal naar – je raadt het nooit – de alm worden verplaatst. En weer terug natuurlijk. Het moge duidelijk zijn: veeteelt beperkt zich niet tot ’n grasveldje met wat prikkeldraad erom.

    De marginale herder

    Het verplaatsen van kuddes is iets van alle tijden, maar oudheidkundigen hebben er lange tijd onvoldoende aandacht aan besteed. De jargonterm is transhumance, maar u mag ook gewoon verweiding zeggen. De betrekkelijk geringe belangstelling hangt ermee samen dat de echte herder – in tegenstelling tot de geïdealiseerde herder van de poëzie – vrijwel afwezig is in de antieke literatuur en bovendien archeologisch vrijwel niet is te vinden. De seizoensmigratie tussen de Scheldevallei en Drenthe is bijvoorbeeld bekend uit één terloopse vermelding in een laatantieke bron plus wat eenvoudig, in België opgegraven aardewerk, vervaardigd van Hunzeklei. Maar het documenteert de permanente onderstroom van kuddes, mensen en ideeën die er altijd is geweest.

    Xavier De Cock, “De Meersstraat in Gent” (1862) (Museum voor Schone Kunsten, Gent)

    Herders waren marginaal. Niet alleen omdat ze voor oudheidkundigen slecht zichtbaar zijn, maar ook omdat ze leefden in de marge van de oude wereld. Zelfs als ze hun kudden niet verplaatsten tussen zomer- en winterweiden, leefden ze ver buiten het dorp, op de braakliggende gronden en verder, op de heide of in de bergen. Ze leefden met hun trouwe honden in een deel van de wereld waar beren, leeuwen, zwijnen en andere wilde dieren voorkwamen – dieren die ze overigens succesvol bestreden. Ter illustratie noem  ik verhalen als dat van Herakles en de Nemeïsche Leeuw of dat van de Kalydonische Jacht.

    Levend op de marginale gronden buiten de steden en dorpen, waren de herders ook sociaal marginaal. In het antieke wereldbeeld golden de stedelingen en de akkerbouwers als beschaafd en golden de zwervende veetelers als barbaars. Erger dan dat: omdat herders – als ze dorpelingen waren – de nacht niet thuis doorbrachten, konden ze hun echtgenotes en dochters niet beschermen en waren ze eerloos (net als karavaandrijvers en zeelieden). Herders golden zelfs als dieven, omdat ze hun kuddes weleens leidden over andermans land. Vanuit dit perspectief bezien had Kaïn gelijk toen hij Abel de kop insloeg. Ook Kaïns straf is gepast: God veroordeelt hem tot het zwerversbestaan waar elke landbouwer van gruwde.

    Seizoensmigratie en nomadisme

    De herder mocht dan wel bij zijn kudde leven aan de marge van de gemeenschap, dorpelingen en stedelingen hadden zijn producten nodig: zuivel, wol, vlees, huiden. Omgekeerd kon de herder niet zonder brood, linnen, keramiek, wijn of muntgeld. De met het seizoen migrerende herder en de sedentaire akkerbouwer hadden dus complementaire levenswijzen. Feitelijk is er arbeidsdeling.

    Dat geldt overigens niet voor alle migraties. De zojuist beschreven levenswijze is vooral goed gedocumenteerd aan de west-, noord, en oostzijde van de voor-westerse wereld, waar, zoals gezegd, bergen het landschap domineren. Aan de zuidelijke kant, waar het land meer open en, zoals gezegd, door de dominante winden heel erg droog is, bestaat een andere vorm van seizoensmigratie, waarbij geen arbeidsdeling bestaat en de hele samenleving heen en weer beweegt. Dat is nomadisme: mannen, vrouwen, kinderen, dromedarissen en kuddes bewegen dan over veel grotere afstanden. Nomadisme bestond en bestaat verder in Centraal-Eurazië, waar mensen nog steeds leven in yurts.

    Deur van een Afghaanse yurt (Antropologisch Museum, Madrid)

    De Franse historicus Fernand Braudel, wiens boek La Méditerranée me op weg helpt bij deze reeks, benadrukte dat het nomadisme dat we aantreffen tussen het Egyptische Alexandrië en het Tunesische Sfax, en dus ook in Centraal-Eurazië, een heel andere leefwijze is dan de verweiding uit Europa en Voor-Azië. Evengoed is het een oeroude levenswijze, die belangrijk is omdat niet alleen kuddes en mensen zich verplaatsten, maar ook ideeën. Oudheidkundigen houden inmiddels veel serieuzer dan vroeger rekening met denkbeelden die zijn gedocumenteerd in andere regio’s dan de door hen bestudeerde regio – dat is wat op het spel staat in de DNA-revolutie.

    [Een overzicht van de blogjes in deze reeks groeit hier.]

    In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Deel dit: #Almwirtschaft #dromedaris #eer #FernandBraudel #geit #Herakles #herders #KalydonischeJacht #MiddellandseZee #NabijeOosten #nomadisme #rund #schaap #seizoensmigratie #transhumance #verweiding #voorWesterseGeschiedenis
  9. Voor-westerse geschiedenis (5) de eerste boeren

    Akkerbouw lijkt zo logisch maar was dat in de voor-westerse wereld allerminst. Ik wees er al op dat het landschap in het Midden-Oosten en rond de Middellandse Zee weliswaar heel gevarieerd is maar zelden gastvrij. In een ander blogje vertelde ik dat de regens vallen op het verkeerde moment. Waar bergen zijn – en waar was dat eigenlijk niet? – is weinig ruimte voor akkerbouw. De rivier- en kustvlakten zijn doorgaans klein, als ze niet onleefbaar waren door de eeuwenlang alom aanwezige malaria. Het is logisch dat de akkerbouw doorbrak op de grote vlakte van Mesopotamië, al is dat, zoals we nog zullen zien, niet waar deze activiteit is ontstaan.

    De rivieren waren namelijk bepaald niet behulpzaam voor de eerste boeren. De Eufraat en Tigris, gevoed door de in het voorjaar smeltende sneeuw van Armenië, traden namelijk buiten hun oevers op het moment waarop de gewassen ontkiemden. Dat dwong de akkerbouwers in deze regio om dammen, dijken en cisternen te bouwen. De extra inspanning gold blijkbaar als een acceptabele prijs om te betalen voor het jaarlijks afgezette laagje vruchtbare klei, de aanwezigheid van vis en de mogelijkheid van eenvoudig transport.

    Maar rivieren waren wispelturig. Voor wie mocht denken dat overstromingen iets uit de diepe, diepe Oudheid zijn: tot het koninkrijk Italië in dijken en kanalen investeerde, kon de Tiber verwoestend huishouden in een stad als Rome. Onze eigen Waal kon ook levensgevaarlijk zijn. Uit mijn jeugd in Beneden-Leeuwen herinner ik me het monumentje dat de watersnood van 1855 gedacht.

    Het ontstaan van de landbouw

    Akkerbouw en veeteelt zijn ontstaan in het Nabije Oosten. Johan Hendriks typeert het proces elegant als hij in Dageraad (2025) schrijft dat “planten en daartoe geschikte dieren ondergeschikt werden gemaakt aan de wil van de mens”. Het omgekeerde is ook waar: het graan en het vee hebben de mens gedomesticeerd, want die moest zijn leven aanpassen aan de eisen van de landbouw.

    En de boer, hij ploegde voort (Louvre, Parijs)

    De beroemde archeoloog Gordon Childe meende dat de landbouw vrij snel was ontstaan en introduceerde daarvoor de term “Neolithische Revolutie”, maar het Iraq-Jarmo-project toonde aan dat akkerbouw, veeteelt, vaste woonplaatsen en keramiek zijn ontstaan in de loop van enkele millennia. Het ging bovendien niet overal op dezelfde manier. In het Nabije Oosten zijn vier fases te onderscheiden, die samen bekendstaan als PPN, het Pre-Pottery Neolithic, en zijn gedocumenteerd op diverse plekken.

    • Vanaf 12.500 v.Chr.: Zwervende groepen in de Zagros en Taurus beginnen graanhalmen te verzamelen en op wrijfstenen te bewerken (oudste voorbeeld: Ohala in Israël, 19.000 v.Chr.)
    • 9700-8500 v.Chr.: beginnende teelt van emmertarwe in de Levant, eenkoorn in de Taurus en gerst in de Zagros; opslag; tijdelijke hutten
    • 8500-6800 v.Chr.: feitelijke domesticatie van graan en vee; permanente hutten; ontstaan privébezit (?); grotere nederzettingen
    • 6800-6200 v.Chr.: beter aardewerk; verspreiding van de nieuwe levenswijze door middel van migratie

    Anders gezegd: in het Nabije Oosten werden jagers/verzamelaars eerst sedentair en vervolgens boer. Elders verliep het anders. In Egypte werd men eerst akkerbouwer en pas daarna sedentair (“a-sedentaire landbouw” in jargon). In alle gevallen waren de gevolgen ingrijpend. Het privébezit ontstond, en vervolgens zijn er aanwijzingen voor exploitatie, strijd, machtsuitoefening en oorlog. Dat laatste blijkt niet alleen uit verminkte skeletten maar ook uit het ontstaan van (archeologisch goed herkenbare) nederzettingen met stadsmuren.

    De verspreiding van de akkerbouw

    Verspreiding

    Toen de akkerbouw er eenmaal was, begon ze zich te verspreiden. Eerst naar Mesopotamië waar, zoals gezegd, de garantie van een jaarlijks laagje vruchtbare klei en de aanwezigheid van vis en transportmogelijkheden de extra werkzaamheden royaal compenseerden. In Griekenland, met zijn kleine vlaktes en dito bergbeekjes, was het zoet water een probleem. De mythe van de Danaïden, die eindeloos water sleepten, is illustratief. Egypte was een laatkomer, maar had het daarna goed getroffen met de Nijl, die de vruchtbare kleilaag tenminste afzette op het juiste moment.

    Rond het midden van het zevende millennium v.Chr. had de nieuwe levenswijze de Balkan bereikt en rond 5000 v.Chr. stonden er al boerderijen aan de Oceaankust. In onze contreien namen de mensen van de Swifterbantcultuur, die leefden benoorden de grote rivieren, rond 4500 v.Chr. de landbouw over van de mensen van de Bandkeramiek, die leefden in Limburg. Rond 3500 v.Chr. waren er ook landbouwers op de Britse eilanden.

    Maar zoals gezegd: de boeren pasten hun levenswijze aan aan de cyclus van de landbouw en de eisen van hun vee. Weliswaar konden landbouwers meer monden voeden, het leven was moeilijker. Het is geen toeval dat elke agrarische samenlevingen utopieën kent over een Land van Cocagne waar de gebraden duiven je in de mond vliegen. Daarover meer in een volgend blogje.

    [In de reeks over de voor-westerse geschiedenis behandel ik de tijd vóór het concept van het “Westen” bestond en de factoren die vóór de evenementiële geschiedenis komen. Een overzicht is hier.]

    #akkerbouw #Bandkeramiek #Danaïden #eersteLandbouwers #GordonChilde #graan #IraqJarmoProject #JohanHendriks #landbouw #MiddellandseZee #NabijeOosten #NeolithischeRevolutie #neolithisering #Ohala #PrekeramischNeolithicum #Swifterbantcultuur #Taurus #veeteelt #voorWesterseGeschiedenis #Zagros
  10. Voor-westerse geschiedenis (4) flora

    Olijfboom

    De bovenstaande olijfboom stond een kwart eeuw geleden in Agrigento op Sicilië. Vermoedelijk staat ’ie er nog, want olijfbomen zijn taai. Net als steeneiken, johannesbroodbomen, Aleppo-dennen, acacia’s, ceders, vijgenbomen en andere oer-Mediterrane gewassen. Ze weten zich op harde grond te wortelen en kunnen tegen een stootje. Dat geldt ook voor de palmboom, die oorspronkelijk wat oostelijker groeide, in de eeuwen vóór het begin van onze jaartelling naar het westen oprukte en in de eerste eeuw v.Chr. nog voldoende zeldzaam was om het opschieten van zo’n boom te beschouwen als een voorteken – ik blogde daar al eens over. In de Arabische tijd werd de palmteelt echt serieus groot en de palmboomgaard van het Spaanse stadje Elche, in het westen van de oude wereld, geldt als werelderfgoed.

    Van oost naar west

    De dadelpalm representeert, om zo te zeggen, de grote flora-beweging in de oude wereld: oosterse gewassen kwamen naar het westen. Westwaarts kwam ook de bananenpalm, die in de zesde eeuw v.Chr. vanuit het Verre Oosten de Indusvallei bereikte en daarvandaan verder naar het westen reisde. De sinaasappelboom en de kersenboom kwamen al langer voor het Nabije Oosten en bereikten eveneens de Mediterrane wereld. Van de laatstgenoemde boom is dankzij Plinius de Oudere bekend dat de Romeinse generaal Lucullus hem rond 70 v.Chr. aantrof in Anatolië en meenam naar Italië, waarna andere Romeinen de kersenboom overbrachten naar Gallië. Net als de wijnrank overigens; de Moezelwijn is een Romeinse innovatie. De Perzen brachten als eersten suikerriet vanuit de Indusvallei naar Khuzestan (volksetymologie: “suikerland”), de hellenistische vorsten exporteerden de plant verder naar het westen, al werd het pas echt wat in de Late Oudheid. Idemdito katoen.

    De beweging van oost naar west mag dan de historische verschillen in de vegetatie bepalen, het kon niet anders dan dat in het verbrokkelde land rond de oude wereldzee regionale verschillen waren. Palmgaarden zijn vanouds te vinden bij de steppen in het verre zuiden, en dat is (uitzonderingen als Elche daargelaten) zo gebleven, terwijl olijfgaarden juist voorkwamen aan de noordkant van de Middellandse Zee. Uiteraard zijn er uitzonderingen: de soldaten van Alexander de Grote juichten toen ze, na de terugtocht vanaf de Indus, in Kerman weer olijfbomen zagen.

    Palmen bij Elche

    De voor-westerse wereld is ondenkbaar zonder de olijf en de palm, en ook zonder de diverse soorten graan en de wijnrank. Ze zijn er feitelijk altijd geweest, en in allerlei soorten, al heb ik weleens gelezen dat de druif pas in de Late Bronstijd of de IJzertijd naar Griekenland is gekomen, en dat dit werd weerspiegeld in verhalen dat de god Dionysos van oost naar west kwam. Maar volgens mij is dat een verouderde theorie.

    Importen

    De pointe van dit blogje is dat de vegetatie die wij gewend zijn te zien op vakantie in Italië, Griekenland, Turkije of een land in het Midden-Oosten, niet die is van de Oudheid. De Spaanse tortilla waarvan ik momenteel geniet, is gemaakt van aardappelen, en die komen oorspronkelijk uit de Caraïben, net als de cacao en de maïs. Uw Griekse choriatiki en uw Napolitaanse pizza veronderstellen tomaten, en de tomatl is afkomstig uit Mexico. De rijst waarmee men in de Arabische wereld tomaten vult, was bekend in de hellenistische wereld, vermoedelijk geïmporteerd vanuit India. Daar komt ook het voornaamste ingrediënt vandaan van de oosterse auberginesalades. Peper en andere specerijen, ten slotte, waren in de Oudheid bekend, maar erg zeldzaam. Kortom: wat wij kennen als de Mediterrane keuken, heeft weinig te maken met het eten uit de Oudheid of Middeleeuwen.

    De cactussen die we nu zien, komen uit Amerika, de eucalyptus komt uit Australië, de cipres komt uit Perzië. En dat laatste verbaast me altijd weer, want ik kan me Italië niet voorstellen zonder cipressen.

    Drie Skythen en een cipres in Persepolis.

    Taaiheid

    Maar nog even terug naar de taaiheid die is verondersteld bij de flora van het Nabije Oosten en de Méditerranée. De gewassen zijn vaak laag en hebben vaak de takken dicht op elkaar – het zijn meer struikgewassen, het is vaak kreupelhout – omdat de bladeren daardoor in elkaars schaduw liggen; ook zijn de bladeren wat aan de kleine kant. Op die manier kunnen ze het vochtverlies in de warmte minimaliseren. Als de bladeren toch groot zijn, zoals bij de palm, zijn ze om dezelfde reden wat leerachtig. Zoals ik al eerder schreef was de voor-westerse wereld eigenlijk niet zo heel vriendelijk, noch voor mensen, noch voor de vegetatie.

    Eigenlijk zou ik het ook nog over bloemen moeten hebben, maar ik vind het wel mooi geweest voor vandaag.

    Een pijnboom in het Retiro-park in Madrid (let op het waterwiel links)

    [In de reeks over de voor-westerse geschiedenis behandel ik de tijd vóór het concept van het “Westen” bestond en de factoren die vóór de evenementiële geschiedenis komen. Een overzicht is hier.]

    #AlexanderDeGrote #bloem #ceder #Dionysos #Elche #flora #katoen #Kerman #kersenboom #Khuzestan #LuciusLiciniusLucullus #MiddellandseZee #Moezel #NabijeOosten #olijfboom #palmboom #peper #PliniusDeOudere #specerijen #tomaat #vijgen #voorWesterseGeschiedenis #wijnrank
Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.