home.social

#indo-europese-talen — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #indo-europese-talen, aggregated by home.social.

fetched live
  1. De Slavische volken (4) Oorzaken

    Onscherpe foto van een Slavische mantelspeld (Militair Museum, Belgrado)

    [Dit is het vierde van zes blogjes over de herkomst van de Slavischsprekende volken. Het eerste was hier.]

    Een oorzaak?

    Als ik de vorige drie blogjes mag samenvatten:

    • rond 550 woonden de Slavischsprekenden van de Elbe in het noordwesten tot over de Dnjepr in het zuidoosten,
    • met de Avaarse migratie trok de groep die aan de Zwarte Zee woonde, langs de Donau naar het westen

    De hamvraag is: hoe konden de Slaven zich vanuit de Pripjatmoerassen verspreiden naar zo’n groot gebied? Er zal van alles hebben gespeeld, maar ik denk dat ik drie factoren kan noemen.

    1. Zolang het Romeinse Rijk de Rijngrens bewaakte, was er emplooi voor Przeworsk-Germanen, zodat mensen uit het Elbegebied naar het westen kwamen. Dat schiep in de vierde eeuw ruimte voor de Veneti/Wenden.
    2. In het midden van de vijfde eeuw raakten door de aankomst van de superfederatie van de Hunnen allerlei groepen verplaatst.
    3. Tot slot is er de demografische catastrofe die zich voltrok rond het midden van de zesde eeuw: de Justiniaanse Epidemie ofwel de Builenpest. Deze was gelijktijdig met een klimaatcrisis.

    Grote gebieden lagen open voor kolonisten en dan hadden de boeren met de genoemde eenvoudigste technieken de beste kansen: zij konden zich op de meeste plekken vestigen. De Slavische expansie lijkt zo feitelijk het succes van de best-aanpasbare landbouw te zijn geweest, maar het vraagteken in de paragraafkop staat er natuurlijk niet voor niets.

    Terug in de tijd

    Kunnen we van de in het vorige blogje genoemde verzameling archeologische culturen uit de late zesde eeuw terug? Vermoedelijk wel. Al die archeologische culturen gaan terug op wat bekendstaat als de Kyiv-cultuur, die we kunnen plaatsen vanaf pakweg 100 na Chr. tot de aankomst van de Hunnen. Dat de Kyiv-mensen een Slavische taal spraken, valt vrij aannemelijk te maken.

    Met de Slavische talen geassocieerde archeologische culturen (klik=groot)

    Archeologisch kunnen we namelijk nog wat dieper het verleden in. De Kyiv-cultuur kwam voort uit de Zarubintsy-cultuur, die we mogen plaatsen tussen 300 v.Chr. en 100 na Chr. Het gebied van die cultuur komt mooi overeen met gebied waar de meeste Proto-Slavische riviernamen zijn te vinden: de Urheimat. Dat is een sterke aanwijzing dat de Zarubintsy-mensen een vroege Slavische taal spraken, die ze via de Kyiv-cultuur hebben doorgegeven aan de mensen van de in het vorige blogje genoemde archeologische culturen, dus de mensen waarover ook Jordanes het heeft.

    Er is geen consensus over wat er aan de Zarubintsy-cultuur voorafgaat. Ik ga er ook niet over speculeren, want met zes blogjes is dit al een te lang opstel. Maar we blijven zitten met een gat van pakweg een millennium tussen het moment waarop het Proto-Slavisch gescheiden raakte van het Proto-Baltisch en andere Indo-Europese proto-talen en het moment waarop de Zarubintsy-cultuur is ontstaan.

    [Deze zesdelige reeks wordt zondagochtend vervolgd.]

    #Antes #Avaren #Donau #Hunnen #IndoEuropeseTalen #Jordanes #JustiniaanseEpidemie #KyivCultuur #ProtoSlavisch #PrzeworskCultuur #SlavischeTalen #Urheimat #Veneti #Wenden #ZarubintsyCultuur
  2. De Slavische volken (1) Inleiding

    Een ram uit Jordanów in zuidelijk Polen, de regio waar rond 2000 v.Chr. het allervroegste Proto-Slavisch werd gesproken (Archeologisch museum, Wroclaw)

    Waar komen de sprekers van de Slavische talen, zoals Russisch en Pools en Bulgaars, vandaan? Als u dacht dat de vraag naar de herkomst van de Germaanssprekenden lastig te beantwoorden was, met bronnen vol tegenstrijdige aanwijzingen, dan zijn de Slavischsprekenden een nachtmerrie, want bij deze vraag zijn er zelfs geen geschreven bronnen. Het enige dat we weten, is dat ze een Indo-Europese taal spraken, dat ze in de Oudheid ergens verbleven in oostelijk Europa, dat Byzantijnse auteurs in de zesde eeuw volksverhuizingen vermeldden en dat er in de Middeleeuwen koninkrijken ontstonden waarin Slavische talen werden gesproken en geschreven. Dat laat veel aan duidelijkheid te wensen over, maar laat onverlet dat er hypothesen mogelijk zijn en dat we kunnen aangeven welke waarschijnlijker zijn en welke minder waarschijnlijk.

    Soorten samenleving

    Maar eerst even dit: voordat er Slavische koninkrijken waren, leefden de Slavischsprekenden – wie dat ook waren – in stamverbanden, superfederaties en vroege staten. Dit zijn problematische categorieën, maar aangezien dit een blog is en niet de Jagiellonische Universiteit in Krakau, beperk ik me tot losse definities.

    Een stam is een economisch eenvoudige, cultureel homogene en redelijk duurzame samenleving, gebaseerd op al dan niet gefingeerde familiebanden. Een superfederatie is een tijdelijke federatie van stammen onder een leider die charismatisch genoeg is om de talige en culturele verschillen tussen de deelnemende stammen te overbruggen. (Ik beschreef het hier al eens.) Voorbeelden zijn Attila’s Hunnen, de Avaren van Baian, en natuurlijk de Mongolen van Djengis Khan. Doorgaans valt zo’n superfederatie na de dood van de leider weer uit elkaar, waarna weer een herclustering plaatsvindt: op Djengis Khan volgde Timoer Lenk, en op hem volgde Özbeg Khan. Een vroege staat is een stamsamenleving waarin een charismatische leider andere leiders overtreft, de middelen heeft om ze “uit te kopen”, en een staatsapparaat begint op te bouwen. U herkent wellicht de leiderschapstypologie van Max Weber: traditioneel, charismatisch en (beginnend) legaal.

    De verspreiding van de Slavische talen heeft veel te maken met stammen die clusteren tot superfederatie en weer uiteenvallen. En uiteindelijk zijn er dus vroege staten die zich ontwikkelen tot echte staten. Althans, zo wil ik het gaan beschrijven.

    Thuisland

    De eerste Slavischsprekenden woonden dus ergens in oostelijk Europa, wat natuurlijk een knap vage aanduiding is. Laten we het maar gelijkstellen aan het Europese deel van het voormalige Oostblok. Daar waren destijds grofweg twee zones aan te wijzen: in het noorden overheerste het bos, in het zuiden de steppe. De geschiedenis van dat laatste gebied kunnen we uit Griekse en Romeinse bronnen enigszins reconstrueren: het was er een komen en gaan van volken van nomadische veetelers die van het oosten naar het westen migreerden, zoals de Kimmeriërs, de Skythen, de Sarmaten, de Alanen en de superfederaties rond de Hunnen (vijfde eeuw) en de Avaren (tweede helft zesde eeuw). Eenmaal aangekomen op de steppe in wat nu Oekraïne heet, werden de migranten sedentair en bouwden ze eenvoudige boerderijen.

    Dat was de zuidelijke zone, die dus een contactzone was waar allerlei culturen, volken en talen samenkwamen. Voor de aller-, allervroegste geschiedenis van de Slavische volken lijkt een iets noordelijker zone relevanter. Dat die geschiedenis daar begint, blijkt uit de gedeelde woordenschat van de Slavische talen, waarin geen woorden zijn voor de zee, voor de flora van de kustgebieden en voor zoutwatervissen. De Slavische talen kennen bovendien alleen leenwoorden voor de beuk, de conifeer en de lariks, wat suggereert dat deze bomen in het thuisland niet groeiden. Daarom neemt men wel aan dat het thuisland moet worden gezocht rond de Pripjatmoerassen op de grens van het huidige Oekraïne en Wit-Rusland, precies op de grens van de steppe- en de woudzone. Tussen de bron van de Weichsel en de Dnjepr zijn bovendien tal van Proto-Slavische riviernamen aan te wijzen, wat eveneens geldt als bewijs voor de vroegste taalgeschiedenis.

    Taalkundigen kunnen uitspraken doen over de snelheid waarmee talen zich ontwikkelen. Dat heet glottochronologie. De methode kent een serieuze foutenmarge, maar is beter dan niets. Omdat de Slavische talen vanaf de Vroege Middeleeuwen zijn opgeschreven en omdat we het Proto-Indo-Europees in het vierde millennium v.Chr. kunnen plaatsen, valt te concluderen dat het Proto-Slavisch tegen het einde van het tweede millennium v.Chr. los kwam van het Proto-Balto-Slavisch en dat daarna diverse dialecten begonnen te ontstaan. Dit is zo ongeveer het best onderbouwde deel van onze kennis van de voorgeschiedenis van de Slavische talen, maar er is dus een enorme foutenmarge.

    Hadden we maar geschreven bronnen, zoals we die hebben over de Germanen! Maar zulke bronnen zijn er voor de voorouders van de Slaven niet. Toen de Grieken over oostelijk Europa begonnen te schrijven, wisten ze wel het een en ander over de zuidelijke steppe, maar vrijwel niets over de overgangszone naar het noordelijke woudgebied. Het was de Grieken gelukkig wel toevertrouwd daarover te fantaseren. In de vijfde eeuw v.Chr. plaatste Herodotos van Halikarnassos er het weerwolvenvolk der Neurers, een volk van Menseneters en het dodenrijk der Hyperboreeërs. De Urheimat van de Slavischsprekenden was ook toen al fantasia.

    [Dit was het eerste van zes blogjes over de Slavischsprekende volken. Het wordt vanmiddag vervolgd.]

    #HerodotosVanHalikarnassos #Hyperboreërs #IndoEuropeseTalen #MaxWeber #Neurers #ProtoBaltoSlavisch #ProtoSlavisch #SlavischeTalen #superfederatie #Urheimat #vroegeStaat
  3. De Germanen (1) Herkomst

    Romeins portret van een Germaan (British Museum, Londen)

    Het is met de Germanen zoals met de Kelten: begripsverwarring. Soms verwijst de naam naar degenen die door de Grieken en Romeinen zo werden aangeduid. Soms is verwezen naar de bewoners van een bepaald gebied, “Germania”. Soms is verwezen naar de sprekers van een bepaalde taal. Ik sla nog het een en ander over, maar dit is duidelijk: zoals de Kelten zichzelf geen Kelten noemden, zo wisten de Germanen niet dat ze Germanen waren. Dit alles geldt overigens voor wel meer antieke volken.

    Ik wil nu zes blogs wijden aan de Germanen. Ik wil vandaag iets vertellen over de herkomst van het idee dat er überhaupt Germanen bestonden en zal daarna ingaan op het onderzoek – eerst de historische taalkunde. Daarna behandel ik dan de geografie en archeologie, en is, hoop ik, duidelijk waarom de geografische begrenzing lastig is en er eigenlijk gradaties van Germaansheid zijn. Ik vermeld dan in een derde blogje wat historische gebeurtenissen (zoals de slag in het Teutoburgerwoud) vervolg met meer geschiedenis, en ik rond af met een schets van de Germaanse cultuur, met speciale aandacht voor religie.

    Antieke opvattingen

    Waar komen die Germanen nou vandaan? De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos kende ze in de vijfde eeuw v.Chr. nog niet: in het noorden woonden de Skythen en de Kelten. Misschien herkende hij dat zij de sprekers waren van talen uit twee verschillende takken van de Indo-Europese taalfamilie. Rond 100 v.Chr. is de geografische kennis veranderd en kennen de Griekse en Romeinse geografen een derde volk – of groep volken, het is maar hoe je het wil invullen – in het noorden: aan de overzijde van de Donau woonden ergens de Germanen. Voor zover ik weet is Poseidonios van Apameia de eerste auteur van wie een verwijzing is overgeleverd.noot Geciteerd door Athenaios, Tafelgesprekken 153E.

    Zie ik het goed, dan hebben alle auteurs vóór Poseidonios Herodotos’ tweedeling gehandhaafd. Het is denkbaar dat de Germanen al bekend waren aan een auteur als Pytheas van Marseille (rond 325 v.Chr.), een Eratosthenes van Kyrene (rond 225 v.Chr.) of een Polybios (rond 150 v.Chr.) en dat hun beschrijvingen van de noorderlingen niet zijn overgeleverd. Het kan echter ook zijn dat de Germanen pas kort voor Poseidonios “op de radar verschenen”.

    Migraties

    Misschien verdient die laatste verklaring de voorkeur, aangezien niet veel eerder de Kimbren en Teutonen vanuit het hoge noorden zuidwaarts waren gekomen, groepen die evident niet Keltisch waren. Ze spraken een andere taal en waren, volgens de Romeinen, veel primitiever dan de Kelten. Als die golden als barbaren, dan vertegenwoordigden de Germanen een nog woestere wildheid, wat goed paste bij het Grieks-Romeinse wereldbeeld dat naarmate je verder van de Middellandse Zee kwam, de mate van beschaving afnam.

    Naald en barnsteenkralen (Niedersächsisches Landesmuseum, Hannover)

    In elk geval: na pakweg 100 v.Chr. kenden de Grieken en Romeinen de Germanen. Ze leefden in het hoge noorden en kwamen naar het zuiden. Die migratie zette zich nadien voort en wordt geassocieerd met een Germaans volk dat bekendstaat als de Sueben. Zij vestigden zich in het midden van wat nu Duitsland is. Eerdere bewoners trokken naar het westen, over de Rijn, en naar het oosten, richting Bohemen. Er was ook expansie naar het noorden, waar de Sami (ofwel Lappen) uitweken naar noordelijk Scandinavië.

    De Germaanse taal

    Ik zei al dat deze mensen een eigen taal hadden, die duidelijk geen Keltisch was. Het gaat echter wel om een Indo-Europese taal. Dat deze vroegste Germaanse taal (of verzameling talen, daar wil ik nu vanaf zijn) überhaupt heeft bestaan is af te leiden uit het simpele feit dat moderne Germaanse talen (bijv. het Engels, Nederlands, Fries en Duits) meer lijken op elkaar dan op andere Indo-Europese talen. En dat hangt weer samen met een alleen onderling gedeelde woordenschat: ons woord zee heeft wél parallellen in de andere moderne Germaanse talen, maar niet in de romaanse talen (die woorden gebruiken die afstammen van het Latijnse mare). Mogelijk komen die woorden uit een eerdere taal, die de voorouders van de Germanen aantroffen toen ze zich in Noordwest-Europa kwamen vestigen.

    Het eigene van de Germaanse talen is verder beschreven door de Eerste Germaanse Klankverschuiving ofwel de Wet van Jacob Grimm (die van de sprookjes). Woorden die in de meeste Indo-Europese talen een /p/ hebben, willen in Germaanse talen nogal eens een /f/ hebben: het Engelse father, het Duitse Vater en ons eigen vader corresponderen met het Latijnse en het Griekse pater, het Indische pitar en het Avestische patar. Op vergelijkbare wijze veranderde de oorspronkelijke /d/ in een /t/ (Latijn edere en ons eten).

    De historische taalkunde heeft natuurlijk meer te bieden dan inzicht in woordenschatten en klankwettige verschuivingen. Uit de namen van rivieren kunnen we afleiden dat Germaanse talen in het eerste millennium v.Chr. al werden gesproken in wat nu Denemarken is en op de Noord-Duitse Laagvlakte. Later breidde dit gebied zich uit, en het ligt voor de hand dat dat tegelijk met de genoemde migraties is gebeurd, al is dat strikt genomen onbewijsbaar.

    [Wordt vervolgd]

    Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Alexander de Grote in Milete

    maart 11, 2025
    De grootste oorlog uit de Oudheid (3)

    oktober 20, 2018
    Zelfvergoddelijking

    maart 11, 2014 Deel dit: #Athenaios #Bohemen #Donau #EersteGermaanseKlankverschuiving #EratosthenesVanKyrene #GermaanseTalen #HerodotosVanHalikarnassos #historischeTaalkunde #IndoEuropeseTalen #JacobGrimm #Kimbren #klankwet #Polybios #PoseidoniosVanApameia #Pytheas #Sueben #Teutonen
  4. De Dobruja (1)

    De Dobruja rond 1918

    Vandaag een blogje buiten mijn eigenlijke expertise, maar ik schrijf het op verzoek. Het gaat over de grens tussen Bulgarije en Roemenië. Voor het grootste deel is dat de benedenloop van de rivier de Donau. Ten zuiden daarvan spreken de mensen Bulgaars, een Slavische taal, en schrijven ze met cyrillische letters, en ten noorden daarvan spreken ze Roemeens, een romaanse taal, en gebruiken ze hetzelfde alfabet als wij.

    Dobruja

    Alleen helemaal in het oosten ligt de grens wat anders. Zo’n zestig kilometer vóór de rivier de Zwarte Zee bereikt, buigt ’ie naar het noorden af, stroomt 130 kilometer in die richting, en buigt pas daar naar het oosten. De delta strekt zich uit over ruim honderd kilometer. Het gebied bezuiden de Donaumonding staat bekend als de Dobruja, is genoemd naar een veertiende-eeuwse heerser, is half zo groot als België, is politiek heel omstreden geweest en uiteindelijk over de twee landen verdeeld. Ik heb de indruk dat de spanningen nog niet helemaal zijn verdwenen.

    Die spanningen hebben alles te maken met de neergang van het Ottomaanse Rijk. Daar zijn sindsdien de Balkanstaten ontstaan, met Bulgaarssprekenden aan de ene kant van de Donau en Roemeenssprekenden aan de andere kant, maar dat was niet altijd de meest logische uitkomst.

    Religie versus taal

    In de loop van de negentiende eeuw verloor de Ottomaanse sultan steeds meer van zijn Europese bezittingen. Servië was in 1817 het eerste gebied dat autonoom werd, al behield het een Ottomaans garnizoen. De Peloponnesos volgde in 1829: hier ontstond een koninkrijk dat zich later zou uitbreiden richting Athene, Thessalië en uiteindelijk Thessaloniki. En zo waren er meer gebieden die zich in diverse vormen onafhankelijk maakten.

    U merkte misschien dat ik in de vorige alinea woorden als “de Serviërs” en “de Grieken” vermeed. Dat had een reden, want het verzet tegen de Ottomanen had een sterke religieuze component: de orthodoxe kerk speelde een rol. De Griekse Onafhankelijkheidsoorlog begon bijvoorbeeld toen bisschop Germanos van Patras de revolutionaire vlag ontvouwde in het klooster Agia Lavra. Er is een fase geweest waarin een deel van de opstandelingen op het Balkanschiereiland streefde naar één staat op orthodoxe grondslag.

    Ondertussen ontstond echter het moderne, op taal gebaseerde nationalisme. Dat heeft veel te maken met de ontdekking van de Indo-Europese taalfamilie, waarover elders op deze blog voldoende is geschreven en dat ik nu laat rusten. Het punt is: naarmate de negentiende eeuw vorderde, werd het verzet tegen de Ottomaanse heersers steeds vaker een nationaal, dus op taal gebaseerd verzet. Je kunt niet door het moderne Bulgarije reizen zonder te horen over de Nationale Herleving, waarbij twee middeleeuwse koninkrijken (van 681 tot 1018 en van 1185 tot 1396) gelden als de eerdere levens van het volk. Waar de Dobruja aan het begin van de negentiende eeuw nog onderdeel had kunnen worden van een op orthodoxie gebaseerde staat, was dat eind negentiende niet meer mogelijk: toen was het een mix van Roemeenstaligen, Turkstaligen, Tataarstaligen, Bulgaarstaligen, Russischtaligen en Griekstaligen, met daar tussenin nog wat Duitstaligen.

    De grote tegenspeler van de sultan was de tsaar. Die aasde op Constantinopel, dat niet alleen symbolische betekenis had, maar ook de toegang vormde tot de Middellandse Zee. Een groot deel van de negentiende-eeuwse diplomatie had tot doel de Russen daar weg te houden, en daarom schaarden de westerse mogendheden zich in bijvoorbeeld de Krimoorlog aan de zijde van de sultan. Op zoek naar bondgenoten wierp de tsaar zich dan op als beschermheer van de orthodoxen. Naarmate taal belangrijker werd, was de tsaar meer geïnteresseerd in de Slavischsprekende orthodoxen, en dat maakte Bulgarije tot natuurlijke bondgenoot.

    Rusland en Bulgarije

    Het Ottomaanse gebiedsverlies in Europa vormde voor de sultan een ernstig probleem, want de Balkan vormde het demografische zwaartepunt van zijn Rijk. Naarmate de eeuw vorderde en meer rijksdelen verloren gingen, werden de Aziatische delen belangrijker. Moslims in de nieuwe Balkanstaten verhuisden nogal eens naar het oosten – misschien bezocht u Israël en kent u het Bosnische moskeetje in Caesarea – en zo werd de Balkan steeds christelijker, werd de Levant steeds islamitischer en werd het voor sultan Abdulhamid II aantrekkelijk zich te presenteren als kalief en Ottomaanse burgers te definiëren als Turkssprekende soennieten. Waarmee de problemen voor de Arabieren, Armeniërs, joden en maronieten pas goed begonnen – maar dat is een ander verhaal.

    In 1875 ontplofte de Balkan met diverse opstanden in de hele regio. De Russen vielen het Ottomaanse Rijk binnen, wonnen de oorlog en drong de legers van de sultan terug tot in Constantinopel. De Russen begrepen dat als ze die stad zouden innemen, de Britten, Fransen en Italianen zouden interveniëren, en kozen voor de op-een-na-ideaalste-oplossing: de stichting van een koninkrijk Bulgarije dat zich uitstrekte van de Donau tot aan de Egeïsche Zee. Ook het huidige Noord-Macedonië behoorde bij dit nieuwe koninkrijk. Een en ander werd vastgelegd in het Verdrag van San Stefano. Bulgarije is nooit meer zo groot geweest.

    Ondanks de Russische poging westerse interventie te vermijden, grepen de westerse mogendheden in. In 1878 vond het Congres van Berlijn plaats waar de grenzen opnieuw werden getrokken. Voor de Bulgaren waren de druiven zuur: hun nieuwe staat werd gereduceerd tot het gebied tussen de Donau en het Balkangebergte. Het gebied ten zuiden van die bergen, met steden als Plovdiv, keerde terug onder Ottomaans bestuur. In 1885 werd een deel daarvan verenigd met Bulgarije en kreeg het land ruwweg zijn huidige grenzen – met uitzondering van de Dobruja.

    [Wordt vervolgd]

    #AbdulhamidII #CongresVanBerlijn #Dobruja #IndoEuropeseTalen #Krimoorlog #romaanseTalen #SlavischeTalen
  5. De Thraciërs (2)

    De godin Bendis op een panter (Rogozen-schat, Archeologisch museum, Vratsa)

    [Dit is het tweede van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

    Sociale stratificatie

    De in het vorige blogje genoemde handel en de exploitatie van goudmijnen zorgden voor rijkdom. En rijkdom schiep sociale stratificatie: koning, adel, krijgers, boeren. Het is geen toeval dat de Odrysen, die het dichtst bij het Perzische Rijk en de Griekse stadstaten woonden, in de vijfde eeuw v.Chr. als eersten een eigen koninkrijk bouwden. Zij hadden de beste mogelijkheden om handel te drijven. Later volgden ook de andere gebieden.

    Maar de maatschappelijke verschillen zijn al eerder gedocumenteerd. Toen de Perzen tegen het einde van de zesde eeuw de regio onderwierpen, was er al een archeologisch herkenbare elite die pronkte met Griekse en Perzische voorwerpen. (Ik blogde al eens over de Rogozen-schat, gevonden bij de Triballiërs in het noordwesten, waar een kruikje bij zit waarvan de decoratie lijkt te zijn geïnspireerd door de Perzische leeuw-stier-reliëfs.) Niet dat de Thraciërs zelf geen kunst maakten. In de vorstelijke residenties was emplooi voor edelsmeden. Hun producten zijn aangetroffen in tal van graftombes (tumuli in jargon) en zijn beeldschoon.

    Een opvallend detail is dat als het koningschap eenmaal is ontstaan, de vorst afstand neemt tot zijn onderdanen: hij leefde apart, in een citadel. De adel woonde er in de buurt, in het dorp woonden boeren die druiven, gerst, rogge en tarwe verbouwden; en de herders zwierven daarbuiten. Deze ruimtelijke indeling was in de oude wereld uiteraard heel gangbaar.

    Koningsmasker van goud uit Svetitsa (Archeologisch museum, Sofia)

    Godsdienst

    De Thraciërs waren grotendeels ongeletterd, maar zoals ik al schreef hebben Griekse auteurs over hen geschreven. Omdat ze een Indo-Europese taal spraken, mogen we ook de historische taalkunde in stelling brengen, en de conclusies daarvan zijn bevestigd door de archeologie.

    Het lijkt erop dat bij de Thraciërs de koning een soort middelaar is geweest tussen de goden en de mensen. Daarom had hij allerlei priesterlijke taken. Hij stamde ook af van de goden – Herodotos identificeert de koninklijke stamvader als Hermesnoot Herodotos, Historiën 5.8. – en was daarom onverslaanbaar in oorlogstijd. Dat was althans de ideologie, die we denken te herkennen in de decoratie van het edelsmeedwerk.

    Dezelfde Herodotos meldt dat de Thraciërs alleen de goden Artemis, Dionysos en Ares vereren.noot Herodotos, Historiën 5.8. Dit zijn Griekse namen. Van de twee eerste is bekend dat ze corresponderen met de natuurgodin Bendis en een (inderdaad Dionysos-achtige) zoon van de oppergod genaamd Zagreus. Ik heb niet kunnen achterhalen welke oorlogsgod schuil gaat achter Herodotos’ Ares, maar het ontbreekt niet aan Thracische reliëfs van ruiters. Daarover zo meteen meer.

    Romeinse afbeelding van de Thracische Orfeus (Archeologisch museum, Stara Zagora)

    Orfiek

    Een van Zagreus’ leerlingen was Orfeus, die – net als de koning – bemiddelde tussen mensen en goden. Aan hem schreven de Thraciërs al hun wijsheid toe, die de vorm had van allerlei bezweringen, wapendansen en rituelen, waarmee de deelnemers zouden kunnen delen in de onsterfelijkheid van de goden. Een mooi voorbeeld is de man die begraven is met de cocon van een rups. Bij die rituelen zou het draaien om een cyclisch proces van leven, sterven en herleven, wat in de kunst tot uiting zou worden gebracht door herhaalde motieven (meanders, spiralen…) en ook een steeds herhaalde afwisseling van kleuren: rood voor het sterven, zwart voor het graf en wit voor de hernieuwing.

    En goud! Goud representeerde al sinds de Bronstijd de zon, de bron van alle leven. Archeologen maken – volgens mij terecht – heel veel van de associatie tussen zonneschijn en goudglans, maar ik noteer wel dat Herodotos geen zonnegod vermeldt dat alleen de hellenistische – dus: vrij late – auteur Alexandros Polyhistor beweert dat de Thraciërs Dionysos/Zagreus gelijkstelden aan de zonnegod.

    Thracische Ruiter (Letnitsa-schat, Regionaal Historisch museum, Lovech)

    De Thracische Ruiter

    Een van de opvallendste afbeeldingen uit de Thracische kunst staat bekend als de Thracische Ruiter. Er moeten er honderden zijn, misschien wel duizenden. Steeds zien we een bewapende ruiter, die nu eens op jacht is en bijvoorbeeld een everzwijn achtervolgt, dan weer een slang bij een boom aanvalt, of terugkeert van het front met het hoofd van een verslagen tegenstander in z’n bagage. Zo nu en dan draagt hij een hoorn des overvloeds, wat dan wellicht het symbool is van de onderwereld. Reliëfs als deze zijn ook bekend uit Roemenië, en daaruit kennen we de naam van de Thracische Ruiter: Ἥρως, “Heros”. Dat is overigens ook het Griekse woord voor held, dus het kan ook een titel zijn, of een als eigennaam gebruikte titel.

    In de diverse gebieden lijkt de Thracische Ruiter met diverse goden of mythologische figuren te zijn geassocieerd: de Griekse genezende godheid Asklepios, de orakelgod Apollo, Dionysos/Zagreus, en wellicht ook Ares. Die is immers (volgens Herodotos althans) belangrijk geweest, past goed bij de bewapende ruiter en is niet ergens te plaatsen. Afbeeldingen zijn er tot ver in de derde eeuw na Chr. en wellicht is er een verband met de dubbele “ruiters van de Donau” waarover ik eerder blogde.

    En misschien is de Thracische Ruiter ook wel een weergave van de oppergod. Herodotos noemt Zalmoxis, waarvan hij zegt dat die ook wel Gebeleïzis heet. Die laatste naam wordt ook anders gespeld, maar het gaat zeker om dezelfde Indo-Europese naam als die waarvan Zeus en Jupiter zijn afgeleid: de donderende hemelgod die aan het hoofd van het pantheon stond. Dat Zalmoxis in de hemel verbleef, blijkt uit (alweer) Herodotos, die vertelt dat de Geten

    om de vier jaar een man uitloten die aan Zalmoxis al hun wensen en verlangens van dat tijdstip kenbaar moet maken. Dat gaat als volgt in zijn werk: zij wijzen een aantal mannen aan die ieder drie speren vasthouden. Dan wordt door een groep anderen de persoon die de boodschap aan Zalmoxis moet overbrengen aan handen en voeten beetgepakt en in de lucht gegooid zodat hij op de speerpunten terechtkomt. Komt hij bij die val om, dan betekent dit volgens hen dat de god hun welgezind is.noot Herodotos, Historiën 4.94; vert. Hein van Dolen.

    Of dit werkelijk zo is gegaan, waag ik te betwijfelen. Het past me net iets te goed bij Herodotos’ tendens om de Thracische barbarij wat aan te dikken. Maar het bevestigt wel dat Zalmoxis in de hemel was.

    [Wordt morgen vervolgd]

    In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Israël en Juda

    november 11, 2021
    Zeg “Sapfo” en er volgt onzin

    mei 26, 2016
    De Gallische taal

    mei 24, 2021 Deel dit: #AlexandrosPolyhistor #Ares #Artemis #barbaren #Bendis #Dionysos #goud #grafheuvel #Hermes #HerodotosVanHalikarnassos #IndoEuropeseTalen #koningschap #LetnitsaSchat #Odrysen #Orfiek #RogozenSchat #ruitersVanDeDonau #Thracië #ThracischeRuiter #Triballiërs #Zagreus #Zalmoxis #zon
  6. De Thraciërs (1)

    Thracisch alssnoer uit de IJzertijd (Historisch Museum, Sofia)

    De Thraciërs wisten zelf niet dat ze bestonden. “Thraciërs” was oorspronkelijk de naam die de Grieken gaven aan de bewoners van het gebied ten noorden van de Egeïsche Zee. Toen er later Griekse steden ontstonden aan de westkust van de Zwarte Zee, duidden de bewoners hun buren in het achterland eveneens aan als Thraciërs. Uiteindelijk ging het om een regio die iets groter was dan het huidige Bulgarije. Zelf hebben de mensen die daar woonden, zich nauwelijks herkend als één volk. De Griekse onderzoeker Herodotos kent de namen van een stuk of tien groepen die hij beschouwt als Thracisch, latere auteurs kennen nog meer namen.

    Of die werkelijk corresponderen met de zelfaanduidingen, is maar de vraag. Het is niet plausibel dat er in historische tijden een groep bestond met de legendarische, aan Homeros ontleende naam Kikonen, terwijl ook Melinofagoi, “giersteters”, niet klinkt als een authentieke Thracische naam. Sinds de thracologie een echte wetenschap is – laten we zeggen sinds de jaren zeventig – worden meestal vier groepen aangewezen: twee ten noorden van het Balkangebergte, dat als een horizontale lijn van oost naar west door Bulgarije loopt, en twee in het zuiden. Het zijn:

    • in het noordoosten de Geten, op beide oevers van de Donau, dus ook in Roemenië;
    • in het noordwesten de Triballiërs, vanaf de Geten bezien stroomopwaarts aan de Donau, deels in Servië;
    • de Bessers in het zuidwesten, in het Rhodopegebergte, in de richting van Griekenland;
    • de Odrysen op de vlakte van de Maritsa (de antieke Hebros) in het zuidoosten, ook in Turkije.

    De Thracische cultuur

    Hoewel de Thraciërs dus verdeeld waren, is het nou ook weer niet zo dat er helemaal niets was dat ze verbond. Om te beginnen spraken ze dezelfde Indo-Europese taal. Of Indo-Europese talen, meervoud. Het taalkundig bewijs is erg mager. Maar toch: dankzij enkele korte inscripties, een grote hoeveelheid persoons- en plaatsnamen en zo’n tachtig notities in antieke woordenboeken is voldoende bekend om er zeker van te zijn dat het Thracisch behoorde tot de Indo-Europese familie. Zo kennen we woorden als bria, “versterking”, broutos, “bier”, midne, “huis”, en para, “voorde”. Het is te weinig om de plek van het Thracisch in de grote Indo-Europese stamboom te bepalen, maar voldoende om te bepalen dat de taal daarin hoort.

    De Thraciërs deelden ook dezelfde mythen en godsdienst (de “Orfiek”) en hadden een overeenkomstige levenswijze. Ze zouden nogal krijgszuchtig zijn geweest – althans volgens de Griekse auteurs, voor wie de Thraciërs niet zelden golden als “de” barbaar par excellence. Die vooringenomenheid leidde tot vertekening. Herodotos vertelt bijvoorbeeld dat de Thracische groep die hij Trausers noemt, huilden bij de geboorte van een baby, omdat ze wisten hoeveel verdriet er is in een mensenleven, en dat ze lachten bij de dood, omdat de ellende eindelijk voorbij was. noot Herodotos, Historiën 5.4. Dit is evident omkering van de Griekse norm en dus het “scheppen” van de barbaar. De nadruk die de Griekse auteurs leggen op tatoeages en kleding van dierenhuiden (bijv. leren broeken en mutsen van vossenbont) documenteert dezelfde attitude: de Thraciër was een woesteling.

    Tegelijk zijn er voldoende archeologische aanwijzingen voor meer vreedzame betrekkingen. Veel Thraciërs leefden als herders. Akkerbouwers leefden in dorpen die lange tijd geen muren of palissades hadden. In de loop der eeuwen groeide de handel met de Griekse havensteden in het zuiden en oosten: als exportproducten worden allerlei soorten metaal, pelzen en slaven genoemd. Natuurlijk was er ook handel met andere buurvolken: met de Macedoniërs en de Illyriërs in het westen, met de Skythen in het noordoosten en met het Perzische Rijk. Dat Perzische teksten de Thraciërs aanduiden als één volk, suggereert overigens dat niet alleen de Grieken overeenkomsten zagen tussen de diverse bevolkingsgroepen.

    Perzische afbeelding van een Thraciër (Persepolis)

    Volk zonder geschiedenis?

    Kenden we hun eigen verhalen maar! De Thraciërs zijn echter “people without history”, wat wil zeggen dat er onvoldoende eigen geschreven bronnen zijn. Uiteraard hebben ze mondeling wel verhalen doorgegeven, maar die zijn voorgoed verloren. We moeten het doen met archeologische vondsten, die voor de Bronstijd en IJzertijd zelfs het enige bewijsmateriaal vormen. En hoewel archeologische vondsten nogal wat interpretatie vergen, vertellen ze wel een verhaal.

    Daarnaast zijn er, zoals gezegd, de Griekse teksten. Die zijn er vanaf het moment waarop de Grieken zich op de kusten vestigden: eerst in het zuiden, aan de Egeïsche Zee, in de zevende en zesde eeuw v.Chr. ook in het oosten, aan de Zwarte Zee. Afgezien van enkele opmerkingen bij Homeros, die bijvoorbeeld de Thracische koning Rhesos in de Ilias noemt als bondgenoot van Troje, vormen vermeldingen bij vroege dichters het eerste tekstuele bewijs, en pas halverwege de vijfde eeuw v.Chr. krijgen we met twee redelijk lange passages in Herodotos’ Historiën enig bewijsmateriaal.noot Herodotos, Historiën 4.93-94 en 5.3-8.

    [Wordt zo meteen vervolgd]

    In september organiseer ik een reis Algerije en waarom die de moeite waard is leest u hier. Deze blog kunt u ook volgen via een Whatsapp-kanaal.

    Zelfde tijdvak


    Misverstand: Mensenrechten

    mei 5, 2020
    Hooglied (4): Een omgekeerde wasf

    april 8, 2023
    Het Tempe-ravijn

    maart 31, 2021 Deel dit: #Balkangebergte #barbaren #Bessers #Geten #HerodotosVanHalikarnassos #Homeros #IndoEuropeseTalen #Odrysen #Orfiek #peopleWithoutHistory #tatoeage #Thracië #Triballiërs
  7.  

    Giorgio de Chirico, Gli archeologi (1927)

    Dit stukje gaat over archeologie. En de conclusie gaat over journalistiek. Maar we beginnen bij de historische taalkunde.

    Wetmatige verbanden

    Lang geleden hadden wetenschapstheoretici het idee dat wetenschap bestond uit waarnemen, het herkennen van patronen of wetmatigheden, en het doen van voorspellingen. Voor een deel werkt het inderdaad zo. De taalkunde herkent bijvoorbeeld dat als een Latijns, Grieks of Oud-Indisch woord begint met een /p/, daar in de Germaanse talen vaak een /v/ of een /f/ stond. Als een nieuwe Germaanse taal zou kunnen worden ontdekt, mogen we aannemen dat het woord voor vader ook daar begint met een /v/ of een /f/.

    De klankwetten hebben dus voorspellend vermogen en als het blijkt te kloppen, heet dat corroboratie. In de afgelopen kwart eeuw zijn nogal wat al bekende talen beter beschreven – denk aan de Indo-Europese talen van Centraal-Azië en Anatolië – en zijn ook allerlei nieuwe talen ontdekt, zoals de talen die zijn gedocumenteerd in de tienduizenden pas ontsloten inscripties uit de Arabische wereld. En de klankwetten blijken grosso modo correct. Uiteraard zijn er uitzonderingen, maar daar gaat mijn stukje niet over. Het gaat me er vandaag om dat we hier een visie hebben op het functioneren van wetenschap, die veronderstelt dat onze kennis van onderaf wordt opgebouwd. En dat deze visie bestaansrecht heeft. Ze wordt wel aangeduid als positivistisch, al is dat een term die steeds weer iets anders betekent.

    Top-down en bottom-up

    In de jaren zestig groeide het inzicht dat het in de praktijk allemaal wat genuanceerder werkte. Een archeoloog die keek naar het verleden en probeerde veranderingen te verklaren, kon tot op zekere hoogte nog wel hopen dat, als hij de vondsten bestudeerde, de patronen zich als het ware vanzelf aan hem openbaarden. Als je in West-Europa bij riviersplitsingen opvallend vak kostbare voorwerpen vindt, mag je redeneren dat je bij een nog nooit onderzochte riviersplitsing ook bedacht moet zijn op speciale vondsten. De gebruikelijke verklaring is dat hier cultusplaatsen waren.

    De problemen ontstaan als je het verleden probeert te verklaren. Waarom is de samenleving de afgelopen millennia zoveel complexer geworden? Een marxistisch angehauchte archeoloog zou de verklaring kunnen zoeken in spanningen tussen de diverse klassen, een liberaal zou kunnen denken aan rivaliteit op individueel niveau, een technocraat kan aannemen dat technologische vernieuwing de motor is achter de vooruitgang. noot De zeurpiet die wil yappen dat vooruitgang een morele categorie is, moet even bedenken hoeveel morele mogelijkheden wij méér hebben dan vroeger. Natúúrlijk is er vooruitgang. Vooraf gemaakte keuzes kunnen dus knap invloedrijk zijn. Bij gebrek aan ander woord zal ik dit aanduiden als ideologische aannames.

    Kortom: we hebben aan de ene kant wetmatigheden, waardoor we als het ware bottom-up naar kennis komen, en aan de andere kant maken we, bij het verklaren van de processen, keuzes die meer top-down zijn. De ambitie was ooit, in de dagen van de zogeheten New Archaeology, dat archeologen de ideologische aannames zouden toetsen aan de hand van de patronen die ze in hun vondsten ontwaarden. Als je aanneemt dat een spanning tussen de diverse klassen de oorzaak is voor vooruitgang, en je vindt geen aanwijzingen dat mensen op verschillende manieren in het productieproces hebben gestaan, dan klopt er iets niet aan je marxistische aannames. Etc.

    Hoe het kan (of niet)

    Dit maakt archeologie tot een sociale wetenschap. Denk aan Eric Cline, die in het eerste van zijn twee 1177-boeken diverse verklaringen bood voor het einde van de mediterrane Bronstijd, compleet met toelichting dat bijvoorbeeld het idee dat er een verandering was opgetreden in de vorm van handel, marxistische wortels had. Of denk aan de historici. Het Brennerdebat is een mooi voorbeeld van de wijze waarop historici erin slaagden diverse marxistische opvattingen te toetsen.

    Toch hoor je weinig meer over het toetsen van sociaalwetenschappelijke theorieën. Althans in de archeologie. Een deel van de verklaring zal zijn dat de grote ideologische tegenstellingen in de jaren negentig zijn geërodeerd. Iedereen lijkt wel neoliberaal te zijn – of althans, iedereen denkt dat mensen uitsluitend door geld worden gemotiveerd. Een ander deel van de verklaring is dat archeologen, sinds de studieduur in de jaren tachtig werd gereduceerd tot onder het wetenschappelijk minimum, onvoldoende wetenschapstheoretische bagage hebben. Een derde verklaring zou kunnen zijn dat archeologen liefst met de voeten in de klei zitten en weinig op hebben met theoretisch gebeuzel.

    Maar toch. Wat zou ik er veel voor over hebben als de archeologie haar potentieel wat meer benadrukte. Je bent een wetenschap hoor, je toetst sociaalwetenschappelijke theorieën. Eric Cline deed het in zijn tweede 1177-boek weliswaar niet al te best (hij presenteerde een cirkelredenering), maar het kan dus wel.

    En nu de journalistiek

    Ik beloofde een conclusie over journalistiek. Het zou zo fijn zijn als wetenschapsjournalisten stopten met schrijven over vondsten. Ik weet het, persberichten over de vondst van een deel van de limes-weg, over een voorbijganger die een zeldzame munt vindt of over de identificatie van een uit teksten bekende nederzetting – zulke persberichten staan garant voor een vet stukje, waar weinig aan gedaan hoeft te worden om het te plaatsen. Maar je kunt de vraag stellen: welke sociaalwetenschappelijke theorie wordt getoetst? Als de archeologen daarop geen antwoord geven: gewoon niet plaatsen.

    Dataverwerving is immers geen wetenschap maar een voorwaarde voor wetenschap. Het focus op dataverwerving geeft een verkeerd beeld van wat archeologen doen. Anders gezegd: focus bij wat je schrijft op wat archeologie is – het toetsen van sociaalwetenschappelijke inzichten – en biedt het publiek inzicht in het wetenschappelijke proces. Dat is de taak van een wetenschapsjournalist. De huidige, eenzijdige nadruk op dataverwerving draagt vooral bij aan een verkeerd beeld van de archeologie en helpt ongewild bij de sloop van het draagvlak voor het vak. Dat kan de bedoeling niet zijn.

    [De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

    Deze blog is gratis, maar als u me wil steunen, koop dan een van mijn boeken, doe via Livius.nl een cursus of reis, of doneer. U kunt de blog ook volgen via het Whatsapp-kanaal.

    Deel dit:

    https://mainzerbeobachter.com/2024/10/14/archeologie-als-sociale-wetenschap/

    #Brennerdebat #EricCline #historischeTaalkunde #IndoEuropeseTalen #klankwet #NewArchaeology #positivisme #socialeWetenschappen #verklaring #wetenschapsjournalistiek #wetmatigeVerklaringsmodel

Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.