home.social

#edwardgibbon — Public Fediverse posts

Live and recent posts from across the Fediverse tagged #edwardgibbon, aggregated by home.social.

fetched live
  1. Herodotos was geen historicus

    Herodotos (Neues Museum, Berlijn)

    Ergens in februari liet een oudheidkundige mailinglijst weten dat een classicus een online-lezing zou verzorgen over “Herodotus and the Invention of History”. Het was gratis, het was online en het was toegankelijk voor iedereen. De goede bedoelingen spatten er vanaf en ik wil er ook niet over mopperen. Daarom blog ik er pas nu over. Maar het is wel onzin.

    Geschiedwetenschap

    Kijk, het zit zo. Geschiedenis, d.w.z. het verklaren van gebeurtenissen uit het verleden, is een wetenschap. Net als chemie en astronomie. Maar wetenschappen komen niet kant-en-klaar uit de hemel vallen. Aan de astronomie ging het tastend zoeken vooraf van de astrologen en aan de chemie ging de alchimie vooraf. Pas in de Nieuwe Tijd zijn deze activiteiten van een proto-wetenschappelijk stadium overgegaan naar het wetenschappelijke stadium. Het springende punt is, zoals Rens Bod zo mooi heeft beschreven in Een wereld vol patronen, de reflectie op het proces waarmee we informatie zoeken.

    Dat is met geschiedenis niet anders. Geschiedvorsing werd pas eind negentiende eeuw een serieuze wetenschap. Daarvoor was nodig dat men reflecteerde op het ambacht zelf. Pas rond 1900 zijn historici begonnen een theoretisch kader te ontwikkelen waarmee ze konden spreken over zaken als causaliteit of de gebruikte begrippen. Het maakt immers uit of een woord als “stad” is gedefinieerd, en zo ja of dat een wezensdefinitie is of een omschrijvende definitie, of dat er sprake is van een type, een ideaaltype of een extreemtype, of dat we te maken hebben met familiegelijkenissen. Ik zou nog kunnen toevoegen dat geschiedtheoretici ook hebben nagedacht over de aard van causaliteit, wat al teruggaat tot op de achttiende eeuw, en over de vraag of een abstract begrip (zoals een religie) verklarende kracht kan hebben voor individueel gedrag. Pas toen de geschiedvorsing beschikte over een theoretisch kader, was er sprake van een wetenschap. Dat is niet een nieuwe stap in de geleidelijke ontwikkeling van een bepaald vakgebied, maar een kwalitatieve omslag.

    Om het anders te zeggen: een Edward Gibbon verhoudt zich tot een Henri Pirenne zoals een alchimist tot een chemicus of astrologie tot astronomie. De Grieks-Romeinse geschiedschrijving – een geniale flits als Appianus’ causaliteitsbegrip niet te na gesproken – behoort tot het proto-wetenschappelijke stadium. Herodotos dus ook. Zeggen dat Herodotos een historicus was, is hetzelfde als zeggen dat je niet hoeft na te denken over je methode, dat iedereen geschiedenisboeken kan schrijven en dat we de wetenschappelijke opleidingen kunnen opdoeken.

    Geschiedschrijving

    Nu kun je zeggen: oké, hij staat niet aan het begin van de geschiedwetenschap, maar wel aan het begin van de geschiedschrijving. Maar ook dat is niet waar. Uit het Nabije Oosten kennen we niet alleen koningslijsten, inscripties en kronieken, maar ook verhalende geschiedschrijving. Als het gaat om bijvoorbeeld Herodotos’ causaliteitsbegrip, waarbij menselijke handelingen de vertaling zijn van de goddelijke wil, is de auteur van het Deuteronomistisch Geschiedwerk hem een kleine twee eeuwen vóór.

    Je zou bovendien kunnen verdedigen dat Hekataios van Milete de eerste Griekse geschiedschrijver is geweest. In de Duitse literatuur gebeurt dat ook wel. Hekataios’ werk is echter te fragmentarisch overgeleverd om dit werkelijk zeker te weten.

    Simpel samengevat: Herodotos is noch de eerste geschiedwetenschapper, noch de eerste geschiedschrijver. De opmerking van de Romeinse politicus Cicero dat Herodotos de vader van de geschiedenis zou zijn, wordt in de vakliteratuur weliswaar tot walgens toe herhaald, maar een onwaarheid wordt niet waar door haar tot walgens toe te herhalen. Herodotos is wél de eerste Griekstalige geschiedschrijver wiens werk is overgeleverd. Als hij ergens de grondlegger van is geweest, dan was hij de “vader van de onderzoeksjournalistiek”.

    Prachtauteur

    Dat is niet gering en benadrukt ’s mans nieuwsgierigheid. Ik denk niet dat veel lezers van dit blogje én Griekenland én Oekraïne én Egypte hebben bezocht, maar Herodotos deed dat wel. Hij is de eerste wiens werkwijze, namelijk het journalistieke hoor en wederhoor (of de pretentie van hoor en wederhoor), we denken te begrijpen. Dat is niet gering.

    Ook bewonder ik zijn vertelkunst. Zijn opmerking dat in zijn tijd een bepaald standbeeld nog in Babylon was te zien, behoort tot het manipulatiefste dat ik ooit heb gelezen.noot Voor wie het even niet paraat heeft: Herodotos bezocht Babylon niet, beweert dat ook nergens, maar wekt wel paginalang die indruk. Kortom, ook al was Herodotos geen historicus in de normale zin van het woord, en ook al verschenen de Historiën bijna twee eeuwen na het Deuteronomistisch Geschiedwerk, hij blijft een geweldige auteur.

    #Appianus #begrippen #causaliteit #Cicero #DeuteronomistischGeschiedwerk #EdwardGibbon #HekataiosVanMilete #HenriPirenne #HerodotosVanHalikarnassos #RensBod
  2. Så var det dags! Del ett av fyra, och då är det ändå en förkortad version av klassikern från 1776. En rad kejsare, den ena galnare än den andra, får sina biografier berättade innan en genomgång av kristendomens tidiga historia får stort utrymme.

    #bok #edwardgibbon #romarriket #historia

  3. De vloot van Majorianus

    Majorianus (Valkhof Mmuseum, Nijmegen)

    Niemand reist met de trekschuit, geen industrieel gebruikt een stoommachine, lithografie is vooral leuk als curiosum. De achttiende eeuw is in veel opzichten voorbij, maar de inmiddels twee eeuwen verouderde History of the Decline and Fall of the Roman Empire van Edward Gibbon wordt nog geciteerd alsof dat het Woord Gods is. Menig Wikipedia-artikel is verschlimmbessert doordat correcte informatie werd vervangen door verwijzingen naar een boek uit 1776.

    Keizer Majorianus

    Elk nadeel heeft echter een voordeel: keizer Majorianus, aan wie Gibbon enkele positieve zinnen wijdt, is iets minder onbekend dan de andere heersers van zijn tijd. Gibbon prijst Majorianus’ energie en het is niet moeilijk te zien waarom, want toen deze keizer aantrad was het gezag van het westelijke keizerlijke hof beperkt tot Italië en Illyricum, en Majorianus deed zijn best het machtsbereik te herstellen.

    Hij trad aan in 457. In enkele jaren tijd versloeg hij de Alamannen, rukte hij op naar de Provence om Arles te beschermen tegen een aanval door opstandige Visigoten en vervolgens bracht hij de Languedoc terug onder keizerlijk gezag. Daarna vergrootte hij zijn greep op Iberië en heroverde een van zijn officieren Sicilië. Zelf heroverde hij Lyon op de Bourgondiërs, waarna hij Aegidius aanwees als gezaghebber in Gallië. Deze begon met Majorianus’ goud nieuwe bondgenoten te werven, en de vondst van de Schat van Lienden bewijst dat het herstelde netwerk zich uitstrekte via een Frankische middleman, vrijwel zeker Childerik, tot in het Nederlandse rivierengebied.

    Ondertussen bestreed Majorianus corruptie, herstelde hij de staatsinstellingen en herzag hij de belastingen. Sidonius Apollinaris en Prokopios prijzen hem omdat hij (fiscaal) zachtmoedig was voor zijn onderdanen, omdat hij de schrik van zijn vijanden was en omdat hij in deugd iedereen overtrof – een oordeel dat Gibbon dus overnam.

    Het einde van Majorianus

    Ondanks alle successen had hij vijanden gemaakt. Buitenlandse vijanden natuurlijk, die zonnen op wraak. Maar ook binnenlandse, zoals generaal Ricimer en de senatoren die belasting moesten betalen. Majorianus lijkt het onvoldoende in de gaten te hebben gehad, want in 460 was hij bezig om het keizerlijk gezag over Iberië te herstellen, zodat hij niet goed wist wat er gebeurde in Italië. In de winter bouwde hij in het zuidoosten van Spanje een vloot, waarmee hij wilde afrekenen met de Vandalen, die een zelfstandig koninkrijk hadden in de Maghreb. Hun koning Geiserik vernam echter via een verrader van Majorianus’ plannen en schakelde in mei 461 de vloot uit voordat die kon oversteken.

    Dit was de mislukking waarop zijn vijanden hadden gehoopt. In de zomer van 461 liet Ricimer Majorianus arresteren en executeren. Daarna plaatste hij Libius Severus op de troon, die in elk geval in Gallië niet werd erkend: Aegidius begon er voor zichzelf.

    Zeeslag

    Tot zover het verhaal van Majorianus, die dus regeerde van 457 tot 461. Ik noem hem omdat er momenteel een intrigerende archeologische speculatie is over zijn regering.

    De vloot die hij in Spanje bouwde om de Vandalen te bestrijden, lag volgens de contemporaine Spaanse auteur Hydatius in de provincie Hispania Carthageniensis, vernoemd naar de hoofdstad Carthago Nova ofwel Cartagena. Daarom staat de vernietiging wel bekend als de zeeslag bij Cartagena, hoewel Hydatius eigenlijk een wijder gebied aanwijst. Het intrigerende aspect is nu dat ruim een eeuw na de gebeurtenissen bisschop Marius van Avenches (in Zwitserland) schreef dat het gevecht had plaatsgevonden in Ilici ofwel Elche.

    Louter als tekst bekeken is er geen tegenspraak tussen de twee bronnen: Elche lag in de provincie die Hydatius noemt. Zo bezien kunnen beide auteurs gelijk hebben. Dan moet Elche echter wel aan zee liggen, en dat is niet het geval. We kunnen nu twee dingen doen:

    • óf de informatie negeren die we vinden bij Marius (een eeuw later en 1500 kilometer verderop)
    • óf een hulphypothese introduceren, namelijk dat de slag niet plaatsvond in Ilici maar in Portus Ilicitanus, de “haven van Elche” ofwel Santa Pola.

    Dit laatste is gebruikelijk, maar er zijn bezwaren. Om te beginnen is er dus een hulphypothese nodig, wat nooit een aanbeveling is in een wetenschappelijke redenering. Bovendien ligt de stad, ten noordoosten van Cartagena, verder van de Maghreb. Wie hier zou vertrekken, moet een langere zeereis maken en neemt dus extra risico.

    En nu is er ineens een derde stukje bewijs. Niet ver van Águilas, ten zuidwesten van Cartagena, ligt een baai die uitstekend kan hebben gediend als de plaats waar de Romeinse keizer zijn vloot kan hebben verzameld. Ook is de plek gunstiger gelegen ten opzichte van de Maghreb. De regio was lange tijd verlaten, maar rond het midden van de vijfde eeuw is er ineens grootschalige bouwactiviteit. Een van de werkhypothesen is nu dat Águilas, dat ligt in de door Hydatius genoemde provincie en, anders dan het door Marius van Avenches genoemde Elche, ligt aan zee, de plek is geweest waar Majorianus zijn vloot verzamelde. Het gevaar bestaat nu dat de archeologen de vondsten naar die hypothese toe interpreteren, maar wie weet, wie weet.

    #Aegidius #Águilas #Childerik #EdwardGibbon #Elche #Geiserik #Hydatius #LibiusSeverus #Lienden #Majorianus #MariusVanAvenches #Prokopios #Ricimer #SchatVanLienden #SidoniusApollinaris #Vandalen
  4. Een metafoor voor het verleden

    Aristoteles (Huis van de Europese Geschiedenis, Brussel)

    Zonder Aristoteles zouden we geen debat hebben gehad over de val van het Romeinse Rijk, schreef ik geen blogjes over de Eerste Tussenperiode en hoefden we ook de Zeevolkencrisis niet te bediscussiëren. Hadden wetenschappers daarentegen wat meer Ovidius gelezen, dan was ons een hoop bespaard gebleven. Helaas is het niet zo en nou zitten we dus met de brokken.

    Groei, bloei en neergang

    De moeilijkheid is te illustreren aan de hand van een van Aristoteles’ bekendste werken, de Poëtika, waarvan het overgeleverde deel is gewijd aan tragedies. (Een slothoofdstuk over komedies ontbreekt.) De auteur beschrijft hoe het genre zich stap voor stap ontwikkelde, tot het zijn eindvorm bereikte. Aristoteles gebruikt dus een botanische metafoor: de tragedie groeide steeds meer naar wat de filosoof beschouwde als natuurlijk einddoel.

    Griekse en Romeinse auteurs gebruikten dezelfde metafoor als het ging om beeldende kunst. Die groeide en bloeide tot ze de klassieke vorm had bereikt. Uit de lucht gegrepen was deze wijze van beschrijven niet: denk maar aan de ontwikkeling van de archaïsche kouroi naar de klassieke beeldhouwkunst van de vijfde en vierde eeuw. Maar nu het probleem: als je eenmaal werkt met de organische metafoor van groei en bloei, dan is de volgende fase die van neergang. Cessavit ars, schrijft Plinius de Oudere, “de kunst hield op te bestaan”. Gelukkig – voor Plinius althans – volgde op de herfst en winter van de kunst weer een nieuwe lente, die kunsthistorici weleens aanduiden als neoclassicisme.

    De metafoor van groei, bloei en verval is hardnekkig gebleven. Laat-Romeinse historici gebruikten die voor Republiek, het vroege Keizerrijk en de periode die wij de Crisis van de Derde Eeuw noemen, zodat ze de vierde eeuw konden aanduiden als een nieuw begin. En de metafoor bleef het ook na de Oudheid goed doen. Het vijftiende-eeuwse idee van een “renaissance” veronderstelt een Romeinse bloeitijd, een middeleeuwse winter en een nieuw begin, letterlijk een wedergeboorte.

    En zo zijn latere geschiedkundigen in de val gelopen die Aristoteles ongewild had opengezet. Montesquieu en Gibbon schreven in de achttiende eeuw over een neergang van het Romeinse Rijk, hoewel de Romeinen de vierde eeuw zeker niet zo hebben ervaren. Toen de negentiende-eeuwse oudheidkundigen na de ontcijfering van de hiëroglyfen de geschiedenis van Egypte reconstrueerden, zagen ze af van het antieke beeld van een opeenvolging van een stuk of dertig dynastieën, maar onderscheidden ze bloeitijden (Oude Rijk, Middenrijk, Nieuwe Rijk) en eeuwen van verval (de Tussenperioden). Het einde van de Bronstijd werd opgevat als een enorme crisis, die de oudheidkundigen ophingen aan de migratie van de Zeevolken. Het is de verdienste van latere oudheidkundigen dat ze bewezen dat er in deze “vervaltijden” minstens zo veel continuïteit als verandering was.

    Structuur en continuïteit

    Begrijp me niet verkeerd: die veranderingen waren er wél. De “val” van Rome mag dan geen “val” zijn geweest, het zegt natuurlijk wel iets als je hoofdstad in een eeuw tijd driemaal wordt geplunderd en als er een demografische neergang is. En ik zou niet graag in twaalfde-eeuws Enkomi hebben gewoond. Er zijn natuurlijk volop dingen veranderd. Maar niet elke verandering kun je zomaar typeren als een neergang of een breuk. Ging het Hittietenrijk “ten onder” of was er sprake van decentralisatie?

    Ik denk dat we beter kunnen zeggen: alles verandert voortdurend. All is flux. Wie een andere metafoor zoekt, zou Ovidius’ Metamorfosen kunnen nemen: daarin is de hele schepping voortdurend aan het veranderen is. Maar je kunt natuurlijk ook gewoon het probleem verwoorden met het instrumentarium van de sociale wetenschappen: alles verandert, maar soms veranderen ook de structuren. Dat heet dan een breuk in de geschiedenis. Of een stroomversnelling, om een hydrologische metafoor te gebruiken.

    We zouden wat meer moeten kijken naar de wijze waarop we de continuïteit en discontinuïteit van een historische structuur vaststellen. En nu oudheidkundigen, na de “linguistic turn” in de sociale wetenschappen, anders moeten denken over het structuurbegrip, is daarvoor de situatie eigenlijk gunstiger dan ooit.

    Ouwe, dooie Griekse man

    En overigens: we zien hier dat het nadenken over een ouwe, dooie Griekse man zo nu en dan nuttig is. Het doet je begrijpen (hoop ik) welke mal je eigen denken gedachten helpt vormen. Anders gezegd, kennis van de Griekse cultuur helpt je zo nu en dan (en minder vaak dan oudheidkundigen claimen) doorgronden waarom je denkt zoals je denkt. En als je dat snapt, kun je je ervan losmaken en betere gedachten gaan formuleren. De geesteswetenschappen zijn best zinvol.

    [De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

    Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

    Zelfde tijdvak


    Edward Gibbon (1)

    juli 29, 2019
    De zeven regels van Johann Jakob Wettstein

    april 4, 2022
    Gevelstenen

    maart 20, 2016 Deel dit:

    #aristoteles #charlesDeMontesquieu #edwardGibbon #eersteTussenperiode #linguisticTurn #metafoor #pliniusDeOudere #publiusOvidiusNaso #structuur #valVanHetRomeinseRijk #zeevolken

  5. "Instead of writing because he had something to say, he began life with a determination to write a Book of some kind or other."

    John Horne Tooke (1736-1812) on Edward Gibbon (1737-1794), quoted in Samuel Rogers, Tabletalk & Recollections.

    #SamuelRogers #JohnHorneTooke #EdwardGibbon

  6. “The winds and waves are always on the side of the ablest navigators.”
    ― Edward Gibbon en.wikipedia.org/wiki/Edward_G

    #Bot #Quote #FamousQuotes #EdwardGibbon

  7. “The winds and waves are always on the side of the ablest navigators.”
    ― Edward Gibbon en.wikipedia.org/wiki/Edward_G

    #Bot #Quote #FamousQuotes #EdwardGibbon

  8. “The winds and waves are always on the side of the ablest navigators.”
    ― Edward Gibbon en.wikipedia.org/wiki/Edward_G

    #Bot #Quote #FamousQuotes #EdwardGibbon

  9. History is indeed little more than the register of the crimes, follies and misfortunes of mankind.

    – #EdwardGibbon #Quote

Share on Mastodon

Enter the server where you have an account.